← Table of contents
De drie steden

NEGENDE HOOFDSTUK (continued 2)

Willem Jacob Aarland Roldanus translation

Dan wendde zij zich met haar gewone familiariteit tot den prins, die op een fauteuil lag te glimlachen.

“Zeg, dat meisje, die Pierina, is niet meer teruggeweest, maar ik heb haar tusschen de puinhoopen zien sluipen.”

Met een gebaar legde Dario haar het zwijgen op en wendde zich nu tot den priester.

“Maar u hebt toch met haar gesproken. Het wordt toch eigenlijk te gek … Stel je voor, dat die woesteling van een Tito zijn mes in mijn anderen schouder komt steken!”

Plotseling zweeg hij; hij zag Benedetta voor zich staan, die ongemerkt binnengekomen was, om hem goeden nacht te zeggen. Hij werd erg verlegen, wilde iets zeggen, een verklaring geven, haar zijn volkomen onschuld in dit avontuur bezweren. Maar zij glimlachte en zeide slechts liefdevol:

“Ik ken je geschiedenis, Dario. Je begrijpt toch wel, dat ik niet zoo dom ben, of ik heb erover nagedacht en het begrepen … Dat ik er niet verder naar gevraagd heb, komt alleen, omdat ik alles wist en toch van je hield.”

Zij was zoo gelukkig; zij had dien avond vernomen, dat monsignor Palma, de verdediger van het huwlijk in haar echtscheidingsproces, zich voor den aan zijn neef bewezen dienst dankbaar had betoond door een voor haar gunstige memorie in te dienen. Niet dat de prelaat, die niet gaarne zijn eigen woorden herroepen wilde, zich geheel aan haar zijde geschaard had, maar de verklaringen der beide geneesheeren hadden hem toch in staat gesteld tot een zekeren maagdelijken staat te concludeeren, en hij had, heenglijdend over het feit, dat de niet voltrekking van het huwlijk haar oorzaak vond in den tegenstand der vrouw, de feiten zóó handig gegroepeerd, dat zij een nietigverklaring noodzakelijk maakten. Daar iedere hoop op toenadering vergeefsch was, stond het vast, dat de echtgenooten in voortdurend gevaar verkeerden tot onkuischheid te vervallen. Hij maakte een discrete toespeling op den echtgenoot, als om aan te toonen, dat deze reeds onder die verleiding bezweken was, om dan de hooge moraliteit der vrouw, haar vroomheid, alle deugden, die een waarborg vormden voor haar waarheidsliefde, te prijzen. Zonder het met zoovele woorden te zeggen, refereerde hij zich aan de wijsheid der congregatie. Maar daar monsignor Palma ongeveer de argumenten van advocaat Morano herhaalde en Prada er hardnekkig bij bleef niet te verschijnen, scheen het aan geen twijfel onderhevig of de congregatie zou met een groote meerderheid tot de nietigverklaring adviseeren, zoodat de Paus deze zou kunnen uitspreken.

“Nu zijn we tenminste aan het eind van onzen lijdenstocht, Dario! Maar wat een geld heeft het gekost! Tante zegt, dat we nauwlijks droog brood en water over hebben!”

Zij lachte met de heerlijke zorgeloosheid van een hartstochtelijk verliefde vrouw. Niet dat een proces voor de congregatie zoo kostbaar was, want in principe waren die kosteloos. Maar er waren oneindig veel kleine onkosten, alle ondergeschikte beambten, de medische deskundigen, de afschriften, de memories, de pleidooien. Bovendien, ook al kocht men natuurlijk de stemmen der kardinalen niet, zoo kwamen toch enkele stemmen op groote sommen te staan, wanneer men op de omgeving van Hunne Eminenties invloed wilde uitoefenen, afgezien nog van het feit, dat groote geldgeschenken in het Vaticaan, wanneer zij met takt gegeven worden, de grootste moeilijkheden uit den weg ruimen. En ten slotte had de neef van monsignor Palma veel gekost.

“Als ze ons, nu je weer genezen bent, maar gauw laten trouwen, dat is het eenige, wat we hun vragen, niet waar, Dario?… Als ze willen, zal ik hun nog mijn paarlen geven, het eenige vermogen, dat ik nog bezit.”

Ook hij lachte, want geld had in zijn leven nooit een rol gespeeld. Hij had nooit zooveel gehad als hij wel wilde, hij hoopte eenvoudig steeds bij zijn oom, den kardinaal, te kunnen wonen, die het jonge paar niet op straat zetten zou. Bij hun ruïne beteekenden honderd, of tweehonderd duizend francs niets voor hem; hij had wel hooren zeggen, dat sommige echtscheidingen meer dan vijfhonderd duizend francs gekost hadden. Hij antwoordde dan ook schertsend:

“Geef hun ook mijn ring, geef hun alles, lieveling; wij zullen in dit oude paleis heel gelukkig leven, ook al moesten wij de meubels verkoopen.”

In haar geestdrift nam zij zijn hoofd tusschen haar beide handen en kuste hem in een opwelling van grooten hartstocht op zijn beide oogen.

Dan wendde zij zich plotseling tot Pierre:

“O, neem me niet kwalijk, mijnheer de abbé, ik had nog een boodschap voor u ook … Ja, van monsignor Nani, die ons daarnet de blijde tijding gebracht heeft; hij heeft mij opgedragen u te zeggen, dat u u te veel op den achtergrond houdt, dat u meer moet werken voor de verdediging van uw boek.”

Verbaasd luisterde Pierre naar haar.

“En juist hij heeft me aangeraden mij zoo weinig mogelijk te laten zien.”

“Dat is zoo. Maar het schijnt, dat het oogenblik nu gekomen is, dat u de menschen opzoeken, uw zaak bepleiten, u roeren moet in één woord! En nog iets: hij is ook den naam van den rapporteur te weten gekomen, aan wien men opgedragen heeft uw boek te onderzoeken. Het is monsignor Fornaro, die op de piazza Navona woont.”

Pierre voelde zijn verbazing grooter worden. Het gebeurde nooit, dat de naam van een rapporteur bekend werd, deze bleef geheim om het oordeel zoo vrij mogelijk te houden. Zou een nieuwe phase in zijn verblijf te Rome beginnen?

“Ik dank u zeer,” antwoordde hij eenvoudig. “Ik zal handelen en iedereen bezoeken.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings