← Table of contents
De Dageraad der Volksvrijheid

Een en twintigste Hoofdstuk.

Reading edition

De Nederlanden. Onderhandelingen met Engeland. Elisabeth weigert de souvereiniteit. Verbond met Engeland. Voorwaarden. Bezorgdheid der Hollandsche patriotten. Johan van Oldenbarneveld. Leicester, door de Staten-Generaal tot algemeen stadhouder verkozen. Graaf Maurits van Nassau, stadhouder en kapitein-generaal van Holland. Ontstaan der partijen. Blijde ontvangst van Leicester. Leicester te Utrecht. Zijne staatkundige misslagen. Reingoud, Prouninck en Burggraaf. Hunne willekeur. Het verbod van uitvoer. Voordeelen door Parma behaald. Grave en Venlo. Oorlog op Duitsch grondgebied. Leicester’s eervolle ontvangst in den Haag. Leicester vertrekt naar Engeland. Zijn geheime kabinetsorder. Verraad van York en Stanley. Gisting in Holland. Partijstrijd. Leicester’s terugkomst. Vruchtelooze pogingen om zijne macht uit te breiden. Hij verlaat de Nederlanden en legt de landvoogdij neder.

Reeds staande de onderhandelingen met Frankrijk, waren ook in Engeland Nederlandsche agenten werkzaam geweest om van koningin Elisabeth krachtige hulp tegen Spanje te verwerven, doch de koningin had eene vrij groote onverschilligheid aan den dag gelegd. Bracht Engeland’s belang aan den éénen kant mede, de Nederlanders te ondersteunen en daardoor de macht van Spanje te ondermijnen, toch was Elisabeth aan den anderen kant niet geneigd om zich in een ernstigen oorlog met Spanje te wikkelen; bovendien streed het tegen haren koninklijken trots, met opstandelingen tegen een door God gezalfden koning een bondgenootschap aan te gaan, hoe rechtvaardig hun strijd tegen de Spaansche dwingelandij ook mocht zijn.

De ondersteuning, welke Elisabeth tot dusver den Nederlanders had verleend, had ten gevolge daarvan weinig beteekend en eerst toen na den val van Antwerpen het gevaar, dat de opstand geheel onderdrukt zou worden, dreigender werd dan ooit, begreep de koningin, dat zij krachtiger dan tot heden voor de Nederlanders in de bres moest springen. Doch nog altijd kon zij niet besluiten, den wensch te vervullen, dien een plechtig Nederlandsch gezantschap haar overbracht, om de souvereiniteit over de provinciën te aanvaarden. Zij wees de haar aangeboden kroon van de hand en weigerde ook een eeuwig aanvallend en verdedigend verbond te sluiten, maar zij verklaarde zich bereid om den Nederlanders een leger van 5000 man voetvolk en 1000 ruiters onder een uitstekend veldheer ter hulp te zenden, wanneer haar de vestingen Vlissingen en Rammekens in Zeeland en de Briel in Holland als onderpanden voor de terugbetaling van de gemaakte oorlogskosten werden ingeruimd. Buitendien eischte de koningin, dat de door haar te benoemen landvoogd, de bevelhebbers der verpande steden en twee andere Engelschen in den Raad van State zouden worden opgenomen.

De Algemeene Staten namen deze voorwaarden aan en de koningin droeg nu aan haren gunsteling, Robert Dudley, graaf van Leicester, het opperbevel over het Engelsche leger op.

Hoe algemeen in de Nederlanden de behoefte aan het bondgenootschap met Engeland ook gevoeld werd, toch bestond er eene aanzienlijke partij, die met de ingewilligde voorwaarden niet volkomen vrede had en die vreesde, dat de eerzuchtige gunsteling der koningin zijne invloedrijke waardigheid in de Nederlanden—even als eens de hertog van Anjou—misbruiken zou om de vrijheden en rechten der provinciën te verkorten. Aan het hoofd dezer partij stond Johan van Oldenbarneveld.

Door dat besluit werd Leicester’s macht, eer hij nog in de Nederlanden was verschenen, zeer beperkt, doch tevens de grond gelegd tot het ontstaan van twee partijen, waarvan de kiemen reeds voorhanden waren.

Reeds toen bestond er eene zekere spanning tusschen de ijverige Calvinisten, die eischten, dat de kerk den staat beheerschen zou, tusschen de aanhangers van de eigenaardige democratische kerkinrichting, welke Calvijn vroeger te Genève had ingevoerd, en de meer bezonnen staatslieden, die den staat boven de kerk stelden en de geestelijken slechts als dienaars van den staat beschouwden. De leden der Staten van Holland en Zeeland, de aristocratie des lands met Johan van Oldenbarneveld en in dien tijd ook met den jeugdigen Maurits van Nassau aan het hoofd, behoorden tot laatstgenoemde richting, terwijl zij, die in grooten getale om der godsdienst wil uit Brabant en Vlaanderen naar Holland waren uitgeweken, schier zonder uitzondering de zijde der eerstgenoemde partij kozen, welke bovendien door de groote massa des volks werd gesteund. Nog was de partijtwist niet openlijk uitgebarsten, doch die uitbarsting werd verhaast door de poging van Oldenbarneveld om Leicester’s macht te beperken, want de partij der dweepzieke Calvinisten beschouwde Leicester als haar natuurlijken leider.

Den 19en December 1585 kwam Leicester met een gevolg van 500 edellieden te Vlissingen aan. Hij werd door het volk met blij gejuich verwelkomd en door Maurits van Nassau, Willem Lodewijk van Nassau, den graaf van Hohenlohe en de overige hoogste waardigheidsbekleders in de Nederlanden schitterend ontvangen. Voor het uiterlijke bestond er dus de beste verstandhouding, doch het zaad der tweedracht was reeds uitgestrooid, want Leicester gevoelde zich door de verheffing van den jeugdigen Maurits van Nassau tot stadhouder van Holland en Zeeland in zijne eerzucht diep gekrenkt.

De eerste stappen, welke Leicester deed, verzekerden hem van veler ingenomenheid; hij bewerkte, dat de verdienstelijke Treslong uit zijne onwaardige gevangenschap ontslagen en dat Oldenbarneveld in zijn ambt als advocaat van Holland en Zeeland bevestigd werd, hij betoonde zich een krachtig beschermer van de Calvinisten en verwierf zich daardoor vele vrienden, die luide hunne blijdschap uitspraken, toen de Algemeene Staten hem de waardigheid van algemeen landvoogd opdroegen met zulk eene uitgebreide macht, dat koningin Elisabeth daarover vertoornd werd en zich bezwaard maakte over de macht, haren gunsteling geschonken, die toch ook haar vasal was en dien zij niet tot een onafhankelijk vorst wilde verheven zien.

Doch die blijdschap en die eensgezindheid duurden niet lang, want Leicester was noch als krijgsman noch als staatsman bij machte om de hooggespannen verwachting, welke men van hem koesterde, te vervullen. Als veldheer behaalde hij geene enkele overwinning op den hertog van Parma en als staatsman beging hij noodlottige misslagen; door de partij der Vlaamsche Calvinisten te omhelzen en steun te zoeken bij de lagere volksklasse maakte hij zich de Nederlandsche aristocratie tot vijand en het was voor hem slechts eene schrale vergoeding, dat de uit de zuidelijke gewesten herwaarts verhuisde Nederlanders hem als een God vereerden.

Leicester vestigde zijne residentie te Utrecht; reeds hierdoor krenkte hij de Hollanders, doch nog meer door de keuze van zijne raadslieden, en door de luchthartigheid, waarmede hij zich over de in Nederland heerschende denkbeelden en de geldende wetten heenzette. In zijn geheimen raad riep hij drie mannen, die deels wegens hun bezoedelden naam wantrouwen verwekten, deels als buitenlanders geen recht hadden om de hun opgedragen ambten te bekleeden.

Reingoud, een Vlaming, was een bankbreukig koopman, die vroeger in dienst was geweest van den onthoofden Lamoraal van Egmond, doch zijnen weldoener verraden en zich later tot een werktuig van Granvelle, Alba en Requesens verlaagd had. Na de pacificatie van Gent was hij in dienst der Staten getreden, hij had het gezantschap naar Engeland vergezeld en zich daar Leicester’s gunst verworven. Hij deed zich nu voor als een van ijver blakend Calvinist; later ging hij weder tot het katholicisme over. In die dagen was hij de ijverigste dienaar van Leicester en het hoofd der Calvinistische Brabantsche uitgewekenen.

Gerard Prouninck, genaamd Deventer, was om de godsdienst uit ’s Hertogenbosch gevlucht, toen deze stad op nieuw in de macht der Spanjaarden was gekomen. Op zijn zedelijk leven viel niets te zeggen, alleen zijne onverzadelijke, voor niets terugdeinzende eerzucht werd berispt; als geboren Brabander mocht hij geen staatsambt bekleeden; toch maakte Leicester hem burgemeester van Utrecht.

Daniël de Burgraaf uit Vlaanderen had zich van een eenvoudig handwerksman tot procureur-generaal van Vlaanderen weten te verheffen. Hij was een schrander, maar gewetenloos mensch, die zich grooten invloed op Leicester had verworven. Deze bediende zich van hem des te liever als raadsman, omdat Burgraaf Engelsch sprak, wat toen slechts weinig Nederlanders verstonden, terwijl Leicester buiten zijn moedertaal slechts het Italiaansch machtig was. „Burgraaf is de trouwste, eerlijkste dienaar,” schreef Leicester over hem, „ik kan den man niet hoog genoeg prijzen, hij is de eenige steun, dien ik onder de lieden van dit volk gevonden heb.” Zoo gunstig dachten echter de Hollanders niet over den man, dien zij voor een omkoopbaar wezen, voor een spion hielden.

Reingoud, Prouninck en Burgraaf waren de hoofden der Leicestersche partij. De graaf verleende hun zulk eene macht, dat zij ongestraft de wetten schenden, hunne vijanden en vele invloedrijke burgers zonder vorm van proces uit Utrecht bannen en de opengevallen ambten met hunne aanhangers bezetten konden. Reingoud maakte zich zelfs aan schandelijke handelingen schuldig; hij werd in hechtenis genomen, doch door Leicester’s tusschenkomst in vrijheid gesteld, zoodat hij naar België kon vluchten, waar hij, de ijverige Calvinist, terstond weer katholiek werd.

De onrechtvaardigheden, door Leicester’s creaturen gepleegd, werden hem natuurlijk ten laste gelegd; zij verhoogden de ontevredenheid, die reeds tegen hem bestond, dewijl hij staatkundige maatregelen nam, welke op zich zelven wel verstandig, maar niet met het in de Nederlanden geldende gewoonterecht in overeenstemming waren. Niets schijnt natuurlijker dan Leicester’s streng verbod om den zuidelijken gewesten oorlogs- en mondbehoeften toe te voeren. Deze provinciën waren in de macht des vijands, elke aanvoer kwam ten bate van de Spanjaarden, die reeds groot gebrek leden en die Leicester door honger hoopte te bedwingen. Dat hij ook den onzijdigen mogendheden verbood, den vijand wapenen en levensmiddelen toe te voeren, dat de Engelsche bezetting in den Briel de schepen, welke de Maas opvoeren, aanhield en onderzocht, was een onvermijdelijk gevolg van den oorlog. De Hollandsche kooplieden dachten daar echter anders over, deze waren van oordeel, dat de Hollandsche handel door Leicester’s verbod benadeeld werd. Mochten de Hollanders den vijand niet de benoodigde krijgs- en levensmiddelen toevoeren, dan zouden andere volken goede zaken maken. Juist omdat de oorlog zware offers van het volk eischte, mocht men het de middelen niet ontnemen om geld te verdienen, mocht men den handel, ook met de zuidelijke gewesten, niet belemmeren. In elk geval was het beter, indien Hollandsche kooplieden dan wanneer vreemdelingen de winst, uit eene goede handelszaak met den vijand voortgesproten, in den zak staken.

Zulk eene redeneering is, aan onze denkbeelden getoetst, zoo valsch mogelijk. Doch in het oog der Hollandsche kooplieden, handwerkslieden en boeren was zij volkomen juist en zij oefende zulk een invloed uit, dat Leicester het uitgevaardigde verbod in het jaar 1587 weer intrekken moest.

Dit alles zou men den graaf wellicht vergeven hebben, indien hij ten minste had beantwoord aan de verwachtingen, welke het volk op zijn veldheerstalent en op Engeland’s hulp in den oorlog gebouwd had. Doch ook dit was niet het geval. De hertog van Parma behaalde onophoudelijk nieuwe voordeelen. Hij veroverde de beide vestingen Grave in Noord-Brabant en Venlo in Boven-Gelderland. Hierdoor was hij meester van den geheelen loop der Maas tot aan de Hollandsche grenzen toe. Ook toen de oorlog op Duitsch grondgebied overgebracht werd, toen de Hollanders voor den tot het protestantisme toegetreden keurvorst Gebhard Truchsess van Waldburg, Parma daarentegen voor de katholieke vijanden van den keurvorst partij kozen, bleef de overwinning den Spanjaarden getrouw. Parma veroverde de sterke vesting Neusz en liet de bezetting over de kling jagen.

Leicester had te vergeefs beproefd Neusz te ontzetten. Evenmin was het hem gelukt Zutfen, dat hij belegerde, weer aan den vijand te ontnemen. De verovering van eenige schansen aan den linkeroever van den IJssel, die de Veluwe dekten, was bijna de eenige vrucht, welke de met zooveel vertrouwen verbeide Engelsche hulp den Nederlanders opleverde.

Hoewel de ontevredenheid over den landvoogd, wien men zulke groote voorrechten verleend had, in de Nederlanden reeds zeer groot was, bewaarde men toch nog den uiterlijken schijn van vriendschap. Toen Leicester na dien weinig roemrijken veldtocht in den Haag aankwam, ontving hij kostbare geschenken, doch tevens vernam hij vele ernstige klachten over zijn bestuur. Hij was zijne landvoogdij, die hem weinig vreugd en volstrekt geen roem aanbracht, reeds van ganscher harte moede: wel wilde hij die waardigheid niet geheel laten varen, maar hij verlangde sterk naar Engeland terug, waar juist toen het rechtsgeding der ongelukkige Maria Stuart zijne tegenwoordigheid zeer gewenscht maakte.

Nadat hij aan de klachten der Staten zooveel mogelijk gehoor gegeven en den Raad van State het bewind overgedragen had, vertrok hij den 25en November 1586 naar Engeland. Voor zijn vertrek liet hij echter een geheime kabinetsorder achter, volgens welken de Raad van State gedurende zijne afwezigheid geen enkelen belangrijken maatregel nemen mocht; hij behield zich die na zijne terugkomst voor.

Reeds dit geheime bevel, dat intusschen spoedig bekend werd, gaf Leicester’s vijanden rechtmatige oorzaak tot klachten, want in dit gevaarlijk tijdsgewricht werd daardoor de werkzaamheid van den Raad van State geheel verlamd; spoedig zagen zij zich eene nog gegronder reden voor hunne ontevredenheid geschonken. Het bleek namelijk, dat de Engelsche bevelhebbers niet minder omkoopbaar en trouweloos waren dan vele katholieke Nederlandsche edelen, die voor een handvol geld hun vaderland aan Spanje verraden hadden.

In Januari 1587 gaven twee katholieke Engelschen, York en Stanley, Deventer en eene belangrijke schans aan de Spanjaarden over. De verontwaardiging over dit verraad was vooral in Holland en Zeeland zeer groot, men schreef het gebeurde aan geheime bevelen van Leicester toe, en toen nu zelfs koningin Elisabeth een nieuw gezantschap, dat haar op nieuw de heerschappij over de Nederlanden aanbood en haar om eene krachtiger ondersteuning verzocht, dan zij tot dusver had verleend, een alles behalve vriendelijk antwoord gaf, waarin zij zich over de snoode ondankhaarheid der provinciën beklaagde, klom in Holland de ontevredenheid over het bondgenootschap met Engeland tot zulk eene hoogte, dat de Staten aan prins Maurits de geheele leiding der oorlogszaken opdroegen en het leger een nieuwen eed afnamen, waarin niet van gehoorzaamheid aan Leicester en den Staatsraad, maar alleen van trouw aan de Staten-Generaal sprake was.

Door deze krachtige houding der Staten van Holland, die de onafhankelijkheid en de rechten der Nederlanders tot elken prijs wilden handhaven en dus ook niet duldden, dat Prouninck, de burgemeester van Utrecht, zitting nam in de vergadering der Staten—waartoe hij als vreemdeling niet gerechtigd was—werden wel aan den éénen kant Leicester’s tegenstanders onder ééne banier vereenigd, maar evenzeer het ontstaan van eene verderfelijke partijschap bevorderd. Niet geheel ten onrechte verweet men den Hollanders, dat zij zich een onbehoorlijken invloed op de Staten-Generaal wilden aanmatigen, dat zij maar al te geneigd waren om de vrijheid der overige gewesten te onderdrukken en eene heerschappij uit te oefenen, waarop zij geen recht hadden. Naijver porde de overige provinciën tot verzet tegen Holland. Hierbij kwam, dat het bij elke omwenteling onvermijdelijke verschijnsel zich ook in de Nederlanden voordeed: de groote volksmenigte, die tot dusver geene staatkundige rechten had bezeten, werd zich van hare kracht bewust en eischte gelijkstelling met den tot dusver begunstigden adel en burgerstand. Ook de afzonderlijke gemeenten wilden zich onttrekken aan het gezag der Staten-Generaal en eischten eene mate van onafhankelijkheid, welke men haar wellicht in kalmer, vreedzamer tijden had kunnen toestaan, doch die in oorlogstijd alle aaneensluiting en dus alle krachtig verzet tegen de Spanjaarden onmogelijk zou gemaakt hebben.

De verbreiding van het Calvinisme, dat uit zijn aard de democratische beginselen bij het volk versterkte, droeg er niet weinig toe bij om deze partijschap aan te vuren. De vurige Calvinisten waren reeds daarom tegenstanders der Staten van Holland, dewijl deze de kerk onder het staatsgezag plaatsen en de uitspattingen der dweepzucht beteugelen wilden; dewijl de Staten bovendien de vertegenwoordigers der aristocratische richting waren, verzette het volk zich nog krachtiger tegen hun invloed. Leicester’s vrienden wisten met groote sluwheid partij te trekken van deze vijandige stemming des volks jegens de regeerende partij. De geestelijken predikten tegen de onderdrukkers van het volk en van de godsdienst; uit Utrecht, waar Leicester’s partij het sterkst was, gingen gezanten naar Engeland, om zich over den treurigen toestand der kerk te beklagen. Een adres werd tot de bevolking van Holland gericht, ten einde de erkenning der volkssouvereiniteit als den laatsten grond van het staatsgezag te bewerken. Wilkes, het Engelsche lid van den Staatsraad, werkte deze pogingen in de hand door de verklaring, dat niet bij de Staten, maar bij de gemeenten de souvereiniteit berustte, dat de Staten niets dan vertegenwoordigers en dienaars van het volk waren.

Ook meer dan één man van invloed en aanzien verzette zich tegen de krachtige houding, door de Staten van Holland tegenover Leicester aangenomen. Onder anderen deed dit de dappere Sonoy, die ronduit verklaarde, dat hij den gevorderden eed niet zou afleggen, en toen Maurits van Nassau en de graaf van Hohenlohe hem daartoe in persoon wilden overhalen, vonden zij de poorten van Medemblik gesloten.

De gisting der gemoederen werd met elken dag heviger; de heillooze partijschap nam dagelijks toe; ook den baron van Buckhorst, een gematigd man, dien koningin Elisabeth naar de Nederlanden zond, om vrede te stichten, gelukte dit niet; Leicester’s partij drong onstuimig op des graven terugkeer aan.

Het was een groot geluk voor de Nederlanders, dat ook de hertog van Parma zich juist in dien tijd in een zeer hachelijken toestand bevond; anders zou hij ongetwijfeld van de verdeeldheid der provinciën krachtiger partij hebben getrokken dan thans het geval was.

Den hertog ontbraken in dien tijd schier alle middelen om den oorlog met goed gevolg voort te zetten. Door Spanje slechts flauw ondersteund, kon hij uit de door hem bezette Nederlandsche gewesten noch geld, noch levensmiddelen tot onderhoud van zijn leger trekken, want in de Spaansche Nederlanden, wanneer wij ons reeds van deze uitdrukking mogen bedienen, had de langdurige oorlog eene inderdaad onuitsprekelijke ellende te weeg gebracht. Velen der rijkste en aanzienlijkste burgers waren uit het land geweken en hadden hun vermogen in de noordelijke gewesten in veiligheid gebracht, dewijl zij hunne godsdienst niet wilden verloochenen. Hierdoor waren handel en verkeer aan het kwijnen geraakt en toen nu bovendien de oogst mislukte en Leicester’s verbod van uitvoer den toevoer van koren en andere levensmiddelen verhinderde, was een vreeselijke hongersnood uitgebroken. Vele dorpen stierven geheel uit. Eene onbeschrijfelijke ellende heerschte overal.

Alleen de voor geen gevaar terugdeinzende, met alle hinderpalen spottende geestkracht van Alexander Farnese was in staat om onder zulke omstandigheden den strijd vol te houden en zelfs nog meer dan één voordeel te behalen. Hij sloeg het beleg voor Sluis, de beroemde havenstad van Brugge, die door jonker Arend van Groeneveld dapper verdedigd werd.

In het begin van Juli 1587 keerde Leicester op de dringende beden zijner aanhangers uit Engeland terug. Hij wilde Sluis ontzetten, maar de Staten ondersteunden hem niet, zij zonden hem noch de gevraagde troepen, noch het noodige geschut en geld en ten gevolge hiervan viel de belangrijke stad in Parma’s handen. De geestkracht van Farnese had eene nieuwe zegepraal behaald, de treurige verdeeldheid der Nederlanders eene nieuwe nederlaag te weeg gebracht.

Na Leicester’s terugkomst kwam wel voorshands eene schijnbare verzoening tot stand, maar terstond daarop brak het vuur der partijschap op nieuw uit. Leicester riep de Staten-Generaal te Dordrecht bijeen, maar de Hollanders weigerden te verschijnen; terecht beklaagde Leicester zich, dat de Nederlanders hem de middelen weigerden, om den oorlog krachtig door te zetten; hij eischte geld, troepen en uitbreiding van zijne macht. Daarentegen beklaagde de andere partij zich evenzeer terecht, wijl Engeland’s vriendschap zoo koel was, wijl koningin Elisabeth en zelfs Leicester heimelijk met den vijand onderhandelde, wijl de graaf zijne aanhangers in hun verzet tegen de Staten versterkte en allerlei slinksche middelen aanwendde om zich eene macht te verschaffen, waarop hij geen aanspraak had.

Men koesterde omtrent hem het zeker niet geheel ongegrond vermoeden, dat hij van plan was, zich—evenals vroeger don Juan van Oostenrijk en de hertog van Anjou—door verraad in het bezit van versterkte plaatsen te stellen. Het kwam in verschillende steden tot onstuimige tooneelen, zelfs tot bloedige botsingen. Onder anderen was dit het geval te Amsterdam, te Utrecht en te Leiden.

Leicester begreep eindelijk, dat hij niet bij machte was om den tegenstand te fnuiken, dien zijne heerschappij in de Nederlanden ontmoette. Hier kon hij geene lauweren plukken. Ontstemd, misnoegd, die onaangename twisten moede, besloot hij het land te verlaten. In December 1587 begaf hij zich naar Vlissingen, van hier keerde hij naar Engeland terug en kort daarop legde hij de landvoogdij neder.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings