← Table of contents
De drie steden

ACHTSTE HOOFDSTUK

Willem Jacob Aarland Roldanus translation

Pierre had de gewoonte aangenomen de ochtenden, dat hij in den palazzo Boccanera bleef, uren door te brengen in den kleinen, verwaarloosden tuin, die vroeger in een soort loggia met zuilengaanderij eindigde, van waar men met een dubbele trap bij den Tiber kwam. Tegenwoordig was het daar een verrukkelijk, eenzaam hoekje, waarin het heerlijk rook naar de rijpe vruchten van de eeuwenoude oranjeappelboomen, welker symmetrische rijen alleen nog de reeds lang onder het onkruid verdwenen voetpaden aangaven. En hij vond er ook den geur der taxisboomen terug, die in het oude, door puin opgevulde middelste bekken opgeschoten waren.

Op die heldere, zoo heerlijk-zachte Octoberochtenden kon men zich hier geheel geven aan een eindelooze levensvreugde. Maar de priester bracht er zijn Noordelijk gepeins mede, zijn kommer om het lijden, zijn voortdurend door naastenliefde gekwelde ziel, die de liefkoozing van het heldere zonlicht in deze wellustige atmospheer voor hem nog zachter maakte. Hij ging gewoonlijk tegen den achtermuur op een stuk van een omgevallen zuil in de donkere, frissche schaduw van een grooten laurierboom zitten. Naast hem liet in de oude, verweerde sarcophaag, waarop wellustige faunen vrouwen schoffeerden, het dunne waterstraaltje, dat uit het in den muur gemetselde tragische masker viel, voortdurend zijn kristalheldere muziek weerklinken. Hij las daar de couranten, zijn brieven, een uitgebreide correspondentie met den goeden abbé Rose, die hem op de hoogte hield van zijn werk, van de ongelukkigen in het sombere, reeds door nevels kille en onder de modder liggende Parijs. O, hoe onbegrijpelijk klonken die berichten over de ellenden van het koude land, over de ellende van de moeders en van de kleinen, die weldra zouden rillen op hun slecht afgesloten dakkamertjes, van de mannen, die straks door de strenge vorst zonder werk zijn zouden, over dien doodsstrijd onder de sneeuw van al die arme menschen, hoe onbegrijpelijk klonken zij in deze warme, met heerlijke vruchtengeuren bezwangerde lucht, in dit land van den blauwen hemel en het dolce far niente, waar men zelfs ’s winters, beschut voor den wind, zoo lekker op de warme steenen slapen kon!

Maar op een ochtend vond Pierre Benedetta op het als bank dienende stuk zuil zitten. Zij gaf een gilletje van verbazing en was een oogenblik verlegen, want zij had toevallig het boek van den priester in haar hand. Het Nieuwe Rome, dat zij reeds eenmaal gelezen had, zonder het echter geheel te begrijpen. Dan echter wilde zij, dat hij naast haar kwam zitten, en vertelde hem met haar gewone openhartigheid, dat zij naar den tuin gekomen was, om alleen te zijn en als een onwetende leerling zijn boek te bestudeeren. Zij praatten als vrienden; het was voor Pierre een heerlijk uurtje.

Hoewel zij het vermeed over zichzelf te praten, voelde hij toch, dat haar verdriet haar nader tot hem bracht, als had het lijden haar hart grooter gemaakt, zoodat zij zich nu het lot van allen, die leden, aantrok. In haar patriciërstrots, die de hiërarchie als een goddelijke wet beschouwde, had zij nooit aan die dingen gedacht. De gelukkigen waren boven, de ongelukkigen beneden, zonder dat eenige verandering daarin mogelijk was. En met welk een verbazing had zij bij sommige bladzijden gevoeld, welk een moeite het haar kostte zich erin te denken! Wat? Zich interesseeren voor het mindere volk, gelooven, dat het dezelfde ziel, hetzelfde verdriet had, zich moeilijk maken voor zijn vreugde als voor die van een broeder? Toch trachtte zij het, maar zonder veel succes; heimelijk was zij bang een zonde te begaan, want het is het beste niets te veranderen aan de door God ingestelde en door de Kerk bekrachtigde maatschappelijke orde. Zeker was zij weldadig, gaf de gewone kleine aalmoezen, maar zij gaf niet haar hart; altruïsme en werkelijk medegevoel ontbraken haar te eenenmale. Zij was geboren en opgegroeid in het atavisme van een geheel ander ras, dat ook in den hemel zijn tronen boven het plebs der uitverkorenen bezit.

Nog menigmaal vonden zij elkaar in de schaduw van den laurierboom dicht bij de zingende fontein terug, en Pierre, die niets te doen had en het moe werd te wachten op een oplossing, die van uur tot uur uitgesteld scheen te worden, spande al zijn krachten in, om deze jonge, mooie, in haar liefde stralende vrouw met zijn bevrijdende naastenliefde te bezielen. In het bijzonder bleef één gedachte hem voortdurend ontvlammen—de gedachte, dat hij Italië zelf zou bekeeren, de in haar onwetendheid nog sluimerende koningin der schoonheid, die haar vroegere grootte terug zou vinden, als zij met een grootere ziel, vol medelijden voor de dingen en wezens, ontwaken zou tot het begrip der nieuwere tijden. Hij las haar de brieven van den goeden abbé Rose voor, hij deed haar beven onder den snik, die uit de groote steden opsteeg. Waarom zou zij, daar zij toch zulke diep-teedere oogen had, daar van haar geheele persoonlijkheid het geluk om te beminnen en bemind te worden uitstroomde, niet met hem erkennen, dat de wet der liefde het eenige heil der lijdende, door haat in doodsgevaar geraakte menschheid was? Zij erkende het, zij wilde hem het genoegen doen te gelooven aan de democratie, aan de broederlijke hervorming der maatschappij, maar bij de andere volkeren, niet te Rome. Onwillekeurig kwam een zacht glimlachje om haar lippen, zoodra hij het visioen voor haar opriep, dat wat er van Trastevere over was broederlijk samen gaan zou met wat er van de oude vorstelijke paleizen over was. Neen, neen! Dat was al sedert te lang zoo, aan die dingen moest men niets veranderen. In één woord de leerling maakte slechts weinig vorderingen, zij werd alleen getroffen door den hartstocht van lief te hebben, die in dezen priester zoo heftig brandde, en dien hij in zijn kuischheid afgewend had van het schepsel, om hem over te brengen op de geheele schepping. Gedurende die enkele zonnige Octoberochtenden werd er tusschen deze twee een kostelijke band gelegd; in de groote liefde, waardoor zij beiden verteerd werden, hadden zij elkaar lief met een diepe, reine liefde.

Dan op een dag begon Benedetta, die met haar elleboog op den sarcophaag leunde, te spreken over Dario, wiens naam zij tot dusverre vermeden had te noemen. O, wat had hij een berouw getoond na zijn aanval van brutalen waanzin. Eerst was hij, om zijn schaamte te verbergen, drie dagen naar Napels gegaan, waarheen, naar men beweerde, Tonietta, het aanminnige meisje met de ruikers witte rozen, die dol verliefd op hem geworden was, hem dadelijk gevolgd had. Na zijn terugkeer in het paleis vermeed hij het alleen te zijn met zijn nicht, zag hij haar eigenlijk alleen op de Maandagsche receptieavonden, wanneer zijn oogen haar om vergiffenis smeekten.

“Gisteren,” vertelde zij verder, “ben ik hem op de trap tegengekomen. Ik heb hem een hand gegeven, waaruit hij begreep, dat ik niet boos meer ben. Hij was er zoo gelukkig door … Och, wat zal ik u zeggen. Je moet niet zoo lang streng zijn. En bovendien ben ik bang, dat hij zich ten slotte compromitteeren zou, als hij zich, om afleiding te zoeken, te veel met haar afgaf. Hij moet weten, dat ik hem nog altijd liefheb, dat ik nog altijd op hem wacht … O, hij is van mij, van mij alleen. Hij zou dadelijk voor eeuwig in mijn armen liggen, als ik één woord zeggen kon. Maar onze zaak staat er slecht, heel slecht voor!”

Zij zweeg, twee dikke tranen stonden in haar oogen. Inderdaad scheen er in het proces tot nietigverklaring van het huwlijk geen voortgang te komen, daar zich steeds weer nieuwe hinderpalen voordeden.

Pierre werd zeer ontroerd door die tranen, welke bij haar zoo weinig voorkwamen. Dikwijls erkende zij met haar kalmen glimlach, dat zij niet huilen kon. Maar haar hart was nu week; een oogenblik leunde zij als vernietigd op den bemosten, door het water weggevreten sarcophaag, terwijl het dunne waterstraaltje met parelende fluittoontjes uit den open mond van het tragische masker stroomde. Maar voor den geest van den priester rees plotseling de gedachte aan den dood op, toen hij haar, de jonge, van schoonheid stralende vrouw half bewusteloos worden zag op den rand van den sarcophaag, waar de faunen, die zich in een razend bacchanaal op de vrouwen wierpen, de almacht der liefde verkondigden, het symbool waarvan de Ouden zoo gaarne op de graftomben beeldhouwden als een bewijs van de eeuwigheid des levens. Een licht, zacht briesje streek door de zonnige, stille eenzaamheid van den tuin en voerde den doordringenden geur der oranjeappelen en taxisboomen mede.

“Wanneer men liefheeft, is men sterk!” prevelde hij.

“Ja, ja, u hebt gelijk,” antwoordde zij, reeds weer glimlachend. “Ik ben nog maar een kind … Maar daar is uw boek de schuld van. Ik begrijp het pas goed, wanneer ik lijd … Maar toch maak ik vorderingen, niet waar? Laten, nu u het wilt, alle armen mijn broeders en alle vrouwen, die verdriet hebben als ik, mijn zusters zijn!”

Gewoonlijk ging Benedetta het eerst weer naar haar kamer terug en bleef Pierre dan, alleen onder den laurierboom, nog wat toeven in den zachten geur der jonge vrouw. Hij droomde dan verward van prettige en droeve dingen. Wat was het leven hard voor arme wezens, die door den eeuwigen dorst naar geluk gekweld worden! Over hem had de stilte zich nog uitgebreid, het geheele oude paleis met de binnenplaats, waarop het gras welig opschoot, en die omgeven was door haar doode zuilengaanderij, waarin de opgegraven marmeren beelden, een armlooze Apollo en de afgebroken romp van een Venus, verweerden, sliep zijn zwaren ruïne-slaap, en deze doodsche stilte werd slechts nu en dan verbroken door het plotselinge ratelen van den karos van een prelaat, die een bezoek kwam brengen aan den kardinaal.

Op een Maandag bevonden zich tegen kwart over tienen in den salon van donna Serafina slechts de jongelui. Monsignor Nani had slechts even zijn opwachting gemaakt, terwijl kardinaal Sarno juist vertrokken was. Bij den schoorsteen zat donna Serafina op haar gewone plekje als afgezonderd; haar blikken staarden naar de onbezette plaats van advocaat Morano, die nog steeds weggebleven was. Voor de canapé, waarop Benedetta en Celia zaten, stonden Dario, abbé Pierre en Narcisse Habert te praten en te lachen. Narcisse plaagde voortdurend den jongen prins, dien hij beweerde in gezelschap van een heel mooi meisje gezien te hebben.

“Maar ontken het toch niet, mijn waarde, zij was werkelijk een prachtstuk … Zij liep naast je en jullie gingt samen een verlaten straatje in, den Borgo Angelico geloof ik. Uit bescheidenheid ben ik jullie niet verder nagegaan.”

“Zeker, zeker, ik was het, ik ontken het niet … Maar het is toch heel iets anders dan je denkt.”

En zich tot Benedetta wendend, die eveneens zonder een zweempje van ongeruste jaloezie glimlachte:

“Het was dat arme meisje, je weet wel, dat ik onlangs in tranen gevonden heb, een week of zes geleden, denk ik … Ja, die parelenwerkster, die zoo huilde, omdat ze geen werk meer had, en toen ik haar wat geld wilde geven, hard voor me uit liep, om me naar haar ouders te brengen … Pierina, je herinnert je nog wel?”

“Pierina, ja zeker!”

“Welnu, stel je voor, na dien tijd ben ik haar een keer of vier, vijf op straat tegengekomen. En het is zoo, zij is zóó zeldzaam mooi, dat ik een oogenblikje met haar heb staan praten … Onlangs heb ik haar bij een fabrikant gebracht. Maar zij heeft nog geen werk kunnen vinden en zij begon weer te huilen, en waarachtig ik heb haar toen, om haar wat te troosten, een zoen gegeven … Zij was er zoo gelukkig door!”

Allen lachten om het verhaal. Celia was de eerste, die weer kalm werd. En met een zeer ernstige stem zeide zij:

“Dario, zij houdt van je, dat begrijp je toch. Je moet niet zoo slecht zijn.”

Ongetwijfeld was Dario van dezelfde meening, want hij keek opnieuw Benedetta aan en schudde vroolijk zijn hoofd, als wilde hij zeggen, dat, al mocht zij van hem houden, hij niet van haar hield. Een parelwerkster, een meisje uit het lagere volk, o, neen! Zij kon een Venus zijn, maar een maîtresse, neen, dat was niet mogelijk! Hij had zelf veel pleizier in het romantische avontuur, waarop Narcisse dadelijk een sonnet maakte: “De schoone parelwerkster wordt tot stervens toe verliefd op den jongen prins, die, mooi als de dag, voorbijkomt en die haar, geroerd door haar ongeluk, een geldstuk gegeven heeft; de schoone parelwerkster, diep in haar hart getroffen, daar hij even milddadig als mooi is, droomt nog slechts van hem, volgt hem overal, een vlammenband bindt haar aan zijn schreden; de schoone parelwerkster, die het geldstuk geweigerd heeft, vraagt met haar onderworpen, liefdevolle oogen als aalmoes het hart van den jongen man, dat hij haar op een avond genadig schenkt.” Het woordenspel viel zeer in den smaak van Benedetta, maar Celia, die er met haar engelachtig gezichtje als een klein meisje uitzag, dat eigenlijk nog niets weten moest, bleef zeer ernstig en herhaalde droevig:

“Dario, ze houdt van je, je moet haar niet laten lijden.”

Nu werd ook de contessina door medelijden bewogen.

“Zij zijn niet gelukkig, die arme menschen!”

“O,” riep de prins uit, “een ellende, om niet te gelooven! Den dag, dat zij me medegenomen heeft naar de Prati del Castello, dacht ik te zullen stikken. Het is verschrikkelijk, ongelooflijk verschrikkelijk!”

“Maar ik herinner me,” antwoordde zij, “dat wij het plan gemaakt hebben naar hen toe te gaan, het is heel slecht, dat we het nog niet gedaan hebben … U wilde immers met ons mede gaan, mijnheer de abbé, voor uw studies en om op die wijze de arme bevolking van Rome van nabij te zien.”

Zij keek op naar Pierre, die sedert eenige oogenblikken zweeg. Het trof hem zeer, dat deze barmhartige gedachte weer bij haar opkwam, want hij voelde aan het even beven van haar stem, dat zij daarmede ook wilde laten blijken, dat zij een gedweeë leerlinge was, die vorderingen maakte in de liefde tot de ongelukkigen en armen. Onmiddellijk trouwens had de hartstocht voor zijn apostolaat zich weer meester van hem gemaakt.

“O,” zeide hij, “ik zal Rome niet verlaten, voordat ik het lijdende, werk- en broodlooze volk gezien heb. Voor alle naties ligt daarin de ziekte, en redding kan slechts komen van de genezing der ellende. Wanneer de wortels van den boom geen voedsel krijgen, sterft de boom.”

“Welnu, we zullen dadelijk afspreken, u gaat morgen met ons naar de Prati del Castello … Dario zal ons er brengen.”

Deze, die met een verbijsterd gezicht naar den priester geluisterd had, zonder het beeld van den boom en zijn wortels goed te begrijpen, protesteerde.

“Neen, neen, waarde nicht, leid jij er mijnheer den abbé rond, als je daar lust in hebt … Ik ben er eens geweest, maar ik ga er nooit meer naar terug. Toen ik weer thuis kwam, moest ik bijna naar bed, zoo draaide alles in mij om … Neen, neen het is te vreeselijk, zulke afschuwlijkheden zijn gewoon ongelooflijk.”

Op dat oogenblik kwam een ontevreden stem uit het hoekje bij den schoorsteen. Donna Serafina verbrak haar lang stilzwijgen.

“Dario heeft gelijk! Zend er je aalmoes naar toe, beste kind, ik zal er graag de mijne bijvoegen … Er zijn heel wat bezienswaardiger plekken, waar je mijnheer den abbé kunt brengen … Je zult waarachtig zorgen, dat hij een mooie herinnering aan onze stad medeneemt!”

De Romeinsche trots klonk uit haar slechte luim. Waartoe diende het de wonden der stad te laten zien aan de vreemdelingen, die hier misschien alleen met een vijandige nieuwsgierigheid kwamen. Rome moest altijd mooi zijn, men moest Rome alleen in den praal van zijn roem laten zien.

Maar Narcisse had zich van Pierre meester gemaakt.

“Ja, mijn waarde, dat is waar ook, ik heb heelemaal vergeten u die wandeling aan te raden … U moet beslist de nieuwe wijk zien, die men in de Prati del Castello gemaakt heeft. Die is heel typisch en als het ware een samenvatting van de andere; u zult zien, dat het geen verloren tijd is, daar sta ik voor in, want niets ter wereld kan u een beteren indruk van het tegenwoordige Rome geven. Het is buitengewoon, buitengewoon.”

En zich dan tot Benedetta wendend:

“Is het afgesproken? Vindt u morgenochtend goed?… U zult den abbé en mij daar vinden, want ik sta erop hem eerst op de hoogte te brengen, zoodat hij alles goed begrijpt … Om tien uur, kunt u dan?”

Alvorens te antwoorden, wendde de contessina zich tot haar tante.

“Kom, tante, mijnheer de abbé heeft genoeg bedelaars in onze straten ontmoet; hij kan alles zien. En trouwens naar wat hij ons in zijn boek vertelt, zal hij te Rome niet meer zien, dan hij in Parijs reeds gezien heeft. Overal is, zooals hij ergens zegt, de honger dezelfde.”

Dan richtte zij zich kalm en zacht tot Dario.

“Weet je wel, Dario, dat je me een heel groot pleizier zoudt doen, als je met me meeging. Zonder jou zou het er te veel van hebben, alsof we uit den hemel kwamen vallen. We zullen een rijtuig nemen en dan de heeren daar aantreffen; het zal een heel aardige wandelrit zijn … We zijn in geen tijd samen uit geweest.”

Ongetwijfeld was dat het, waarom zij het zoo prettig vond: zij had nu een voorwendsel, om met hem samen te zijn en zich geheel met hem te verzoenen. Hij voelde dat, hij kon er zich niet aan onttrekken.

“O, lieve nicht,” zeide hij schertsend, “het is jouw schuld, als ik de geheele verdere week nachtmerries heb. Een dergelijk uitstapje bederft voor acht dagen je levensvreugde.”

Hij rilde al bij voorbaat. De anderen begonnen weer te lachen, en ondanks de zwijgende afkeuring van donna Serafina werd de samenkomst bepaald op den volgenden ochtend tien uur. Het speet Celia zeer, dat zij niet van de partij kon zijn. Maar zij met haar onschuld van een lelieknop, interesseerde zich slechts voor Pierina.

“Let goed op die schoonheid,” fluisterde zij in de antichambre haar vriendin in; “dan kan je me vertellen, of zij werkelijk zoo mooi is, mooier dan alle anderen.”

Toen Pierre den volgenden ochtend om negen uur Narcisse bij de Engelenburg vond, bemerkte hij tot zijn verbazing, dat deze weer in zijn smachtende kunstdweperij vervallen was. In den beginne was er geen sprake van de nieuwe wijken noch van den vreeselijken financieelen krach, die er het gevolg van geweest was. De jonge man vertelde, dat hij tegelijk met de zon was opgestaan, om nog een uur voor de Santa Teresia van Bernini te kunnen vertoeven. Wanneer hij die in acht dagen niet gezien had, zeide hij, leed zijn ziel daaronder, voelde hij zich verdrietig, als moest hij een dierbare geliefde missen. Hij had ook zijn uren, waarop hij haar op verschillende wijzen, anders liefhad, al naar gelang der belichting van het doek. ’s Morgens in het ochtendlicht, dat haar als in een wit kleed hulde, had hij haar lief met het mystieke élan van zijn ziel; ’s middags wanneer de schuine stralen der ondergaande zon op haar vielen, met den rooden hartstocht van het bloed der martelaren.

“O, mijn vriend,” zeide hij met zijn moe gelaat, terwijl zijn malvekleurige oogen bijna wegzonken, “ge kunt u niet voorstellen welk een heerlijk, ontroerend ontwaken het dezen ochtend was … Een onwetende, reine maagd, die, gebroken van wellust en nog zwijmelend van het geluk door Jezus bezeten te zijn, haar oogen kwijnend opslaat … Het is om erbij te sterven.”

Na een paar passen verder geloopen te hebben werd hij kalmer en ging hij op den beslisten toon van een praktisch man vol levenservaring voort:

“Kom laten we langzaam opwandelen naar de Prati del Castello, waarvan ge de gebouwen onder u ziet liggen; onderweg zal ik u vertellen, wat ik ervan weet. O, het is een buitengewoon verhaal, een van die krankzinnige aanvallen van speculatie, die mooi zijn als het monsterachtige en mooie werk van het een of andere waanzinnige genie … Ik heb het van familieleden van me gehoord, die hier gespeeld en, waarachtig, aanzienlijke sommen gewonnen hebben.”

Toen vertelde hij Pierre de zeldzame geschiedenis met de duidelijkheid en nauwkeurigheid van een financier, terwijl hij de technische termen met volkomen zekerheid gebruikte. Na de verovering van Rome, toen geheel Italië als uitzinnig van geestdrift was bij het denkbeeld eindelijk de zoo lang begeerde hoofdstad, de oude, roemrijke stad, de eeuwige, aan wie de wereldheerschappij was toegezegd, te bezitten, barstte een zeer goed te begrijpen jubel van vreugde en hoop los bij het jonge volk, dat eerst gisteren geboren was en nu zoo spoedig mogelijk zijn macht wilde bewijzen. Men moest Rome in bezit nemen, het tot een moderne, een groot rijk waardige hoofdstad maken, en daarvoor was het in de allereerste plaats noodig haar gezond te maken, haar te reinigen van het vuil, dat haar onteerde. Men kan zich niet voorstellen in welk een staat van verontreiniging het Rome der pausen, la Roma sporca, waar de kunstenaars nu nog naar terugverlangen, verkeerde: er bestonden zelfs geen bestekamers, de openbare straat diende voor alle behoeften, de verheven ruïnes waren in vuilnishoopen veranderd, de omgeving van de oude vorstelijke paleizen met excrementen bevuild; kortom, overal steeg een laag van afval, puin en tot verrotting overgegane stoffen op, die de straten in vergiftigde goten veranderden, welke telkens weer de vreeselijkste epidemieën veroorzaakten. Het was dringend noodig daarin van stadswege verbetering te brengen.

Deze maatregelen beteekenden inderdaad de redding, een verjonging, een veilig verder leven. Even gerechtvaardigd was de gedachte nieuwe huizen te bouwen voor de nieuwe bewoners, die van alle kanten zouden toestroomen. Na de totstandkoming van het keizerrijk Duitschland had men hetzelfde te Berlijn zien gebeuren: de stad had haar bevolking bliksemsnel zien toenemen met honderdduizenden zielen. Rome zou zich ook zeker verdubbelen, verdrie-, vervijfvoudigen, de levende krachten der provincies tot zich trekken, het centrum van het nationale bestaan worden. Ook de trots sprak een woordje mede: men moest aan de gevallen regeering van het Vaticaan toonen, waartoe Italië in staat was, in welken glans het nieuwe Rome stralen zou, het derde Rome, dat de beide andere, het keizerlijke en het pauselijke, zou overtreffen door de pracht van zijn straten en den overstroomenden vloed van zijn inwoners.

Toch bleef de eerste jaren de bouwbeweging binnen de grenzen der voorzichtigheid. Men was verstandig genoeg slechts te bouwen, wanneer daaraan behoefte was. Met één sprong was de bevolking verdubbeld, van tweehonderdduizend tot vierhonderdduizend zielen gestegen: de kleine wereld van ambtenaren en employés, die met de verschillende takken van algemeen bestuur kwamen, de geheele groote menigte, die van den staat leeft of ervan hoopt te leven, ongerekend de nietsdoeners en genotzoekers, die een Hof steeds na zich sleept. Dat was de eerste oorzaak van den roes, niemand twijfelde eraan, of die toeneming zou blijven doorgaan, ja zelfs sterker worden. Van af dat oogenblik was de stad van gisteren niet voldoende meer, men moest zonder talmen rekening houden met de eischen en behoeften van morgen, door Rome buiten Rome over alle verlaten, oude voorsteden uit te breiden. Men sprak ook van het Parijs van het tweede Keizerrijk, dat zooveel grooter geworden, in een stad van licht en gezondheid veranderd was. Doch het ongeluk wilde, dat er aan de oevers van den Tiber geen algemeen plan bestond, dat er geen man was met een ruimen blik, die den toestand overzag en op krachtige financieele instellingen steunen kon.

Wat nu de trots, de eerzucht om het Rome der Caesars en der Pausen in glans te overtreffen, de wil om van de eeuwige, gepraedestineerde stad het centrum en de koningin der aarde te maken, begonnen was, voltooide de speculatie, een van die buitengewone agiostormen, een van die orkanen, welke, zonder dat iets ze aankondigt of tegenhoudt, ontstaan, woeden, alles vernielen en met zich sleuren. Plotseling liep het gerucht, dat terreinen, die vijf francs den meter gekost hadden, voor honderd francs verkocht werden; toen brak de koorts uit, de koorts van geheel een door speculatiewoede verhit volk. Een zwerm van speculanten was uit Boven-Italië op Rome, de edelste en makkelijkst te krijgen buit, neergestreken.

Voor deze arme, hongerige bergbewoners begon in dit wellustige zuiden, waarin het zoo heerlijk is om te leven, de drijfjacht der begeerten, zoodat het verrukkelijke klimaat, op zichzelf reeds zoo verderfelijk, de moreele ontbinding verhaastte. Bovendien behoefde men zich in den beginne inderdaad slechts te bukken; het geld was tusschen de puinhoopen der eerste gesloopte wijken met schoppen vol op te rapen. Handige lieden, die het tracé der nieuwe straten als het ware roken, hadden zich meester gemaakt van de terreinen, die onteigend zouden moeten worden, en vertiendubbelden binnen twee jaar hun vermogen. Nu greep de besmetting nog verder om zich heen en vergiftigde langzamerhand de geheele stad; de bewoners werden op hun beurt ook medegesleept, alle standen door waanzin aangegrepen, de vorsten, de bourgeois, de kleine huiseigenaars tot winkeliers, slagers, kruideniers toe. Zoo vertelde men later van een eenvoudigen bakker, die een bankroet van vijf-en-veertig millioen geslagen had.

Het was niets meer dan een wanhopige, schandelijke, koortsachtige speculatie, die in de plaats van het geregelde pauselijke lotto gekomen was, een speculatie met millioenen, waarbij de terreinen en bouwwerken iets fictiefs, slechts een voorwendsel voor Beursoperaties werden. De oude atavistische trots, die van Rome de hoofdstad der wereld maken wilde, werd door deze speculatiekoorts opgezweept tot hoogmoedswaanzin; er werd gekocht en gebouwd, om weer te verkoopen, zonder maat, zonder ophouden, zooals aandeelen gelanceerd worden, zoolang de persen er drukken willen.

Nooit had een stad in haar evolutie een dergelijk schouwspel geboden. Wanneer men het thans tracht te begrijpen, staat men gewoonweg perplex. Het bevolkingscijfer was de vierhonderd duizend overschreden en scheen dan stationnair te blijven; maar dit belette niet, dat de nieuwe wijken steeds dichter uit den grond opschoten. Voor welk toekomstig volk bouwde men met zooveel woede? Door welke zinsverbijstering kwam men ertoe niet te wachten op de nieuwe bewoners, om duizenden woningen gereed te maken voor families, die misschien komen zouden? De eenige verontschuldiging was, dat bij voorbaat als vaststaande aangenomen werd, dat het derde Rome, de triompheerende hoofdstad van Italië, niet minder dan een millioen zielen tellen kon. Zij waren niet gekomen, maar zij zouden zeker komen; daaraan kon geen patriot twijfelen zonder vaderlandsschennis te begaan. En men bouwde, bouwde, bouwde zonder ophouden voor de vijfhonderdduizend onderweg zijnde burgers. Men bekommerde zich zelfs niet om den dag van hun aankomst, het was voldoende, dat men op hen rekende. In Rome waren ook maatschappijen tot het maken van groote wegen door de oude, ongezonde, gesloopte wijken gevormd en deze verkochten of verhuurden haar terreinen, waardoor zij groote winsten behaalden.

Doch naarmate de waanzin steeg, werden er meer maatschappijen opgericht, om den honger naar winst te bevredigen; zij hadden ten doel om buiten Rome nog meer nieuwe wijken, steeds weer nieuwe wijken, ware kleine steden, waaraan niet de minste behoefte bestond, te bouwen. Bij de Porta S. Giovanni, bij de Porta S. Lorenzo rezen de voorsteden als door een wonder op. Op de reusachtige terreinen der Villa Ludovisi, van de Porta Salaria tot aan de Porta Pia, ontstond het ontwerp van een stad, en op de Prati del Castello wilde men plotseling een stad met kerk, school en markt uit den grond doen oprijzen. En dat waren geen arbeiderswoningen, geen bescheiden huizen voor den middenstand en de ambtenaren, neen, het waren groote bouwwerken, ware paleizen met drie of vier verdiepingen, met gelijkvormige, overmatig groote gevels, welke van deze nieuwe, excentrieke wijken Babylonische stadsdeelen maakten, die alleen hoofdsteden met een krachtig industrieleven, zooals Parijs en Londen, zouden kunnen bevolken. Het zijn de monsterachtige voortbrengselen van den hoogmoed en van de speculatie. En welk een droeve bladzijde uit de geschiedenis, welk een bittere les, wanneer het thans ten gronde gerichte Rome zich bovendien nog onteerd ziet door dien leelijken gordel van groote, ledige, grootendeels onafgemaakte geraamten, welker puinhoopen nu reeds de met gras begroeide straten bedekken!

De onvermijdelijke instorting, de ramp was vreeselijk. Narcisse gaf de redenen daarvoor op en lichtte de diverse stadia zoo duidelijk toe, dat Pierre alles goed begreep. Natuurlijk waren talrijke financieele maatschappijen uit die humus der speculatie opgeschoten: de Immobiliere, de Società edilizia, de Fondiaria, de Tiberina, l’Esquilino. Bijna alle lieten bouwen, richtten groote huizen op, legden heele straten aan, om ze weer te verkoopen. Maar zij speculeerden ook in bouwterreinen, stonden die met groote winsten aan kleine speculanten af, die in de door de toenemende agiokoorts verwekte kunstmatige hausse overal opschoten en eveneens van ontzaglijke winsten droomden. Het ergste daarbij was, dat deze kleine burgers, deze onervaren winkeliers zonder geld, zoo door de speculatiewoede werden opgezweept, dat zij zelf ook lieten bouwen; zij leenden van de banken en wendden zich tot de maatschappijen, van wie zij de terreinen gekocht hadden, om het voor het voltooien der gebouwen noodige geld te krijgen.

In de meeste gevallen zagen de maatschappijen, om niet alles te verliezen, zich op een goeden dag genoodzaakt de terreinen en de gebouwen, zelfs al waren zij niet afgebouwd, terug te nemen, wat een ontzaglijke opstopping veroorzaakte, waaraan zij ten gronde moesten gaan. Wanneer het millioen inwoners de woningen, die men in een zoo vreemden droom van hoop voor hen gebouwd had, waren komen betrekken, dan hadden de winsten onberekenbaar kunnen zijn. Rome was in tien jaar rijk en een der bloeiendste hoofdsteden der wereld geworden. Maar de inwoners wilden niet komen, niets werd verhuurd, de woningen stonden leeg. En toen barstte de krach met een ongekende heftigheid los en wel om twee redenen. In de eerste plaats waren de door de maatschappijen gebouwde huizen veel te groot en veel te duur, waardoor het grootste gedeelte van de gewone, middelmatige renteniers, die hun geld in grondbezit willen beleggen, afgeschrikt werden. Het atavisme had zijn werk gedaan, de bouwers hadden in hun grootheidswaanzin een reeks prachtige paleizen opgericht, bestemd, om die van de twee vorige tijdperken in het niet te doen verzinken en welke nu triest en verlaten als de meest ongehoorde getuigen van den onmachtigen hoogmoed staan bleven.

Er waren dus geen particuliere kapitalen te vinden, die de plaats der maatschappijen durfden of konden innemen. Bovendien zijn elders, in Parijs en in Berlijn, de nieuwe wijken en de verfraaiingen met nationaal kapitaal, met gespaard geld gemaakt. In Rome daarentegen werd alles gebouwd met crediet, met wissels op drie maanden en vooral met buitenlandsch geld. Men schat de aldus verslonden som op bijna een milliard, waarvan vier vijfden Fransch geld was. Het was eenvoudig een zaken doen van bankier op bankier; de Fransche bankiers leenden tegen 3½ à 4 procent aan de Italiaansche, die op hun beurt aan de speculanten, aan de bouwers te Rome tegen 6, 7, ja zelfs 8 procent leenden.

Men kan zich dan ook de ramp voorstellen, toen Frankrijk, dat het verbond van Italië met Duitschland met leede oogen aanzag, binnen twee jaar zijn achthonderd millioen terugtrok. Er ontstond een reusachtige terugvloeiing, die de Italiaansche banken ledig maakte; de grondmaatschappijen en al die maatschappijen, welke in terreinen en bouwwerken speculeerden, werden nu eveneens genoodzaakt op haar beurt terug te betalen en moesten zich wenden tot de emissiemaatschappijen, die papier konden uitgeven. Tegelijkertijd dreigden zij den Staat de werken stil te zullen leggen en veertig duizend werklieden op straat te zetten, wanneer de Staat de emissiemaatschappijen niet dwong hun de vijf of zes millioen, die zij noodig hadden, te leenen, wat de Staat, bang voor een algemeen bankroet, ten slotte deed. Natuurlijk konden de vijf of zes millioen op de vervaldagen niet terugbetaald worden, omdat men de huizen niet kon verkoopen of verhuren, zoodat nu de debacle steeds verder om zich heen greep en de eene puinhoop op de andere stapelde: de kleine speculanten vielen op de bouwers, deze op de grondmaatschappijen, deze op de emissiemaatschappijen, deze op het openbaar krediet, wat de natie ruïneerde. Zoo kwam het, dat een eenvoudige stedelijke crisis een ontzettende financieele ramp, een nationaal gevaar werd. Een geheel milliard was zonder eenig nut in den afgrond verdwenen, Rome leelijk gemaakt; het droeg nu de last van zijn jonge, smadelijke ruïnes, van de gapende, ledige huizen voor de vijf of zeshonderd duizend gedroomde inwoners, die men nog steeds wacht.

Trouwens in den gierenden stormwind van den roem was ook de Staat zelfs door grootheidswaanzin aangegrepen. Alles werd erop ingericht om een triompheerend Italië te scheppen, om het land in vijf-en-twintig jaar die eenheid en die grootte te doen bereiken, waarvoor andere volkeren eeuwen hebben noodig gehad. Aan alle kanten werd dan ook met man en macht gewerkt, reusachtige uitgaven gedaan voor kanalen, havens, wegen, spoorwegen en openbare werken in alle groote steden. Men improviseerde, organiseerde de natie zonder te tellen. Na het verbond met Duitschland verslonden de oorlogs- en marinebudgetten noodeloos millioenen. En aan al die steeds stijgende behoeften werd slechts het hoofd geboden door emissies; de eene leening volgde op de andere. In Rome alleen kostte de bouw van het ministerie van Oorlog tien, die van het ministerie van Financiën vijftien millioen, terwijl meer dan tweehonderd millioen voor verdedigingswerken om de stad uitgegeven werden. Het was steeds en steeds weer het opvlammen van den noodlottigen hoogmoed, het sap van den grond, die slechts in al te groote plannen bloeien kan, de wil om de wereld te verblinden en te veroveren, die ontstaat zoodra men den voet op het Capitool zet—zelfs in het opgehoopte stof van alle menschenmachten, die daar na elkaar ingestort zijn.

“Ja, mijn waarde vriend,” vertelde Narcisse verder, “als ik wilde afdalen tot praatjes, die in omloop zijn, die men elkaar in het oor fluistert, als ik u enkele feiten noemde, dan zoudt u verbluft, versteld staan over den graad van waanzin, waarin deze in den grond der zaak zoo verstandige, zoo indolente en zoo zelfzuchtige stad door de vreeselijke, besmettelijke koorts van speculatiewoede gebracht is. Niet alleen de kleine luiden, de onwetenden en dommen hebben zich ten gronde gericht, maar ook de groote families, bijna de geheele Romeinsche adel heeft daarbij zijn oude vermogens, het goud, de paleizen en de verzamelingen kunstwerken, die hij aan de vrijgevigheid der pausen te danken had, verloren. Deze ontzaglijke rijkdommen, waarvoor eeuwen van nepotisme noodig geweest zijn, om ze in de handen van enkelen op te hoopen, zijn in nauwlijks tien jaar als was gesmolten.”

Dan vergat hij geheel, dat hij met een priester sprak, en vertelde hij een van die equivoque geschiedenissen.

“Laten we onzen goeden vriend Dario, prins Boccanera, even als voorbeeld nemen. Hij is de laatste van zijn geslacht en verplicht te leven van de kruimels van zijn oom, den kardinaal, die toch ook niet heel veel meer dan zijn salaris heeft. Nu, hij zou zeker nog in zijn karos rijden, als die vreemde geschiedenis van de villa Montefiori er niet tusschen gekomen was … Men zal u wel reeds op de hoogte gebracht hebben: de uitgestrekte terreinen van deze villa werden voor tien millioen aan een financieele maatschappij afgestaan; daarna werd prins Onofrio, de vader van Dario, door de speculatiewoede aangegrepen, kocht zijn eigen terreinen duur terug, speculeerde en liet bouwen; ten slotte sleurde de catastrophe behalve die tien millioen nog alles mede, wat hij zelf bezat, de overblijfselen van het eertijds zoo reusachtige fortuin der Boccanera’s …

“Maar wat men u ongetwijfeld niet verteld heeft, dat zijn de geheime oorzaken, die daartoe medegewerkt hebben, de rol, die graaf Prada—ja zeker, de gescheiden echtgenoot van de bekoorlijke contessina, op wie wij nu wachten—in deze zaak gespeeld heeft. Hij was de minnaar van prinses Boccanera, de mooie Flavia Montefiori, die de villa als huwlijksgift medebracht, o, een pracht van een vrouw, veel jonger dan haar man. Welnu, algemeen wordt beweerd, dat Prada den echtgenoot in zijn macht had door die vrouw, zoodat deze weigerde zich ’s avonds aan den ouden prins te geven, indien deze aarzelde zijn handteekening te zetten of zich verder in te laten in een avontuur, waarvan hij het gevaar van te voren inzag. Prada heeft er millioenen mede verdiend, die hij nu op een zeer verstandige manier verteert. En wat de mooie Flavia betreft, u weet, dat zij, na een klein vermogen uit de debacle gered te hebben, dapper afstand gedaan heeft van haar adellijken titel, om zich een knappen man te koopen, den tweeden, ditmaal jonger dan zij, van wien zij een markies Montefiori gemaakt heeft, die haar nu gezond en mooi houdt, hoewel zij de vijftig nu al gepasseerd is. In deze heele zaak is het eenige slachtoffer onze arme vriend Dario, die totaal geruïneerd is en vastbesloten met zijn nicht te trouwen, die niet veel rijker is dan hij. Weliswaar wil zij hem met alle geweld hebben en is hij niet in staat haar zoo lief te hebben als zij hem. Anders zou hij reeds lang de een of andere Amerikaansche genomen hebben, een millionnairsdochter, zooals zooveel andere vorsten gedaan hebben; ofschoon het ook zeer goed mogelijk is, dat de kardinaal en donna Serafina er zich tegen verzet zouden hebben, want dat zijn helden in hun genre, echte trotsche, koppige Romeinen, die hun bloed vrij willen houden van vreemde smetten … Enfin laten we hopen, dat die goede Dario en die bekoorlijke Benedetta samen gelukkig zullen zijn.”

Hij hield op, om na eenige passen, op bijna fluisterenden toon voort te gaan.

“Een van mijn bloedverwanten heeft met die affaire der villa Montefiori een kleine drie millioen verdiend. Wat heb ik er toch dikwijls spijt van gehad, dat ik pas na den heroëntijd van het agio gekomen ben! Wat zal het hier toen amusant geweest zijn en wat was er toen een boel te verdienen voor koelbloedige spelers!”

Plotseling echter zag hij, opkijkend, voor zich het nieuwe stadsdeel der Prati del Castello; zijn geheele gelaatsuitdrukking veranderde, hij werd weer de kunstenaarsziel, die in verzet kwam tegen de moderne gruwelen, waarmede men het pauselijke Rome bezoedeld had. De kleur van zijn oogen werd bleeker, zijn blik drukte de bittere minachting uit van den in zijn liefde voor de verdwenen eeuwen gewonden droomer.

“Kijk toch eens, kijk toch eens! O, stad van Augustus, stad van Leo X, stad van eeuwige macht en eeuwige schoonheid!”

Pierre zelf kwam ook onder den indruk. Op deze plek strekten zich vroeger langs den Tiber tot aan de hellingen van den Monte Marco de vlakke, hier en daar met populieren begroeide weiden van de Engelenburg uit, breede grasvlakten, die aan den Borgo en den verren dom van de St. Pieter een groenen voorgrond gaven en die de schilders graag vereeuwigden. Nu echter verhief zich midden op die omgewoelde, rotsachtige vlakte een geheele stad, een stad van massieve, reusachtige huizen, regelmatige steenen kubussen met breede, elkaar rechthoekig snijdende straten, precies een groot dambord met symmetrische vakken. Van het eene einde naar het andere zag men dezelfde gevels; men zou het geheel voor een rij kloosters, kazernes of ziekenhuizen hebben kunnen houden, waarvan de eenvormige lijnen zich tot in het oneindige voortzetten. Maar de pijnlijke indruk, dien dit schouwspel maakte, kwam hoofdzakelijk voort uit de in den beginne onverklaarbare catastrophe, die deze stad midden in haar aanbouw verstard had, alsof op een vervloekten ochtend een booze toovenaar zijn staf opgeheven, het werk tot stilstand gebracht, de drukke werkplaatsen geledigd, de gebouwen gelaten had in denzelfden droefgeestigen toestand als waarin zij op dit oogenblik verkeerden.

Alle stadia van aanbouw vond men nog terug—van het grondwerk, de voor de fundamenten gegraven diepe gaten, welke open gebleven waren en waarin onkruid woekerde, tot geheel voltooide en bewoonde huizen toe. Er waren huizen, waarvan de muren nauwlijks boven den grond uitkwamen; andere waren tot de tweede of derde verdieping gekomen, maar door hun houten plafonds en door de open vensters stroomde de regen naar binnen; andere, die geheel opgetrokken en met een dak voorzien waren, stonden daar als geraamten, ten prooi aan de gevechten der winden, en deden aan ledige kooien denken. Ook waren er geheel afgebouwde huizen, waarvan men echter de buitenmuren niet had kunnen pleisteren; bij nog andere ontbrak het houtwerk van de deuren en ramen; weer andere hadden wel deuren en ramen, maar waren dichtgespijkerd als doodkisten, in de doode kamers was geen levende ziel te ontdekken; andere tenslotte waren bewoond, de meeste gedeeltelijk, slechts weinige geheel, maar alle levend van een niet-verwachte bevolking. Niets kan de vreeselijke triestheid van die dingen weergeven; het was een Schoone-Slaapster-stad, die door een doodelijken slaap bezocht was, nog voor zij geleefd had, en nu in afwachting van een ontwaken, dat nooit scheen te zullen komen, in de heete zon ten gronde ging.

Pierre ging met zijn gids door de breede, verlaten straten, die de roerloosheid en stilte van een kerkhof hadden. Geen rijtuig, geen voetganger kwam erdoor. Sommige hadden zelfs geen trottoir, het gras woekerde op den nog niet bestraten rijweg als op een veld, dat tot den natuurstaat terugkeert; toch stonden er reeds overal sedert jaren voorloopige gaslantaarns. Aan beide zijden hadden de huiseigenaren de vensteropeningen van den rez-de-chaussée en de verschillende verdiepingen met dikke planken hermetisch gesloten, om geen deur- en vensterbelasting te betalen. Andere huizen, waarvan de bouw nauwlijks begonnen was, waren met staketsels afgesloten, uit vrees, dat de kelders verzamelplaatsen voor alle bandieten uit het land zouden worden. Maar den treurigsten indruk maakten toch de jonge ruïnes, hooge, trotsche, onvoltooide, zelfs nog niet gepleisterde gebouwen, die hun leven van steenen reuzen nog niet eens geleefd hadden en nu reeds aan alle kanten scheurden, zoodat men ze met allerlei gecompliceerde stellingen had moeten stutten, om te voorkomen, dat zij zouden instorten. Je hart kromp ineen als in een stad, waaruit de pest, de oorlog of een bombardement de inwoners weggevaagd heeft.

Maar men werd door een nog grootere melancholie, door een grenzenlooze wanhoop aangegrepen bij de gedachte, dat dit niet een dood, maar een miskraam was, dat de verwoesting haar werk voltooien zou voordat de gedroomde, vergeefs verwachte bewoners dezen doodgeboren huizen leven zouden inblazen. Daarbij kwam nog de vreeselijke ironie, dat men op iederen hoek marmeren platen met de straatnamen zag, beroemde, aan de Geschiedenis ontleende namen, de Gracchen, de Scipio’s, Plinius, Pompeius, Julius Caesar, die als een hoon, als een slag, dien het verleden de moderne onmacht in het gezicht gaf, op deze onvoltooide, instortende muren prijkten.

Wederom werd Pierre getroffen door de waarheid, dat ieder, die Rome bezit, verteerd wordt door den marmerwaanzin, door den ijdelen drang om te bouwen en aan de volkeren van morgen het gedenkteeken van zijn roem na te laten. Na de Caesars, die hun paleizen op den Palatinus ophoopten, na de pausen, die het Middeleeuwsche Rome weer opbouwden en hun wapens daarop drukten, is de Italiaansche regeering nauwlijks meester der stad, of zij wil haar onmiddellijk schitterender en grooter dan zij ooit geweest was, herbouwen. De bodem zelf suggereerde die gedachte; het bloed der Caesars steeg den nieuw aangekomenen naar het hoofd en bracht hen tot het waanzinnige denkbeeld om van het derde Rome de nieuwe koningin der aarde te maken. Vandaar de reusachtige plannen, de cyclopische kadewerken, de ministeries, die wedijveren met het Colosseum; vandaar die nieuwe wijken met hun reuzenhuizen, die als evenveel kleine stadjes om de oude stad opgeschoten zijn. Hij herinnerde zich den krijtachtigen gordel, welke de oude, rosachtige daken omgaf en dien hij vanaf den dom van de St. Pieter uit de verte als verlaten steengroeven gezien had; want niet alleen in de Prati del Castello, maar ook bij de Porta S. Giovanni, bij de Porta S. Lorenzo, bij de Villa Ludovisi, op de hoogten van den Viminalis en den Quirinalis vielen de onvoltooide en ledige wijken reeds in het gras der verlaten straten in. Ditmaal scheen het alsof na tweeduizend jaar van wonderbare vruchtbaarheid de bodem eindelijk uitgeput scheen, en de steen der monumenten daar niet meer groeien wilde.

Evenals in zeer oude boomgaarden de pruime- en kerseboomen, die men verplant, kwijnend opgroeien en sterven, zoo vonden blijkbaar de nieuwe muren geen levensvoedsel meer in dat door de eeuwenlange groei van een zoo groot aantal tempels, circussen, triomfbogen, basilica’s en kerken verarmde Romeinsche stof. De moderne huizen, die men getracht had hier opnieuw tot vruchtbaarheid te brengen, de tot niets nutte, al te groote, door hereditairen eerzucht opgeblazen huizen, hadden niet tot rijpheid kunnen komen; de halve, door geopende ramen doorboorde gevels bezaten geen kracht genoeg, om op te stijgen tot het dak, waren daar onvruchtbaar blijven staan als kwijnende struiken op een terrein, dat te veel voortgebracht heeft. Het verschrikkelijk trieste lag voornamelijk hierin, dat een voorbijgegane grootheid zóó vol scheppingskracht uitloopen moest op een dergelijke bekentenis van tegenwoordige onmacht, dat Rome, hetwelk vroeger de wereld met zijn onverwoestbare monumenten bedekt had, thans niets meer dan ruïnes baarde.

“Ze zullen eens wel afgebouwd worden!” riep Pierre uit.

Narcisse keek hem verbaasd aan.

“Voor wie dan?”

Dat was juist het verschrikkelijke. Waar waren op dit oogenblik die vijf of zeshonderd duizend inwoners, van wier komst men gedroomd had, op wie men nog altijd wachtte; waar waren zij, in welke nabije landstreken, in welke verafgelegen steden woonden zij? Waar in de eerste dagen na de verovering een vurige patriotische geestdrift alleen op een dergelijke bevolking had kunnen hopen, daar moest men thans wel bijzonder verblind zijn, om nog te kunnen gelooven, dat zij ooit komen zou. De proef scheen genomen te zijn, Rome’s bevolking bleef stationnair, er was geen enkele reden, die voorzien deed, dat het aantal inwoners verdubbeld zou worden, noch de genoegens, die de stad aanbood, noch de winst van een handel en van een industrie, die zij niet bezat, noch een intens maatschappelijk en intellectueel leven, waartoe zij niet meer in staat scheen. In ieder geval zouden er jaren en jaren mede heengaan. Hoe dus moest men de gereed zijnde, ledige huizen, die nog slechts op huurders wachtten, bevolken? Voor wie moest men de in geraamte-toestand gebleven woningen, die in de zon en in den regen afbrokkelden, afmaken? Zouden zij dus, gedeeltelijk vleeschloos en open voor alle winden, gedeeltelijk dichtgespijkerd en stil als graven, voor onafzienbaren tijd daar moeten blijven staan in hun vreeselijke, nuttelooze en verwaarloosde leelijkheid? Welk een verschrikkelijke getuigenis legden zij onder dien stralenden hemel af! De nieuwe heeren van Rome hadden een slecht begin gemaakt, maar zouden zij, indien zij thans wisten wat zij hadden moeten doen, ooit wat zij gedaan hebben ongedaan durven maken? Daar het milliard, dat hier ingestoken was, voorgoed verslonden en verloren scheen te zijn, begon men te verlangen naar een Nero met een onbeperkte en matelooze energie, die fakkel en spade grijpen en in naam van rede en schoonheid alles verbranden en met den grond gelijk maken zou.

“Ha!” riep Narcisse uit; “daar zijn de contessina en de prins!”

Benedetta had het rijtuig bij een kruispunt van de eenzame straten laten ophouden; en nu liep zij aan den arm van Dario door die breede, stille, met onkruid begroeide wegen, die als voor verliefde paren aangelegd zijn. Beiden waren verrukt over de wandeling, dachten niet meer aan het treurige, waarvoor zij waren gekomen.

“Wat een goddelijk weer!” zeide zij vroolijk, terwijl zij naar de twee vrienden toe ging. “Wat schijnt de zon heerlijk!… Het doet je goed een beetje te loopen net alsof je op het land bent!”

Dario was de eerste, die ophield te lachen tegen den blauwen hemel, zich te vermeien in de vreugde met zijn nicht aan zijn arm te wandelen.

“Omdat je bij je gril blijft, die zeker onzen geheelen mooien dag bederven zal, moeten we toch naar die menschen toe … Maar eerst moet ik me even oriënteeren. Ik weet nooit goed den weg op plaatsen waar ik niet gaarne kom … En bovendien is deze wijk met haar doode straten, haar doode huizen zoo moeilijk; je ziet niets dat je je herinnert, geen winkel, die je den weg aanwijst … Maar ik geloof, dat het hier is. Ga maar mee, we zullen wel zien.”

De vier wandelaars gingen naar het middelste gedeelte van de wijk, dat op den Tiber uitziet. Hier was zich een bevolking gaan vormen. De eigenaars van sommige afgebouwde huizen, hebben daar zoo goed als het kan voordeel van door ze tegen zeer lage prijzen te verhuren; ze werden zelfs niet boos, wanneer de huur eens wat lang op zich wachten liet. Ambtenaren met een klein inkomen en jonge huishoudens zonder geld hadden zich dus gevestigd en betaalden wel langzaam, maar toch altijd iets. Doch het ergste was, dat tengevolge van het sloopen van het vroegere Ghetto en van de doorbraken, waarmede men wat licht gebracht had in Trastevere, ware horden brood- en daklooze haveloozen, die zelfs bijna geen kleeren hadden, in de onafgemaakte huizen waren neergestreken en er met hun ellende en hun ongedierte bezit van genomen hadden. Men had de oogen wel moeten sluiten, deze brutale inbeslagneming moeten dulden, wanneer men niet wilde, dat deze verschrikkelijke ellende zich op de openbare straat ten toon spreidde. Aan deze vreeselijke gasten dus waren de groote gedroomde paleizen ten deel gevallen, de reuzengebouwen van vier of vijf verdiepingen, die men door monumentale deuren binnenging, en die versierd waren met groote standbeelden en langs welker gevels gebeeldhouwde, door cariatiden gesteunde balkons liepen.

Het houtwerk van deuren en ramen ontbrak; iedere van deze ongelukkige families had haar keuze gedaan, bewoonde of een geheele vorstelijke verdieping of gaf de voorkeur aan kleinere vertrekken, waarin ze zich konden ophoopen. De ramen waren meestal met planken dichtgespijkerd; de deuren met behulp van lompen dichtgestopt. Armzalige stukken linnengoed hingen op de gebeeldhouwde balkons te drogen, pavoiseerden met hun vuile vlaggen deze doodgeboren, in hun trots verdeemoedigde gevels. Een snelle slijtage, allerlei vuiligheden zonder naam bezoedelden reeds de mooie witte gebouwen, bespatten en bestreepten ze met smerige vlekken; door de prachtige deuren, die gemaakt waren voor het koninklijk uitrijden van equipages, stroomde een vieze beek van afval en drek, waarvan de poelen dan op den trottoirloozen rijweg vervuilden.

Tot tweemaal toe had Dario hen denzelfden weg al laten loopen. Hij verdwaalde steeds meer en meer en werd hoe langer hoe somberder.

“Ik had links moeten afslaan. Maar hoe kan je dat ook weten in zoo’n omgeving?”

Nu zagen zij heele troepen kinderen vol ongedierte in het stof kruipen. Zij waren buitengewoon vuil, bijna naakt; hun huid was heelemaal zwart, hun haren borstelig als bosjes paardenhaar. Vrouwen liepen rond in smerige rokken, haar openstaande jakken lieten borsten en heupen als van overwerkte lastdieren zien. Velen stonden krijschend met elkander te praten; anderen zaten, met haar handen op haar knieën, op oude stoelen en bleven, zonder iets te doen, urenlang in dezelfde houding zitten. Mannen zag men maar heel weinig. Slechts enkelen lagen op hun buik zwaar tusschen het rossige gras in de zon te slapen.

Maar vooral de geur was vreeselijk, een geur van vuile ellende; het menschelijke vee leefde daar in zijn drek en die stank werd nog erger door de uitwasemingen van een klein marktje, dat zij moesten oversteken: bedorven vruchten, gekookte, zure groenten, reeds den vorigen dag in gestolten en ranzig vet gebraden spijzen, die arme koopvrouwen van den grond af verkochten, terwijl een troep hongerige kinderen gulzig toekeek.

“Kort en goed, ik weet het niet meer,” zeide de prins tot zijn nicht. “Wees verstandig, we hebben er nu genoeg van gezien; laten we naar het rijtuig teruggaan.”

Inderdaad leed hij, en zooals Benedetta zelf gezegd had, hij kon niet lijden. Het scheen hem een monsterachtige misdaad toe zijn leven door een dergelijke wandeling somber te maken. Het leven was gemaakt, om het licht en prettig in de volle zon te leven. Men moest het alleen door mooie schouwspelen, gezang en dans opvroolijken. En in zijn naïef egoïsme had hij een waren afschuw van het leelijke, van de armoede, van het lijden, zoodat het zien alleen ervan hem reeds een onbehagelijk gevoel, een soort lichamelijke en moreele uitputting gaf.

Maar Benedetta, die evenals hij huiverde, wilde tegenover Pierre dapper zijn. Zij keek hem aan en daar zij zag hoe geïnteresseerd hij was, welk een hartstochtelijk medelijden zich van hem meester gemaakt had, wilde zij haar poging om deelneming met de armen en ongelukkigen te toonen, niet opgeven.

“Neen, neen, we moeten blijven, beste Dario … De heeren willen alles zien, niet waar?”

“Ja, het tegenwoordige Rome ligt hier,” zeide Pierre. “Dit hier zegt meer dan alle klassieke wandelingen door ruïnes en monumenten.”

“Nu overdrijft ge, mijn waarde,” zeide Narcisse op zijn beurt. “Maar ik stem toe, dat het interessant, zeer interessant is … Vooral de oude vrouwen zijn prachtig, vol uitdrukking …”

Op dat oogenblik kon Benedetta, die een buitengewoon mooi jong meisje voor zich zag, een kreet van gelukkige bewondering niet onderdrukken.

Dario, die haar herkend had, riep met dezelfde verrukte uitdrukking uit:

“O, dat is Pierina … Zij zal ons den weg wijzen.”

Het kind liep de groep reeds een oogenblik na, zonder echter dichterbij te durven komen. Haar blikken, die straalden van de vreugde van een verliefde slavin, hadden zich vurig op den prins gericht; dan nam zij de contessina op, doch zonder eenigen haat, met een soort teedere onderworpenheid, een soort berustend geluk, dat ook zij heel mooi was. En zij was in waarheid zooals de prins haar afgeschilderd had: groot, sterk, met een godinnenhals, een echte antieke, een twintigjarige Juno met een ietwat te krachtige kin, een zeldzaam regelmatigen mond en neus, groote koeoogen en een stralend, als door de zon verguld gelaat onder een kroon van zware, zwarte haren.

“Wil jij ons den weg wijzen?” vroeg Benedetta vertrouwlijk glimlachend, reeds getroost over het vele leelijke bij het denkbeeld, dat er dergelijke wezens konden bestaan.

“Ja zeker, mevrouw, ja zeker, dadelijk!”

Zij liep voor hen uit met haar groote schoenen zonder gaten en in een oude bruinwollen japon, die zij blijkbaar kort geleden had gewasschen en gestopt. Men merkte aan alles, dat zij eenigszins coquet, dat zij op reinheid gesteld was, wat van de anderen niet gezegd kon worden, indien tenminste niet alleen haar groote schoonheid uit haar armzalige kleederen straalde en een godin van haar maakte.

“Che bellezza! che bellezza!” werd de contessina niet moede uit te roepen. “Het is werkelijk een genot, dat meisje aan te kijken.”

“Ik wist wel, dat zij in je smaak vallen zou,” antwoordde hij eenvoudig, gevleid over zijn vondst; hij sprak niet meer over heengaan, nu hij eindelijk zijn oogen kon laten rusten op iets, dat mooi was om te zien.

Achter hen kwam Pierre, eveneens verrukt, wien Narcisse, in wiens smaak het zeldzame en gekunstelde slechts viel, zijn bezwaren mededeelde.

“Zeker, zeker, zij is mooi … Maar in den grond der zaak is er niets plompers en zielloozers dan dit Romeinsche type … Achter haar huid is niets dan bloed, niets bovenaardsch.”

Maar Pierina was blijven staan en wees met een handbeweging op haar moeder, die voor de hooge deur van een onafgebouwd paleis op een half kapotte kist zat. Ook zij moest heel mooi geweest zijn, doch nu op haar veertigste jaar reeds was zij vervallen; haar oogen waren uitgedoofd door de ellende, haar mond met de zwarte tanden misvormd, haar gezicht doorploegd met diepe, slappe rimpels, haar boezem buitengewoon groot en afhangend. Bovendien was zij akelig-smerig; haar grijzende, ongekamde haren fladderden in verwarde lokken, haar rok en jak zaten vol vlekken en lieten het vuil op haar ledematen zien. Met haar beide handen hield zij een slapenden zuigeling, haar jongste kind, op haar knieën. Zij keek het wicht als terneergeslagen en moedeloos aan met de uitdrukking van een in zijn lot berustend lastdier, als een moeder, die kinderen op de wereld gebracht en gevoed heeft, zonder te weten waarom.

“Ja, ja!” zeide zij opkijkend; “dat is de mijnheer, die me een daalder is komen brengen, omdat hij je huilend aangetroffen had. En nu komt hij met zijn vrienden nog eens naar ons kijken. Ja, ja, er zijn toch nog goede zielen.”

Toen vertelde zij haar geschiedenis; maar onverschillig, zonder zelfs te trachten hun medelijden op te wekken. Zij heette Giacinta en was getrouwd met een metselaar, Tommaso Gozzo, bij wien zij zeven kinderen gehad had, Pierina, dan Tito, een grooten jongen van achttien jaar, en nog vier meisjes telkens na twee jaar, en nu eindelijk dit kind, een jongen. Heel lang hadden zij in dezelfde woning in Trastevere gewoond, een oud huis, dat echter gesloopt was. En het scheen, dat men tezelfdertijd hun bestaan gesloopt had, want sedert zij hun toevlucht gezocht hadden in de Prati del Castello, trof hen de eene ramp na de andere, de vreeselijke crisis in de bouwvakken, die Tommaso en haar zoon Tito werkeloos gemaakt had, de sluiting van de wasparelenfabriek, waar Pierina tenminste nog twintig centesimi verdiende, zoodat zij niet van honger behoefden om te komen. Maar nu werkte niemand, leefde de heele familie van het toeval.

“Als u soms liever naar boven wilt? Daar zult u Tommaso vinden met zijn broer Ambrogio, dien we bij ons genomen hebben; zij zullen beter met u kunnen praten en alles vertellen, wat gezegd moet worden … Wat zal ik u zeggen? Tommaso rust uit net als Tito, hij slaapt, omdat hij toch niets beters te doen heeft.”

Met haar hand wees zij naar een jongen, flinken kerel met een grooten neus, een harden mond en dezelfde mooie oogen als Pierina, die languit in het dorre gras lag. Al die menschen niet vertrouwend, had hij even opgekeken. Een toornige plooi kwam op zijn voorhoofd, toen hij merkte met welk een verrukten blik zijn zuster naar den prins keek. Hij liet zijn hoofd weer achterover vallen, doch sloot zijn oogleden niet, maar loerde eronder door naar hen.

“Pierina, wijs jij mevrouw en den heeren den weg eens.”

Enkele andere vrouwen, wier naakte voeten in afgeloopen pantoffels staken, waren dichterbij gekomen; troepen kinderen, halfgekleede meisjes, waarbij ongetwijfeld de vier van Giacinta waren, wriemelden om haar heen. Allen geleken met haar zwarte oogen onder de verwarde kroesharen zoo op elkaar, dat alleen de moeders ze onderscheiden konden; het was als een opschieten, als een kampeeren der ellende in de volle zon midden in deze majestueuse ongeluksstraat, die door onvoltooide en reeds in puin vallende paleizen omzoomd werd.

“Neen, ga niet mee naar boven,” zeide Benedetta zacht en met een glimlachende teederheid tegen haar neef; “ik wil je dood niet, beste Dario. Het is al heel lief van je, dat je tot hier meegegaan bent. Nu mijnheer de abbé en mijnheer Habert met me medegaan, kan je best hier buiten in de heerlijke zon wachten.”

Ook hij begon te lachen en gaf gaarne gevolg aan haar wensch; hij stak een sigaret aan en ging met kleine pasjes op en neer loopen.

Pierina was vlak onder de groote portiek doorgegaan. Deze had een hoog, met rosetvormige vakken versierd gewelf; maar in de vestibule bedekte een echte mestvaalt de marmeren tegels, die men reeds was begonnen te leggen. Dan kwam de monumenteele steenen trap met de gescheurde en gebeeldhouwde leuning; de treden waren reeds gebroken en met zulk een dikke laag vuil bedekt, dat zij wel zwart geleken. Overal hadden handen vettige sporen achtergelaten.

Op het groote portaal van de tweede verdieping bleef Pierina staan en riep door de opening van een groote, openstaande deur zonder lijst of vleugels:

“Vader, een dame en twee heeren willen u spreken.”

En zich dan tot de contessina wendend:

“Heelemaal achteraan, in de derde kamer!”

En zij maakte zich uit de voeten, liep veel vlugger de trap af dan zij hem opgegaan was; zij wilde Dario weer zien.

Benedetta en de twee heeren liepen twee zeer groote kamers door; de grond vertoonde heuveltjes van afgevallen kalk, de ramen stonden wijd open. Eindelijk kwamen zij in een kleineren salon, waar de geheele familie Gozzo, met wat zij nog aan meubelen over had, huisde. Op den grond lagen op de onbedekt gebleven ijzeren dwarsbalken vijf of zes vuile, door zweet verteerde stroozakken. Een lange, nog goede tafel stond in het midden, evenals een paar oude, met touwen vastgebonden stoelen, waaruit echter de stroozittingen verdwenen waren. Maar het zwaarste werk was toch geweest twee van de drie ramen met planken dicht te spijkeren, terwijl het derde en de deur gesloten waren met oud, vuil linnen vol gaten.

Tommaso, de metselaar, scheen verbaasd, blijkbaar was hij dergelijke liefdadigheidsbezoeken niet gewend. Hij zat met zijn beide ellebogen en zijn kin tusschen zijn handen aan de tafel uit te rusten, zooals zijn vrouw Giacinta gezegd had. Het was een flinke kerel van een vijf-en-veertig jaar met een zwaren haar- en baardgroei, een groot, lang gezicht en, ondanks zijn niets doen, de waardigheid van een Romeinsch edelman. Bij het zien van de twee heeren, in wie hij onmiddellijk vreemdelingen rook, stond hij met een plotselingen aanval van wantrouwen op. Maar zoodra hij Benedetta herkende, begon hij te glimlachen; en toen zij hem het doel van haar komst vertelde en zeide, dat Dario beneden gebleven was, viel hij haar in de rede:

“Ik weet het, ik weet het, contessina … Ik weet heel goed, wie u bent, want ik heb, toen mijn vader nog leefde, in den palazzo Boccanera eens een raam dichtgespijkerd.”

Dan liet hij zich gewillig uitvragen. Aan Pierre, die verbaasd luisterde, antwoordde hij, dat er wel geen geluk heerschte, maar dat zij toch zouden hebben kunnen leven, wanneer ze maar twee dagen per week konden werken. Het was heel goed aan hem te merken, dat hij heel graag de buikriem toehaalde, als hij maar op zijn gemak leven kon. Het was weer precies de geschiedenis van den slotenmaker, die, toen een reiziger hem liet roepen om het slot van een koffer te openen, waarvan de sleutel was weggeraakt, absoluut weigerde in zijn siësta-uurtje te komen. Daar er zooveel ledige paleizen voor de armen openstonden, behoefde men geen huur meer te betalen, en ze waren zoo gauw tevreden en stelden zulke lage eischen, dat enkele centisimi voor voedsel voldoende geweest zouden zijn.

“Ja, mijnheer, onder den paus ging alles beter … Mijn vader, die evenals ik, metselaar was, heeft zijn geheele leven in het Vaticaan gewerkt: trouwens, wanneer ik tegenwoordig nog werk heb, is het altijd daar … Ziet u eens, wij zijn allemaal verwend door die tien jaar, dat er zooveel werk was, dat je niet van den ladder kwam en verdiende wat je wilde. Natuurlijk kon je beter eten, je beter kleeden en behoefde je je geen pleiziertje te ontzeggen, en daarom is het des te harder dat nu wel te moeten doen … Maar als u ons onder den paus eens hadt kunnen zien! Geen belastingen, alles voor niets, je behoefde alleen maar te leven!”

Op dat oogenblik klonk van een der stroozakken in de schaduw der dichtgespijkerde ramen, een gebrom.

“Dat is mijn broer Ambrogio,” ging de metselaar op zijn gelaten, kalmen toon voort, “hij is het niet met me eens … In ’49, toen hij veertien was, heeft hij met de republikeinen medegedaan … Maar dat hindert niets, we hebben hem toch bij ons genomen, toen we hoorden, dat hij van honger en ellende in een kelder omkwam.”

De bezoekers doorhuiverde een rilling van medelijden. Ambrogio was vijftien jaar ouder dan zijn broeder en, hoewel hij nauwlijks zestig was, nog slechts een ruïne: hij werd door koorts verteerd en zijn beenen waren zóó mager, dat hij zijn dagen op zijn stroomatras doorbracht, zonder ooit uit te gaan. Hij was kleiner, magerder en drukker dan zijn broeder en vroeger schrijnwerker geweest. Maar ondanks zijn lichamelijk verval had hij nog een zeer helder hoofd, het edele en tragische gelaat van een apostel en een martelaar.

“De paus, de paus,” bromde hij, “ik heb nooit iets kwaads gezegd van den paus, maar het is toch zijn schuld, dat de tyrannie blijft voortduren. Hij alleen had ons in ’49 de republiek kunnen geven, en dan zou het met ons niet zoo gesteld zijn, zooals het nu het geval is.”

Hij had Mazzini gekend en koesterde nog steeds diens onbestemd ideaal van een republikeinschen paus, die vrijheid en broederschap op aarde zou doen heerschen. Maar later verwarde zijn hartstocht voor Garibaldi dit begrip; van af dat oogenblik hield hij het pausdom voor onwaardig en niet in staat om te werken aan de bevrijding der menschheid, zoodat hij zweefde tusschen het droombeeld van zijn jeugd en zijn harde levenservaring. Verder had hij altijd gehandeld onder den invloed van een heftige emotie en bleef het bij mooie woorden, bij vage, onbestemde verlangens.

“Ambrogio,” begon Tommaso, nog altijd even kalm, weer; “de paus is de paus, en wie verstandig is, kiest zijn partij, omdat hij altijd de paus zijn zal, dat wil zeggen de sterkste. Als we morgen stemmen moesten, zou ik voor hem stemmen.”

De oude werkman haastte zich niet met een antwoord. De bedachtzame voorzichtigheid van zijn ras had hem kalm gemaakt.

“Ik zou tegen hem stemmen, Tommaso, altijd tegen hem … En je weet heel goed, dat wij altijd de meerderheid zouden hebben. Met den paus-koning is het uit. De Borgo zelf zou daartegen in opstand komen … Maar dat wil niet zeggen, dat we ons niet met hem verstaan moeten, opdat de godsdienst van iedereen gerespecteerd wordt.”

Vol belangstelling luisterde Pierre. Hij waagde het een vraag te stellen.

“En zijn er in Rome veel socialisten onder het volk?”

Ditmaal liet het antwoord zich nog langer wachten.

“Socialisten, mijnheer de abbé, ja zeker, enkelen, maar lang zooveel niet als in andere steden … Dat zijn nieuwigheden, waarbij de ongeduldigen zich aansluiten zonder er heel veel van te begrijpen … Wij, ouderen, waren voor de vrijheid, wij zijn niet voor brandstichten en moorden.”

Waarschijnlijk was hij bang in tegenwoordigheid van die dame en die heeren te veel te zeggen, want hij begon te steunen, terwijl hij zich op zijn matras uitstrekte. Intusschen maakte de contessina, die last begon te krijgen van den stank, aanstalten om weg te gaan, na den priester gewaarschuwd te hebben, dat het beter zou zijn hun aalmoes beneden aan de vrouw te geven.

Reeds was Tommaso weer met zijn kin tusschen zijn handen aan de tafel gaan zitten en groette zijn gasten zonder zich om hun weggaan meer te bekommeren dan om hun komen.

“Tot ziens! Het was mij een groot genoegen u van dienst te kunnen zijn!”

Maar op den drempel kon Narcisse zijn geestdrift niet meer bedwingen. Hij keerde zich om, om nog eens den kop van den ouden Ambrogio te bewonderen.

“Mijn waarde abbé, wat een meesterwerk! Dat is heerlijk, dat is schoon! Hoeveel minder banaal is dat dan het gezicht van dat meisje … Hier ben ik er zeker van, dat een geslachtelijke valstrik mij niet in een onreine verleiding brengt. Ik geraak om lage redenen niet in verrukking … En bovendien, welk een oneindigheid is er in die rimpels, welk een mysterie in die diepe oogen, welk een geheimzinnigheid in die stoppelige haren en baard! Zoo stel je je een profeet, God den Vader voor!”

Beneden zat Giacinta nog met haar zuigeling op de half kapotte kist; eenige passen verder stond Pierina voor Dario en keek met een verrukt gezicht, hoe hij zijn sigaret oprookte, terwijl Tito nog als een dier in het gras op den loer lag en hen geen oogenblik uit het oog verloor.

“O, mevrouw,” begon Giacinta met haar berustende en temende stem; “nu hebt u het zelf gezien, het is bijna niet bewoonbaar! Het eenige goede ervan is, dat je er werkelijk wat ruimte hebt. Maar aan den anderen kant tocht het er altijd zóó, dat je er ieder oogenblik van den dag een doodelijke kou kan vatten. En dan ben ik altijd bang voor de kinderen met het oog op de gaten.”

Zij deed het verhaal van een vrouw, die, toen zij op het portaal wilde gaan, een raam voor een deur aangezien had, op straat gevallen en onmiddellijk dood was. Een meisje had haar armen gebroken door van een trap te vallen, die geen leuning had. Bovendien zou je er kunnen sterven, zonder dat iemand het wist of op het denkbeeld komen zou je op te rapen. Den vorigen dag nog had men achter in een afgelegen kamer het lijk van een ouden man gevonden, die minstens een week geleden van honger gestorven moest zijn; hij zou er zeker nog langer blijven zijn liggen, als de vreeselijke stank den buren zijn aanwezigheid niet verraden had.

“En als je nu nog maar te eten hadt!” ging Giacinta voort. “Maar wanneer je niet eet en je een kind voeden moet, dan heb je geen melk. De kleine zuigt je gewoon je bloed uit je lichaam! Hij wordt boos, wil wat hebben—och, en dan begin ik te huilen, want het is mijn schuld niet, dat er niets is.”

Inderdaad waren er tranen in haar oogen gekomen. Maar een plotselinge woede maakte zich van haar meester, toen zij merkte, dat Tito nog steeds als een beest in het zonnetje lag, wat zij al heel onbeleefd vond voor die hooge dame en heeren, die haar zeker een aalmoes zouden geven.

“Hei, Tito, luilak, kan je niet opstaan, wanneer er menschen zijn?”

Hij hield zich eerst doof, maar stond toch eindelijk kwaadgehumeurd op. Pierre, die belang stelde in den jongen, trachtte hem aan het praten te krijgen, zooals hem dat boven met den vader en den oom gelukt was. Doch hij kreeg slechts korte, wantrouwende, gemelijke antwoorden uit hem. Als je geen werk hadt, was slapen het eenige, dat er overbleef. Met kwaad worden veranderde je de dingen toch niet. Het beste was te leven zoo goed en zoo kwaad als het ging, zonder het je moeilijk te maken. Wat de socialisten betreft, ja misschien waren er enkelen, maar hij kende ze niet. En uit zijn indolente, onverschillige houding bleek heel duidelijk, dat, ook al mocht de vader voor den paus en de oom voor de republiek zijn, hij, de zoon, voor niets was. Pierre voelde daarin het einde van een volk of liever gezegd den slaap van een volk, waarin nog geen democratie ontwaakt was.

Maar toen de priester door bleef vragen, hoe oud hij was, op welke school hij geweest was, in welke wijk hij geboren was, viel Tito, terwijl hij met zijn vinger op zijn borst wees, hem met een ernstige stem in de rede:

“Io son Romano di Roma!”

Inderdaad, was dat niet het antwoord op alles? “Ik ben een Romein uit Rome!” Pierre glimlachte droevig en zweeg. Nooit had hij beter den hoogmoed van het ras, het oeroude, zoo zwaar op de schouders drukkende erfdeel van den roem gevoeld. In dezen gedegenereerden jongen, die nauwlijks lezen of schrijven kon, herleefde de onbeperkte ijdelheid der Caesars. Deze hongerlijder kende de stad, zou instinctmatig de mooiste bladzijden uit haar geschiedenis kunnen vertellen. Hij was vertrouwd met de namen der groote keizers en groote pausen. Waarom te werken, nadat men de meester der wereld geweest was? Waarom zou men in de mooiste stad, onder den mooisten hemel, niet in voornaam nietsdoen leven?

“Io son Romano di Roma!”

Benedetta had haar aalmoes in de hand der moeder laten glijden en Pierre en Narcisse, die haar voorbeeld volgden, deden hetzelfde, toen Dario, die Pierina niet wilde vergeten, maar haar toch geen geld durfde geven, op een aardig denkbeeld kwam. Hij bracht zacht zijn vingers aan zijn lippen en zeide met een vriendelijk lachje:

“Voor de schoonheid!”

Dit kushandje, dat eenigszins ermede spottende lachje, deze zoo vertrouwlijke prins, dien de zwijgende vereering van de mooie parelwerkster als in een liefdesgeschiedenis uit vroeger tijden trof, dat alles had werkelijk iets bekorends en liefs.

Pierina kreeg een kleur van blijdschap; zij raakte heelemaal haar hoofd kwijt, nam plotseling de hand van Dario, drukte er haar warme lippen op in een onberedeneerde opwelling, waarin zoowel groote dankbaarheid als verliefde teederheid lag. Maar de oogen van Tito fonkelden van woede; hij greep zijn zuster ruw bij haar rok en stiet haar met zijn vuist op zijde, terwijl hij dreigend bromde:

“Pas op hoor, ik vermoord jou en hem ook!”

Het werd hoog tijd, om weg te gaan, want ook andere vrouwen, die het geld blijkbaar geroken hadden, kwamen naderbij, staken haar hand uit en lieten haar huilende kinderen zien. Een groote opwinding had zich van de ellendige wijk met haar groote verwaarloosde gebouwen meester gemaakt, een noodkreet rees op uit de doode straten met de op marmeren bordjes prijkende namen. Wat te doen? Ze konden toch niet aan allen geven. Er bleef niet anders over dan weg te vluchten.

Toen Benedetta en Dario weer bij haar rijtuig waren, stapten zij vlug in en drukten zich, blij aan deze nachtmerrie ontsnapt te zijn, dicht tegen elkaar. Toch streelde het haar eigenliefde, dat zij zich in tegenwoordigheid van Pierre dapper gehouden had, en drukte hem de hand als een dappere leerling, toen Narcisse gezegd had, dat hij met den priester wilde gaan dejeuneeren in het kleine restaurant op de piazza S. Pietro, vanwaar men zoo’n interessant gezicht op het Vaticaan had.

“Drinkt een glas witten Genzano,” riep Dario, die zijn oude vroolijkheid weer teruggekregen had, hun na. “Er bestaat niets beters om zwartgallige ideeën te verjagen.”

Maar Pierre was onverzadigbaar, wilde meer bijzonderheden weten. Onderweg vroeg hij Narcisse naar het volk van Rome, naar zijn leven, zijn zeden en gewoonten. Het onderwijs beteekende zoo goed als niets. Industrie en handel was er bijna niet te vinden. De mannen oefenden de enkele nog bestaande handwerken uit, terwijl het voortgebrachte alleen maar in Rome zelf verkocht werd. Onder de vrouwen waren enkele parelwerksters en borduursters, terwijl religieuze artikelen, medailles en rozenkransen, en het vervaardigen van lokale snuisterijen altijd een zeker aantal menschen van werk voorzagen. Maar zoodra de vrouw trouwde en moeder werd van een als door een wonder opschietende kinderzwerm werkte zij niet meer. In het kort gezegd, de bevolking leefde, zoo goed en zoo kwaad als het ging, werkte juist genoeg om te eten, was tevreden met groenten, pap en een beetje schapenvleesch, kwam niet in opstand, was zonder eenige eerzucht voor de toekomst, zorgde slechts voor den dag van heden. De twee eenige ondeugden waren het spel en de roode en witte wijn van de Romeinsche Castelli, wijnen, die tot moord en doodslag aanzetten, wijnen, die op avonden van feestdagen na het sluitingsuur der kroegen de straten vulden met reutelende, met messteken doorboorde mannen. De meisjes waren over het algemeen zeer fatsoenlijk; zij, die zich voor het huwelijk aan een man overgaven, waren te tellen. Dat vond vooral zijn oorzaak in het feit, dat de familieband zeer sterk was en het vaderlijk gezag nog onbeperkt heerschte.

De broers waakten over de eer van haar zusters, zooals Tito, hoewel hij zoo ruw tegenover Pierina was, over haar waakte met een woeste zorg, en dat niet om de een of andere geheime ijverzucht, maar voor den goeden naam en de eer der familie. En toch heerschte er geen werkelijke godsdienstigheid, maar wel een zeer kinderlijke afgoderij: aller harten gingen uit tot Maria en de heiligen; dezen alleen bestonden, tot hen alleen werd gebeden met achterstelling van God, aan wien het niemand inviel te denken.

Uit dit alles was het stilstaan van het lagere Romeinsche volk zeer goed te verklaren. Eeuwen van aangemoedigd niets doen, gestreelde ijdelheid en verweekelijkt leven lagen achter hen. Wanneer zij geen metselaars, schrijnwerkers of bakkers waren, dan waren zij bedienden; zij dienden bij priesters en waren daardoor min of meer aan den invloed van het Vaticaan onderworpen. Vandaar twee streng gescheiden partijen: de vroegere carbonari, de latere Mazzinianen en Garibaldianen, die ongetwijfeld de meerderheid en de elite van Trastevere vormden; en de aanhangers van het Vaticaan, al degenen, die van de Kerk leefden en naar den paus-koning terug verlangden. Maar aan beide kanten bleef het altijd bij denkbeelden, waarover men sprak, zonder dat ooit de gedachte opkwam, zich eens voor het een of ander in te spannen, zich bloot te stellen aan een gevaar. Er zou een zeer sterke hartstocht voor noodig geweest zijn, om het koele verstand van het ras weg te vagen en hen tot den een of anderen waanzin te brengen. Waartoe ook? De ellende duurde al zooveel eeuwen, de hemel was zoo blauw, de siësta tijdens de warmste uren was meer waard dan al het overige. Slechts een ding scheen erbij gekomen te zijn, een fond van vaderlandsliefde.

De meerderheid was beslist voor Rome als hoofdstad, voor dezen heroverden roem, zelfs in dien mate, dat er in de Leostad bijna een oproer uitgebroken was, toen er sprake was van een accoord tusschen Italië en den paus, dat als grondslag het herstel van de wereldlijke macht over die stad had. Dat de ellende toch grooter scheen geworden te zijn en de Romeinsche werkman meer klaagde, vond zijn oorzaak hierin, dat hij in werkelijkheid niets gewonnen had bij de reusachtige werken, die de laatste vijftien jaar in zijn stad waren uitgevoerd. In de eerste plaats hadden veertig duizend arbeiders Rome overstroomd, arbeiders, die voor het grootste gedeelte uit het Noorden gekomen waren, voor minder loon werkten, moediger waren en meer weerstandsvermogen bezaten. In de tweede plaats had hij, toen hij zelf zijn deel in het werk kreeg, beter geleefd, zonder echter iets op zijde te leggen, zoodat, toen de crisis uitgebroken was en men de veertig duizend arbeiders weer naar hun provincies had moeten terugzenden, hij weer in dezelfde positie verkeerde als vroeger: in een doode stad, waarin alle werkplaatsen ledig stonden en voorloopig geen kans op werk was. Aldus viel hij weer terug tot zijn oude indolentie, in den grond der zaak blij, dat hij niet door al te veel werk geplaagd werd, en ging weer zoo goed mogelijk samenwonen met zijn oude liefde, de ellende—zonder een cent, maar als een groote mijnheer.

Vooral werd Pierre getroffen door het groote verschil in karakter tusschen de ellende te Parijs en die te Rome. Ongetwijfeld was hier de ontbering nog grooter, het voedsel nog vuiler, de smerigheid nog afstootender. Maar hoe kwam het dan, dat deze verschrikkelijk-arme menschen meer echte vroolijkheid bezaten, hun leed opgewekter droegen? Wanneer hij zich een winter te Parijs, de krotten, die hij zoo dikwijls bezocht had, waarin de sneeuw binnendwarrelde en heele families zonder vuur of brood zaten te rillen, voor den geest riep, dan werd zijn hart aangegrepen door een medelijden, dat hij in de Prati del Castello lang niet zoo levendig gevoeld had. Nu eindelijk begreep hij het: de ellende te Rome was een ellende, die geen koude leed. Welk een heerlijke en eeuwige troost was die altijd warme zon, die weldoende hemel, die uit medelijden met die ongelukkigen, steeds blauw bleef. Wat beteekende een krot van een verblijf, wanneer men buiten kon slapen en zich laten liefkoozen door de zoele winden? Wat beteekende zelfs honger, wanneer het huishouden in zonnige straten, in het droge gras op het geluk van het toeval wachten kon? Het klimaat maakte de menschen sober: er waren geen nevels, die men met alcohol trachtte te overwinnen. Het goddelijke nietsdoen vermeide zich in de gulden avonden, de armoede werd in deze heerlijke lucht, waarin het enkele levensgeluk voor het schepsel voldoende scheen te zijn, een vrij genot.

Te Napels, vertelde Narcisse, leefde in de nauwe, stinkende, met te drogen hangend waschgoed gepavoiseerde straten aan de haven en in Santa Lucia de bevolking heelemaal buiten. De vrouwen en de kinderen, die niet beneden op straat waren, leefden op lichte houten balcons, die voor alle ramen aangebracht waren. Hier werd genaaid, gezongen, gewasschen. Maar de straat was eigenlijk de gemeenschappelijke woonkamer; hier trokken de mannen hun broeken aan, reinigden halfnaakte vrouwen haar kinderen van ongedierte en kamden zichzelf; hier was voor het hongerige volk de tafel altijd gedekt. Op kleine tafeltjes, op wagens werd een doorloopende markt gehouden van goedkoope eetwaren, te rijpe granaatappels en watermeloenen, gekookte knoedels, afgekookte groenten, gebakken visch, mosselen, alle heelemaal klaar en gereed, zoodat men altijd in de open lucht kon eten, zonder ooit vuur behoeven aan te maken. En wat voor een wriemelende menigte! De vrouwen gesticuleerden aan één stuk door, de vaders zaten in een lange rij langs de trottoirs, kinderen renden heen en weer te midden van een oorverdoovend lawaai, geschreeuw, gezang, muziek. Ruwe stemmen barstten in luid gelach uit, bruine, niet mooie gezichten hadden prachtige oogen, die onder het inktzwarte, verwarde haar van levensvreugde schitterden. O, arm, vroolijk, kinderlijk, onwetend volk, welks eenige wensch zich tot de enkele centesimi bepaalde, die noodig waren, om op deze eeuwigdurende markt zijn honger te stillen!

Zeker, nog nooit was een democratie zich minder zichzelf bewust geweest. Waar zij, zooals men zeide, terugverlangden naar de oude monarchie, onder welke hun rechten op dit leven van zorgelooze armoede beter verzekerd schenen te zijn, moest men zich wel afvragen, of het noodzakelijk was zich om hunnentwil zooveel moeite te geven, voor hen, tegen hun zin, meer kennis en bewustzijn, meer welvaart en waardigheid te veroveren. Toch steeg in Pierre’s hart bij deze vroolijkheid van hongerlijders, die door de bedwelming van de zon in het leven geroepen werd, een eindelooze droefheid op. Ja de mooie hemel, niets dan de mooie hemel bewerkte deze langdurige jeugd van dat volk, verklaarde, waarom de democratie niet vlugger ontwaakte. O, zeker, de armen van Rome en Napels leden gebrek aan alles; maar in hun hart bleef niet de wrok, dat zij van koude gerild hadden, terwijl de rijken zich warmden voor groote vuren; zij kenden niet de woeste droomen in de door sneeuw koude krotten voor een dun stukje kaars, dat dadelijk uitgebrand zou zijn; zij kenden niet den dan opvlammenden drang, om zichzelf gerechtigheid te verschaffen, kenden niet den plicht van opstand, om vrouw en kinderen van de tering te redden, om zelf ook een warm nestje te hebben, waarin leven mogelijk was. Ja, de ellende, die koude lijdt, is het toppunt, neen het exces van sociale onrechtvaardigheid, de vreeselijke school, waarin de arme zijn lijden leert kennen, ertegen in opstand komt en zweert er een einde aan te zullen maken, ook al moet de oude wereld daardoor ten gronde gaan!

En in dezen milden hemel vond Pierre ook een verklaring voor den Heiligen Franciscus van Assisi, dien goddelijken bedelaar uit liefde, die langs de wegen trok en de heerlijke bekoring der armoede bezong. Hij was ongetwijfeld een onbewust revolutionnair en protesteerde, door dezen terugkeer tot de liefde voor de armen, tot den eenvoud van de oorspronkelijke Kerk, op zijn wijze tegen de overmatige weelde van het Romeinsche Hof. Maar nooit zou zulk een ontwaken van onschuld en matigheid kunnen plaats hebben in een Noordelijk land, dat verstart onder de December-vorsten. Daarvoor is de betoovering der natuur, de matigheid van een door de zon gevoed volk, de door de lauwe wegen steeds gezegende bedelarij noodig. Slechts op die wijze had hij tot volkomen zelfvergetelheid en zelfverloochening kunnen komen. En toen drong zich een eerst onoplosbaar schijnende vraag aan hem op: hoe had een Heilige Franciscus, een ziel, die alle schepselen, de dieren en de dingen, met een zoo vurige broederliefde liefhad, eens kunnen ontstaan op deze aarde, die tegenwoordig zoo liefdeloos, zoo hard voor de armen is, haar mindere volk veracht en niet eens haar paus haar aalmoes geeft? Had de oude hoogmoed de harten uitgedroogd of leidde de ervaring van zeer oude volkeren ten slotte tot egoïsme, dat de ziel van Italië ingesluimerd scheen te zijn in haar dogmatisch en pronkzuchtig Katholicisme, terwijl de terugkeer tot het Evangelische ideaal, de liefde tot de armen en ongelukkigen, in onze dagen ontwaakte in de sombere vlakten van het Noorden, onder de van zon beroofde volkeren? Dat alles werkte samen, maar vooral was het de reden, waarom de Heilige Franciscus, nadat hij zijn dame, de Armoede, zoo vroolijk getrouwd had, haar blootsvoets en nauwlijks gekleed in de heerlijke lente kon leiden te midden van bevolkingen, waarin toen een vurige behoefte aan medelijden en liefde brandde.

Al pratende waren Pierre en Narcisse op het plein voor de St. Pieter gekomen. Zij gingen zitten voor de deur van het restaurant, waarin zij reeds eenmaal gedejeuneerd hadden, aan een der kleine tafeltjes, die met haar smoezelig linnengoed langs het trottoir stonden. Maar het uitzicht was prachtig: tegenover hen de basilica, rechts boven de majestueuze zuilengaanderij het Vaticaan. Dadelijk had Pierre opgekeken naar het Vaticaan, dat hem als het ware niet losliet, vooral naar die tweede verdieping met de altijd gesloten ramen, waar de paus woonde, waar nooit iets levends te zien was. Toen de kellner de hors-d’oeuvre, finocchi en ansjovis bracht, gaf de priester een klein gilletje, om de aandacht van Narcisse te trekken.

“Kijk toch eens, waarde vriend … Daar aan het raam, dat, naar men zegt, dat van den Heiligen Vader is … Ziet u daar niet een witte, onbeweeglijke gestalte staan?”

De jonge man begon te lachen.

“Dat moet de Heilige Vader in eigen persoon zijn, u verlangt zoo zeer hem te zien, dat uw wensch hem als het ware bezweert.”

“Maar ik verzeker u,” zei de Pierre nogmaals, “dat erachter de ramen een witte gestalte staat, die naar ons kijkt.”

Narcisse, die trek had, at, maar bleef onder het eten door schertsen. Dan plotseling ernstig:

“Daar de paus naar ons kijkt, is het het geschikte oogenblik, om nog eens over hem te praten … Ik heb u beloofd u te zullen vertellen hoe hij de millioenen van het erfdeel van den Heiligen Petrus verloren heeft in die verschrikkelijke financieele catastrophe, waarvan u de puinhoopen zooeven gezien hebt, en een bezoek aan de nieuwe wijk in de Prati del Castello zou niet volledig zijn, als het niet besloten werd met dat verhaal.”

Zoo behaalde hij in de eerste tijden groote winsten door zijn grondspeculaties te Rome. Hij nam aandeelen in alle nieuwe ondernemingen, speculeerde in molens, omnibussen en waterleidingen, afgezien van een in overeenstemming met een Katholieke bank, de Banca di Romana, gevoerden wisselhandel. De paus, die tot dusverre zijnerzijds ook gespeculeerd had door bemiddeling van een vertrouwensman, een zekeren Sterbini, was over monsignor Folchi’s handigheid zóó verbaasd, dat hij Sterbini ontsloeg en den kardinaal opdroeg ook met zijn geld te speculeeren, zooals hij het met dat van den Heiligen Stoel gedaan had. Dit was de tijd, dat monsignor Folchi op het toppunt van zijn macht stond. Dan begonnen de slechte dagen: de bodem kraakte reeds en als met donderslagen stortte alles in.

Ongelukkigerwijze bestond een der operaties van Leo XIII hierin, dat hij aan den Romeinschen adel, die, verteerd door den hartstocht voor het spel en in grond- en bouwspeculaties gewikkeld, geen geld had, groote sommen leende; deze gaf hem als borgstelling aandeelen, zoodat, toen de debacle kwam, hij niets dan vodjes papier in handen had. Bovendien was er nog een geheel andere, zeer rampspoedige geschiedenis, n.l. de poging, om te Parijs een bank op te richten, met het doel om obligaties, die Italië zelf niet hebben wilde, te plaatsen onder de vrome, aristocratische clientèle in Frankrijk; als lokaas zeide men, dat de paus daarin betrokken was, en het ergste was inderdaad, dat hij bij die zaak drie millioen verloor. Kort en goed, de toestand werd des te kritieker, daar hij ten slotte de millioenen, waarover hij beschikte, in de vreeselijke speculatiepartijen gestoken had, die in Rome onder de vensters van het Vaticaan afgespeeld werden.

Ongetwijfeld werd ook hij door de speelwoede verteerd, misschien ook koesterde hij heimelijk de hoop om door het geld de stad, die men hem met geweld ontrukt had, terug te winnen. De geheele verantwoordelijkheid van dat alles rustte op hem, want nooit stak monsignor Folchi geld in een belangrijke onderneming, zonder hem te raadplegen. Zoo was hij door zijn hebzucht en door zijn zedelijk hooger staanden wensch, om aan de Kerk de moderne almacht van het grootkapitaal te geven, de werkelijke bewerker van de ramp geworden. Maar, zooals het altijd gaat, de kardinaal werd de eenige zondenbok. Hij had een heerschzuchtig en moeilijk karakter; de kardinalen van de commissie sympathiseerden niet met hem, vonden de zittingen volmaakt overbodig, omdat hij als onbeperkt heerscher handelde en men alleen bijeenkwam, om goed te keuren, wat hij wel zoo goed was omtrent zijn operaties mede te deelen. Toen de catastrophe losbrak, werd een complot gesmeed: de kardinalen maakten den paus bang met de praatjes, die de ronde deden en dwongen daarna monsignor Folchi aan de commissie rekening en verantwoording af te leggen. De toestand was buitengewoon zorgwekkend, reusachtige verliezen konden niet meer vermeden worden.

Zoo viel hij in ongenade; van af dat oogenblik heeft hij steeds weer vergeefs om een audiëntie bij Leo XIII gevraagd, die, hardvochtig, steeds geweigerd heeft hem te ontvangen als om hem te straffen voor hun gemeenschappelijke fout, de hebzucht van hen beiden. Maar monsignor Folchi heeft zich nooit beklaagd: vroom, onderworpen en berustend heeft hij zijn geheim bewaard. Niemand zou het cijfer van de millioenen, die het erfgoed van den Heiligen Petrus in de catastrophe van het in een speelhol veranderde Rome gelaten heeft, met juistheid kunnen zeggen; sommigen beweren tien, anderen weer dertig millioen. Het meest aannemelijk is echter, dat er vijftien millioen verloren gegaan zijn.

Na de coteletten met tomaten bracht de kellner een gebraden kip.

“Het gat is nu gestopt,” eindigde Narcisse zijn verhaal, “ik heb u al verteld van de reusachtige sommen, die de St. Pieterspenning opgebracht heeft en waarvan de paus, die over het geheele bedrag beschikt, alleen het juiste cijfer kent … De les is niet voldoende geweest om hem te verbeteren, want ik hoor uit goede bron, dat hij nog altijd speculeert, al is het dan ook voorzichtiger. Zijn vertrouwensman is thans weer een prelaat, monsignor Marzolini, geloof ik, die zijn geldzaken regelt … En hij heeft groot gelijk, je moet met je tijd medegaan.”

Pierre had met toenemende verbazing geluisterd, waarin zich een soort schrik en droefheid mengde. Dit alles was zeer natuurlijk, zelfs gerechtvaardigd, maar in zijn droom van een zielenherder, die hoog boven, ver en vrij van alle wereldlijke zorgen troonde, had hij nooit geloofd, dat zoo iets had kunnen bestaan. Wat, de paus, de geestelijke vader van armen en ongelukkigen, had gespeculeerd met bouwterreinen, met Beurswaarden! De opvolger van den Apostel, de pontifex van Christus, van den Jezus van het Evangelie, den goddelijken vriend der lijdenden, had gespeculeerd, zijn kapitaal belegd bij Joodsche bankiers, zooveel mogelijk geld uit zijn geld willen slaan! En dan, welk een pijnlijke tegenstelling: zooveel millioenen daarboven in de kamers van het Vaticaan, weggesloten in het een of andere geheime meubelstuk—zooveel millioenen, die vruchtdragend werkten, die onophoudelijk belegd en weer teruggenomen werden, om steeds maar meer op te brengen, die als gouden eieren met de hartstochtelijke teederheid van een vrek uitgebroed werden! En daar vlak bij, beneden, in de afschuwlijke, onvoltooide gebouwen van het nieuwe stadsgedeelte zooveel ellende, zooveel arme menschen, die in hun vuil van honger stierven, moeders zonder melk voor haar zuigelingen, mannen, door gebrek aan werk tot nietsdoen gedoemd, grijsaards, die zich afbeulden als lastdieren, welke men doodslaat, als zij tot niets meer nut zijn! O, God van barmhartigheid, God van liefde, was dat mogelijk? Ongetwijfeld had de Kerk materieele behoeften, zij kon niet zonder geld leven en het was een verstandige en zeer politieke gedachte om voor haar een schat bijeen te brengen, die haar in staat stellen zou haar tegenstanders te overwinnen! Maar hoe vernederend, hoe bezoedelend was dat alles! Zij daalde van haar goddelijke hoogte af, om niet meer te zijn dan een partij, een groote internationale vereeniging, die georganiseerd was met het doel om de wereld te veroveren en te bezitten!

En deze zeldzame geschiedenis bracht Pierre tot nog grooter verbazing. Wie zou ooit een onverwachter, pakkender drama hebben kunnen uitdenken? Deze paus, die zich in zijn paleis opsloot, dat ongetwijfeld een gevangenis was, maar een gevangenis, waarvan de honderd ramen uitzagen op een eindelooze ruimte, op Rome, de Campagna, de ver verwijderde heuvels; deze paus, die uit zijn raam op alle uren van den dag en van den nacht het geheele jaar door, met één oogopslag zijn stad omvatten kon—zijn stad, die men hem ontstolen had, waarvan hij de teruggave met een ononderbroken jammerklacht eischte; deze paus, die van het begin der werken af, van dag tot dag, de veranderingen, die zijn stad onderging, aanschouwd had: het neerhalen van de oude wijken, het verkoopen van terreinen, het geleidelijk oprijzen van nieuwe gebouwen, die langzamerhand een witten gordel om de oude rossige daken vormden; deze paus, die bij het dagelijks zien van deze bouwwoede, welke hij van zijn opstaan tot zijn naar bed gaan volgen kon, ten slotte zelf medegesleept werd door den hartstocht voor het spel, die als een roes uit de geheele stad opsteeg; deze paus, die uit zijn op zoo stoïcijnsche manier gesloten kamer met de verfraaiingen van zijn oude stad begon te speculeeren, die trachtte zich te verrijken met de door de Italiaansche regeering, die hij voor roover uitmaakte, in het leven geroepen stadsuitbreiding en ten slotte plotseling in een geweldige catastrophe, die hij had moeten wenschen, maar die hij niet voorzien had, millioenen verloor! Neen, nooit nog had een onttroonde koning aan een vreemdere ingeving toegegeven, zich gewaagd in een tragischer avontuur, dat hem als een straf trof. En dit was geen koning, dit was de afgezant Gods, dit was God zelf, de onfeilbare in de oogen der aanbiddende Christenheid!

Het dessert, geitenkaas en vruchten, was gebracht, en Narcisse was juist met een trosje druiven klaar, toen hij opkeek en uitriep:

“Maar ge hebt groot gelijk, waarde vriend, ik zie nu ook die witte schim daarboven achter de ramen in de kamer van den Heiligen Vader heel duidelijk.”

Pierre, die zijn blikken niet van het raam af had, antwoordde langzaam:

“Ja, zij was verdwenen, maar toen weer teruggekomen, en nu staat zij er nog steeds, wit en roerloos.”

“Maar wat zoudt ge dan willen, dat hij deed?” vroeg de jonge man op zijn kwijnenden toon, waaruit men niet opmaken kon, of hij spotte of niet. “Hij doet als iedereen en kijkt eens naar buiten, wanneer hij zich wat verzetten wil, en dat des te eerder, omdat hij werkelijk iets ziet, waarnaar je nooit moede wordt te kijken.”

Dat was het juist, wat Pierre in een toenemende opwinding bracht. Men sprak altijd van een gesloten Vaticaan, en hij had zich een somber, door hooge muren omgeven paleis voorgesteld, want niemand had hem gezegd, niemand scheen te weten, dat dit paleis Rome beheerschte en dat de paus van uit zijn raam de wereld zag. En de onmetelijkheid van dat uitzicht kende Pierre, hij had het gezien van af den top van den Janiculus; van uit de loggia’s van Raffaël, van af den dom der Basilica. En waar Leo XIII, roerloos en wit achter zijn ramen, naar keek, dat riep Pierre voor zijn geestesoog op, zag het met hem. In het midden van de uitgestrekte vlakte der Campagna, die de Sabijnsche en Albaansche heuvelen begrensden, zag Leo XIII de zeven beroemde heuvels: den door de boomen der villa Pamphili gekroonden Janiculus; den Aventinus, waarvan niets overgebleven was dan de drie half in het groen schuil gaande kerken; dan iets verder afgelegen, den door zijn rijpe oranjeappelen der villa Mattei doorgeurden Coelius; den Palatinus, die een dunne, daar als op het graf der Caesars opgeschoten rij cypressen omzoomde; den Esquilinus, waarop zich de slanke klokkentoren van de Santa Maria Maggiore verhief; den Viminalis, die met zijn verwarde en witachtige opeenhooping van nieuwe gebouwen op een openliggende steengroeve geleek; den Capitolinus, dien de vierkante campanile van het Senatorenpaleis nauwlijks aanwees; den Quirinalis, waarop het paleis van den koning fel-geel afstak tegen de donkere schaduwen der tuinen. Hij zag behalve de Santa Maria Magggiore alle basilica’s, S. Giovanni in Laterano, de wieg van het pausdom, S. Paola fuori le mura, S. Croce in Gerusalemme, S. Agnese, de dom van Il Gesù, van S. Andrea della Valle, van S. Carlo, van S. Giovanni del Fiorentini en al de vierhonderd kerken van Rome, die de stad in een met kruisen beplant, heilig veld veranderen. Hij zag de beroemde monumenten, de getuigen van den eeuwenouden hoogmoed, de Engelenburg, een in een pauselijke vesting veranderd keizersgraf, de witte lijn der andere graven langs de Via Appia, dan de verspreid liggende ruïnen van Caracalla, van het paleis van Septimius Severus, zuilen, gaanderijen, triomfbogen, de paleizen en de villa’s van prachtlievende kardinalen der Renaissance, den palazzo Farnese, den palazzo Borghese, de villa Medicis en alle, alle andere—een gewemel van daken en gevels.

Maar voor alles zag hij links, vlak onder zijn raam, den gruwel van de nieuwe, onvoltooide wijk der Prati del Castello. Wanneer hij ’s middags in zijn tuinen wandelde, die als een citadel door den muur van Leo IV ingesloten was, had hij het vreeselijke uitzicht op het dal, dat men in den koortsachtigen tijd der bouwwoede in den voet van den monte Mario gegraven had, om er steenbakkerijen op te richten. De groene hellingen zijn opengehaald, geelachtige gangen loopen naar alle kanten, terwijl de thans gesloten fabrieken met haar hooge, doode schoorsteenen, waaruit geen rook meer opstijgt, niets meer dan armzalige ruïnes zijn. Op geen uur van den dag kon hij bij een raam komen zonder die verwaarloosde gebouwen, waarvoor zooveel steenbakkerijen gewerkt hebben, voor oogen te hebben, deze gebouwen, die dood waren voor zij geleefd hadden, waarin op dat oogenblik niets was dan de wriemelende ellende van Rome, dat hier als het cadaver van oude maatschappijen tot ontbinding lag over te gaan.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings