← Table of contents
De Dageraad der Volksvrijheid

Achttiende Hoofdstuk.

Reading edition

De Nederlanden. Wantrouwen tegen den hertog van Anjou. Ontzet van Kamerijk. Anjou dingt naar de hand van koningin Elisabeth van Engeland. Doornik ingenomen. Elisabeth’s kuiperijen. Anjou in de Nederlanden met blijdschap ontvangen. Zijne inhuldiging te Antwerpen. Moordaanslag op Willem van Oranje. Maurits van Nassau. Zijne koelbloedigheid. Jean Jaureguy. Het onderzoek. Anastro. De medeplichtigen gestraft. Herhaalde plannen om Oranje te vermoorden. Egmond’s medeplichtigheid. Verraderlijke plannen van Anjou. Slechte uitvoering. Anjou’s verijdelde aanslag op Antwerpen. De Staten in schijn met den hertog verzoend. Anjou verlaat de Nederlanden. Zijn dood.

Het had den prins van Oranje veel moeite gekost, de Staten te bewegen tot de onderhandelingen met den hertog van Anjou, welker uitslag onze lezers kennen, en zelfs nadat zij afgeloopen waren, bleef toch juist bij de scherpzinnigste Nederlandsche staatslieden en ook in den boezem van het volk zelf een niet ongegrond wantrouwen jegens den Franschen prins bestaan.

De Calvinisten hadden het niet vergeten, dat Frans Hercules van Alençon, de meest geliefde zoon der bloeddorstige Catharina de Medici, zijne handen eens met het bloed der Fransche protestanten bevlekt had, zij konden niet gelooven, dat zijn haat jegens de ketters eensklaps uitgebluscht zou zijn. Evenmin vertrouwden zij zijne verzekering, dat hij de vrijheden der Nederlanders eerbiedigen en nooit eene poging wagen zou om de provinciën geheel met Frankrijk te verbinden.

Het luidst gaf men aan dit wantrouwen in Holland en Zeeland lucht. Het was de voornaamste oorzaak van het besluit dezer gewesten om zich afzonderlijk tot den prins van Oranje in eene onmiddellijke betrekking te stellen. Doch ook in de overige provinciën bleef het bestaan en het werd alleen voor korten tijd gesust door de verzekering van Frankrijk’s vrienden, dat de Nederlanders alleen onder bescherming van Anjou hunne vrijheid verwerven konden, dewijl de hertog aan het zoo zwaar geteisterde land de ondersteuning van den koning van Frankrijk en van zijn machtig leger aanbracht.

Doch met deze ondersteuning zag het er tamelijk treurig uit. De koning was naijverig op zijn broeder; hij vreesde dat deze, zoodra hij zich slechts machtig genoeg voelde, hem gaarne van den Franschen troon verdringen zou, en hij gevoelde volstrekt geen lust om den koning van Spanje ter wille van zijn broeder rechtstreeks den oorlog te verklaren.

Toch liet Anjou de Nederlanders niet geheel zonder bijstand. In het midden van den zomer van 1581 verscheen hij aan het hoofd van 5000 edele cavaliers en 12000 man voetvolk voor Kamerijk en ontzette deze belangrijke stad, tot welker belegering Farnese juist aanstalten maakte. Alexander, te zwak om aan het Fransche leger het hoofd te bieden, moest in aller ijl het beleg opbreken en wendde zijne macht tegen Doornik.

Anjou voorzag de stad Kamerijk van levensmiddelen en versterkte haar garnizoen; doch daarmee meende hij ook genoeg gedaan te hebben. Hij dankte zijn leger af, de cavaliers keerden grootendeels naar Frankrijk terug, het voetvolk trad in dienst der Staten. Doch de hertog zelf reisde naar Engeland, om hier in persoon naar de hand van koningin Elisabeth te dingen.

Farnese kon na Anjou’s vertrek ongestoord met het beleg van Doornik een aanvang maken. Hij hoopte op eene gemakkelijke zegepraal, dewijl de gouverneur der vesting, de prins d’Espinoy, zich op dat tijdstip niet daarbinnen bevond, en het opperbevel aan zijne gemalin, Maria van Lalaing, eene nicht van den onthoofden graaf van Hoorne, toevertrouwd had. De prinses bestuurde de verdediging met manlijken moed. Dagelijks verscheen zij op de wallen, zij trotseerde elk gevaar, zelfs toen zij eens gewond werd, liet zij zich niet bewegen om zich terug te trekken.

De prins wenschte vurig, Doornik te redden, doch te vergeefs poogde hij de Staten te bewegen om eene grootere krijgsmacht in het veld te brengen en dus moest hij alle hoop op het ontzet der stad laten varen.

Toen de tijding, dat de belegerden niet op ontzet hadden te rekenen, binnen Doornik aankwam, lieten de dappere verdedigers den moed zakken. De katholieke inwoners dreigden met openbaren opstand en zelfs de Calvinisten eischten overgave op eervolle voorwaarden, welke Farnese der prinses bereidvaardig toestond, ten einde zonder bloedvergieten meester van de stad te worden. Bij uitzondering hielden de Spanjaarden ditmaal hun woord. Zij lieten de prinses aan het hoofd der geheele bezetting met krijgseer uittrekken. Den 30en November deed Parma zijn intocht in de stad.

De prins van Oranje had intusschen de Staten dringend aangespoord om aan den onhoudbaren toestand eener tusschenregeering een einde te maken; hij wenschte vurig, dat de hertog van Anjou zich naar de Nederlanden begeven zou om het hem toegedachte bewind te aanvaarden en met alle kracht den strijd tegen de Spanjaarden te aanvaarden. Een gezantschap werd naar Engeland afgevaardigd; het moest den hertog uitnoodigen om zoo spoedig mogelijk de regeering van zijn land te aanvaarden. Toch verliepen er nog weken, ja maanden, eer Anjou dezen wensch inwilligde, hij meende namelijk, dat hij voor alles in persoon naar de hand van Elisabeth dingen moest, en daarmede vorderde hij weinig of niets.

De sluwe koningin wachtte zich wel, een bepaald antwoord te geven; zij nam het aanzoek des hertogs niet aan, maar verwierp het evenmin. Men zegt, dat Elisabeth zich wellicht tot het sluiten van dat huwelijk zou hebben laten bewegen, indien de hertog van Anjou niet al te leelijk was geweest, doch haar afkeer van zijn persoon woog zwaarder dan alle staatkundige overwegingen, die het aangaan van deze verbintenis raadzaam maakten. In weerwil hiervan zorgde Elisabeth, hem niet alle hoop te benemen, zij behandelde hem integendeel zeer vriendelijk en toen hij tegen het einde van het jaar 1581 aanstalten maakte om spoedig naar de Nederlanden te vertrekken, beloofde zij hem hare krachtige ondersteuning om het bewind over de provinciën te verwerven en stond zij zelfs toe, dat vele aanzienlijke Engelschen, onder anderen ook haar lieveling, de graaf van Leicester, hem derwaarts vergezelden.

Den 10en Februari 1581 wierpen 18 groote schepen, die den hertog van Anjou en zijn talrijk gevolg overbrachten, voor Vlissingen het anker uit. De hertog werd door eene deputatie der Staten-Generaal en door den prins van Oranje begroet; doch velen dier afgevaardigden, die hem voor het eerst zagen, gevoelden zich door zijn uiterlijk zóó teruggestooten, dat zij den ongunstigen indruk, welken de hertog op hen maakte, nooit konden overwinnen.

Frans Hercules, hertog van Anjou en Alençon, was toen eerst 28 jaar oud; maar zijn zwak en misvormd lichaam en zijne afgeleefde gelaatstrekken deden hem veel ouder schijnen. Zijn door de pokken geschonden gelaat was buitengewoon leelijk en die leelijkheid werd niet weinig verhoogd door den zonderlingen vorm van den neus, die er uitzag alsof hij in tweeën gespleten was. Zijn karakter was met zijn uiterlijk in overeenstemming; hij was zóó trouwloos, dat de Nederlanders later, toen zij hem beter hadden leeren kennen, schertsend van hem plachten te zeggen: het is niet meer dan natuurlijk, dat een man, die twee neuzen heeft, ook twee aangezichten vertoont.

Op den dag van zijne ontvangst en gedurende de eerstvolgende dagen vertoonde de hertog van Anjou intusschen slechts één gelaat, en wel het vriendelijkste en voorkomendste ter wereld. Den 17en Februari zeilde hij naar Antwerpen, de deputatie welke hem te Vlissingen ontvangen had, vergezelde hem derwaarts, ook een groot aantal edelen, die de nieuwsgierigheid naar Vlissingen gelokt had, volgde hem.

Volgens overoude gewoonte mocht de vorst des lands niet den voet in de oude handelsstad zetten, eer hij plechtig de vrijheden des lands bezworen had. De hertog schikte zich naar dit gebruik: voordat hij de stad binnentrad, verzekerde hij den trouwen Nederlanders, dat hij bereid was om den laatsten droppel bloeds voor de vrijheid van Brabant te vergieten, vervolgens zwoer hij den vereischten eed en ontving nu op zijne beurt den hertogshoed en den hermelijnen mantel, dien de prins van Oranje zelf hem omhing, en den huldigingseed der Brabanders.

Nadat deze plechtigheid afgeloopen was, en de herauten een regen van gouden en zilveren muntstukken op de ontelbare menigte hadden doen neerstroomen, schaarde het volk zich onder het aanheffen van den kreet: „Leve de hertog van Brabant!” tot een feestelijken stoet, om den nieuwen vorst in zijne eerste handelsstad binnen te leiden.

De kooplieden der Hansa, in hun oud-Duitsch kostuum, openden den trein, op hen volgden de Engelsche kooplieden in lang kostbaar fluweelen gewaad, de burgerweer met volle muziek, de eerste waardigheidsbekleders der stad en der provinciën met hun zwart gewaad en hun schitterenden gouden keten. Achter hen reed op een witten telganger de hertog van Anjou met zijn schitterend gevolg, bestaande uit de aanzienlijkste edelen van Engeland, Frankrijk en de Nederlanden. Onder deze vielen de schoone graaf van Leicester en prins Willem van Oranje met zijn zoon, graaf Maurits, toen een schoon jongeling van 15 jaar, in het oog. De oude Brabantsche schuttersgilden van den voet- en den handboog vormden des hertogs lijfwacht, op hem volgden een groot aantal edellieden, de lijfwacht van den prins van Oranje en de troepen. Het zonderlinge slot van den luisterrijken stoet vormden 300 geboeide misdadigers, wien de hertog, overeenkomstig het voor de plechtigheid ontworpen plan, aan den avond van dien dag genade zou schenken.

Langs den geheelen weg, dien de stoet had af te leggen, brandden fakkels, hoewel het op den vollen middag was.

Met zulk een praal hield de nieuwe hertog zijn intocht in Antwerpen en nog weken achtereen duurden de feesten voort, doch eensklaps zouden zij door eene treurige gebeurtenis worden afgebroken.

Op Zondag den 18en Maart, den geboortedag van Anjou, had de prins van Oranje met een klein gezelschap het middagmaal gehouden; hij wilde zich met zijne gasten uit de eetzaal naar zijne bijzondere vertrekken begeven, toen hem in de voorzaal een bleek jonkman tegenkwam, die hem een verzoekschrift overhandigde. Juist toen Oranje het papier wilde aannemen, trok de vreemdeling een pistool te voorschijn en schoot het in de onmiddellijke nabijheid op ’s prinsen hoofd af. Willem van Oranje, die een vreeselijke pijn gevoelde en door den kruitdamp verblind was, meende, dat hij eene doodelijke wonde had ontvangen. „Vermoordt hem niet; ik vergeef hem mijn dood!” riep hij. Maar zijn woord kwam te laat. Reeds hadden zijn gevolg en de lijfwachten zich op den moordenaar geworpen en hem doorboord.

De prins werd naar zijn slaapvertrek gebracht. Bij het onderzoek van de wond bleek het, dat deze hoogst gevaarlijk, maar nog niet doodelijk was. Wel was de slagader aan den hals gekwetst, maar door de hitte van het in zulk eene dichte nabijheid ontbrande kruit was de wond toegeschroeid en alzoo eene verbloeding voorgekomen. Het kakebeen was gedeeltelijk verbrijzeld, twee kiezen waren door den kogel meegenomen.

Het gerucht van den moordaanslag verbreidde zich schier oogenblikkelijk door geheel Antwerpen en bracht onder het volk eene onbeschrijfelijke verontwaardiging te weeg. „De prins is dood en zijn moordenaar is de held van den Bartholomeus-nacht, de moordenaar van Coligny, de hertog van Anjou, die zich op deze wijze van een lastigen mededinger ontslagen heeft!” riepen de burgers van Antwerpen elkaar toe. Zij brandden van begeerte om eene bloedige wraak op de Franschen te nemen en zouden het wellicht ook gedaan hebben zonder een nauwkeurig onderzoek af te wachten, indien hun niet terstond daarop was medegedeeld, dat de prins wel gewond, maar niet dood was, dat de moordaanslag niet van de Franschen, maar van de Spanjaarden was uitgegaan en dat het de eerste poging was om het banvonnis, door Philips II over Willem van Oranje geveld, ten uitvoer te leggen.

De bevolking van Antwerpen dankte deze gelukkig zoo snel verbreide mededeeling aan de kalme bezonnenheid van den jeugdigen graaf Maurits van Nassau, die als getuige van den op zijn vader gepleegden moordaanslag het besluit gevat had om den aanlegger der euveldaad te ontdekken.

De 15jarige knaap liet zich door de smart en den schrik niet van zijn stuk brengen. Zoodra hij zijn gewonden vader onder de hoede van trouwe vrienden en dienaars zag, vestigde hij zijne opmerkzaamheid op het lijk des moordenaars. Hij verliet het geen oogenblik, opdat niet door de misdadige hand van een medeplichtige den doode een papier, dat deze misschien bij zich droeg, ontnomen zou worden.

Het door 32 steken doorboorde lijk werd in een zijvertrek gebracht en nauwkeurig onderzocht. Werkelijk vond men papieren en andere voorwerpen, die de meestgewenschte inlichtingen omtrent de aanleggers van den moord gaven.

Bij den moordenaar vond men behalve een dolk, waarvan hij zich waarschijnlijk had willen bedienen, ingeval het pistool geweigerd had, o. a. een Agnus Dei, eene kaars van geele was, twee gedroogde padden, een gebedenboek, een Jezuïeten-catechismus, twee Spaansche wissels, een van 2000 en een van 877 kronen, en—het belangrijkste van alles—een zakboekje, uit welks aanteekeningen bleek, dat de schrijver doordrongen was van de vaste overtuiging, dat hij zich jegens de katholieke kerk en dus jegens de gansche menschheid hoogst verdienstelijk maken zou, indien het hem gelukte, den dwingeland uit den weg te ruimen. Alle papieren waren in het Spaansch geschreven.

Aldegonde, die bij het onderzoek tegenwoordig geweest was, haastte zich, den uitslag van zijne nasporingen aan den hertog van Anjou en de stedelijke overheid mee te deelen. Anjou riep terstond den Staatsraad bijeen en deze vaardigde eene proclamatie uit, waarin elk, die iets aangaande de misdaad of den misdadiger wist en niet terstond daarvan mededeeling deed aan de overheid, zonder genade met den dood bedreigd werd.

Het lijk van den moordenaar werd openlijk ten toon gesteld en weldra herkend als dat van een zekeren Jean Jaureguy, een jonkman, die in dienst gestaan had van een te Antwerpen gevestigd Spaansch koopman, met name Anastro.

De overheid gaf terstond bevel om Anastro in hechtenis te nemen, doch deze had reeds eenige dagen te voren Antwerpen verlaten onder voorwendsel, dat hij eene noodzakelijke handelsreis ondernemen moest. Zijn kassier Venero en een dominicaner monnik, Antonie Timmermans, die met Anastro zeer bevriend waren, werden gevangengenomen.

Het onderzoek werd met spoed voortgezet. Er werden brieven van den voortvluchtigen Anastro aan Venero onderschept, die de geheele samenzwering aan het licht brachten, en Venero, die thans begreep, dat eene ontkenning hem niet meer baten, maar hem alleen op de pijnbank brengen zou, kwam tot eene volledige bekentenis.

Anastro, wiens vermogen zeer achteruit was gegaan, had koning Philips II beloofd, den prins van Oranje uit den weg te ruimen. Tusschen hen was inderdaad een van weerszijden onderteekend en door den koning eigenhandig bezegeld verdrag tot stand gekomen, volgens hetwelk Anastro voor den moord 80.000 ducaten en brieven van adeldom ontvangen zou.

Te lafhartig om zijn eigen leven bij die euveldaad op het spel te zetten, had Anastro met behulp van Venero den dweepzieken Jean Jaureguy voor zijn plan weten te winnen.

Het proces tegen Venero en Timmermans duurde niet lang. Beiden bekenden, dat zij vooraf van de daad geweten en haar goedgekeurd hadden; zij werden ter dood veroordeeld en reeds den 28en Maart terechtgesteld. Op voorspraak van den prins van Oranje werd hun de genade bewezen, dat men hen eerst worgde, eer hun lichaam de vreeselijke, door de wet voorgeschreven verminkingen onderging.

Alexander Farnese had de tijding van den moordaanslag uit den mond van Anastro zelven vernomen, maar hij was daarbij in één belangrijk opzicht verkeerd ingelicht. Anastro toch, die de hem toegezegde belooning opeischte, had hem meegedeeld, dat de aanslag gelukt en de prins door een pistoolschot gedood was. In de blijdschap van zijn hart vaardigde Farnese eene proclamatie uit, waarin hij aan de voornaamste steden der Nederlanden mededeelde, dat zij van haren onderdrukker verlost waren; hij spoorde de burgers aan om thans eindelijk in de armen van hun wettigen vorst terug te keeren.

Deze proclamatie werkte natuurlijk niets uit, daar de onwaarheid van het daarin vermelde feit weldra algemeen bekend werd. Wel was de prins zwaar gewond, wel zweefde hij dagen lang als tusschen leven en dood, maar de onvermoeide zorgen zijner getrouwen en de bekwaamheid van een kundigen arts werden met de beste uitkomst bekroond.

Groot was de blijdschap over het mislukken van den moord; bovenal in Holland, waar de prins het voorwerp was van de innigste liefde, was zij onbeschrijfelijk. Thans lieten de Hollanders en Zeeuwen zich niet langer afwijzen: zij verlangden, dat de prins eindelijk de grafelijke waardigheid van Holland en Zeeland, niet slechts—gelijk in Juli 1581 geschied was—voor den duur van den krijg, maar voor altijd aannemen zou. De prins kon thans aan hun aandrang niet langer weerstand bieden. De voorwaarden, waarop hij die waardigheid aanvaardde en waarbij de meest mogelijke waarborgen voor de vrijheid der burgers werden verleend, werden inderdaad opgemaakt en bekrachtigd. Alleen de plechtige inhuldiging ontbrak nog, om aan de zaak haar beslag te geven, toen een andere aanslag—gelijk we later zien zullen—het geheele plan in duigen wierp.

De door Jaureguy gepleegde aanslag bleef niet de eenige. Terstond nadat de hertog van Anjou ook door Gelderland, Friesland en Vlaanderen gehuldigd was, werd de ontdekking gedaan, dat een Italiaan, Basa genaamd, en een Spanjaard, met name Salseda, samengezworen hadden om den prins van Oranje en den hertog van Anjou te vergiftigen. Beide samenzweerders werden gevangen genomen en bekenden hunne misdaad. Basa bracht zich zelven in de gevangenis om het leven. Salseda werd naar Parijs gevoerd en daar op eene vreeselijke wijze ter dood gebracht.

