← Table of contents
De Dageraad der Volksvrijheid

Zevende Hoofdstuk.

Reading edition

De Nederlanden. Alba’s tocht naar Friesland. Slag bij Jemmingen. Nederlaag en vlucht van Lodewijk van Nassau. Hachelijke toestand van Oranje. Zijne nieuwe krijgstoerustingen. Inval in Brabant. Alba’s plan. Alba’s overwinning ten gevolge van zijn dralen. Alba’s zelfverheffing. Zijn standbeeld. Huwelijk van Philips II. Montigny in den kerker vermoord. Alba’s nieuwe belastingen. Tegenstand der provinciën. De amnestie. Overstrooming. Verzet in den staatsraad tegen de nieuwe belastingen. Viglius en Barlaimont. Algemeen oproer.

Alba had de sinds lang vastgestelde doodstraf van Egmond en Hoorne bespoedigd, omdat hij het niet raadzaam achtte, twee zulke belangrijke gevangenen levend achter te laten, terwijl hij zelf tegen Lodewijk van Nassau optrok. Hij zou ten minste 3000 man Spaansche troepen noodig gehad hebben om elke poging tot bevrijding van de gevangenen te verijdelen, en zulk een aantal troepen kon hij niet missen; daarom liet hij de hoofden vallen, eer hij zelf zich naar het oorlogstooneel in het Noorden begaf.

Onverwijld verzamelde hij zooveel manschappen als hij bijeentrekken kon. Al zijne strijdkrachten vereenigde hij bij Groningen. In ’t geheel bedroegen deze ongeveer 15.000 man keurtroepen; buitendien had hij nog een aanzienlijk getal minder goed geoefende soldaten tot zijne beschikking.

Lodewijk van Nassau was intusschen niet in staat geweest om van de overwinning bij Heiligerlee partij te trekken; daartoe ontbrak het hem in de eerste plaats aan geld. Te vergeefs poogde hij in de Nederlanden zelve door vrijwillige contributiën zich de noodige middelen tot het voortzetten van den oorlog te verschaffen en dreigde hij allen, die weigerden hem bij te staan, als vijanden des vaderlands te zullen behandelen. Wel zouden de boeren hem gaarne ondersteund hebben, maar zij durfden niet op de overwinning hopen en zij wisten maar al te goed, dat Alba zich bloedig op hen wreken zou, indien zij slechts een enkel teeken van verstandhouding met den graaf van Nassau gegeven hadden.

Vol verontwaardiging vaardigde Lodewijk twee proclamaties uit, waarin hij dreigde de huizen in brand te zullen steken van allen, die hem de noodige contributie weigerden. De hertog van Alba vaardigde ook van zijn kant eene proclamatie uit, die aan de kerkdeuren en andere openbare plaatsen aangehecht werd, waarin hij aankondigde, dat ieder Nederlander, die het waagde, den rebellen geld te geven, later het dubbele van die som aan de Spanjaarden betalen en bovendien als schuldig aan hoogverraad gestraft worden zou.

Zoo verkeerden de ongelukkige bewoners van die streek in den hachelijksten toestand. Gaarne zouden zij Lodewijk van Nassau gehoorzaamd hebben, doch Alba was in hunne oogen zoo vreeselijk, dat zij het niet durfden doen. De vrees voor zijne wraak was sterker dan die voor Lodewijk’s toorn, zij gaven dezen slechts zóóveel als zij even moesten en maakten het hem daardoor onmogelijk, zijne Duitsche huurtroepen te betalen.

De toestand van den graaf werd dus uiterst hachelijk. Met zijne 10 tot 12.000 man—zoo hoog was na de versterkingen, die hij ontvangen had, het aantal zijner troepen—had hij wel den oorlog met eenig uitzicht op zegepraal kunnen voortzetten, indien zijne huurtroepen slechts hadden willen vechten. Maar deze weigerden dit en zelfs toen de geduchte hertog reeds met zijne Spaansche troepen tegenover hen stond, rebelleerden zij nog tegen hunnen veldheer. Zij wilden niet vechten, eer hun de achterstallige soldij uitbetaald was. Eerst toen Lodewijk hun voorhield, dat zij geene andere keus hadden dan òf te vechten òf zich weerloos te laten neerhouwen, daar zij van Alba geene genade hadden te wachten, besloten zij schoorvoetend te gehoorzamen.

Bij Jemmingen kwam het den 21en Juli 1568 tot een beslissenden slag. Lodewijk had eene sterke, goed gekozene stelling ingenomen; hier zou hij zich zeker tegenover de slechts weinig sterkere macht van Alba staande gehouden hebben, indien zijne soldaten iets hadden bezeten van den vurigen moed en de koene beradenheid, die hun aanvoerder bezielden. Doch dit was, helaas! niet het geval: reeds bij den eersten aanval der Spanjaarden wierpen vele lafaards de wapenen weg en vluchtten.

Eene grenzenlooze verwarring ontstond in het geuzenleger; de vlucht werd weldra algemeen. Het was niet langer een slag, maar eene slachting, om het woord des dichters hier te bezigen.

De Spanjaarden hieuwen de vluchtelingen bij geheele hoopen neder. Zij, die aan hun zwaard ontkwamen, wierpen zich in de Eems en verdronken. Hoe vreeslijk de slachting geweest is, blijkt uit de cijfers, die tot ons gekomen zijn, al zijn deze dan ook een weinig overdreven. Men zegt, dat op dien dag 7 Spanjaarden en 7000 rebellen gedood zijn.

Nog twee dagen lang vermoordden Alba’s zegevierende krijgers alle Duitsche huurlingen, die zij in den omtrek uit hunne schuilhoeken te voorschijn haalden. Alle velden en weilanden waren met weggeworpen wapenen en met lijken bedekt.

Graaf Lodewijk van Nassau zelf had slechts door eene overhaaste vlucht zijn leven kunnen redden. Ten einde den overwinnaars te ontkomen, had hij, toen hij zag dat alles verloren was, zijne kleederen weggeworpen en zich in de Eems gestort. Gelukkig bereikte hij al zwemmende den tegenoverliggenden oever; hier vond hij eenige vluchtelingen, aan wier hoofd hij zich stelde en met wie het hem gelukte naar Duitschland terug te keeren.

Het Spaansche leger vereenigde zich twee dagen later binnen Groningen; het trok van zijne overwinning partij, om eene vreeselijke wraak te oefenen op de ongelukkige bewoners des lands voor hunne twijfelachtige trouw. Alba liet het toe, dat zijne onmenschelijke soldaten daar huis hielden als in eens vijands land, dat zij burgers en boeren vermoordden, vrouwen en meisjes verkrachtten, dat zij alles roofden wat in hun bereik viel en de weerlooze dorpen in brand staken.

Na de overwinning keerde Alba naar Brussel terug; hij luisterde haar op door de uitvoering van een aantal doodvonnissen. Schier allen, die nog in den kerker zuchtten, werden thans ter dood gebracht. Thans werden ook Burgemeester van Stralen, Bakkerzeel, Laloo en anderen aan den beul overgeleverd.

De prins van Oranje verkeerde na de nederlaag zijns broeders in een waarlijk wanhopigen toestand. Een groot deel der door hem aangeworven troepen was verslagen en verstrooid, Alba zegepraalde, en de protestanten hadden alle hoop op een goeden uitslag opgegeven. Zelfs des prinsen vrienden, de Duitsche vorsten, geloofden thans niet langer, dat het hem mogelijk zou zijn, met goeden uitslag den zegevierenden hertog te bestrijden. Zij trokken hunne beloften van hulp in en vermaanden hem, elk plan op een inval in de Nederlanden op te geven en kalm den loop der gebeurtenissen af te wachten. Zoo spraken de ijverigste protestantsche vorsten, de keurvorst van Saksen en de landgraaf van Hessen. De keizer zelf waarschuwde in ernstige bewoordingen tegen het aanwerven van troepen in het Duitsche rijk. „Wanneer Gij den rijksvrede verstoort en ons met onzen dierbaren broeder en neef Philips II in ongelegenheid brengt, dan is dit voor Uwe verantwoording,” zoo schreef hij aan den prins.

In weerwil van deze raadgevingen en bedreigingen, stond toch Oranje’s besluit tot voortzetting van den strijd vast. Den keizer beantwoordde hij in een eerbiedigen brief, waarin hij zich op zijn vorstenrecht beriep en de ondragelijke dwingelandij schilderde, waaraan Alba zich tegenover de Nederlanders schuldig maakte. Tegelijk vaardigde hij eene oorlogsverklaring aan Alba en twee proclamaties uit, waarin hij het Nederlandsche volk verzekerde, dat hij de trouwste dienaar des konings was en niet tegen dezen, maar alleen tegen Alba de wapenen opvatte. „Juist omdat wij tot den loyaalsten dienst jegens den koning verplicht zijn”, zeide hij in die stukken, „en dewijl wij het diepste medelijden met zijne vasallen koesteren, is het ons onmogelijk, langer werkeloos zoovele daden van moord, diefstal en geweld aan te zien. De koning, daarvan zijn wij zeker, is slecht omtrent den toestand der Nederlanden onderricht. Wij vatten de wapenen op, om ons met de hulp van den God der barmhartigheid tegen de dwingelandij der Spanjaarden en de bloeddorstige plannen des vijands te verzetten. Wij roepen alle trouwe burgers der Nederlanden op, om ons ter hulp te snellen: mogen het ongeluk des lands, het gevaar eener eeuwige slavernij voor hen en hunne kinderen en de volkomen ondergang van de evangelische godsdienst hun ter harte gaan! Niet, wanneer zij zich slaafs aan den bloeddorst van den hertog van Alba onderwerpen, kunnen de provinciën hopen, hun ouden voorspoed en hunne oude rechten te herwinnen, maar alleen wanneer zij daarvoor dapper de wapenen opvatten.”

Zoo sprak de prins tot de Nederlanders; hij riep hen op om de Spanjaarden voor altijd uit het land te helpen verdrijven en hem hiertoe de noodige geldmiddelen te verschaffen. De rijken moesten van hun overvloed, de armen van hunnen nooddruft tot bereiking van het algemeene doel bijdragen; hij bezwoer hen plechtig bij God, het vaderland en de wereld, te handelen, terwijl het nog tijd was.

Een belangrijk gevolg had Oranje’s beroep op de vaderlandsliefde der Nederlanders niet; juist de rijksten bleven het meest achter. Eenige protestantsche predikers waagden hun leven, om in hunne arme gemeenten gelden voor den prins in te zamelen en ze hem over te brengen. De ballingen gaven ook zooveel als zij konden, doch de rijke kooplieden en de trotsche edellieden, die zich nog in de Nederlanden bevonden en tot dusver door Alba niet waren vervolgd, gevoelden geen lust om zich des hertogs wraak door het ondersteunen van den prins op den hals te halen.

In weerwil van dit alles gelukte het aan Oranje’s rustelooze bemoeiingen, een leger van 30.000 man onder de wapenen te brengen. Daarmede opende hij in het laatst van September 1568 den veldtocht; hij rukte Brabant binnen en hier vond hij weldra den hertog van Alba tegenover zich, die met de grootste geestkracht alle Spaansche troepen bijeen getrokken had, om zijn gevaarlijksten vijand het verder doordringen in de Nederlanden te beletten.

Hoe vast Alba’s besluit stond, om zijn vijand niet alleen te bevechten, maar te vernietigen, toonde hij vóór het begin der vijandelijkheden. De prins zond hem een heraut, om hem voor te stellen, de gevangenen van weerszijden niet te dooden, maar uit te wisselen. Nauwelijks was de heraut van het paard gestegen, om zijne boodschap over te brengen, of hij werd gegrepen en op staanden voet opgehangen. Dit was het eenige antwoord des hertogs op dien vredelievenden voorslag. Slechts terloops zeide hij, dat hij met muiters vóór den slag niet onderhandelde en hun na den slag geene genade verleende.

Welk een stoute taal Alba ook voerde, toch had hij volstrekt geen lust om zich met Oranje in het open veld te meten; door een grooten slag kon hij alles verliezen en slechts weinig winnen, het gevaar was voor hem nu veel grooter dan bij den strijd tegen Lodewijk van Nassau. Toen was het tooneel van den oorlog eene verwijderde provincie geweest, thans lag het in het hart der Nederlanden; indien de prins hier eene overwinning behaalde, zou hij zich zonder moeite tot heer van het geheele land kunnen verheffen.

Alba wist maar al te goed, hoe gehaat hij zelf en hoe geliefd de prins was; behaalde deze slechts ééne zegepraal, dan zou de geheele bevolking des lands zich rondom zijne vanen scharen. Begon eens de roep van onoverwinnelijkheid, waarin de hertog stond, te tanen, dan had hij alles te vreezen.

Oranje had een leger van ongeveer 30.000 man onder de wapenen, Alba stond aan het hoofd van niet meer dan 20.000 man; wel waren zijne soldaten geoefende veteranen, op wie hij zich onder alle omstandigheden verlaten kon, terwijl Oranje’s leger grootendeels uit huurlingen bestond; wel mocht de hertog daarom, in weerwil van de mindere sterkte zijner legermacht, op eene zegepraal hopen, maar veel veiliger was het in zijn oog, door opzettelijk dralen de hulp in te roepen van een bondgenoot, die hem ten slotte de overwinning verzekeren moest.

Reeds was het jaargetijde ver gevorderd; de winter, en met hem gebrek aan levensmiddelen voor het huurleger, was in aantocht. Oranje had—hiervan was de hertog onderricht—geen geld om zijne Duitsche troepen gedurende een langen tijd te bezoldigen; werd het hem onmogelijk gemaakt zich geld te verschaffen, dan zou een opstand der huurtroepen hiervan het onvermijdelijk gevolg zijn. Op deze berekening bouwde Alba zijn plan om zich nooit tot een beslissenden slag te laten verlokken en alleen den prins het verder doordringen in het land te beletten. Met eene bewonderenswaardige krijgskunst volvoerde hij zijn plan.

De geheele veldtocht duurde niet veel langer dan eene maand; 29maal veranderde de prins van stelling, om den hertog tot een slag te noodzaken, maar altijd vruchteloos; waarheen hij zich ook wendde, altijd zag hij de Spanjaarden als zijn schaduw achter zich en toch kon hij hen maar niet tot een treffen dwingen.

De uitkomst rechtvaardigde volkomen het beleid van den hertog. Het ontbrak den prins zoowel aan geld als aan levensmiddelen, want de inwoners des lands, voor Alba’s wraak beducht, weigerden die den muiters te verschaffen. Nergens vonden de 30.000 man des prinsen de noodige middelen om in hun onderhoud te voorzien en het kon niet missen, of de huurtroepen begonnen te morren; weldra brak er eene openbare muiterij in ’s prinsen kamp uit en slechts met moeite gelukte het dezen, een algemeenen opstand te onderdrukken.

Niet gunstiger werd Oranje’s toestand, toen eene schaar Fransche Hugenooten onder bevel van den graaf van Genlis hem ter hulp kwam. Wel gelukte het hem, zich met dezen te vereenigen, maar hij moest dit voordeel met een zwaar verlies bekoopen. Bij een onverhoedschen aanval, door Alba op zijne achterhoede ondernomen, sneuvelde de graaf van Hoogstraeten, zijn trouwe vriend.

Het meesterlijk door Alba uitgevoerde krijgsplan bracht den prins tot wanhoop; hij had gehoopt, dat het Nederlandsche volk hem met geestdrift als zijn bevrijder ontvangen zou, maar geene enkele stem verhief zich, om hem juichend te begroeten; overal vond hij de poorten gesloten, overal ontmoette hij afkeer en vrees.

Wel wist hij, dat deze stemming terstond zou veranderen bij de eerste zegepraal, die hij bevocht, doch zelfs met inspanning van alle krachten kon hij den hertog niet tot een gevecht noodzaken.

De muiterij in zijne legerplaats werd met elken dag gevaarlijker; spoedig moest hij begrijpen, dat het hem niet lang meer mogelijk zou zijn, zijne misnoegde soldaten in bedwang te houden.

De graaf van Genlis en de overige Fransche officieren zagen insgelijks zeer goed de onmogelijkheid in om iets met goed gevolg uit te richten. Zij rieden den prins, met hen de Nederlanden te verlaten en den Franschen Hugenooten ter hulp te snellen. Doch de Duitsche huurtroepen wilden hiervan niets weten; zij verklaarden, dat zij aangeworven waren om tegen den hertog van Alba in de Nederlanden, niet om tegen koning Karel IX in Frankrijk te strijden. Oranje zag zich onder zulke omstandigheden genoodzaakt om zijn bevrijdingsplan op te geven en naar Duitschland terug te keeren.

Den 17en November trok zijn leger de Nederlandsche grenzen weer over.

Met zijne op groote schaal aangelegde onderneming had hij niets gewonnen; hij moest zijne troepen ontslaan, nadat hij zich diep in schulden gestoken had, en zonder dat het hem mogelijk was geweest, hun zelfs de achterstallige soldij te betalen. Dewijl hij voorshands de hoop moest opgeven om zijn zwaard aan de zaak der Nederlanders te kunnen wijden, sloot hij zich met zijne beide broeders, Lodewijk en Hendrik (een achttienjarig jongeling), bij het leger der protestanten in Frankrijk aan.

De hertog van Alba keerde, nadat hij den prins van Oranje uit de Nederlanden verdreven had, in zegepraal naar Brussel terug. Hier dwong hij het volk om feest te vieren te zijner eere; de burgers der hoofdstad moesten bloemen op den weg strooien en lofzangen aanheffen, om den roem des overwinnaars te verheerlijken. Op het plein, dat de hoofden van Egmond en Hoorne had zien vallen, werd een prachtig steekspel gehouden.

Paus Pius V zond den hertog een gewijden degen en hoed, om hem als verdediger van de Roomsche kerk te eeren. Doch Alba droeg in zijne ijdele zelfverheffing zorg, dat hem nog eene grootere eere wedervoer: hij liet door Jacob Jongeling, een bekwaam kunstenaar, een reusachtig metalen standbeeld gieten, waartoe hij het bij Jemmingen veroverde geschut bezigde. Het standbeeld stelde den hertog voor, gelijk hij met den voet eene tweehoofdige, vierarmige gestalte vertreedt; zij droeg het pralend opschrift: „Voor Ferdinand Alvarez van Toledo, hertog van Alba, stadhouder der Nederlanden onder Philips II, den verdelger van het oproer, den tuchtiger der muiterij, den hersteller der godsdienst, den trouwsten dienaar zijns konings is dit gedenkteeken opgericht.”

Over de beteekenis van de tweehoofdige gedaante liepen de gevoelens der Nederlanders uiteen. Eenigen beweerden, dat Egmond en Hoorne, anderen, dat Willem en Lodewijk van Nassau, weder anderen dat adel en volk daardoor afgebeeld werden.

Het standbeeld werd in de door Alba gebouwde citadel van Antwerpen opgericht.

Niet alleen de Nederlanders gevoelden zich door Alba’s ijdele zelfverheffing gekrenkt, ook koning Philips II was het onaangenaam, dat zijn dienaar op deze wijze zichzelven verheerlijkte; zijn vorstentrots was beleedigd en des hertogs vijanden te Madrid droegen wel zorg, dit den koning altijd weer te herinneren, wanneer hij op het punt stond, om den wil van Alba’s goede diensten die daad van hoogmoed voorbij te zien.

Ook de klachten, door keizer Maximiliaan over Alba’s wreed bewind in de Nederlanden ingebracht, oefenden wel eenigen invloed op den koning uit. Al weigerde Philips beslist, de kettersche muiters zachter te behandelen, toch begon hij bij zijn achterdochtig karakter te vermoeden, dat Alba wel wat eigendunkelijk en trotsch in de Nederlanden te werk ging; zijne genegenheid voor den hertog verkoelde, zonder dat hij daarom jegens de Nederlanders zachter en vriendelijker gestemd werd.

Intusschen ging de hertog van Alba voort, de Nederlanders op zijne geliefkoosde wijze te regeeren. De eene terechtstelling volgde op de andere, de goederen der vermoorden kwamen aan de kroon.

Doch hoe ijverig de bloedraad Alba op zijne wenken ook diende, toch gelukte het hem niet, door die verbeurdverklaringen zulke aanzienlijke sommen te verkrijgen als de hertog eischte. Deze zon derhalve op middelen om den provinciën de gewenschte sommen af te persen. Hij besloot, nieuwe belastingen in te voeren, hoewel dit besluit in onverzoenlijken strijd was met de oude privilegiën der Nederlanders, welke Philips II bij zijne troonsbestijging zonder eenig voorbehoud bezworen had. Die privilegiën toch bepaalden duidelijk en nadrukkelijk, dat de vorst of zijn stadhouder, wanneer hij geld wilde hebben, in persoon voor de staten der provinciën verschijnen en voor hen zijne „bede” uitspreken moest. Den Staten kwam dan het recht toe om het verzoek te weigeren of in te willigen: zoo had men ten allen tijde gedaan.

Slechts zelden hadden de vorsten zich behoeven te beklagen, dat hun van de zijde der Staten de gelden, welke zij noodig hadden, geweigerd waren. Toch wilde Alba dien weg volstrekt niet inslaan. Hij achtte het eenen vorst onwaardig, zich met eene bede tot zijne onderdanen te wenden. Welk recht bezaten de Nederlanders, die allen door de heilige inquisitie des doods schuldig waren verklaard, om zelfstandig te beslissen of zij de door den vorst geëischte gelden betalen wilden of niet? Zulk een recht was in des hertogs oog eene ondragelijke aanmatiging; hij besloot het te verkrachten en op eigen gezag, zonder zelfs de toestemming van Philips II af te wachten, drie nieuwe belastingen in te voeren.

Hij deed dit den 20en Maart 1569 in eene vergadering, welke hij te Brussel uit de verschillende provinciën bijeengeroepen had.

De drie nieuwe belastingen van Alba waren: 1e eene belasting van 1% op alle roerende en onroerende goederen, voor ééns te betalen; 2e eene belasting van 5% van alle onroerende en 3e eene van 10% op alle roerende goederen, die telkens bij den verkoop dier goederen opgebracht moesten worden: eene belasting, die voor altijd den Nederlanders opgelegd werd. De beide laatste belastingen werden de 20e en de 10e penning genoemd.

De indruk, welke des hertogs eigendunkelijke handelwijze op de bevolking der Nederlanden maakte, is onmogelijk te beschrijven. Aan zijne maatregelen van geweld had men zich tot dusver lijdzaam onderworpen. Hoe talrijk het aantal doodvonnissen ook was geweest, toch waren daardoor slechts enkelen getroffen, maar de nieuwe belastingen drukten op allen zonder onderscheid, op de goede Katholieken zoowel als op de ketters, op de trouwe aanhangers des konings zoowel als op zijne tegenstanders. Zelfs zulke Nederlanders, die den hertog met onwankelbare trouw gediend hadden, waren verontwaardigd over dezen willekeurigen maatregel. De grijze Viglius smeekte den hertog met ernstige, dringende woorden, dat hij zulk een plan, hetwelk toch niet uitgevoerd kon worden, zou laten varen. Maar Alba bleef, gelijk altoos, onverzettelijk. Hij kon werkelijk niet begrijpen waarom zulk eene belasting niet geheven zou kunnen worden; eene dergelijke toch werd in Spanje door het geheele volk betaald en niet anders geschiedde het in zijn eigen hertogdom Alba, dat hem op die wijze jaarlijks 50.000 dukaten opbracht. Zijn gebrek aan kennis van het volksleven maakte hem blind voor het onderscheid tusschen eene groote handeldrijvende natie en de inwoners van een klein, afgelegen hertogdom zonder handel of nijverheid. Hij begreep niet, dat door eene dergelijke belasting de handel der Nederlanders geheel vernietigd zou worden.

Indien het tiende deel van de waarde eener koopwaar bij elken verkoop betaald moest worden, dan lag het voor de hand, dat wellicht reeds in weinige weken door herhaalde omzetting hare geheele waarde in den vorm van belasting betaald zou moeten worden. Zulk eene belasting kon een handeldrijvend volk niet betalen, zonder geheel te gronde te worden gericht. Dit zeide men dan ook onverholen in de talrijke petities, die van alle kanten bij de regeering werden ingediend.

De staten der verschillende provinciën protesteerden; ten einde den hertog niet al te zeer te verbitteren, willigden zij in, één percent van aller vermogen in eens te betalen, maar zij namen geen genoegen met den 20en en 10en penning.

Alba liet zich door dit protest niet van zijn stuk brengen; hij besloot zijn wil door te drijven, tegen den raad zijner trouwste aanhangers in; en zoo gevreesd had hij zich gemaakt, dat het hem gelukte de staten der provinciën allengs tot toegevendheid te bewegen. De eene provincie na de andere gaf gedwongen hare toestemming; doch alle knoopten daaraan de voorwaarde vast, dat de belasting dan alleen geheven mocht worden, wanneer geene enkele provincie hare goedkeuring daaraan onthield. Alleen de stad en de provincie Utrecht volhardden in haren tegenstand; tot straf hiervoor werden zij aan hoogverraad schuldig verklaard en van al hare rechten en vrijheden beroofd.

In het midden van het jaar 1569 kon Alba reeds aan Philips schrijven, dat thans eindelijk alle provinciën het hoofd in den schoot gelegd hadden: hij wenschte den koning geluk met de drie en een half millioen gulden, welke deze voortaan jaarlijks, nadat alle onkosten der regeering betaald waren, uit de Nederlanden trekken zou. Doch hij had te vroeg victorie gekraaid! Al de staten trokken weldra hunne afgedwongene toestemming weder in, dewijl, zoolang de provincie Utrecht niet vrijwillig de belasting goedkeurde, ook de andere daartoe niet gedwongen konden worden. Zij weigerden de heffing van den 20en en 10en penning op hun grondgebied.

Alba had dringend geld noodig. Om het te verkrijgen, gaf hij voor het oogenblik toe. Hij sloot met de staten eene overeenkomst, volgens welke de provinciën jaarlijks drie en een half millioen gulden zouden betalen tot Augustus 1571; eerst daarna zou de heffing van den 20en en 10en penning volgen.

Door dit verdrag werden de gemoederen weder een weinig bedaard.

De hertog zelf had er thans belang bij, de Nederlanders een weinig met zijne regeering te verzoenen; hij vernam uit Madrid, dat zijne vijanden ijverig tegen hem in de weer waren, dat zij elke klacht, die tegen hem bij den koning ingebracht werd, krachtig ondersteunden. Ja men fluisterde aan het Spaansche hof reeds, dat Philips van plan was den hertog uit de Nederlanden terug te roepen.

Alba begreep dus, dat hij wat zachter dan vroeger regeeren moest, en toen Viglius hem voorstelde, eene algemeene amnestie af te kondigen, verklaarde hij zich daartoe bereid, mits de grootste staatmisdadigers en ketters daarvan uitgesloten bleven.

Viglius ontwierp een aantal plannen, die den koning toegezonden werden; deze liet het aan den hertog over, het meest geschikte uit te kiezen.

Den 14en Juli 1570 werd te Antwerpen de lang verbeide Amnestie plechtig afgekondigd. Het volk had op dit „generaal pardon,” zooals het genoemd werd, groote verwachtingen gebouwd, doch het werd op de pijnlijkste wijze teleurgesteld, want in de oorkonde der amnestie werden zoovele uitzonderingen gemaakt, dat de uitzondering tot regel verheven werd en dat de bloedraad, evenals te voren, de macht bleef bezitten om elken Nederlander ter dood te brengen. Uitgesloten van de weldaad der amnestie waren alle kettersche predikers, allen, die dezen ooit bescherming hadden verleend, alle beelden- en kerkstormers, alle bekende ketters, alle onderteekenaars van het compromis, allen, die kettersche leerstellingen verbreid of hare verbreiding begunstigd hadden. Hun, die aan zulke misdaden schuldig stonden, werd het wel vergund, zich binnen zes maanden aan te melden, met de belofte van een zacht vonnis, doch het volk beschouwde die belofte slechts als een bedriegelijk lokaas, opdat een groot aantal schuldigen zich aanmelden en ter dood gebracht worden zou. Het generaal pardon verhoogde slechts de ontevredenheid van het ongelukkige volk, dat zich op nieuw met eene zoete hoop gevleid had en op nieuw teleurgesteld werd.

Bijna was het, alsof de Nederlanders in die dagen den lijdensbeker tot den bodem moesten ledigen, alsof de natuur zelve met Alba in bondgenootschap trad, om den ondergang des lands te voltooien.

Eene vreeselijke overstrooming richtte in het jaar 1570 aan alle Nederlandsche kusten onnoemlijke schade aan; men zegt, dat alleen in Friesland 20.000 menschen in de golven zijn omgekomen. De woeste baren droegen de schepen diep het land in, waar men ze, nadat het water gevallen was, op velden en weiden zag liggen. Geheele steden en dorpen werden verwoest, vele akkers verzandden, onnoemlijke schatten gingen verloren.

De nood was grenzenloos; men had geene schuiten genoeg om de menschen te redden, die op kerktorens, daken en hooge boomen gevlucht waren. Velen, die den dood in de golven ontsnapt waren, kwamen op hunne schuilplaats van honger en koude om.

In dien tijd van hooggeklommen ellende maakte een Spaansch stadhouder, Robles de Billy, zich zeer verdienstelijk jegens de aan zijne zorg toevertrouwde gewesten door zijne onvermoeide werkzaamheid.

In persoon voer hij van dorp tot dorp, om menschenlevens te redden, hij gebruikte de Spaansche troepen, om hem bij deze menschlievende pogingen bij te staan. Nadat de vloed geweken was, droeg hij zorg, dat in de geheele provincie Groningen sterke dijken gelegd werden; toen de adel weigerde tot dit werk bij te dragen, en zich op zijne privilegiën beriep, antwoordde hij met bitteren, maar welverdienden spot, dat de edelen hunne privilegiën en adelbrieven dan maar in de gaten der vernielde dijken moesten leggen, om de zee terug te houden. Robles, die vroeger om zijne gestrengheid bij de Friezen zeer gehaat was, verwierf zich door deze zijne werkzaamheid hunne liefde in zulk eene mate, dat zij voor hem een standbeeld oprichtten.

Was het geschil tusschen den hertog en de staten over den 20en en 10en penning door de tusschen hen geslotene overeenkomst eenigen tijd verdaagd, in het begin van het jaar 1571 kwam het op nieuw aan de orde, dewijl de hertog het noodig oordeelde, eenige voorbereidende maatregelen voor de heffing van die belastingen te nemen.

Op nieuw openbaarde zich in den staatsraad een krachtig verzet tegen Alba’s plannen; het stond te wachten, dat zij in den boezem van die vergadering andermaal verworpen zouden worden. Viglius, de oude raadsheer, was zoo lang des hertogs gehoorzame dienaar geweest als hij dezen alvermogend waande; doch thans had hij bepaalde berichten uit Spanje ontvangen, volgens welke Alba sterk in des konings gunst gedaald was, ja Philips II niet bijzonder veel belang stelde in de heffing van die belastingen. Onder deze omstandigheden meende Viglius zonder gevaar de rol van gehoorzaam dienaar met die van kampioen voor de rechten des volks te kunnen verwisselen; hij liet zich zóó krachtig in afkeurenden zin over de nieuwe belastingen uit, dat de woedende hertog hem met eene strenge straf bedreigde. Doch Viglius liet zich geen vrees aanjagen; daartoe gevoelde hij zich veel te sterk ten gevolge van de gunst, waarin hij zelf bij den koning stond. Ook bij de overige raadsleden vond hij steun: zelfs Barlaimont koos zijne zijde.

In weerwil van dezen tegenstand bleef Alba in zijn plan volharden. Den laatsten Juli vaardigde hij een edict uit, waarin de heffing van den 20en en 10en penning voor het vervolg verordend werd. Het gevolg hiervan was een algemeen oproer in het geheele land. De staten van elke provincie, de raadsleden van elke stad sloegen de handen ineen en dienden gezamenlijk protesten tegen het edict in. Het volk poogde daarbij zich zelf te redden. Alle bedrijven stonden eensklaps stil, alle kooplieden sloten hunne winkels; zij wilden liever niets verkoopen dan de belasting betalen.

De Spaansche spionnen, die in last hadden, overal rond te sluipen, om te hooren wat het volk zeide en dit den hertog over te brengen, wisten nauwelijks meer, wien zij moesten aanklagen, want er was geen Nederlander, die zich niet in zeer oneerbiedige bewoordingen over de dwingelandij van den landvoogd uitgelaten had. De vrees voor verlies van alle bezittingen was sterker dan de angst, dien Alba tot dusver ingeboezemd had.

Wanneer de hertog vroeger op straat verscheen, boog alles voor hem, nu groette men hem niet eens; tot dusver had eene zwijgende, lijdzame volksmassa elk zijner bevelen opgevolgd, doch thans openbaarde zich van week tot week, van maand tot maand een krachtiger tegenstand.

Zelfs in de hoofdstad Brussel kwam het volk openlijk tegen hem in verzet; de brouwers weigerden te brouwen, de biertappers bier te leveren, de bakkers te bakken, de slachters te slachten; de handwerkslieden sloten hunne werkplaatsen, in de straten slenterden de arbeiders werkeloos rond, zelfs de soldaten, die niet langer, gelijk vroeger, brood, vleesch of bier konden koopen, waren woedend over de belastingen.

Brussel vertoonde het beeld eener door de pest geteisterde stad; men ontmoette in de straten niets dan diep bezorgde aangezichten; alle openbaar leven was uitgestorven.

Alba was buiten zich zelven van woede, wijl het volk het waagde, hem in zijn aangezicht te wederstaan, door verdubbelde gestrengheid wilde hij het tot onderwerping brengen. Hij liet den beul roepen en gaf hem bevel, den volgenden dag achttien der grootste kooplieden, die hunne winkels gesloten hadden, aan de deuren hunner huizen op te hangen. Met het aanbreken van den dag moest het bevel uitgevoerd zijn, opdat de bevolking bij haar ontwaken door den aanblik dier lijken verschrikt en door de vrees tot gehoorzaamheid gedwongen zou worden.

Met ongeduld verbeidde de hertog het aanbreken van den dag, toen hij eensklaps een bericht ontving, dat hem noopte om het bloedbevel in te trekken. De stad Brielle was door de aanhangers van Willem van Oranje, de Watergeuzen, ingenomen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings