Twaalfde Hoofdstuk.
Reading edition
De Nederlanden. Treurige toestand der provinciën. Bevestiging van de Unie tusschen Holland en Zeeland. Mislukte poging tot ontzet van Zierikzee. Dood van Lodewijk van Boisot. Val van Zierikzee. Opstand der Spanjaarden. Zwak bewind van den Staatsraad. De Spaansche muiters te Aalst. Opstand van het geheele Spaansche leger. De Roda. De Staatsraad in hechtenis genomen. Vergadering der Staten te Gent. Moeilijkheden bij de onderhandelingen. Maastricht en Antwerpen door de Spaansche muiters geplunderd. Gevolgen van het bloedbad te Antwerpen. De pacificatie van Gent.
Indien wij ons den toestand der in opstand verkeerende provinciën voor den geest roepen, dan bieden zij ons een hoogst treurig schouwspel aan.
Het land verkeerde in den uitersten nood. De lange, hardnekkige strijd had zelfs den meest welvarende bijna arm gemaakt, de velden lagen braak, bijna overal had men gebrek aan zaaikoren, aan vee en aan geld om het aan te koopen. Het doorsteken van de dijken had aan het bouwland onnoemlijke schade toegebracht. Nog had men de dijken niet weder geheel kunnen dicht maken bij gebrek aan geld en aan werkkrachten, bij elken storm werd dus het land bedreigd met eene zeer ongewenschte overstrooming, die het geheel aan den ondergang prijsgeven kon.
Voeg hierbij de treurige gebeurtenissen op het oorlogstooneel: Noord- en Zuid-Holland van elkaar gescheiden door de vesting Haarlem, die nog in het bezit der Spanjaarden was; Amsterdam, de hoofdstad van het kleine land, insgelijks in handen van den vijand; Zierikzee belegerd en zelfs de tot dusver onbetwiste heerschappij ter zee door de laatste gebeurtenissen in de waagschaal gesteld. Inderdaad, de toestand der Hollanders was bijna wanhopig en wij gevoelen eene innige bewondering voor die koene verdedigers van de Nederlandsche vrijheid, die in weerwil van al deze tegenspoeden den moed niet verloren, ja die juist in dezen treurigen tijd het waagden, de Unie tusschen Holland en Zeeland door eene nieuwe bondsacte den 25en April 1576 te Delft te bevestigen en den prins van Oranje eene schier onbeperkte macht op te dragen.
Oranje’s eerste zorg moest nu zijn, Zierikzee te ontzetten. Deze plaats was belangrijk als hoofdstad van het eiland Schouwen en als sleutel van half Zeeland. Lodewijk van Boisot, de dappere admiraal, die zich door het ontzet van Leiden zulk een hoogen roem verworven had, ontving bevel om de Spaansche belegeraars aan te tasten. Hij aanvaardde die onderneming tegen het einde van Mei, maar het geluk was hem niet gunstig. De geuzen werden teruggeslagen en Lodewijk van Boisot verloor het leven bij dezen mislukten aanslag.
De belegerden moesten alle hoop op ontzet opgeven: den 21en Juni sloten zij met den Spaanschen bevelhebber Mondragon, die het beleg bestuurde, eene eervolle capitulatie, welker voorwaarden ditmaal bij uitzondering door de Spanjaarden nagekomen werden.
De val dezer belangrijke vesting scheen het ongeluk der prinsgezinden ten top te voeren, maar ziet, wat niemand verwacht had, geschiedde: juist van deze gebeurtenis dagteekende eene gunstiger wending der zaken voor de Nederlanders.
De Spaansche soldaten hadden juist op dit oorlogstooneel zulke schitterende bewijzen van hunne dapperheid geleverd, dat zij zich thans meer dan ooit gerechtigd achtten om eindelijk op betaling van hunne achterstallige soldij aan te dringen. Toen deze eisch door de officieren niet vervuld werd, dewijl hij uit gebrek aan geld niet vervuld kon worden, kwamen zij in opstand. Te vergeefs poogde de anders zoo hoog door hen vereerde Mondragon hen tot gehoorzaamheid terug te brengen, zij verklaarden, dat zij geene woorden maar geld verlangden en toen dit hun niet uitbetaald werd, kozen zij volgens hunne gewoonte een eletto en trokken, dewijl zij in het arme door den oorlog uitgeputte land hun gelddorst niet konden bevredigen door het uitplunderen van de inwoners, naar het rijke Brabant, met het plan om zich van de eene of andere groote stad meester te maken.
Welke gewichtige gevolgen deze soldatenopstand voor de ontwikkeling der Nederlandsche vrijheid gehad heeft, zullen wij straks zien.
Requesens was zoo onverwacht gestorven, dat hij geen tijd had gehad om een opvolger te benoemen; volgens het gewoonterecht nam derhalve de Staatsraad de teugels van het bewind in handen, voorshands oogenschijnlijk met gunstig gevolg, dewijl hij nergens eenigen tegenstand ontmoette en ook de Spaansche soldaten zijne bevelen gehoorzaamden.
Ook Philips II keurde deze handeling goed, daar hij nog niet wist, wien hij tot opvolger van Requesens benoemen zou, en nu tijd had om daarover rustig na te denken. Zijne raadslieden waren het daarover niet eens. Granvelle ried, de hertogin van Parma terug te roepen, anderen stemden voor Don Juan d’Austria. Joachim Hopper, de vriend van Viglius, was van oordeel, dat de Nederlanden het best tot onderwerping gebracht zouden worden, indien men aan den Staatsraad, die thans bijna uitsluitend uit Nederlanders was samengesteld, voorloopig de regeering overliet, en Philips II volgde dezen raad.
In weerwil van den aanvankelijk goeden uitslag zijner pogingen was de Staatsraad toch volstrekt niet geschikt om de Nederlanden te besturen. De Spaansche officieren mistrouwden hem, omdat slechts een enkele Spanjaard, Hieronymus de Roda, daarin zitting en stem had; de Nederlanders van hunnen kant schatten hunne landgenooten niet hooger dan de Spanjaarden, omdat het lieden waren, die zich eenmaal tot blinde werktuigen van Alba hadden verlaagd. Welke achting konden zij ook voor Barlaimont en Viglius koesteren? Ook de hertog van Aerschot, het aanzienlijkst lid van den Staatsraad, die uit het vorstelijke huis van Croy afstamde, boezemde noch door zijn verleden, noch door zijn karakter vertrouwen in.
Zoo lang er geene bijzondere voorvallen plaats grepen, kon de Staatsraad wel het bewind voeren, doch bij den eersten storm den besten moest zijne onmacht, die door oneenigheid in eigen boezem nog vermeerderd werd, aan den dag komen.
Een zoo scherpzinnig staatsman als Willem van Oranje kon zulk eene gelegenheid om zijn doelwit nader te komen, niet ongebruikt laten. Hij knoopte verstandhouding met al die invloedrijke edelen aan, van wie hij geloofde, dat zij nog eenig gevoel voor de vrijheid van hun vaderland hadden overgehouden, hij schreef aan hen, zoowel aan katholieken als aan protestanten, en spoorde hen aan om van dezen gunstigen oogenblik tot verdrijving van de Spanjaarden partij te trekken. Nu of nooit was het daartoe de rechte tijd. Hij verzekerde plechtig, dat het den Hollanders en Zeeuwen nooit in den zin gekomen was, de katholieke godsdienst als zoodanig te bestrijden, dat hun eenig doel was geweest hunne eigene gewetensvrijheid te verdedigen, zich van de inquisitie te ontslaan en de oude bezworen privilegiën des lands te handhaven.
Deze aansporingen bleven niet zonder gevolg. De edelen, ook in de overwegend katholieke provinciën, helden meer en meer tot de zijde van den prins van Oranje over en zij werden jegens hem nog gunstiger gestemd, toen eensklaps een opstand der Spaansche soldaten alle Nederlanders op nieuw met een gemeenschappelijk gevaar bedreigde.
De muiters waren van het eiland Schouwen naar Brabant vertrokken, hun aantal was onderweg nog aangegroeid, zoodat zij reeds over eene aanzienlijke macht beschikten. Hun plan was, zich van de stad Mechelen meester te maken, doch dit gelukte hun niet. Plunderend trokken zij het land door, tot voor de poorten van Brussel; doch dewijl zij zich te zwak gevoelden om de hoofdstad aan te grijpen, wendden zij zich tegen Aalst, halverwege tusschen Brussel en Gent. Hier sloegen zij hun hoofdkwartier op en brandschatten van hier uit Brabant en Vlaanderen.
Zij hielden huis, alsof zij zich in vijandelijk land bevonden; 170 dorpen werden door hen in de eerstvolgende dagen geplunderd. De bevelen van den Staatsraad om tot gehoorzaamheid terug te keeren, beantwoordden zij met smaad en hoon.
Groot was de verontwaardiging binnen Brussel over de schandelijke handelingen der vreemde soldaten. De burgers grepen naar de wapens om zich te verdedigen, zij eischten van den Staatsraad gestrenge maatregelen tegen de muiters en zij zetten hunnen wil door.
Den 26en Juli 1576 werden de muiters door den Staatsraad als verraders en moordenaars vogelvrij verklaard en de burgers opgeroepen om zich tegen hen te verdedigen, ja hen, hetzij afzonderlijk, hetzij in massa, te dooden, waar zij hen aantroffen. Dit edict werd in alle steden en dorpen van Brabant en Vlaanderen afgekondigd.
Hadden de aanzienlijkste Spaansche officieren tot dusver geen deel aan den soldatenopstand genomen, thans namen zij eene andere houding aan. Zij konden het niet dulden, dat een burgerlijk bestuur, hetwelk zij minachtten, het Spaansche leger vogelvrij verklaard had. Zij bemerkten bovendien maar al te goed, dat de haat der Nederlanders niet alleen de oproerige soldaten, maar alle Spanjaarden gold; zij achtten zich onder de vijanden hunner natie niet langer veilig en niets was natuurlijker dan dat zij zich tengevolge van dit alles zelven bij den opstand aansloten, die zich hierdoor over het geheele Spaansche leger in de Nederlanden verbreidde.
Eindelijk werd aan den opstand een schijn van recht bijgezet, toen ook het eenige Spaansche lid van den Staatsraad, de Roda, uit Brussel naar de citadel van Antwerpen vluchtte. De Roda had het edict tegen de muiters mede onderteekend, doch toen hij bespeurde, dat de Nederlanders alle Spanjaarden met de moordende en plunderende soldaten vereenzelfdigden, achtte hij zich in de hoofdstad niet langer veilig. Na zijn vlucht vaardigde hij bevelschriften uit, waarin hij zich als den eenig rechtmatigen plaatsvervanger des konings in de Nederlanden voordeed en niet geheel ten onrechte, want het viel niet te ontkennen, dat de Staatsraad te Brussel volkomen machteloos was: de Staten van Brabant en de Brusselsche burgers hadden de teugels des bewinds aan zijne zwakke hand ontrukt, zelfs den schijn van macht kon hij niet langer bewaren. Den 5en September werden de leden van den Staatsraad, waarschijnlijk op geheime aansporing van den prins van Oranje, door de Heeren van Heze en van Glimes gevangengenomen. Men stelde hen wel spoedig in vrijheid, maar hun aanzien en invloed waren geheel verdwenen.
Reeds vóór de inhechtenisneming van den Staatsraad had eene andere revolutionaire handeling in de Nederlanden haar beslag gekregen: de Staten der meeste provinciën hadden geheime onderhandelingen aangeknoopt met den prins van Oranje, die ernstig bij hen er op aandrong, dat zij zich met Holland en Zeeland tot een vast bondgenootschap tegen de Spaansche dwingelandij zouden vereenigen. Hij stelde den Staten voor, een algemeene vergadering bijeen te roepen, die over dat bondgenootschap beraadslagen en daaromtrent een besluit nemen zou.
Al waren de Staten der 15 provinciën aanvankelijk ook niet geneigd om de voorstellen van den prins van Oranje aan te nemen, toch zagen zij spoedig in, hoe dringend noodzakelijk eene vereeniging van de Nederlanders tegen de Spanjaarden was, dewijl de rooverijen der Spaansche soldaten aan het land diepe wonden sloegen.
Doch zulk eene vereeniging der gewesten zou thans niet langer uitsluitend tegen muitende soldaten, maar tegen de Spaansche regeering zelve gericht zijn, dewijl alle Spaansche legerhoofden zich bij de oproerlingen hadden aangesloten en de Roda in naam des konings in zekeren zin aan hun hoofd stond.
In het midden der maand October 1576 kwam een groot aantal afgevaardigden uit de verschillende gewesten te Gent bijeen, om het door den prins van Oranje voorgestelde congres te houden. Het deelnemen aan de onderhandelingen was voor de leden der vergadering niet zonder gevaar, dewijl de citadel der stad nog in handen der Spanjaarden was, die thans alle Nederlanders zonder onderscheid als vijanden behandelden. Indien het congres in rust en veiligheid beraadslagen wilde, dan moest in de eerste plaats de belangrijke citadel den vijand ontrukt worden. Met dit doel wendden de staten van Vlaanderen zich tot den prins van Oranje met de bede om zijne hulp, welke hij gaarne verleende, hoewel door Brabant en Henegouwen een protest tegen dezen stap werd ingediend.
