ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
Louise Stuart translation
Cleopatra had een bezoek gebracht aan den grijzen Anubis, die nu in de hoofdstad als Alexanderpriester aan het hoofd stond van de geheele priesterheerschappij des lands. Het was den tachtigjarigen opperpriester moeilijk gevallen zijn leunstoel te verlaten, maar toch had hij zich naar de sterrenwacht laten dragen om den droevigen uitslag van het onderzoek dat de Koningin had ingesteld, zelf nog eens na te gaan. Doch de stand der sterren aan den hemel was al te ongunstig geweest, om nog vol te houden dat verder verwijderde planeten een verzachtenden invloed hadden, zooals hij in het begin had beweerd, te meer daar Cleopatra zelve zich ook in die studie had verdiept.
Toch had de opperpriester in zijn ontvangzaal verzekerd, dat de redding van hare eigen persoon en de onafhankelijkheid van Aegypte in hare macht stonden, doch de planeten wezen er op dat deze haar een vreeselijk offer kosten zou, waarvan zijne waardigheid, zijn tachtig jaren en zijne liefde tot haar hem intusschen verboden te spreken. Zij was er aan gewend dergelijke duistere gezegden uit zijn mond te vernemen, en had die altijd op hare wijze uitgelegd. Allerlei dingen hadden haar gedrongen nog op dit late uur den grijsaard te gaan bezoeken. In moeilijke omstandigheden had hij haar dikwijls met goeden raad ter zijde gestaan; doch ditmaal was het vooral de tooverbeker van Nektanebus die haar tot hem voerde, welken de pastophoren die hem hadden vergezeld, hem heden hadden teruggebracht; want sinds Actium was dit voorwerp een voortdurende bron van onrust voor haar geweest.
Thans richtte Cleopatra tot den leeraar harer kindsheid de rechtstreeksche vraag: of die bokaal, een schaal met spiegelgladden bodem, inderdaad Antonius er toe gebracht kon hebben den nog onbeslisten slag te verlaten en haar te volgen? Voordat de vloten op elkander stieten, had zij er zich nog van bediend, en deze omstandigheid gaf Anubis aanleiding hare vraag bevestigend te beantwoorden.
Lang geleden had men haar het wondervolle voorwerp in den tempelschat getoond, en haar medegedeeld dat het dengenen, dien het gelukte een ander tot op zijn blanken bodem te doen zien, gegeven was, dien te doen gehoorzamen aan zijn wil. Intusschen was toenmaals haar wensch om hem te bezitten onbevredigd gebleven, en zij had hem niet weder begeerd, eer het haar toescheen dat de onvoorwaardelijke overgave en vurige liefde van Antonius in den laatsten tijd begonnen te verkoelen.
Van dat oogenblik af was zij niet moede geworden haar grijzen vriend te overreden om den wonderbeker aan haar te geven.—In het begin had hij dit met groote beslistheid geweigerd en voorspeld, dat het gebruik van de magische bokaal op haar ongeluk uitloopen zou; doch toen haar wensch was gevolgd door een streng bevel, en de bokaal haar was toevertrouwd, had Anubis zelf geloofd, dat alleen dit ééne voorwerp de toovermacht bezat, die men daaraan toeschreef. Ook vond hij in den beker het zekerste bewijs voor de, het menschelijke vermogen ver te boven gaande magische kunsten der verheven godin, met wier bijstand Koning Nektanebus, die door de overlevering de vader van den Grooten Alexander werd genoemd, dit voorwerp op het Isiseiland Philae gesmeed zou hebben.
Anubis was van plan geweest Cleopatra te herinneren aan zijne weigering, en haar voor oogen te houden welk een groot gevaar er voor een sterveling in ligt, te gebieden over krachten, die buiten den kring van zijn macht liggen. Hij had plan gehad haar te wijzen op Phaëton, die op den wagen van zijn vader Phoebus Apollo een vreeselijken brand had gesticht, toen hij de zonnepaarden zelf had durven besturen; maar het kon daar niet toe komen, want nauwelijks had hij hare vraag bevestigend beantwoord, of zij beval met hartstochtelijke drift, dat men het onheilbrengende voorwerp voor hare oogen vernietigen zou.
De priester deed het nu voorkomen alsof dit verlangen beantwoordde aan een besluit, dat hij zelf ook reeds genomen had. Werkelijk had hij ook reeds, vóór zij zelve bij hem verschenen was, vrees gekoesterd dat de bokaal op gevaarlijke wijze zou misbruikt kunnen worden, wanneer Octavianus de stad en het land in bezit zou nemen en daarbij tegelijk dit wonderdoende voorwerp in zijne handen geraken kon. Nektanebus had den beker vervaardigd voor Aegyptenaars. Indien de priester hem den vreemden overheerscher onthield, zou hij zeker handelen in den geest van den laatsten koning, in wiens aderen het bloed der Pharao's had gevloeid, en die met geestdriftige zelfopoffering gestreden had voor zijn natie, haar vrijheid en zelfstandig bestaan. Toen de Koningin hem dus gelastte het wonderwerk van dezen man liever te vernietigen, dan het aan den Romeinschen veroveraar te laten, scheen dit den opperpriester een heilige plicht. Als zoodanig stelde hij het ook voor, toen hij het smeltvuur liet stoken, en den beker voor de oogen van Cleopatra in een vormlooze massa deed veranderen.
Terwijl het metaal smolt, toonde hij de Koningin in levendige bewoordingen aan, hoe gemakkelijk zij dezen beker, die zijn tooverkracht aan de groote Isis verschuldigd was, ontberen kon.
De betoovering die van een bevallige vrouw uitgaat, was immers evengoed een geschenk der godin. Die was genoeg om het hart van Antonius buigzaam en kneedbaar te maken, evenals het vuur dat het goud deed. Doch misschien had de imperator, tegelijk met de achting der Koningin, ook hare liefde, de kostbaarste aller bezittingen, verspeeld. Hij, Anubis, zou dit beschouwen als een groote gunst der godin; »want,” zoo besloot hij, »Marcus Antonius alleen, is de klip, waarop iedere poging schipbreuk lijden moet om voor mijne goddelijke gebiedster onverminderd te behouden wat haar en haar kinderen als erfdeel harer vaderen toekomt, en aan dit dierbaar land vrijheid en welvaart te verzekeren. Deze beker was een kostbare schat. De troon en het geluk van Aegypte zijn nog grootere offers waard. Doch voor de vrouw bestaat er geen grooter dan dat van haar liefde, dat weet ik.”
Wat de grijsaard bedoelde met deze toespelingen zou Cleopatra reeds den volgenden morgen vernemen, wanneer zij aan Timagenes, den afgezant van Octavianus, het eerste gehoor verleenen zou.
De scherpzinnige, levendige man, die een harer beste leermeesters was geweest, en met wien zij als zijn leerling menigen woordenstrijd uit verschil van gevoelen ontstaan, had gevoerd, was vriendelijk door haar ontvangen, en had zich van zijn opdracht met schitterenden uitslag gekweten. De Koningin had zijne uiteenzettingen met aandacht gevolgd, en had hem doen zien dat haar eigen geest nog niets van zijne buigzaamheid verloren, maar wel gewonnen had aan kracht. Toen zij hem eindelijk met geschenken en minzame woorden zijn afscheid gaf, wist zij dat het in haar eigen macht stond voor haar geliefd vaderland de onafhankelijkheid, en voor haar zelve en hare kinderen den troon te behouden, wanneer zij Antonius overgaf aan den overwinnaar, of hem, zij het dan ook »als handelend persoon,”—zooals Timagenes het had uitgedrukt—voor altijd verwijderde uit dit drama, dat zij voor zich zelve zoo glansrijk of noodlottig kon doen eindigen als zij wilde.
Zoodra zij weder alleen was, begon haar hart zoo hevig te kloppen, en er ontstond zulk een oproer in haar ziel, dat zij zich niet in staat gevoelde de bijeengeroepen vergadering van den Raad der Kroon bij te wonen. Zij stelde die daarom uit tot den volgenden dag, en besloot een tocht op de zee te gaan doen om tot haar zelve te kunnen inkeeren.
Antonius had geweigerd haar bezoek te ontvangen. Dat deed haar pijn. Met de vernieling van den beker, waartoe zij gedreven was door een van die aanvallen van drift, die zij in dezen ongelukstijd meer had dan vroeger, was de gedachte aan de bokaal en haar machtige uitwerking toch geenszins voor goed verdwenen. Integendeel!—Zij moest nu alleen zijn, tot zichzelve komen en beproeven licht te krijgen in hare benevelde ziel.
De beker had deel uitgemaakt van den schat van Isis, en bij de herinnering daaraan kwamen haar de uren voor den geest, waarin zij vroeger zoo vaak in de stilte van den tempel der godin rust en vrede had gevonden. Zij wilde ook nu weder een bezoek brengen aan dat heiligdom, en om het onbekend te doen, wierp zij een dichten sluier over haar hoofd, en begaf zich, alleen vergezeld door Iras en den eersten der hofmaarschalken, naar den naburigen tempel in den Muzenhoek.
Doch zij vond daar niet wat zij zocht. De menigte die daar gekomen was om te bidden en te offeren, en daarbij de vrees herkend te zullen worden, stoorden haar in hare godsdienstige overpeinzingen.
Op het punt van weder heen te gaan, ontmoette zij den bouwmeester Gorgias, gevolgd door een dienaar, met gereedschappen voor de opmeting. Zij riep hem onmiddellijk tot zich, en hij verhaalde haar op welk een wonderbare wijze het noodlot zelf haar bouwplannen scheen te begunstigen. Zij wist hoe het volk het huis van den ouden Didymus had omvergehaald, en nu was de grijsaard, dien hij in zijn eigen woning huisvesting had verleend, bereid om haar het erfgoed zijner vaderen af te staan, indien de Vorstin daarvoor aan hem en de zijnen hare bescherming wilde beloven.
Uit hare vraag: wat het hoog geachte lid van het Museum van haar, die een vriendin was van geleerdheid en onderzoek, te vreezen kon hebben, bemerkte hij dat zij nog niets had gehoord van de vlucht van Barine, en daarom doelde hij alleen op de ongenade der hoogste Majesteit, die de kleindochter van den philosoof zich op den hals had gehaald. Doch zij verzekerde dat, wat de zangeres ook misdaan mocht hebben, het niet aan hare familie zou toegerekend worden.
Daarop liet zij zich toonen hoe de bouwmeester zich de aansluiting van het mausoleum aan het heiligdom voorstelde, en verdiepte zich in het eerste ontwerp, waaraan Gorgias een deel van den nacht en den morgen had gewijd. Het beviel haar goed, en met levendigen aandrang beval zij zoo spoedig mogelijk met bouwen te beginnen en dat ook in den nacht voort te zetten. Wat anders in maanden zou worden verricht, moest nu in weken gereed komen.
Iras en de hofmaarschalk wachtten haar in gewone burgerkleeding in den voorhof op. Nu vergezelden zij haar met den bouwmeester naar den eenvoudigen draagstoel, die bij een der zijpoorten stond; zij ging daar echter nog niet in, maar gelastte Gorgias haar eerst naar den tuin te geleiden.
Toen zij dien in oogenschouw nam, bleek het dat de bouwmeester goed gezien had, en hij dubbel zoo groot zou blijven als die bij het paleis van de Lochias, ook al nam het mausoleum een deel daarvan in, en werd de weg, die hem van den Isistempel scheidde, naar de zee verlegd. Uit het nauwkeurig onderzoek dat Cleopatra deed, maakte Gorgias op, dat zij met dien tuin nog een bepaald plan had. Uit haar vraag, of hij met de Lochias verbonden kon worden, bleek duidelijk waaraan zij dacht, en de architect gaf een bevestigend antwoord. Alleen zou men eenige gebouwen die koninklijk eigendom waren, en een klein heiligdom van Berenice, ten zuiden van de Koningshaven, moeten sloopen. De arm van het Agathodemonkanaal die hier uitliep, was sinds lang van een brug voorzien.
Met wonderlijke vlugheid had de Koningin zich het geheel nieuwe beeld dat uit deze verandering ontstond, voor den geest gesteld, en zij beschreef het nu den bouwmeester kort en aanschouwelijk. De tuin zou blijven bestaan, doch naar de zijde van de Lochias, tot aan de brug toe vergroot worden. Van daaruit moest een overdekte zuilengang naar het paleis voeren. Op de verzekering van Gorgias dat alles zich zeer wel zoo liet inrichten, zag zij een tijdlang nadenkend naar den grond. Daarop beval zij dat men oogenblikkelijk een aanvang zou maken met dit werk, en verzocht den bouwmeester middelen noch arbeiders daarvoor te ontzien.
Gorgias zag een tijd van koortsachtig haastigen arbeid vóór zich, doch dat schrikte hem niet af. Met zulke bouwheeren zou hij het aandurven de geheele stad te overdekken. En deze opdracht verblijdde hem nog te meer, omdat zij bewees dat de vrouw, wier grafmonument zoo snel uit den grond verrijzen moest, er toch ook nog aan dacht zich het leven te veraangenamen; want zij wenschte wel is waar dat de tuin zou blijven zooals hij was, doch de zuilengangen en al het overige wilde zij samengesteld zien uit edele grondstoffen en in schoonen vorm. Bij het afscheid drukte Gorgias met vurige bewondering een kus op haar kleed.
Welk een vrouw! Wel had zij den sluier niet opgelicht, en droeg zij slechts eenvoudige, donkere kleederen, doch al hare bewegingen waren edel en schoon. Haar arm, en de hand waarmede zij nu hier- dan daarheen wees, schenen hem bezield te zijn, en den man, die zooveel waarde hechtte aan het volmaakt schoone, viel het moeilijk zijn blik los te maken van dien wondervollen vorm. En dan haar geheele persoon! Dat waren eerst lijnen, dat was echte voornaamheid, en warm bewegelijk leven! Dien morgen toen Helena, die nu zijn huisgenoot was, hem den ochtendgroet had gebracht, had hij getracht haar te vergelijken met Cleopatra, maar hij had dat spoedig opgegeven. Hij, wien Hebe zelve nektar schenkt, vraagt niet naar den edelsten Bybluswijn. Het bezorgde hem nog altijd een moeilijk te beschrijven, dankbaar en opgewekt gevoel van welbehagen, wanneer de ingetogen, bedaarde Helena hem zoo hartelijk en vertrouwelijk begroette, maar Cleopatra's beeld plaatste zich gedurig tusschen hem en haar, en het kostte hem moeite zichzelven te begrijpen. Hij had al vele vrouwen, de een na de ander bemind, en nu klopte zijn hart zelfs voor twee tegelijk, maar de Koningin was van die beide sterren, wier licht hem verrukte, toch de helderste. Daarom zou hij het in zijn rechtschapen ziel als verraad hebben beschouwd, indien hij nu naar de hand van Helena gedongen had.
Cleopatra voelde welk een vurig bewonderaar zij in den degelijken kunstenaar gevonden had, en dat verheugde haar. Bij hem had zij zich van geen beker bediend! Reeds den volgenden dag zou hij met de oprichting van haar grafmonument beginnen. In de groeve moest ruimte zijn voor verscheidene lijkkisten. Antonius had meer dan eens den wensch geuit om, waar hij ook mocht sterven, naast haar begraven te worden, en dat had hij reeds gezegd, eer zij den beker in haar bezit had. Zij moest hem in ieder geval die gunst bewijzen, waar en door wien hij ook den dood zou vinden, en het reeds verduisterend licht van zijn bestaan zou zeker maar al te spoedig geheel worden uitgebluscht. Als zij hem spaarde, zou Octavianus hem toch uit de rijen der levenden schrappen, en zij.... Weder maakte die vreeselijke, koortsachtige onrust zich van haar meester, die de aanleiding was geweest tot het bevel om den beker te vernielen, en die haar zelve naar den tempel had doen gaan. In dien toestand kon zij niet in haar paleis terugkeeren, de Raadszitting bijwonen, bezoeken ontvangen en de kinderen gaan zien. Het was de verjaardag der tweelingen, Charmion had haar daaraan herinnerd en op zich genomen voor geschenken te zorgen. Hoe zou zij zelve tijd en opgewektheid voor zoo iets gevonden hebben?
Laat in den nacht was zij van den opperpriester teruggekomen, maar had zich nauwkeurig laten vertellen hoe men Marcus Antonius gevonden had. De beschrijving van Iras kwam overeen met den toestand waarin zij hem gedurende den slag en daarna had gezien. Ja, sedert dien tijd scheen zijn somber gepeins nog erger geworden te zijn. Dien morgen had Charmion haar bij het aankleeden geholpen. Zij was toen op het punt geweest om de moeilijke bekentenis te doen, dat zij Barine had bijgestaan om te ontkomen aan de straffende hand der Koningin; doch vóór dat zij daaraan begonnen was, werd Timagenes aangediend, want Cleopatra was eerst laat opgestaan.
Wat de Koningin van haar tocht naar den tempel had verwacht, was niet in vervulling gekomen, maar het onderhoud met Gorgias had haar op iets nieuws gebracht. Doch de klanken in haar gemoed, die door de plannen van haar laatste rustplaats waren wakker gemaakt, overstemden nu al het andere, evenals het bruischen van de branding het gekweel der zwaluwen aan de rotsachtige kust.
Ja, zij had behoefte in te keeren tot zich zelve. In alle stilte moest zij velen dingen overwegen en bepeinzen. Op de Lochias kon zij daar niet toe komen. Daar viel haar eensklaps het kleine heiligdom van Berenice in het oog, dat zij bevolen had te slechten, om aan de kinderen in hare nabijheid een tuin te bezorgen, die geschikt zou zijn voor hun lust tot werken. Het was ledig. Daar behoefde zij niet te vreezen gestoord te zullen worden. Het inwendige bevatte een enkele, stille, afgesloten ruimte met het beeld van Berenice. De hofmaarschalk beval den wachter om iederen anderen bezoeker af te wijzen, en weldra bevond de Koningin zich alleen in de kleine overwelfde koepel van wit marmer. Zij zette zich neder op eene der bronzen banken tegenover het standbeeld. Hier was het stil; in deze koele, rustige omgeving zou het haar geest die aan ernstig denken gewoon was, misschien gelukken datgene te vinden, waarnaar zij smachtte: klaarheid, klaarheid omtrent zich zelve en haar toestand, tegenover de beslissing waarvoor zij stond.
In het begin dwaalde hij heen en weder als een duif, eer zij de richting van haar vlucht gekozen heeft, maar de vraag, waarom zij met zulk een haast een grafteeken voor zich liet oprichten wanneer het haar nog vergund mocht worden te blijven leven, bracht hare gedachte op de rechte baan.—Onder de Scythen van de wacht, de Mauretaniërs en Blemmyers in het leger, waren genoeg woeste knapen te vinden, die zich door een woord uit haar mond en een handvol goud op den verslagen Antonius zouden laten aanhitsen, als de hond van een jager door zijn: »pak aan!” Eén wenk, en twintig der armzalige toovenaars en magiërs in de Rhakotis, de Aegyptische wijk der stad, zouden zich laten aanwerven om hem door vergif of listige kunstgrepen verradelijk te vermoorden; één bevel aan de Macedoniërs in de lijfwacht der »mellakes” of jongelingen, en hij werd nog dezen dag gevangen genomen, en was als zij dat wenschte, reeds morgen op weg naar Azië, waarheen Octavianus zich, volgens Timagenes, weder begeven had.
En wat verhinderde haar naar het goud te grijpen, dien wenk te geven, dat bevel uit te vaardigen?
Wel dacht zij nog aan den nu gesmolten tooverbeker, die hem gedwongen had roem, eer en macht als ijdele beuzelingen weg te werpen, en haar gebod om niet van haar weg te gaan, gehoorzaam te zijn; doch ofschoon deze herinnering haar drukte, toch kon zij daardoor nog niet tot een eindbesluit komen. Het was dan ook eigenlijk niet één enkele reden die haar hand en mond gesloten hield, het was iedere zenuw van haar wezen, iedere polsslag van haar bloed, iedere blik van haar geest in het verleden, tot aan de grens van haar kindsheid toe, die het haar verbood.
En zij gaf ook nog aan andere overwegingen gehoor. Zij spraken haar van hare kinderen, het trotsche gevoel van haar macht, de liefde voor het land harer vaderen, en hoe dat bedreigd werd zonder haar, van het genot het licht te zien, en van de donkerheid, het stilzwijgen, de strakheid van den dood; van de vernietiging van lichaam en geest, beide zoo trouw gekweekt en met zoo veel moeite ontwikkeld, en van het vreeselijk lijden, dat misschien met een overgang uit het leven in den dood zou samengaan. Daarbij—wat stond haar te wachten in dat leven, dat den duur der eeuwigheid had? Eenmaal zou het toch gedaan zijn met het leven hier op aarde; als zij den vastgestelden tijd willekeurig veranderde, en indien niet Epicurus, die met den dood alles deed ophouden, maar de oude leerstellingen der Aegyptenaars de waarheid gesproken hadden, wat zou haar dan wachten aan gene zijde van het graf, wanneer zij enkele nieuwe levensjaren gekocht had met den moord of het verraad van haar geliefde, haar gade?
Doch misschien waren de straffen der verdoemden slechts middelen ter verschrikking, uitgedacht door de priesters, die voor de orde in den staat moesten waken, om de wilde driften der menigte in toom te houden, en de teugellooze overtreders der wet bevreesd te maken. En, fluisterde de vermetele Grieken-geest haar in, zij zou in het oord der verdoemenis, niet in den Aalu-tuin, de Eliseesche velden der Aegyptenaars, haar vader en moeder en al haar misdadige voorvaders terug vinden, tot aan den eersten Euergetes toe, die den slechten Philopator opgevolgd was.
De gedachte aan het hiernamaals mocht dus, als iets hoogst twijfelachtigs, waarvan niets met zekerheid te zeggen viel, buiten spel blijven. De vraag moest zóó worden gesteld: hoe zouden de levensjaren, die zij zich gekocht had door den moord of het verraad van een mensch dien zij liefhad, voor haar zijn?
In den nacht zou het beeld van den vermoorde zeker den slaap van hare legerstede verdrijven. De Erinnyen, de Dirae, zooals de Romein Antonius hen noemde, die den moordenaar vervolgden met een geesel van slangen, waren geen gewrocht der dichterlijke phantasie, maar een treffend zinnebeeld der onrust van den door gewetenswroegingen gefolterden misdadiger. Het hoogste goed, de zaligheid zonder smart der Epicuristen, was door hen, op wie zulk eene schuld drukte, voor eeuwig verbeurd.
En overdag en bij avond? Ja, dan zou het haar vrij staan genot op genot te stapelen, maar voor wien zou er feest worden gevierd? Met wien kon zij de vreugde deelen? Zonder Marcus Antonius was er sinds lang geen gastmaal of tooneelvoorstelling meer, die haar genoegen gaf. Voor wien tooide zij zich of maakte het verdwijnen der bevallige betoovering door hulpmiddelen weder goed, zoo niet voor hem?—En hoe spoedig zou die betoovering, die haar zoo langzaam maar zeker verliet, door knagenden zielsangst geheel en al vernietigd worden? Als de spiegel haar rimpels vertoonde, die zelfs de kunst van Olympus niet uitwisschen kon, als.... Neen, zij was niet geschapen om oud te worden! Zouden de enkele, gekochte levensjaren, waarin zich zulk een groote ellende mengen zoude, werkelijk waarde genoeg bezitten om daarvoor het recht te verliezen, bij tijdgenooten en volgende geslachten de betooverende Cleopatra, de onweerstaanbaarste van alle vrouwen te heeten?
En de kinderen? O ja, het zou heerlijk geweest zijn hen te zien opgroeien en zich tot den troon verheffen, maar ook bij deze voorstelling, hoe rijk aan verkwikkelijke bijzonderheden, voegden zich weldra groote, afdoende bezwaren.
Hoe verrukkelijk zou het zijn Cæsarion, in de plaats van Octavianus, als beheerscher der wereld te begroeten! Maar hoe zou die droomer daartoe geraken, hij, dien de eerste neigingen van het hart reeds verleid hadden tot het onzinnigste prijsgeven van zijn waardigheid en inbreuk maken op de wetten, en die nu in den ouden, half slapenden toestand teruggezonken scheen te zijn?
De overige kinderen wekten echter liefelijke, hoopvolle gedachten op, en hoe verlustigde zich haar moederhart in het gezicht van Antonius Helios, als Koning van Aegypte, Cleopatra Selene met haar eerste kind aan hare borst, den kleinen Alexander als een groot en begaafd, aan deugden rijk staatsman en held.—Doch wat moesten juist zij, Antonius' kinderen, die zij hoopte dat door Archibius zouden worden opgevoed, gevoelen voor de moeder, die hun vader had vermoord?
Zij huiverde, en dacht terug aan de uren, toen haar kinderlijk hart bloedige tranen had geweend, zoo dikwijls zij gedacht had aan haar eigen booze moeder, die door haar vader was vervloekt. En toch had Koningin Tryhæna, die door de geschiedenis een monster wordt genoemd, haar gemaal niet vermoord, maar enkel van den troon gestooten.
Ook kwamen haar weder Arsinoë's verwenschingen voor den geest tegen hare moeder en zuster, en dan te denken dat de roode lippen van de tweelingen en van haar oogappel Alexander zich ook eens konden openen om haar te vloeken—zich voor te stellen, dat de lieve handen der kinderen zich zouden opheffen om met verontwaardiging en minachting te wijzen op haar, de wreede moordenares van hun vader.... Neen, neen, en nogmaals neen!.... Tot den prijs van deze pijniging, deze vernedering en schande wilde zij niet luttele jaren van een toch al waardeloos geworden leven koopen. Koopen, van wien?
Van dienzelfden Octavianus, die haar zoon het erfdeel van zijn vader Cæsar had ontnomen, wiens plaatsing in het testament een teeken was van twijfel aan hare trouw. Van dien kouden, koel berekenenden geluksvogel, wiens geheele persoon haar, sinds zij hem de eerste maal te Rome ontmoette, had tegengestaan, afgestooten, en doen huiveren. Van hem, door wiens overredingskracht en dwingelandij haar gemaal—want dat was Antonius in hare eigen oogen en in die van alle Aegyptenaren—er toe gebracht was, om zijn zuster Octavia te huwen en haar, Cleopatra, daardoor enkel tot zijn geliefde te stempelen, en de wettige geboorte hunner kinderen twijfelachtig te maken; den valschen vriend van den goed vertrouwenden Antonius, die bij Actium hem en haar op het diepst had vernederd en gesmaad.
Te gehoorzamen aan het verlangen van zulk een man, die haar de snoodste van alle daden wilde doen begaan, daartegen verzette zich met kracht haar koninklijke trots, en deze trots had haar van kind af het hoofd hoog doen houden, en behoorde bij hare natuur, zoo goed als het ademhalen en het kloppen van haar hart. En toch! Ter wille van de kinderen zou zij misschien ook deze schande op zich hebben geladen, indien die niet tegelijk het graf zou geweest zijn van het beste en schoonste, dat zij van de jonge ziel der tweelingen en van Alexander wenschte.
Reeds toen zij zich den vloek harer kinderen had ingedacht, was zij van hare plaats opgestaan. Waartoe zou zij nog langer nadenken en overwegen? De helderheid, waarnaar zij had gezocht, was reeds gevonden. Gorgias moest zich met de graftombe haasten! Wanneer het noodlot haar leven eischte, dan zou zij zich niet daartegen verzetten, mits het niet van haar vroeg, dat te bewaren tot den prijs van moord of snood verraad. Het leven van haar geliefde was reeds verloren gegaan. Aan zijne zijde had zij genoten van een heerlijk, bedwelmend, verblindend geluk zonder wederga, waarvan de wereld nog altijd met benijdende verbazing gewaagde. Aan zijne zijde wenschte zij, als alles voorbij zou zijn, in het graf te rusten, en de wereld te dwingen het minnend paar, Antonius en Cleopatra, met eerbiedig medelijden te herdenken. De kinderen moesten bij de herinnering aan haar, het hart kunnen verheffen en geen schaduw van een bitter gevoel of van een waarschuwing mocht hen verhinderen den grafsteen hunner ouders met bloemen te versieren, daarbij te weenen, en aan hun genius een plengoffer te wijden.
Vervolgens wierp zij een blik op het beeld van Berenice, die eenmaal, evenals zij, de dubbele kroon van Aegypte op haar hoofd gedragen had. Zij ook was te vroeg een gewelddadigen dood gestorven, zij ook had geweten wat liefhebben is. De gelofte om haar fraai haar aan Aphrodite te offeren, wanneer haar gade ongedeerd zou terugkeeren uit den oorlog tegen Syrië, had den roem van haren naam verhoogd. »Het haar van Berenice” was nog altijd als een sterrenbeeld aan den nachtelijken hemel te zien.
Ofschoon deze vrouw veel en zwaar had misdaan, ééne daad van trouwe liefde had haar tot een gevierde, aangebeden vorstin gemaakt. Zij, Cleopatra, wilde een nog grootere daad volbrengen. Het offer, dat zij zich zelve wilde opleggen, zou nog zwaarder wegen dan een handvol fraaie haren, want het betrof de heerschappij en haar leven.
Met opgeheven hoofd en een trotsch gevoel van eigenwaarde zag zij naar het edele marmeren gelaat der Kyrenaeische op.
Vóórdat zij het heiligdom was binnengegaan, had zij een gevoel gehad, alsof zij wist hoe het den misdadigers, die ter dood veroordeeld waren, te moede was. Nu zij zelve vrijwillig van het leven afstand ging doen, voelde zij zich als het ware van een drukkenden last bevrijd, en toch deed het hart haar pijn; vooral als zij aan de kinderen dacht, werd zij overweldigd door het smartelijkste van alle soorten van medelijden: het medelijden met zichzelve.