Zesde Hoofdstuk.
Reading edition
De Nederlanden. De bloedraad daagt Oranje in. Zijn antwoord. Alle Nederlanders door de inquisitie ter dood veroordeeld. De Boschgeuzen. Oranje’s krijgstoerustingen. Voordeelen, door Lodewijk van Nassau in het Noorden behaald. De slag bij Heiligerlee. Alba’a wraak. Egmond en Hoorne ter dood gebracht.
In het begin van het jaar 1568 werden de uit het land gevluchte geuzen, de prins van Oranje, zijn broeder Lodewijk van Nassau, de graaf van Hoogstraeten, de graaf van Kuilenburg, Brederode en anderen, in naam van den hertog van Alba ingedaagd, om voor den bloedraad te verschijnen. In geval zij weigerden aan die oproeping gehoor te geven, werden zij met eeuwige verbanning en met verbeurdverklaring van hunne goederen bedreigd. Natuurlijk verscheen geen dier heeren, zij wisten dat gehoorzaamheid aan het opontbod voor hen allen, zonder uitzondering, hetzelfde zou zijn als de dood.
De aanklacht, welke de bloedraad tegen den prins van Oranje uitsprak, hield in, dat deze het plan gekoesterd had om zich tot heer der Nederlanden te verheffen, en dat hij, tot bereiking van dat doel, Zijner Majesteits onderdanen tot verzet tegen de plakaten had aangespoord, onder voorwendsel, dat de Spaansche inquisitie in het land ingevoerd zou worden; dat hij Brederode en de overige verbondene edelen tot opstand had aangespoord en dat hij, eindelijk, naar Antwerpen gezonden, om daar den opstand te onderdrukken, de ketters aangemoedigd en den hervormden vrijheid van godsdienst verleend had.
In antwoord op deze beschuldiging ontzegde de prins den bloedraad in korte, minachtende bewoordingen elk recht om over hem de vierschaar te spannen; hij verklaarde, dat hij als ridder van het Gulden Vlies en als vorst van het Duitsche rijk noch van den hertog van Alba, noch van eene dergelijke rechtbank bevelen te ontvangen had; dat hij bereid was om zijne onschuld te bewijzen, hetzij als Vliesridder voor eene rechtbank, uit leden dier orde samengesteld, hetzij als Duitsch vorst voor den keizer, de keurvorsten en de andere Duitsche vorsten.
Uit dit antwoord blijkt, dat Oranje toen nog altijd schroomde, zich openlijk tegen Philips II te verzetten. Alleen de wederrechtelijke macht van Alba en den bloedraad wees hij af; daarentegen was hij bereid om zich tegen eene wettige aanklacht voor een aan zijnen rang passend gerechtshof te verdedigen. Weldra zou hij door nieuwe maatregelen van geweld, tegen hem genomen, tot openlijk verzet tegen den koning gedwongen worden.
Zijne goederen in de Nederlanden werden verbeurd verklaard en de maat van onrechtvaardigheid en willekeur ten zijnen aanzien vol gemeten, naardien Alba zich van zijn oudsten zoon, den jeugdigen graaf van Buren, die te Leuven studeerde, meester maakte en hem naar Spanje zond.
Alle overwegingen, welke Oranje tot dusver weerhouden hadden in het openbaar met kracht van wapenen tegen Alba en Philips II op te treden, traden nu op den achtergrond. Het was voor hem nu alleen de vraag, of het mogelijk zou zijn, de Spaansche troepen te overwinnen. Het antwoord daarop hing uitsluitend af van de gezindheid der Nederlanders om ten gunste van Oranje tegen Alba in opstand te komen. Dit was niet onwaarschijnlijk, want de onderdrukking van het rampzalige volk was zoo groot, dat ook het geduld der zachtmoedigsten wel uitgeput moest worden.
Onvermoeid had de bloedraad zijn vreeselijk werk voortgezet en al zijne vonnissen waren op Alba’s bevel zonder genade voltrokken. Toen de magistraat van Antwerpen een gezantschap tot den hertog zond, ten einde hem voor eenige der aanzienlijkste burgers hunner stad, die door den bloedraad veroordeeld waren, om genade te smeeken, antwoordde hij den afgevaardigden op gestrengen toon: „Ik ben verbaasd dat gij het waagt, om genade te smeeken voor verraders en ketters, neemt u zelven maar in acht! Ik heb besloten, wanneer het noodig is, al de inwoners der stad te laten ophangen, als voorbeeld voor het overige land. Zijne Majesteit koning Philips II wil liever het geheele land in eene woestenij herscheppen, dan dulden, dat daarin ook slechts één ketter in het leven blijft!”
Inderdaad, men scheen wel te moeten gelooven, dat Philips van plan was, de Nederlanden te ontvolken en tot eene woestenij te maken. Of wat anders was de strekking van een op zijn bevel opgemaakt en door hem goedgekeurd besluit der Spaansche inquisitie? In weerwil der bittere klachten over den bloedraad, die uit de Nederlanden bij hem ingebracht werden, en die zelfs den paus bewogen hadden om den koning tot matiging aan te sporen, was Philips niet tot eenigen stap tegen dit gerechtshof over te halen. Hij legde de geheele zaak aan de rechtbank der inquisitie voor en deze verklaarde, dat alle Nederlanders, met uitzondering van eenige weinige, met name genoemde mannen, ketters of begunstigers van ketters en alzoo aan hoogverraad schuldig waren, daar zij òf aan den beeldstorm deelgenomen òf dien niet verhinderd hadden.
Philips bekrachtigde deze vreeselijke uitspraak; hij verklaarde daarmede, dat alle Nederlanders ter dood veroordeeld waren en dat zij, die niet omgebracht werden, zich slechts als begenadigden moesten beschouwen. De Nederlandsche geschiedschrijver Hooft vraagt terecht, of wel ooit, zelfs door de wreedste dwingelanden, zulk een vonnis geveld is.
Natuurlijk kon het des konings bedoeling niet zijn, alle inwoners der Nederlanden ter dood te laten brengen; doch het volk wist dat allen evenzeer veroordeeld waren en dat de hertog van Alba en de bloedraad de macht hadden om die uitspraak der inquisitie elk oogenblik naar goeddunken op een ieder toe te passen. Een ieder, tot welken stand hij ook mocht behooren, kon voor den bloedraad gebracht en veroordeeld worden, zonder eenig misdrijf te hebben begaan.
Inderdaad toonde de bloedraad, dat hij volkomen bereid was om zijn last te volvoeren. Geen dag verliep er, waarop het schavot geene nieuwe slachtoffers ontving, en deze behoorden zoowel tot den hoogsten als tot den laagsten stand der maatschappij. Reeds het bezit van rijkdom was op zich zelf eene onvergeeflijke misdaad; doch ook de armoede beveiligde niet tegen de galg; zoowel de hongerige werkman, als de welvarende burger werd aan den beul overgeleverd.
Een nieuwe maatregel van den bloedraad verhoogde nog de schrik voor deze rechtbank. Het was meermalen gebeurd, dat ter dood veroordeelden op den weg naar het schavot aanspraken gehouden hadden tot de menigte, die hen vergezelde. Om dit in het vervolg voor te komen, werd om de tong der veroordeelden een ijzeren ring gelegd, vervolgens raakte men de punt der tong met een gloeiend ijzer aan, de zwelling belette het afvallen van den ring en maakte het den veroordeelden onmogelijk, zelfs een enkel woord te spreken.
Onbegrijpelijk schijnt het, dat een volk, hetwelk nog vóór korten tijd zooveel geestkracht aan den dag had gelegd, die ontzettende onderdrukking geduldig kon verdragen, dat het niet overal in opstand kwam, om de betrekkelijk geringe krijgsmacht van Alba te verdrijven. Slechts enkelen waagden het, zich tegen het Spaansch geweld te verzetten en deze behoorden volstrekt niet tot de beste standen des volks; gedeeltelijk waren het voortvluchtige misdadigers, roovers, die hun schandelijk handwerk onder de leus van vaderlandsliefde dreven, ten einde bij de plattelandsbevolking bescherming te vinden voor de vervolging der rechtbanken, gedeeltelijk ook tot wanhoop gebrachte protestanten, die niet buiten ’s lands hadden kunnen vluchten en derhalve, om zich aan de klauwen van den bloedraad te onttrekken, naar de wapens grepen en een avontuurlijk leven leidden.
Talrijke benden, die zich zelven Wilde Geuzen of Boschgeuzen noemden, namen de onderscheidingsteekenen der omwenteling aan en begingen onder haren dekmantel afschuwelijke misdaden. Roovend en blakerend trokken zij het land door. Hun doel was, al de geleden ellende op de katholieken te wreken. Zij deden dit op eene wijze, welke hen in het oog van alle rechtschapen protestanten verachtelijk maken moest.
Een groot aantal kloosters werd geplunderd en verbrand, vele priesters werden verminkt of ten minste mishandeld. Het was eene schandelijke liefhebberij der Boschgeuzen, den katholieken priesters, die in hunne handen vielen, neus en ooren af te snijden en deze aan de manen en den staart hunner paarden te hangen.
Alba vaardigde tegen de Boschgeuzen een donderend edict uit, hij gaf aan een ieder verlof om hen, waar hij hen ook aantrof, zonder vorm van proces te dooden; hen, die de misdadigers in bescherming namen, bedreigde hij met de strengste straffen; doch hiermede bereikte hij zijn doel niet, eerst toen hij de gewapende macht tegen hen liet oprukken, gelukte het hem, de roovers voor eenigen tijd te onderdrukken.
De opstand der Boschgeuzen was alleen in zoo ver van eenig belang, dat hij den prins van Oranje versterkte in de meening, dat thans voor hem de oogenblik om te handelen gekomen was, dewijl hij op ondersteuning der Nederlanders kon rekenen. Hij wendde zich tot de protestantsche vorsten van Duitschland, voornamelijk tot den landgraaf van Hessen en den keurvorst van Saksen, ten einde zich van hunne hulp te verzekeren. Hij knoopte zoowel in Engeland als in Frankrijk betrekkingen aan; de Hugenooten in laatstgenoemd land leenden aan zijne voorstellen gewillig het oor, daar zij hem als hun natuurlijken vriend en bondgenoot beschouwden. Vele uit de Nederlanden gevluchte edellieden voegden zich bij hem, om onder hem tegen Alba en voor hun vaderland te strijden. Reeds had hij eene kleine legerafdeeling onder zijne bevelen; het bevel daarover droeg hij op aan zijn broeder Lodewijk van Nassau, dien hij den 6en April 1568 te Dillenburg bepaaldelijk machtigde om verder troepen aan te werven en daarmede den hertog van Alba te bevechten.
Niet tegen den persoon van Philips, niet tegen diens rechten op het bewind over de Nederlanden, maar alleen tegen de Spaansche troepen van Alba gordde hij de wapenen aan. Nog altijd bleef hij vasthouden aan zijne verzekering, dat hij des konings trouwe dienaar was en juist om diens erflanden ongeschonden te bewaren, aan de heerschappij der Spanjaarden een eind maken en de door den koning zelven bezworen privilegiën tegen Alba in bescherming nemen moest.
Om een leger aan te werven en een gewapenden inval in de provinciën te doen, had Oranje in de eerste plaats geld noodig en dit bezat hij niet, daar hij uit zijne verbeurd verklaarde bezittingen in de Nederlanden geene inkomsten meer kon trekken. Ook de ondersteuning, hem door de voortvluchtige edelen verleend, was niet voldoende. Ten einde zich geld te verschaffen, moest de prins al zijne kleinoodiën, zelfs het kostbare huisraad zijner kasteelen, zijne paarden en andere voorwerpen van waarde verkoopen, en hij deed dit zonder aarzelen.
Volgens het door hem beraamde plan zou de inval in de provinciën op drie verschillende plaatsen geschieden, twee kleine legerafdeelingen zouden in de zuidelijke Nederlanden vallen, terwijl Lodewijk van Nassau in de noordelijke de vaan van den opstand opsteken zou. Het plan werd volvoerd, maar niet met gelukkigen uitslag.
De invallen in het Zuiden werden door de Spanjaarden afgeslagen, alleen Lodewijk van Nassau behaalde in het Noorden aanvankelijk eenig voordeel. Met ongeveer 7000 man viel hij in het voorjaar van 1568 in Groningerland, en het gelukte hem den 23en Mei een Spaansch legerkorps onder aanvoering van den hertog van Aremberg bij het klooster Heiligerlee te verslaan en uit elkander te drijven. Aremberg zelf sneuvelde, maar ook Lodewijk van Nassau had een zwaar verlies te betreuren: zijn jongsten broeder, graaf Adolf van Nassau, een veelbelovend jongeling, telde men insgelijks onder de dooden.
De overwinning bij Heiligerlee beteekende op zich zelve weinig, dewijl Lodewijk van Nassau daarvan geene partij trekken kon; hij had geen geschut voor de belegering der steden, die de steunpunten van zijne macht moesten uitmaken, wanneer hij op duurzame voordeelen wilde rekenen. Bovendien was hij te zwak om aan eene grootere Spaansche macht in het open veld het hoofd te bieden en daarom moest hij elk oogenblik vreezen, dat zijne slecht betaalde Duitsche huurtroepen hem de gehoorzaamheid zouden opzeggen.
Veel belangrijker was de zedelijke invloed der zegepraal. Tot heden hadden de Nederlanders de Spaansche keurtroepen als onoverwinlijk beschouwd; thans was het gebleken, dat zelfs een zwak leger, gelijk dat van Lodewijk, Alba’s in den oorlog vergrijsde krijgers kon overwinnen; hun moed herleefde, de overwinning bij Heiligerlee bereidde den lateren algemeenen opstand voor. Voorshands echter waren hare gevolgen noodlottig.
Alba was buiten zich zelven van woede, toen hij hoorde dat Lodewijk van Nassau eenig voordeel had behaald. Hij besloot, zelf tegen den aanvoerder der opstandelingen op te trekken, doch eer hij dit deed, toonde hij den Brusselaars, hoe geducht zijne wraak jegens alle opstandelingen was.
Den 28en Mei 1568 vaardigde hij een edict uit, waarbij Oranje, Lodewijk van Nassau, Hoogstraeten en vele andere edelen voor altijd uit het land verbannen werden; ingeval zij terugkeerden, zouden zij zonder omwegen ter dood worden gebracht. Al hunne goederen werden verbeurd verklaard, het paleis van Kuilenburg, waar de vergadering der geuzen gehouden was, werd geheel omvergehaald; op zijne puinhoopen werd een gedenkteeken opgericht.
Den eersten Juni werden 18 mannen van naam te Brussel ter dood gebracht; men stelde hunne hoofden op palen ten toon; den 2en Juni volgden vier anderen hen in den dood.
Den 3en kwamen in de hoofdstad twee compagniën voetvolk en twee escadrons ruiterij aan; zij begeleidden de graven van Egmond en Hoorne, die in een wagen van Gent waren overgebracht, om te Brussel te recht te staan.
Tegen beiden was na hunne gevangenneming een proces aangevangen, dat wel eene bittere bespotting van alle rechtsvormen heeten mocht. De aangeklaagden werden beschuldigd, dat zij met den prins van Oranje een complot hadden gesmeed, om den koning uit de Nederlanden te verdrijven en de provinciën onder elkaar te verdeelen; dat zij het verbond der edelen ondersteund, de ketters begunstigd en buitendien allerlei misdaden van hoogverraad gepleegd hadden.
Egmond en Hoorne hadden geëischt, als ridders van het Gulden Vlies, overeenkomstig de statuten dier orde, gericht te worden; de keizer zelf was voor hen bij Philips in de bres gesprongen, vele andere vorsten hadden dit voorbeeld gevolgd, doch de koning gedroeg zich naar den raad van Vargas, die hoonend uitriep: „Wat gaan uwe privilegiën ons aan?” Een rechtsgeleerd advies, door den geleerden Viglius opgesteld, trachtte deze zijne handelwijze te wettigen.
Viglius had namelijk gepoogd te bewijzen, dat de bescherming, welke de statuten van het Gulden Vlies den ridders dier orde verleende, zich niet uitstrekte tot zulke misdaden als waarvan Egmond en Hoorne beschuldigd werden. Op grond hiervan was den bloedraad de taak opgedragen om een vonnis te vellen en hij had, getrouw aan zijn karakter, dien last vervuld. Egmond en Hoorne werden ter dood veroordeeld, zonder dat het hun vergund was een verdediger te kiezen. De getuigen, op wie zij zich beriepen, ten einde hunne onschuld te bewijzen, werden niet gehoord; de geheele behandeling der zaak geschiedde in het diepste geheim. Dewijl Philips en Alba de veroordeeling geboden hadden, werd zij door den slaafschen bloedraad natuurlijk uitgesproken.
De voltrekking van het vonnis, een tijd lang vertraagd door een verzoek om genade, door de beide graven tot Philips gericht, werd bespoedigd door de overwinning van Lodewijk van Nassau bij Heiligerlee. Den 4en Juni 1568 verklaarde Alba plechtig voor God en de menschen, dat hij het doodvonnis tegen de beide hooggeplaatste landverraders moest voltrekken. Het document droeg de onderteekening van Philips II; Alba had daarvoor een der vele in blanco door den koning onderteekende stukken gebruikt, waarvan hij door dezen voorzien was.
In den namiddag van den 4en Juni ontbood Alba den bisschop van Yperen bij zich en gaf hem in last, terstond Egmond in de gevangenis te bezoeken, hem mee te deelen dat zijn lot beslist was en hem ter dood te bereiden.
Vol schrik viel de prelaat den hertog te voet, hij smeekte hem om genade voor den ongelukkige, of, wanneer hij zelf die genade niet verleenen mocht, om schorsing van het vonnis. Doch al zijn smeeken was vruchteloos; Alba antwoordde hem op gestrengen toon: „Gij zijt niet geroepen om mij raad te geven, maar om den veroordeelde als biechtvader bij te staan.” Met dit bescheid werd de bisschop weggezonden. Hij begaf zich naar de gevangenis, om zich van zijne treurige taak te kwijten.
Nauwelijks had hij den hertog verlaten, of de gravin van Egmond werd bij dezen aangemeld; zij was bij geruchte onderricht van het lot, dat haren echtgenoot wachtte, ijlde terstond naar Alba, wierp zich aan zijne voeten en smeekte om genade. Met ijskoude kalmte hoorde de hertog de smeekingen der rampzalige vrouw aan; hij troostte haar met de belofte, dat haar gade den volgenden dag vrij zou zijn. Met die afgrijselijke, dubbelzinnige scherts ontsloeg hij de gravin, in wier hart hij de zoetste, helaas! al te bedriegelijke hoop gewekt had. Later zou hij tot zijne rechtvaardiging hebben aangevoerd, dat, naar zijne meening, de dood alleen de ware vrijheid schonk.
Egmond lag reeds in een vasten slaap gedompeld, toen de bisschop van Yperen zijne gevangenis binnentrad. Hij werd gewekt. Aan de houding van den prelaat bemerkte hij terstond, dat deze hem eene noodlottige tijding kwam brengen. Zonder te verbleeken las hij het document, dat zijn doodvonnis bevatte. Hij was, zoo wordt ons meegedeeld, meer verrast dan verschrikt, daar hij het nooit mogelijk had geacht, dat zijn proces zulk een einde zou nemen. Nog eens vraagde hij den bisschop, of dan alle hoop op genade vervlogen was, of althans de uitvoering van het vonnis niet verschoven kon worden. Doch toen hij ten antwoord ontving, dat er geen hoop meer voor hem bestond kreeg hij oogenblikkelijk zijne kalmte terug.
Hij bracht den nacht in het gezelschap van den geestelijke door en ontving uit diens handen het avondmaal. Tot zijn laatsten ademtocht betoonde hij zich een oprecht katholiek, gelijk hij steeds geweest was. Tegen den morgen schreef hij den volgenden brief aan den koning:
„Sire! Heden avond heb ik het vonnis vernomen, dat het Uwe Majesteit behaagd heeft over mij uit te spreken. Alhoewel ik nooit iets in de gedachten genomen, noch, zoover mij bewust is, iets gedaan heb wat tot nadeel van Uwer Majesteits persoon of dienst of tot verkorting van onze ware, oude katholieke godsdienst strekken kon, wil ik evenwel geduldig dragen wat het den goeden God behaagd heeft mij te laten toekomen. Indien ik onder deze beroerten in de Nederlanden iets gedaan of toegelaten heb, dat hiermede niet overeen scheen te komen, dan is het geschied met de waarachtige goede bedoeling om God en Uwe Majesteit te dienen en door den nood der tijden. Daarom bid ik Uwe Majesteit, mij te vergeven en medelijden te hebben met mijne arme vrouw en kinderen en bedienden, uit aanmerking mijner voormalige diensten. In welke hoop ik mij thans aan Gods Genade aanbeveel.
Uit Brussel,
Ter dood bereid, 5 Juni 1568. Uwer Majesteits ootmoedige en getrouwe onderdaan en dienaar
Lamoraal d’ Egmond.”
Ook de graaf van Hoorne had de tijding, dat het doodvonnis uitgevoerd zou worden, met kalme standvastigheid ontvangen, maar hij schreef niet zulk een ootmoedigen brief aan den koning als zijn vriend.
Den 5en Juni, met het aanbreken van den dag, werden 3000 Spaansche soldaten op de groote markt te Brussel en rondom het in het midden van het plein opgerichte schavot in slagorde geschaard. Op hetzelfde plein, waar Egmond de gelukkige overwinnaar in zoo menig tournooi was geweest, zou hij heden sterven!
Omstreeks 11 uur haalde eene Spaansche compagnie, door Juliaan Romero aangevoerd, Egmond uit de gevangenis. Men wilde hem de handen binden, maar hij uitte den wensch, dat die vernedering hem bespaard zou worden, sloeg zijn tabbaard open en toonde dat hij, ten einde den beul een deel van diens werk te besparen, zelf de kraag van zijn wambuis afgesneden had. Romero willigde zijn verzoek in.
Door den bisschop van Yperen vergezeld, begaf Egmond zich met vasten tred naar het schavot. Onderweg las hij een psalm. Toen hij het schavot beklommen had, liep hij het eenige malen op en neder. Hij sprak zijn leedwezen uit, dat hij niet met een degen in de hand voor zijn vaderland en zijn koning sterven mocht.
Nog eens kwam de hoop op begenadiging in den uitersten oogenblik bij hem op. Hij wendde zich tot Romero met de vraag, of het vonnis onherroepelijk was. Toen de generaal als eenig antwoord treurig de schouders ophaalde, klemde Egmond niet in wanhoop, maar in toorn de tanden op elkaar. Doch oogenblikkelijk keerde zijne bedaardheid terug, hij wierp zelf zijn bovenkleed af en terwijl hij met eene krachtige stem riep: „God in Uwe handen beveel ik mijnen geest!” boog hij het hoofd op het blok. Met één slag scheidde de beul het hoofd van den romp. Geen enkele kreet ontsnapte aan den mond der dicht rondom het schavot opeengepakte menigte, alle toeschouwers waren in het diepst hunner ziel geroerd, uit menig oog vloeiden tranen, zelfs de Spaansche soldaten weenden om den man, dien zij als den held van St. Quentin en Grevelingen hoogschatten.
De Fransche gezant, die het schouwspel bijwoonde, zeide tot zijn buurman, dat hij hier het hoofd had zien vallen, waarvoor Frankrijk tweemaal gesidderd had.
De hertog van Alba, die uit een venster getuige van de strafoefening was, kon—naar men verhaalt—zijne tranen niet bedwingen!
Men wierp een zwart laken over het lijk en voerde hierop ook den graaf van Hoorne door de menigte heen; kalm groette hij alle bekenden, die hij onderweg ontmoette. Even moedig als Egmond ging hij den dood te gemoet, met hetzelfde woord op de lippen als zijn vriend ontving hij den doodelijken slag.
Egmond en Hoorne worden door de Nederlanders nog heden ten dage als martelaars voor de vrijheid vereerd, doch ten onrechte. Wel waren beiden de slachtoffers der afgrijselijke, met alle recht en wet spottende staatkunde van een ondankbaar en gewetenloos dwingeland, maar martelaars der vrijheid waren zij niet. Niets was dwazer dan de lage wraakzucht, waaraan Philips II twee mannen opofferde, wier gansche verleden bewees, dat ze zijne trouwe aanhangers waren. Voor de vrijheid des volks hadden zij nooit eenig gevoel gehad, beiden waren heftige tegenstanders der hervorming.
Egmond had zich zelfs als een verbitterd en wreed vervolger van de beeldstormers doen kennen. Hij zou dat,—zijn laatste meer dan deemoedige brief aan den koning bewijst het—indien hij langer geleefd had, ook gebleven zijn. Ja men mag vrijelijk beweren, dat hij zijne talenten als veldheer tot onderdrukking van den opstand der Nederlanders zou hebben aangewend, indien Philips hem, in plaats van hem te dooden, het bevel over eene Spaansche bende opgedragen had. Eerst zijn dood heeft hem en zijnen vriend tot vrijheidshelden gemaakt. Uit hun bloed, waarin de menschen, die het schavot omringden, niet langer door vrees voor de Spanjaarden teruggehouden, hunne zakdoeken doopten, is de vrijheid der Nederlanden ontsproten, niet ten gevolge van Egmond’s werkzaamheid, maar tengevolge van zijn ongeluk en van de schreeuwende onrechtvaardigheid, willekeur en wreedheid van een koning, wiens bloeddorstige tyrannie door dezen moord voor het oog des volks voor altijd ontsluierd werd.