Evenmin als vroeger was het ook thans gemakkelijk, de zeventien gewesten tot eendrachtig handelen te bewegen, dewijl hunne belangen inderdaad zeer verschillend, ja tegenstrijdig waren.
Terwijl in Holland en Zeeland de hervorming zóó krachtig om zich gegrepen had, dat daar het Katholicisme bijna geheel verdrongen, ja, tegen de bedoelingen en bevelen van den prins van Oranje in, dikwijls bloedig vervolgd was, voerde de katholieke godsdienst in de overige provinciën nog altijd den boventoon en natuurlijk vreesden zelfs zulke katholieken, die onverzoenlijke tegenstanders der inquisitie waren, toch de heerschappij der protestanten, dewijl de katholieken in protestantsche landen dikwijls wreed vervolgd werden. In de 15 provinciën trof men bovendien nog een machtigen adel aan, die warme sympathie koesterde voor de monarchie, zelfs voor die van Philips II, en die de democratische richting van het Calvinisme uit den grond des harten haatte; bovendien was er daar eene talrijke bevolking van Waalschen stam, die een zekeren afkeer koesterde van de Germaansche Hollanders en Zeeuwen, wier taal en zeden hun vreemd waren. Aan den anderen kant waren alle Nederlandsche provinciën één, zoowel in hun haat tegen de overmoedige en bloeddorstige Spanjaarden, als in den wensch om de aloude vrijheden des lands te herkrijgen, en hare eensgezindheid werd nog versterkt door de Spanjaarden zelven, die zich met elken dag aan grooter gewelddadigheden schuldig maakten.
Den 20en October namen de Spanjaarden de stad Maastricht, waaruit zij door de met de burgerij verbondene Duitsche troepen verdreven waren, weder in. Bij het bestormen van de stad hadden zij een goed middel uitgevonden om zich tegen de uitwerking van de vuurwapens der burgerij te beveiligen. Elke Spanjaard greep eene der in den omtrek en in de voorstad gevangen genomen vrouwen en meisjes en hield die als schild voor zich, terwijl hij op de Maasbrug aanrukte. Door dit laaghartig middel was het den Spanjaarden gelukt, de verdedigers schier weerloos te maken, zij heroverden de stad en richtten daar een inderdaad ontzettend bloedbad aan.
De plundering van Maastricht was slechts het voorspel van eene nog afschuwelijker daad, van de plundering van Antwerpen.
Antwerpen was in die dagen eene der rijkste en belangrijkste handelssteden der wereld, de daar opgestapelde schatten prikkelden natuurlijk de roofzucht der op buit beluste Spanjaarden.
De Staten van Brabant en de burgerij van Antwerpen waren met reden beducht, dat de stad het doelwit van een aanslag worden zou. Wel had de graaf van Oberstein, de bevelhebber der Duitsche huurtroepen, met Sancho d’Avila, den kommandant der citadel, eene overeenkomst gesloten, waarbij beide partijen beloofd hadden, onzijdig te blijven, maar het was te voorzien, dat dit verdrag door de Spanjaarden geschonden zou worden, zoodra de gelegenheid zich daartoe aanbood. De Staten van Brabant zonden daarom eene kleine hulpbende naar Antwerpen onder bevel van den jongen graaf van Egmond en den markgraaf van Havrech, den broeder van den hertog van Aerschot.
Sancho d’Avila versterkte zich van zijnen kant met Spaansche hulptroepen, die hij van alle zijden tot zich trok; ook uit de legerplaats der muiters te Aalst riep hij 2000 man; deze kwamen onder aanvoering van hunnen eletto, bezield door den vurigen wensch om de rijke handelsstad te plunderen.
Den 4en November 1576 begon de bloedige strijd tusschen de Spanjaarden en de zwakke bezetting der stad. De burgerij nam daaraan moedig deel, doch daar van hare verdedigers velen tot den vijand overliepen, bezweek zij weldra voor de overmacht der geoefende Spanjaarden, die door de beste generaals, zooals Juliaan Romero en anderen, aangevoerd werden.
Antwerpen werd door de Spanjaarden ingenomen. Na de overwinning vierden deze onbeteugeld hun zucht tot moorden en blakeren bot. De rijke, bloeiende stad werd op eene inderdaad barbaarsche wijze verwoest. Ongeveer 1000 gebouwen gingen in vlammen op, niet minder dan 800 inwoners van Antwerpen verloren, voor een klein gedeelte gedurende het gevecht, doch verreweg de meesten onder de plundering, het leven. Met kanibaalsche woede stelden de Spanjaarden hunne weerlooze gevangenen, vrouwen en kinderen, aan de vreeselijkste martelingen bloot, ten einde hen tot het aanwijzen van verborgen schatten te dwingen.
De pen weigert de onmenschelijke wreedheden te beschrijven, waaraan de bloeddorstige overwinnaars zich in den nacht na den strijd en gedurende den daarop volgenden dag schuldig maakten; zij hielden hier nog vreeselijker huis dan zij in eene stormenderhand veroverde stad plachten te doen. Onnoemlijke sommen vielen den plunderaars in handen; menig gemeen soldaat raapte in die dagen aanzienlijke schatten bijeen, welke hij binnen ongeloofelijk korten tijd weer bij kroes en spel verkwistte. Nog grooter schatten werden een prooi der vlammen. Zoo vreeselijk was de verwoesting, dat de bloei der rijke handelsstad, die nooit weer haar vroegeren trap van welvaart bereikte, van dezen tijd af geknakt was. De naam „Spaansche furie”, door het volk aan deze gebeurtenis gegeven, was waarlijk niet onverdiend.
De staatsraad de Roda, die, gelijk wij verhaalden, na zijne vlucht uit Brussel zich alle gezag in de Nederlanden in naam van den afwezigen koning aangematigd had, juichte over de verwoesting van Antwerpen en over de schitterende overwinning, door zijne landgenooten behaald. Hij prees Sancho d’Avila, Juliaan Romero en de overige aanvoerders der plunderaars en aan koning Philips II schreef hij: „Ik breng Uwe Majesteit mijn warmsten gelukwensch over deze zegepraal, zij is waarlijk groot. Het der stad overkomen onheil is onoverzienbaar.”
Weinig vermoedde hij, dat de schandelijke overwinning de oorzaak van een niet minder schandelijke nederlaag worden zou.
Hadden tot dusver op het congres te Gent de afgevaardigden der verschillende Staten het niet eens kunnen worden over een verbond met Holland en Zeeland, de in opstand verkeerende provinciën, thans werden zij door de macht der omstandigheden daartoe gedwongen. Dewijl de Spanjaarden elken Nederlander als hun geboren vijand beschouwden, dewijl zij zonder te letten op godsdienstige belijdenis of stand, zoowel de katholieken, ja zelfs de katholieke geestelijken als de protestanten, zoowel de edelen als de burgers en boeren vermoordden, moesten wel alle Nederlanders de handen tegen hunne gezworen vijanden ineenslaan. Het bloedbad van Antwerpen, de wijze toegevendheid van den prins van Oranje en de welsprekendheid van Aldegonde ruimden alle hinderpalen uit den weg en den 8en November werd het verbond, de beroemde pacificatie van Gent, gesloten.
De 17 gewesten verbonden zich daarbij om de vreemde troepen van den Nederlandschen bodem te verdrijven. Verder werd bepaald dat de Staten-Generaal bijeen zouden geroepen worden, om orde op alle zaken te stellen. In afwachting van hunne beslissing zou in alle gewesten, met uitzondering van Holland en Zeeland, de katholieke godsdienst de heerschende blijven, doch den protestanten vrijheid van geweten worden toegestaan. Eene algemeene amnestie, vrijheid voor de uitgewekenen om terug te keeren, erkenning van den prins van Oranje als stadhouder van Holland en Zeeland, terugbetaling van de sommen, door den prins ter bevrijding van het land voorgeschoten, ziedaar de voornaamste punten van het belangrijke verdrag, dat in naam van den prins van Oranje door Aldegonde en voor de 15 provinciën door Elbertus Leoninus en andere afgevaardigden onderteekend werd.
De pacificatie van Gent werd door het geheele land, in alle steden en dorpen afgekondigd. Groot was de blijdschap, welke zij verwekte en de vreugde werd nog verhoogd door de tijding, dat Zierikzee door de prinsgezinden hernomen was! Mondragon had zich na den aftocht der muitende troepen niet langer in de vesting kunnen staande houden.