Een treurig licht werd op de ontaarding van den Nederlandschen adel geworpen door de ontdekking, dat ook Lamoraal van Egmond, een jongere zoon van den onthoofden graaf, in het moordplan betrokken was. Als vurig katholiek had hij zich met de schandelijke onderneming ingelaten, ten einde het land van den ketterschen prins van Oranje te bevrijden. Zijne schuld was onbetwistbaar, doch in weerwil hiervan werd zij bemanteld; men stelde den jeugdigen misdadiger na eene korte gevangenschap in vrijheid, onder voorwaarde, dat hij de Nederlanden verlaten zou: zijne verwantschap met het Fransche hof redde hem het leven.

Frans van Anjou was te trotsch om, even als de aartshertog Matthias, over wien hij zich meermalen met de grootste minachting uitliet, zich met de schaduw der macht te vergenoegen. „Het betaamt eenen zoon van Frankrijk niet,” placht hij te zeggen, „een nul in ’t cijfer, een Matthias te zijn;” om de eeden, waarmee hij de vrijheden der Nederlanders bezworen had, bekommerde hij zich weinig: reeds bij het afleggen van die geloften had hij het plan gevormd om die te verbreken. Na korten tijd verdroot hem de beperkte heerschappij, die zijne eerzucht niet bevredigde, en besloot hij, òf de Nederlanden te verlaten òf eene regeering te vestigen, gelijk hij die alleen eenen vorst waardig achtte.

Anjou werd in zijne plannen versterkt door de eerzuchtige jonge Fransche edellieden, die hem als officieren der Fransche hulptroepen naar de Nederlanden gevolgd waren. Zijne Mignons—zoo werden zijne gunstelingen, evenals die van zijn koninklijken broeder, spottenderwijze genoemd—spoorden hem aan om dezen vermetelen Nederlanders eindelijk eens te toonen, dat zij de onderdanen en niet de meesters van hunnen vorst waren, en de hertog volgde hun raad op. In het begin van het jaar 1583 ontwierp hij, in overleg met hen, het plan om zich door één onverwachten en krachtig toegebrachten slag van de heerschappij over de belangrijkste provinciën te verzekeren.

In eenige aanzienlijke steden des lands moesten op denzelfden dag onlusten, oneenigheid tusschen de burgers en het garnizoen, verwekt werden, ten einde den Franschen een voorwendsel te geven om zich in die geschillen te mengen en zich van de vaste plaatsen meester te maken. Op deze wijze moesten Duinkerken, Gent, Brugge, Aalst en andere steden, maar in de eerste plaats Antwerpen ingenomen worden. Hier wilde de hertog de onderneming in persoon besturen.

Het plan was goed uitgedacht, doch werd niet zoo stipt uitgevoerd als noodig zou zijn geweest om het te doen gelukken. Den 15en Januari maakten de Fransche bevelhebbers zich van de steden Duinkerken, Ostende, Aalst en eenige andere kleine plaatsen meester; doch te Brugge en elders weigerde de burgerij den Franschen de poorten te ontsluiten. Juist de belangrijkste steden werden niet genomen.

Ook de aanslag op Antwerpen mislukte. Hier was de burgerij bijtijds gewaarschuwd. Een vermomd man—waarschijnlijk, naar zijne spraak te oordeelen, een Franschman, maar een persoonlijk vijand van Anjou—was des nachts op de hoofdwacht gekomen en had daar meegedeeld, dat de hertog een verraderlijken aanslag op de stad in den zin had.

Het gerucht van het gebeurde verbreidde zich den 16en Januari spoedig door de stad en vond des te gereeder ingang, daar de burgerij den hertog buitendien reeds wantrouwde. Ook de prins van Oranje werd er van onderricht. Wel verklaarde de prins, dat hij den hertog niet tot zulke verraderlijke plannen in staat achtte, maar hij ried toch voorzichtigheid aan; hij gaf bevel om de straten met ijzeren kettingen te versperren, voor alle huizen lantaarns te hangen en de bruggen vóór de poorten vroeger dan gewoonlijk op te halen, ten einde eene Fransche krijgsbende, die niet ver van Antwerpen gelegerd was, eene overrompeling der stad, indien zij daarop plan had, onmogelijk te maken. Ter zelfder tijd zond hij een der burgemeesters tot den hertog, om dezen kennis te geven van de ongunstige geruchten, die over hem in omloop waren.

Anjou betoonde zich zeer verontwaardigd over zulk een boosaardigen laster. Hij verklaarde plechtig, dat de gedachte aan zulk een schandelijk verraad nooit bij hem was opgekomen en dat hij met blijdschap zijn laatsten droppel bloeds voor de verdediging van Antwerpen vergieten zou.

Aan zulke woorden moest men wel geloof slaan en toen de hertog ze den volgenden morgen voor eene deputatie der overheid, met den prins van Oranje aan het hoofd, herhaalde en zelfs op zijn eerewoord beloofde, ten einde allen twijfel weg te nemen, de stad Antwerpen niet te verlaten, toen verdween inderdaad de bezorgdheid der burgers: zij lieten alle maatregelen van voorzorg varen en begaven zich des namiddags te één uur—de algemeene etenstijd te Antwerpen—aan tafel. De straten der groote stad waren—gelijk gewoonlijk omstreeks dezen tijd—geheel ontvolkt.

Hierop had Anjou gerekend. Te één uur verliet hij, aan het hoofd van zijn talrijk gevolg, de stad; de wacht opende voor hem gewillig de poort. Nauwelijks was dit geschied, of de hertog wendde zich tot zijn gevolg met den uitroep: „De stad is in uwe macht, neemt haar in bezit!” Hierop rende hij met losse teugels naar het nabij gelegen kamp der Fransche soldaten, die op het sein tot den aanval wachtten, terwijl zijn gevolg de poortwacht neerhieuw en zich zoowel van de poort als van de ophaalbrug meester maakte. Hierop stormden zij, gevolgd door hunne uit de legerplaats aangesnelde vrienden, de stad binnen, onder het uiten van de zegekreet: „De stad is gewonnen! Leve de mis! Leve de hertog van Anjou! Slaat dood! slaat dood! slaat dood!”

600 ruiters en 3000 fransche musketiers verspreidden zich eensklaps met woest getier door de straten van Antwerpen, zij braken in de winkels der juweliers en in de huizen der rijkste inwoners in, om te rooven en te plunderen; maar die hebzucht zou den Franschen weldra duur te staan komen.

De bij hun middagmaal verraste burgers grepen naar de wapenen. Zij stormden de huizen uit en verzamelden zich in aller ijl. De trompetten schalden; de kettingen werden door de straten gespannen. Alle klassen der bevolking, edelen en burgers, aanzienlijksten en geringe werklieden, katholieken en protestanten, vereenigden zich tegen de vermetele roovers en zwoeren elkaar, de stad tot den laatsten droppel bloeds te verdedigen. Zelfs vrouwen en kinderen namen deel aan den strijd. Zij klommen op de daken en wierpen van daar steenen en zwaar huisraad op de door de straten stormende Franschen.

Deze, die zich van de overwinning reeds zeker waanden, zagen zich eensklaps door de gewapende bevolking der groote stad omsingeld, zij begrepen, dat zij met hun klein aantal niet tegen die geduchte overmacht waren opgewassen. Verschrikt door den ongedachten, ongunstigen afloop hunner onderneming, poogden zij terug te trekken, maar voor de meesten was het reeds te laat. Slechts weinigen gelukte het, zich door hunne vijanden heen te slaan, verreweg de meesten werden in de straten van Antwerpen neergehouwen of gevangen genomen.

De hertog van Anjou was buiten de stad vol schaamte en woede getuige van den noodlottigen afloop van zijn verraderlijken aanslag. Hij moest met zijne weinige getrouwen de vlucht nemen, om niet zelf als offer der verbittering van het verontwaardigde volk te vallen. Van de kleine legerbende, aan wier hoofd hij nog stond, verloor hij echter een groot deel op den terugtocht. Want de burgers van Mechelen staken, om hem op zijn marsch tegen te houden, een dijk door en brachten eene overstrooming te weeg, waarin niet minder dan 1000 Franschen den dood vonden.

Door zijn schandelijk verraad had Anjou alle achting en liefde der Nederlanders verloren. Toen hij bovendien, nadat hij zich in veiligheid gesteld had, een belachelijken trots aan den dag legde, van beleedigingen sprak, waarover hij wraak had moeten nemen, den Staten beloften deed, indien zij de oproerlingen tot onderwerping brachten, en daarentegen dreigde, dat het land er duur voor boeten zou, indien het hem weerstand durfde bieden, toen hij bij de daarop volgende onderhandelingen met de Staten den aanval op Antwerpen eerst deed voorkomen als volkomen gerechtvaardigd door beleedigingen, die men hem zou hebben aangedaan, en daarna weer als een gewoon soldatenoproer,—toen openbaarde zich onder alle standen zulk eene algemeene verachting voor den ellendigen vorst, dat de prins van Oranje bijna wanhoopte aan de mogelijkheid om den vrede te herstellen. En toch was dit in zijn oog dringend noodzakelijk.

Oranje was niet minder verontwaardigd over des hertogs trouweloosheid dan elk ander man van eer; maar als staatsman mocht hij aan zijn gevoel niet te veel toegeven.

Gevaarlijker dan ooit was juist op dat tijdstip in zijne schatting eene breuk met Frankrijk; noodiger dan ooit een vast verbond met dien naburigen staat. De moed en het zelfvertrouwen der burgers waren door den eindeloozen oorlog zoozeer verzwakt, dat Oranje op eene redding van de Nederlanders door eigen kracht niet langer durfde hopen. De staatkunde noopte hem dus om op nieuw met den hertog te onderhandelen, hoewel hij vernam, dat deze schaamteloos genoeg was om te gelijker tijd onderhandelingen met Alexander Farnese aan te knoopen, ja dat hij dezen aangeboden had, hem de Nederlanden over te laten, wanneer de Spaansche koning Frankrijk door den afstand van grensgewesten schadeloos stelde. Ook de Staten, hoe sterk eene verzoening met den hertog hun ook tegen de borst stuitte, wist Oranje te overtuigen dat zij hun natuurlijken afkeer van den verrader ter zijde moesten zetten en hij bracht hen, dewijl ook Elisabeth van Engeland dringend tot verzoening aanmaande, na veel moeite zoo ver, dat de bijna weer afgebroken onderhandelingen met den hertog op nieuw aangeknoopt werden en dat in de laatste dagen van Maart werkelijk eene schijnbare verzoening tot stand kwam. De Staten ontsloegen de binnen Antwerpen gevangen genomen Franschen, zij gaven den hertog de papieren en voorwerpen van waarde terug, welke hij bij zijne overhaaste vlucht achtergelaten had, en huldigden hem op nieuw. Hij beloofde van zijnen kant, de gesloten verdragen stipt te zullen naleven.

In weerwil van dit alles kon de hertog zich echter in de Nederlanden nooit weer eenigen invloed verwerven. Het gansche volk verachtte en haatte hem. Ook de hoop om door een nieuw verraad zijne eerzuchtig plannen te verwezenlijken, moest Anjou opgeven, want de Nederlanders waren thans gewaarschuwd en op hunne hoede. Hij had in het land, welks vorst hij heette, geen nul, geen Matthias willen zijn, maar door de poging om zijne macht uit te breiden was zijne verhouding veel treuriger geworden dan die van Matthias ooit geweest was.

Wat zou hij nog in de Nederlanden uitrichten? Hij smachtte naar het weelderige Parijs en in Juni 1583 verliet hij Duinkerken, om naar Frankrijk te vertrekken, nadat hij zoowel met den prins van Oranje als met de Staten zeer vriendelijke brieven gewisseld had.

Hij hoopte eenmaal terug te komen en met de hulp van een Fransch leger in de Nederlanden zoowel op de Spanjaarden als op de patriotten een rijk te veroveren, dat een zoon van Frankrijk waardig zou zijn. Maar het werd hem niet eens vergund de toebereidselen tot volvoering van dat plan te maken. Reeds den 10en Juni 1584 stierf hij te Chateau Thierry aan de gevolgen zijner uitspattingen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings