Zestiende Hoofdstuk.
Reading edition
De Nederlanden. Belegering van Maastricht. Dappere verdediging der burgerij. Farnese’s geslepene staatkunde, zijn bondgenootschap met de Waalsche provinciën. Egmond’s verraad te Brussel. Overrompeling van Maastricht. Het bloedbad. De orde binnen Gent hersteld.
Al had Alexander Farnese een juisten blik op de tijdsomstandigheden geworpen en zijn ongeduld beteugeld, ten einde niet door ontijdige stappen den voor de Spaansche heerschappij zoo gunstigen loop der gebeurtenissen in de Waalsche provinciën te stremmen, toch had hij daarom niet stil gezeten. Integendeel, hij had alle mogelijke maatregelen genomen om den strijd te hervatten. Thans, nu alles tot eene verzoening van de katholieke partij met den koning voorbereid was, kon hij haar slechts bespoedigen, wanneer het hem gelukte, door een schitterend wapenfeit der omwenteling een gevoeligen slag toe te brengen.
Den 2en Maart 1579 ondernam Farnese een schijnaanval op Antwerpen; hij werd afgeslagen, doch juist hierop had hij gerekend. Hij had namelijk dien aanval alleen ondernomen om de opmerkzaamheid zijner vijanden van zijn eigenlijk doel af te leiden en dit gelukte hem volkomen. Tien dagen nadat hij voor Antwerpen verschenen was, vertoonde hij zich eensklaps voor Maastricht, ten einde deze belangrijke vesting, die den middenloop der Maas beheerschte, te belegeren.
Maastricht was eene sterke vesting; zij vormde den sleutel der verbinding van de Nederlanden met Duitschland. Indien de Nederlanders Farnese’s plan hadden kunnen gissen, zouden zij in de gewichtige stad een sterke bezetting gelegd hebben, doch dit was niet gebeurd. Daar binnen bevonden zich slechts ongeveer 1000 man soldaten—Franschen, Engelschen en Schotten—en buitendien een burgerwacht van ongeveer 1200 man en 3 tot 4000 landlieden uit den omtrek, die voor de Spanjaarden gevlucht waren. Ook deze bereidden zich moedig tot de verdediging voor, maar zij waren grootendeels slecht gewapend.
Tegen deze zoo zwakke bezetting voerde Parnese een leger van 20.000 man aan, waarmee hij de vesting zoo nauw insloot dat hij alle gemeenschap der belegerden met de buitenwereld afsneed. Hij wierp eene sterk verschanste legerplaats op, ten einde alle pogingen tot ontzet vooraf te verijdelen, en trok buitendien dagelijks nieuwe troepen tot zich, zoodat de belegeraars binnen korten tijd ongeveer 30.000 man sterk waren.
Indien Farnese op grond van zijne overmacht op eene spoedige zegepraal gehoopt had, dan zag hij zich deerlijk bedrogen. Hij ontmoette een even onverwachten als dapperen tegenstand. Soldaten, burgers en landlieden gingen een edelen wedstrijd aan om de vesting tegen de gehate Spanjaarden te verdedigen, zelfs de vrouwen namen deel aan den strijd. Zij vochten even dapper als de mannen. Toen na zware verliezen, tengevolge van de wel dapper afgeslagene, maar telkens herhaalde bestormingen, het garnizoen den moed liet zakken, verklaarden de burgers en boeren met de dappere vrouwen, dat zij zich tot den laatsten droppel bloeds verdedigen en het garnizoen onschadelijk maken zouden, indien dit nog een woord van overgave durfde reppen. Zij deelden iets van hun eigen heldenmoed aan de soldaten mede en deze trachtten van nu af door dubbele dapperheid te doen vergeten, dat zij voor een oogenblik den moed opgegeven hadden.
Terwijl voor Maastricht dagelijks gevochten werd, was Farnese onvermoeid bezig om de Waalsche provinciën door beloften en vleierijen geheel van de noordelijke te scheiden. Gemakkelijk ging dit echter niet, want nog altijd was bij een groot deel der Walen de haat tegen de Spanjaarden niet uitgeroeid; zij hadden zich slechts bij het verbond van Atrecht aangesloten, om de heerschappij der katholieke kerk in het land te handhaven.
De Walen beweerden, dat zij bij het sluiten van dat verbond aan de pacificatie van Gent trouw gebleven waren, ja dat zij juist de daarin uitgedrukte beginselen krachtig handhaafden, terwijl aan den anderen kant de leden der Unie van Utrecht en de Staten-generaal zich insgelijks op de pacificatie van Gent beriepen, welke alzoo beiden partijen tot leuze diende.
Van dit verschil der Nederlanders, dat Alexander Farnese zoo juist van pas kwam, trok deze meesterlijk partij. Hij vaardigde een stuk aan de Staten-Generaal uit, waarin hij van hen de handhaving van de pacificatie van Gent eischte, en verklaarde, dat deze door de Walen stipt geëerbiedigd werd.
Hierdoor vleide hij de Waalsche provinciën, wien hij bereidvaardig alles inwilligde wat zij verlangden. Dewijl hij hetzelfde doel voor oogen had als zij, namelijk de alleenheerschappij der katholieke kerk in de Nederlanden, deed hij des te eerder de schitterendste beloften, tot welker vervulling hij buitendien niet genoodzaakt worden kon. Hij verzekerde,—en zijn woord werd door den koning bekrachtigd—dat de provinciën in het bezit van al hunne vrijheden en voorrechten hersteld en de Spaansche troepen uit het land verwijderd zouden worden, zoodra een Nederlandsch leger tot bescherming van den katholieken eeredienst gevormd was.
Te vergeefs waarschuwde Willem van Oranje de Walen tegen de trouwloosheid en woordbreuk der Spanjaarden. De beloften van Farnese vonden geloof, hiervoor zorgde de ijverige katholieke geestelijkheid en de omgekochte katholieke adel, die geheel de zijde der Spanjaarden gekozen had; hiervoor zorgde Farnese zelf, die al zijne beminlijke hoedanigheden aanwendde om zich bij de Walen populair te maken.
Tegen het einde van April 1579 verscheen een talrijk gezantschap uit de Waalsche provinciën in de legerplaats voor Maastricht, om met Farnese in persoon te onderhandelen. Eene schitterende ontvangst viel den afgevaardigden ten deel. Farnese gedroeg zich jegens hen zóó minzaam en voorkomend, dat hij hen in verrukking bracht.
Kort daarop, in Mei 1579, kwam een voorloopig verdrag tot stand, waarbij de Waalsche provinciën zich opnieuw aan de koninklijke macht onderwierpen, onder voorwaarde, dat al hunne privilegiën geëerbiedigd en de Spaansche troepen verwijderd zouden worden.
Nog eens bezwoer Willem van Oranje de Walen, dat zij niet ontrouw zouden worden aan het gemeenschappelijk vaderland. Doch het was te laat! De beslissende stap was gedaan, de Nederlanden waren in twee deelen gesplitst, die voortaan in bittere vijandschap tegenover elkander staan zouden.
Het absolutisme had eene schitterende overwinning behaald, ja, maar eene overwinning, die ten slotte voordeelig bleek voor de verdere ontwikkeling der vrijheid.
Zou de republiek der Vereenigde Nederlanden ooit zulk een trap van bloei bereikt hebben, als nu tot heil der menschheid het geval was, wanneer men bij elken stap op den weg der vrijheid de dweepzieke katholieke bevolking der Waalsche provinciën angstig naar de oogen had moeten zien? Was het niet een voordeel, dat in ’t vervolg de protestanten, de meest ontwikkelde en welvarende burgers van die gewesten, zich in het Noorden vestigen moesten? Vlocht niet juist deze scheiding om de Nederlanders, die aan de zaak der vrijheid trouw waren gebleven, een nog hechter eendrachtsband en prikkelde zij hen niet tot verdubbelde krachtsinspanning?
Al deze zegenrijke gevolgen der scheiding kwamen intusschen eerst later aan het licht; in dien tijd werd die afval der Walen beschouwd als de zwaarste slag, die de Nederlandsche vrijheid treffen kon. De voorstanders van het onbeperkt koninklijk gezag en de dweepzieke katholieken juichten, de protestanten daarentegen waren niet bij machte om hunne verontwaardiging in te toomen. Te Antwerpen, te Utrecht en in andere steden vielen tooneelen van geweld, ja bloedige demonstraties tegen de katholieken voor. Te Brussel daarentegen putte een jong, eerzuchtig edelman uit deze zegepraal der katholieke partij den moed tot eene poging om de hoofdstad des lands weder aan de zijde van den Spaanschen koning te brengen.
Philips, graaf van Egmond, de oudste zoon van den onthoofden Lamoraal, had de gebreken, maar niet de talenten van zijn vader geërfd. De ijdele, eerzuchtige man brandde van begeerte om eene belangrijker rol te spelen, dan waarop zijne middelmatige bekwaamheden hem recht gaven. Naijverig op de macht van den prins van Oranje wilde hij dezen nog des te liever ten val brengen, dewijl hij, een streng katholiek, den protestantschen leider der omwenteling haatte.
Egmond kommandeerde een in den dienst der staten staand regiment, dat in de nabijheid van Brussel gelegerd was. Hij vormde het avontuurlijk plan om de stad te bemachtigen en haar aan den koning van Spanje over te geven, wiens genade hij zich door het bewijzen van zulk een belangrijken dienst hoopte te verwerven.
In den vroegen morgen van den 4en Juni 1579 trok Egmond aan het hoofd van zijn regiment Brussel binnen; hij voerde zijne soldaten naar de groote markt, in het midden der stad, naar dezelfde markt, waar den 5en Juni 1568 het hoofd zijns vaders gevallen was als slachtoffer van de dwingelandij diens konings, wien hij thans de stad verraderlijk wilde overleveren.
Het regiment werd in slagorde geschaard en eene afdeeling naar het slot gezonden, om dit te bezetten.
Doch de aanslag mislukte. Reeds had de bevelhebber van Brussel, ter rechter tijd gewaarschuwd, de soldaten der bezetting onder de wapenen geroepen en het slot bezet. De kleine door Egmond afgezonden bende werd gevangen genomen.
Het gerucht van Egmond’s verraad verbreidde zich met bliksemsnelheid door de stad. De burgers vlogen te wapen, trokken naar de markt en wierpen in alle straten, die daarop uitliepen, barrikaden op. Eer Egmond iets bespeurd had van het gevaar, waarin hij verkeerde, was elke uitweg hem reeds versperd. Waarheen hij zich ook wenden mocht, overal ontwaarde hij door gewapende burgers bezette, wel in aller ijl opgeworpene, maar toch sterke bolwerken voor zich. Hij was met zijn regiment op de groote markt gevangen.
Egmond verkeerde in een pijnlijken en vernederenden toestand. Hij durfde de barrikaden niet aanvallen, dewijl hij dan zelf in den rug zou worden aangetast: ook moest hij thans, nu geheel Brussel tegen hem onder de wapenen stond, alle hoop op een gunstigen uitslag opgeven. Hij moest het lijdelijk aanzien, dat de burgers hem van de barrikaden hoonden, „Hij is zeker gekomen”, zeiden ze, „om het hoofd zijns vaders te zoeken en den verjaardag van diens onthoofding te vieren. Laat hem maar eenige straatsteenen voor zijne voeten uit den grond halen, dan zal hij het bloed vinden van den edelen, waardigen martelaar, dat tegen den ontaarden zoon ten hemel schreit.”
Deze en dergelijke woorden moest Egmond aanhooren, zonder dat hij zich durfde wreken. Werkeloos moest hij alle smaad- en spotredenen opvangen, die hem naar het hoofd geworpen werden. Een geheelen dag en een geheelen nacht bracht hij in dezen vernederenden toestand door. Zijn hongerende troepen morden, zij wilden zich tegen hem verzetten, toen in den morgen van den 7en Juni het verrassend bericht kwam, dat het hem vergund was ongestraft Brussel te verlaten. Ongetwijfeld had de gedachte aan het groot aantal bloedverwanten en vrienden van den jongen graaf de Brusselaars tot die zachtmoedigheid bewogen. Gehoond door de burgers, bespot en onteerd verliet Philips van Egmond Brussel op den verjaardag van zijn vaders dood.
Parma had zijne legerplaats voor Maastricht zóó sterk bevestigd, dat hij haar tegen eene groote overmacht had kunnen verdedigen, doch de prinsgezinden bezaten geene noemenswaardige krijgsmacht. De kleine krijgsbenden, welke Willlem van Oranje in het veld kon brengen, waren volstrekt niet bij machte om met goed gevolg een aanval op het verschanste kamp der Spanjaarden te doen.
Te vergeefs spoorde de prins van Oranje de Staten tot krachtig handelen, tot het beschikbaar stellen van aanzienlijke geldsommen, tot het lichten of aanwerven van meerdere troepen aan, ten einde de belangrijke stad Maastricht voor de Nederlanden te behouden. Al zijne bemoeiingen waren vruchteloos; zij werden deels door zijne vijanden, deels door de misplaatste spaarzaamheid en de besluiteloosheid der Staten verijdeld.
Dewijl de dappere verdedigers van Maastricht geen ontzet zagen opdagen, ja alle hoop daarop moesten laten varen, moesten zij ten slotte wel voor de overmacht zwichten. Hunne krachten werden door de onophoudelijke gevechten uitgeput, de schildwachten konden zich ter nauwernood meer op de been houden.
Den 29en Juni 1579 waren—gelijk dit wel meer plaats had—de schildwachten op de wallen in slaap gevallen. Een Spanjaard bemerkte dit en deelde het aan Farnese mede, die terstond bevel gaf om van dezen gunstigen oogenblik tot eene bestorming partij te trekken. Dit geschiedde en eer de slaapdronkene burgers recht wakker waren, zagen zij zich aangevallen door de Spanjaarden, wien zij niet langer het hoofd konden bieden.
De stad werd ingenomen en met die onmenschelijke wreedheid behandeld, welke de Spanjaarden gewoonlijk jegens de overwonnen steden aan den dag legden. Drie dagen lang duurde het moorden en toen Alexander Farnese zijn zegepralenden intocht in de veroverde stad hield, werd hij in een prachtigen statiezetel door zijne veteranen over de verminkte lijken der ontelbare vermoorden naar de kerk gedragen.
Men verhaalt, dat bijna de gansche bevolking der bloeiende stad door de over hunne groote verliezen woedende Spanjaarden uitgeroeid is; ook de weinigen, die het bloedbad overleefden, mochten niet in hunne vaderstad blijven, zij zetten zich elders neer en Maastricht werd eene woeste, alleen door de overwinnaars bewoonde plaats.
De val van Maastricht was een zware slag voor de Nederlanders, doch bijna nog grooter schade bracht de heerschappij van het gemeen, waarvan Gent getuige was, aan de zaak der vrijheid toe.
Slechts voor een korten tijd had de tusschenkomst van Oranje de rust daar hersteld; om haar voor goed te herstellen had hij Rijhove, Hembyze en een krachtig volksleider, Peter Datheen, een voormaligen monnik, onschadelijk moeten maken; doch hiertoe was hij niet in staat.
Reeds door zijne telkens herhaalde aanmaningen tot rust en orde had Oranje zich Hembyze en Datheen, die zijn invloed duchtten, tot vijanden gemaakt, zij beschuldigden hem namelijk, dat hij een vermomde papist en koningsgezinde was en dat hij met zijn godsdienstvrede slechts de katholieken had willen begunstigen.
Rijhove stelde zich wel tegen zijn vroegeren vriend Hembyze over, maar zijne poging om dezen ten val te brengen, mislukte en was daardoor schadelijk voor het aanzien van den prins, dat buitendien niet kon winnen door de ondersteuning van een met bloed bevlekten misdadiger, wiens misdaden tot dusver ongestraft waren gebleven.
Hembyze’s moed klom tengevolge van dit alles. Vast besloten zich van de dictatuur binnen Gent meester te maken, stiet hij met de hulp van 2000 soldaten van zijn aanhang de stedelijke overheid van het kussen en stelde hij een nieuwen raad aan, dien hij zelf uit zijne blinde aanhangers en werktuigen benoemde. Door deze gesteund, heerschte hij te Gent zóó willekeurig, dat hij zich de geheele burgerij tot vijand maakte.
Slechts één man was in staat om de orde in de aan woeste regeeringloosheid prijsgegeven stad te herstellen: Willem van Oranje. Tot hem wendde zich een deel der burgerij en smeekte hem, naar Gent te komen. Hij willigde dit verzoek in, hoewel zijne vrienden hem verzochten, dat hij zich niet zou blootstellen aan het gevaar van door Hembyze en het Gentsche gepeupel vermoord te worden.
De verschijning van den prins te Gent deed eene schier tooverachtige uitwerking. Hembyze waagde geene enkele poging om tegenstand te bieden; hij verborg zich, ten einde te gelegener tijd te ontvluchten; maar hij werd ontdekt en gevangengenomen. Sidderend van doodsangst—want hij dacht stellig, dat men hem ophangen zou—verscheen hij voor den prins. Doch deze nam niet zulk eene onedele wraak op zijne vijanden. Hij gaf aan Hembyze en Datheen verlof om de stad te verlaten. Zij begaven zich naar hun ouden begunstiger Johan Casimir van de Palts, bij wien zij eene gastvrije ontvangst vonden.
Willem van Oranje vergenoegde zich met het herstellen van de orde binnen Gent. In de plaats van Hembyze’s makkers stelde hij een nieuwen raad, dien hij op regelmatige, wettige wijze benoemen liet. Vervolgens keerde hij naar Antwerpen terug.
Zoo was binnen Gent de orde hersteld. Doch aan de zaak der vrijheid was eene diepe wonde toegebracht door het misbruik, dat een aantal harer onhandige en onwaardige vrienden van haar gemaakt hadden, door de uitspattingen, welke zij in haren naam hadden gepleegd.