ZESTIENDE HOOFDSTUK (continued 2)
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
Plotseling ontwaakte in hem weer de gedachte, die hem reeds zoo menigmaal verontrust had, dat de van Azië uitgegane menschheid steeds weer in de richting der zon voortgeschreden was. Een Oostenwind had steeds gewaaid en het menschelijk zaad voor de toekomende oogsten naar het Westen medegevoerd. En sedert lang hadden verwoesting en dood de wieg getroffen, alsof de volkeren slechts etappegewijze vooruit konden gaan, terwijl zij den uitgeputten bodem, de verwoeste steden, de gedecimeerde en ontaarde bevolkingen achter zich lieten, hoe verder zij van het Oosten naar het Westen, naar het onbekende doel gingen. Ninive en Babylon aan de oevers van den Euphraat, Thebe en Memphis op den oever van den Nijl, waren in puin gevallen, van ouderdom en moeheid in een verdooving verzonken, waaruit geen ontwaken mogelijk was. Vandaaruit had deze aftakeling de kusten van het groote Middellandsche meer bereikt en Tyrus en Sidon onder het stof der eeuwen begraven, om daarna het in zijn volle schittering door ouderdomszwakte overvallen Carthago in slaap te wiegen. Deze voorwaarts schrijdende menschheid, die door de verborgen kracht der beschavingen zoo van het Oosten naar het Westen gedreven werd, gaf haar dagreizen aan door bouwvallen. Welk een vreeselijke onvruchtbaarheid bezit thans die wieg der geschiedenis, dit Azië, dit Egypte, die, tot het stamelen van het kind teruggekeerd, onbeweeglijk, in onwetendheid en verval neerliggen op de puinhoopen der oude hoofdsteden, die vroeger de wereld beheerschten!
In het voorbijrijden, midden in zijn gepeins, kreeg Pierre het gevoel, dat de in donkerte gedompelde Palazzo di Venezia onder een aanval uit het onzichtbare scheen in te storten. De nevel had zijn tinnen bedekt, en de hooge, kale muren bogen onder den druk der toenemende duisternis. Dan na het diepe gat van den Corso, die ook eenzaam in het witachtig licht der booglampen lag, doemde rechts van hem de palazzo Torlonia op, waarvan de eene vleugel door het houweel van den slooper groote bressen vertoonde, terwijl links de donkere gevel van den palazzo Colonna zijn gesloten ramen aan elkander rijde, alsof hij, door zijn meesters verlaten en beroofd van zijn vroegere pracht, op zijn beurt de sloopers verwachtte.
Terwijl het rijtuig langzamer de Via Nazionale op begon te rijden, zette Pierre zijn gepeins voort. Had de verwoesting, die de voorwaarts schrijdende volkeren steeds achter zich lieten, ook Rome niet aangegrepen? Was ook zijn uur niet gekomen, om te verdwijnen? Griekenland, Athene en Sparta sliepen onder hun roemrijke herinneringen, telden in de tegenwoordige wereld niet meer mede. Het Zuiden van het Italiaansche schiereiland was reeds door de verlamming aangetast. Nu was, tegelijk met Napels, Rome aan de beurt. Het lag op de grens der besmetting, op den rand van de doodsvlek, die zich steeds verder over het oude vasteland uitbreidt, op den rand, waar de doodsstrijd begint, waar de uitgeputte bodem geen steden meer voeden of dragen wil, waar de menschen zelf reeds bij hun geboorte oud schijnen te zijn. Sedert twee eeuwen takelde Rome af, trok het zich langzamerhand uit het moderne leven terug, had het zijn handel en industrie verloren, bezat het zelfs geen wetenschap, kunst en letterkunde meer. En het was niet alleen de St. Pieter, die steeds meer afbrokkelde en, zooals vroeger de tempel van Juppiter Capitolinus, het gras met zijn puin bezaaide, maar in zijn duister, pijnlijk gedroom stortte geheel Rome met een laatste gekraak in en bedekte de zeven heuvelen met den chaos van zijn kerken, paleizen en nieuwe wijken, die onder distels en doornen sliepen. Evenals Ninive en Babylon, evenals Thebe en Memphis was Rome niet meer dan een kale, door bouwvallen hobbelig gemaakte vlakte, te midden waarvan men vergeefs de plaats der gebouwen trachtte te herkennen en waarin slechts kronkelende slangen en benden ratten huisden.
Het rijtuig maakte een bocht en Pierre herkende rechts in een donker gat de zuil van Trajanus. Maar in dit avonduur was zij geheel zwart, als de doode stam van een reuzenboom, welks takken door zijn hoogen ouderdom afgevallen zijn. En toen hij iets verder zijn blik omhoog sloeg, kwam de echte boom, dien hij tegen den loodkleurigen hemel onderscheidde—de piniepijn der villa Aldobrandini, die daar als de gratie en de trots van Rome stond—hem voor als een vuile vlek, als een kleine wolk van stof, die uit de volkomen ineenstorting der stad opsteeg.
Nu, aan het einde van zijn tragischen droom, werd zijn door broederliefde vervuld hart door schrik aangegrepen. Wanneer de door de verouderde wereld voortschrijdende verstijving Rome voorbij zou zijn, wanneer zij zich meester gemaakt zou hebben van Lombardije en Genua, Turijn en Milaan zouden inslapen, zooals thans Venetië reeds slaapt, dan zou eindelijk de beurt aan Frankrijk komen! Zij zou de Alpen overtrekken, Marseille zou zijn havens verzand zien als die van Tyrus en Sydon, Lyon in eenzaamheid en slaap wegzinken, Parijs eindelijk veranderd worden in een onvruchtbaar, met distelen bezaaid veld van steenen en Rome, Ninive en Babylon in den dood volgen, terwijl de volkeren met de eeuwige zon hun tocht van het Oosten naar het Westen voortzetten zouden. Een luide kreet steeg op uit de duisternis, de doodskreet der Latijnsche rassen. De Geschiedenis, die in het bekken der Middellandsche Zee geboren scheen te zijn, verplaatste zich en thans werd de Atlantische Oceaan het middelpunt der wereld. Hoe hoog stond de zon der menschheid? Bevond de menschheid, die van haar wieg, van het Oosten uitgegaan was en van etappe tot etappe haar weg met bouwvallen bezaaide, zich reeds op het midden van den dag, wanneer de middagzon brandt? Dan zou dus de andere helft van den dag beginnen, dan kwam de Nieuwe Wereld in de plaats van de Oude, dan waren de Amerikaansche steden, waar de democratie werd voorbereid, waar de godsdienst van morgen kiemt, de onbeperkt heerschende koninginnen der komende eeuw. En dan kwam, aan de overzijde van den anderen Oceaan, de wieg weer dichter naderend, het onbeweeglijke Verre Oosten, het geheimzinnige China en Japan, het dreigende gele gevaar.
Maar hoe verder het rijtuig de Via Nazionale opklom, des te meer voelde Pierre zijn beklemming wijken. Er woei een lichtere bries, hoop en moed kwamen weer in zijn ziel terug. Toch maakte de Bank met haar leelijke nieuwheid en haar nog vochtige kolossaalheid op hem den indruk van een spook, dat in zijn lijkwade door den nacht wandelt, terwijl boven de schemerachtige tuinen het Quirinaal niet meer was dan een zwarte lijn tegen den nog zwarteren hemel. Maar de straat steeg steeds hooger, en op den top van den Viminalis, op het Thermenplein, toen Pierre langs de puinhoopen van de thermen van Diocletianus reed, kon hij eindelijk uit volle borst adem halen. Neen, neen, de dag der menschheid kon niet eindigen; hij was eeuwig, de etappes der beschaving zouden elkaar zonder einde opvolgen. Wat beteekende die Oostenwind, die de als door de kracht der zon voortgedreven volkeren naar het Westen droeg? Wanneer het noodig was, zouden zij aan de andere zijde van de aardbol terugkomen, zouden zij meermalen de reis om de wereld maken, tot den dag, waarop zij zich in vrede, waarheid en gerechtigheid blijvend zouden kunnen vestigen. Na de volgende beschaving om den Atlantischen Oceaan, die dan het middelpunt en met groote steden omzoomd zijn zou, zou weer een nieuwe beschaving ontstaan; haar middelpunt zou de Stille Oceaan zijn met andere kusthoofdplaatsen, die men nog niet voorspellen kon en wier kiemen nog aan onbekende stranden sluimerden. Dan weer andere, nog andere, steeds andere!
En in deze laatste minuut kwam de moedgevende en reddende gedachte in hem op, dat de groote beweging der menschheid het instinct, de drang zelf was, dien de volkeren voelden, om terug te keeren tot de eenheid. Uitgegaan van één enkele familie, streefden zij, hoewel zij zich later gescheiden en in stammen verdeeld en elkaar met haat en broedermoord vervolgd hadden, ondanks alles ernaar weer één enkele familie te worden. De provincies vereenigden zich tot volkeren, de volkeren vereenigden zich tot rassen, de rassen zouden zich ten slotte tot één onsterfelijke menschheid vereenigen. Eindelijk een menschheid zonder grenzen, zonder oorlog—een menschheid, die van den rechtvaardigen arbeid in algeheele gemeenschap van goederen leeft! Was dat niet de evolutie, het doel van alle werk, de oplossing der Geschiedenis. Moge dus Italië een gezond en krachtig volk zijn, moge eendracht tusschen Italië en Frankrijk ontstaan, moge deze broederschap der Latijnsche rassen het begin der universeele broederschap zijn! O, een eenig vaderland, de aarde in vrede en gelukkig! Hoeveel eeuwen nog? Welk een droom!
In het station, te midden van het gedrang, dacht Pierre niet meer. Hij moest zijn kaartje nemen, zijn bagage laten inschrijven. En onmiddellijk stapte hij in zijn coupé. Overmorgen, bij het aanbreken van den dag, zou hij weer terug zijn in Parijs.
Einde.