Note 1 — Achttiende Hoofdstuk.
Reading edition
Op het einde van het jaar 15821 zag de hertog zich in de vereenigde Nederlanden overal als heerscher erkend; doch deze erkenning was volstrekt niet voldoende om zijne grenzenlooze eerzucht te bevredigen. Naar luid van de door hem geslotene verdragen was zijne macht zoo beperkt, dat de geringste daad van willekeur hem onmogelijk gemaakt was. Buitendien zag hij naast zich den prins van Oranje, wien hij wel zijne geheele waardigheid dankte, doch op wiens machtigen invloed hij toch zeer naijverig was. Hij kon zich niet ontveinzen, dat hij, hoewel hij den trotschen titel hertog van Brabant, graaf van Vlaanderen en heer van Friesland voerde, toch eigenlijk slechts de tweede rol in het land speelde en dat de prins van Oranje de eigenlijke regent was.