← Table of contents
Cleopatra

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Louise Stuart translation

De Epicurus lag voor den Poseidontempel voor anker. Aan de bemanning was het stilzwijgen opgelegd. Zij hadden ook niets anders vernomen dan dat aan boord van het zeerooversschip een brief was gevonden, waarin Antonius beval een muur op te richten. Dat kon een gunstig teeken zijn, want aan bouwen denkt men alleen in vredestijd.

De regen had opgehouden, maar de wind blies heviger uit het Noorden en de lucht was koel geworden. Toch was er een golvende menigte op de kade van de zuidzijde van het Heptastadium tot aan de Lochias. Tusschen de spits van den Choma en het Sebasteum was het gedrang het grootst, want van hier uit zag men de zee, en in de hier gelegen woning van den Regent moesten de eerste tijdingen aankomen. Dien morgen hadden reeds honderd tegenstrijdige berichten de ronde gedaan, en zoodra de Epicurus in het derde uur van den middag aangekomen was, had men het schip omringd, om te hooren wat men daar ginds in zee had ontdekt. Met andere schepen ging het evenzoo, maar geen daarvan bracht vertrouwbare berichten mede.

Men zeide dat twee snelzeilers van de oorlogsvloot een triere12) uit Samos hadden ontmoet, die van een groote overwinning van Antonius te land, en van Cleopatra ter zee wist te verhalen, en daar de mensch gaarne gelooft wat hij hoopt, trokken gansche scharen al jubelend langs den oever. Bij velen, die eerst bezwaard waren geweest, versterkte dit de hoop. Anderen daarentegen, die zich terecht verontrust hadden over het lang uitblijven van het eerste schip der vloot, hadden nu alleen oor voor de slechte berichten, en zagen de toekomst donker in. Doch zij durfden dit niet uitspreken, want een voornaam goudborduurder, die het volk gewaarschuwd had voor al te voorbarige vreugd, was deerlijk toegetakeld naar huis gehinkt, terwijl men twee andere ongeluksprofeten in de zee geworpen had, en hen juist op dat oogenblik weder druipnat ophaalde.

Men kon het volk zijn goed vertrouwen ook niet kwalijk nemen, want er werden immers reeds overal eerepoorten opgericht, bij het Serapeum, het Dionysos-theater, de hooge pylonen van het Sebasteum, de hoofdpoort van het Museum, voor den ingang van het paleis, in het Bruchium en voor de brug op de Lochias. En die allen werden versierd met goden der overwinning, tropeeën van gips of met gips bestreken doek, opschriften die een gelukwensch of dank aan de goden behelsden, lofwerk en bloemfestoenen. Het omkransen van de Aegyptische pylonen en obelisken, de voornaamste tempels en standbeelden in de stad, was reeds in den nacht begonnen, en nu legde men de laatste hand aan dit werk. Evenals zijn vriend Dion, had ook Gorgias sedert den vorigen avond geen oog toegedaan, want hij moest zorgen voor de versiering van het Bruchium, waar het eene prachtige gebouw naast het andere stond. En ook in het Sebasteum, het koninklijk paleis waar Iras verblijf hield, zoolang de koningin afwezig was, en het tegenoverliggende Prætorium, de woning van den Regent, was de slaap der bewoners ontvlucht.

Toen Archibius bij de kamervrouw der Koningin werd binnengeleid, schrikte hij zooals zij er uitzag. Pas twee dagen geleden was zij bij hem te Kanopus geweest, maar wat was zij in dien tijd veranderd! Het was of haar lang en smal gelaat nog uitgerekt was, hare trekken geleken nog scherper, en de zevenentwintigjarige, die tot nu toe in den vollen bloei der jeugd had geprijkt, scheen eensklaps tien jaren ouder geworden. Zij had iets koortsachtigs over zich, toen zij haar oom de hand reikte en hem angstig toeriep: »Gij brengt zeker ook niets goeds?”

»Evenmin iets kwaad,” antwoordde hij kalm. »Maar uw uiterlijk, mijn kind, met die donkere kringen onder uw oogen, bevalt mij niet. Hebt gij verontrustende tijding gekregen?”

»Meer dan dat,” gaf zij met zachte stem ten antwoord.

»Wat dan?”

»Lees!” zeide zij, en met een zenuwachtigen trek om mond en neus gaf zij Archibius een waschtafeltje aan. Met een haast die hem anders vreemd was, nam hij het haar uit de hand en onder het lezen werd hij doodsbleek. Het was Cleopatra's schrift en bevatte het volgende:

»De zeeslag is verloren, en dat door mijne schuld. Het leger te land zou ons nog kunnen redden, maar niet zoolang het onder zijn bevel staat. Hij is bij mij, niet gewond maar als het ware doodgebloed, geheel anders dan vroeger, zonder moed, zonder kracht tot handelen, als een gebroken man. Ik zie nu het begin van het eind. Zoodra deze u bereikt, zorg dan dat dadelijk na zonsondergang, iederen avond eenige eenvoudige draagstoelen voor ons gereed staan. Het volk moet blijven gelooven dat wij hebben overwonnen, totdat het uitgemaakt is hoe Canidius en de troepen ter land zich gedragen hebben. Als gij de kinderen voor mij kust, doe dat dan met teederheid. Wie weet hoe spoedig zij weezen zullen zijn. Nu reeds hebben zij een ongelukkige moeder; zij blijven er voor gespaard aan een moedelooze te moeten denken. Neem, behalve degenen aan wie ik volmacht gaf, en Archibius, niemand in uw vertrouwen, ook niet Cæsarion en Antyllus. Zorg dat allen, wier bijstand mij van dienst kan zijn, gemakkelijk te bereiken zijn, als ik terug kom. Ik kan ditmaal niet besluiten met het gewone: verblijd u! Het »houd moed”13) dat men immers ook op grafsteenen zet, schijnt mij gepaster. Gij, die mij niet benijd hebt in mijn geluk, zult mij nu wel willen helpen mijn ongeluk te dragen. Epicurus had gelijk, toen hij de goden uit hun zalige woonplaats werkeloos op het lot der menschen liet neerzien. Zoo het anders ware, hoe konden dan de liefde en trouw, die nog gehecht blijven aan hen die in het ongeluk zijn, met harteleed en tranen vergolden worden? Hoe het zij, houd niet op hen lief te hebben.”

Bleek en sprakeloos liet Archibius het tafeltje vallen. Het duurde lang eer hij met heesche stem uitstootte:

»Ik heb het alles wel vooruit gezien, maar nu het gekomen is....” Hier begaf hem zijn stem, en zijne geheele lichaam beefde van een hevig snikken zonder tranen, hij viel op een rustbank neder en verborg zijn gelaat in de kussens. Iras zag hem aan en schudde zachtjes het hoofd.

Ook zij had de Koningin lief, ook hare oogen waren bij het lezen van deze tijding met tranen gevuld geweest, maar reeds terwijl zij las, waren allerlei plannen om dit onheil te herstellen in haar rusteloos brein opgekomen. Enkele minuten na het ontvangen der ongelukstijding was zij reeds in overleg getreden met den plaatsvervanger der Koningin, en had maatregelen genomen om bij het volk het geloof aan de zegepraal der vloot te bestendigen.

Wat was zij, het fijne, zelfs niet moedige meisje, vergeleken met dezen ijzersterken man, die, zooals zij wist, in den dienst der Koningin de grootste gevaren had getrotseerd. En daar lag hij nu, geheel gebroken, met het aangezicht in de kussens. Zou een vrouwenziel hare veerkracht spoediger herkrijgen onder den druk van het lijden, of was de hare buitengewoon sterk en verborg haar zwak lichaam het hart van een held?

Zij had reden om dit laatste te gelooven, toen zij bedacht hoe ook de Regent en de zegelbewaarder de treurige tijding hadden ontvangen. Zij hadden als wanhopigen de groote zaal waar de zitting gehouden werd, op en neder geloopen. Maar Mardion telde eigenlijk niet mede, en Zeno was een karakterlooze oude dichter, die daarom alleen bij de Koningin goed aangeschreven stond en zulk een hoogen post had gekregen doordien zijn levendige phantasie telkens weer nieuwe tooneelvoorstellingen, vermaken en spelen wist te verzinnen en met tooverachtigen praal te doen opvoeren.

Maar Archibius dan, de moedige bedachtzame raadsman en helper!

Daar zag zij weder hoe zijn schouders zich optrokken alsof hij een slag had gekregen, en plotseling schoot haar door het hoofd wat zij wel al lang wist, maar nog nooit zoo duidelijk had begrepen: die vergrijsde man beminde Cleopatra, beminde haar zooals zij Dion deed; en zij vroeg zich af of zij sterk genoeg geweest zou zijn kalm te blijven wanneer zij had gehoord dat dezen door een wreed lot leven, eer of vrijheid was ontroofd.

Zij had Dion reeds van uur tot uur vergeefs verwacht, en toch had hij gisteren gezien hoe ongerust zij zich maakte. Had zij hem misschien beleedigd, of werd hij vastgehouden door de schoone kleindochter van Didymus? Wel verweet zij zichzelve, dat zij bij het onbeschrijfelijk treurig lot van haar gebiedster nog altijd dacht aan haar vriend; doch evenals zijn beeld in haar eigen hart, zoo leefde dat van Cleopatra in de ziel van haar oom, en zij besefte, dat de liefde niet bij vrouwen alleen, zich noch aan leeftijd, noch aan grijze haren stoort.

Op dit oogenblik richtte Archibius zich weder op, streek met zijn hand over het voorhoofd, en zijn stem had weer den gewonen diepen rustigen klank toen hij zeide: »Wie door een pijl getroffen is, verlaat het slagveld om verbonden te worden.

Met mij heeft de wondarts nu afgedaan. Ik had u dit jammerlijke schouwspel moeten besparen, mijn kind. Maar nu ben ik ook weder gereed om den strijd voort te zetten. En wat dien brief van Cleopatra betreft, ik begrijp nu beter de tijding, die wij vroeger ontvangen hebben.”

»Wij?” vroeg Iras, »Wie was er dan bij u?”

»Dion,” was het antwoord, doch toen hij haar verhalen wilde, wat hij in den laatsten nacht had doorleefd, viel zij hem in de rede met de vraag, of Barine er in toegestemd had de stad te verlaten.

Hij antwoordde kortaf: »ja!” Zij deed alsof zij niet anders had verwacht, en verzocht hem verder te vertellen. Hij deed dit dan ook, en zoo wist zij spoedig alles wat er op het zeerooversschip was gebeurd. »Dion” zoo eindigde hij, »is nu op weg om de boodschap van Antonius aan zijn vriend Gorgias over te brengen.”

»Dat had iedere slaaf anders evengoed kunnen doen,” merkte zij schamper op. »Ik zou denken, dat hij meer reden had om hier te blijven en nieuwe berichten af te wachten. Maar zoo zijn de mannen!”

Zij hield op maar daar haar oom haar vragend aanzag, ging zij voort: »Ik geloof dat niets hen vaster verbindt, dan een gezamenlijk vermaak. Doch nu moet het daarmee uit zijn. Zij zullen nu andere verstrooiingen moeten zoeken, hetzij bij Heliodora of bij Thaïs, dat is mij om het even. Ware die vrouw maar eerder weggegaan! Toen zij den jongen Cæsarion inpakte.....”

»Niet verder kind,” viel haar oom bestraffende in. »Ik weet hoe vurig zij wenschte dat Antyllus den knaap nooit medegebracht had.”

»Ja, nu,—omdat zijn razernij haar bang maakt.”

»Neen, reeds van het eerste bezoek af. Zulke jonge knapen passen niet bij de voortreffelijke mannen die zij altijd placht te ontvangen.”

»Wie zijn deur altijd openzet, krijgt ook dieven in huis.”

»Zij ontving enkel vertrouwde kennissen en de vrienden die deze meebrachten. Voor anderen bleef haar huis zorgvuldig gesloten, en voor dieven was geen gevaar. Maar wie had aan een zoon der Koningin den toegang durven weigeren?”

»Tusschen een gewone verwelkoming en het aanwakkeren van een hartstocht, tot krankzinnigmakens toe, ligt nog een zeer groote afstand. Waar een houtvuur brandt, is een vonk noodig geweest om dat aan te steken. Gij mannen ziet zoo niet hoe zulke vrouwen dat aanleggen. Eén blik, een handdruk, en de vlam slaat uit, wanneer reeds zooveel droge brandstof gereed ligt.”

»Laat ons de felheid van den brand liever betreuren,” zeide Archibius ernstig. »Gij draagt Barine geen goed hart toe.”

»Ik voel even weinig voor haar, als deze rustbank voor de Herme daar op de straat!” riep Iras hooghartig uit. »Geen mensch staat verder van een ander af dan ik van haar. Ik, en de vrouw met de open deur, hebben niets met elkander gemeen, dan ons geslacht.”

»En daarbij,” zeide Archibius »vele schoone gaven die de goden evenzeer aan u, als aan haar hebben verleend. Wat die open deur betreft, die werd gisteren reeds gesloten. De dieven, zooals gij ze noemt, hadden haar het genoegen der gastvrijheid bedorven. Antyllus was haar huis op vermetele wijze binnengedrongen. Dat voorspelde haar voor het vervolg nog erger dingen, en daarom is zij reeds binnen enkele uren op weg naar Irenia. Dat verheugt mij voor Cæsarion en nog meer voor zijne moeder, die wij ten onrechte zoo lang vergeten hebben, ter wille van eene andere vrouw.”

»Waarom moesten wij dat ook?” riep Iras opgewonden. »En dat heden, op dit uur, terwijl iedere gedachte in mijn arm hoofd, iedere druppel bloed in mijn aderen voor haar moest zijn! Toch konden wij het niet helpen. Cleopatra keert tot ons terug met een hart dat uit honderd wonden bloedt, en de gedachte dat, zoodra zij den vaderlandschen grond weder betreedt, een nieuwe pijl haar treffen zal, is vreeselijk. Gij weet hoe zij gehecht is aan dien knaap, het evenbeeld van den man, die haar het grootste geluk deelachtig heeft doen worden. En hoort zij nu dat hij, Cæsars zoon, zijn jonge hart gezet heeft op de vrouw die verstooten is door een volksredenaar, en die nu allerlei mannen in haar huis lokt—o, ik weet, dat zal haar zijn als zout in een versche wond. En bij dat eene verdriet zal het niet blijven! Antonius heeft ook reeds zijn weg naar Barine gevonden. Hij heeft haar reeds een paar maal bezocht. Gij weet dat zoo niet, maar Charmion kan getuigen hoe gevoelig zij is, sedert de bloem van haar jeugdige schoonheid het eene blad na het andere verliest. Want zoo is het, al zult gij dat niet toegeven. De jaloerschheid zal haar nu kwellen, en—ik ken haar—misschien heeft ten slotte geen mensch aan de sirene een grooteren dienst bewezen dan ik, toen ik haar noodzaakte de stad te verlaten.”

In de oogen van het meisje schitterde bij deze verklaring zulk een boosaardige gloed, dat Archibius een rechtmatigen vrees begon te koesteren voor de dochter van zijn overleden vriend. Ofschoon nu nog geen eigenlijk gevaar Barine dreigde, zijn nicht kon haar dat op den hals halen. Dion had hem verzocht te zwijgen, maar ook indien hij had mogen spreken, toch zou hij het nu niet gedaan hebben. Zooals hij Iras kende, wist hij dat zij geen middel schuwen zou om den vriend harer jeugd en Barine ten val te brengen, zoodra zij hooren zou, dat deze zich tusschen hem en haar had geplaatst. Hij dacht aan de edele Macedonische jonkvrouw, die de Koningin in het begin voorgetrokken had boven haar, en wier dood zij door allerlei listige kuiperijen veroorzaakt had. Wel waren weinig vrouwen verstandiger, en als zij eenmaal liefhad, trouwer en volgzamer, in goede oogenblikken zelfs aantrekkelijker dan zij, maar reeds als kind had zij liever kromme dan rechte wegen bewandeld. Het was altijd geweest alsof haar scherpzinnigheid het beneden zich rekende hare wenschen door voor de hand liggende middelen te bereiken. Zijn moeder en zijn tweede zuster Charmion hadden er altijd een genoegen in gevonden voor de slaven te zorgen, en hen, als zij ziek waren, te verplegen. Charmion's Nubische kamervrouw Anukis was zelfs zulk een trouwe vriendin van haar geworden, dat zij voor haar in den dood zou zijn gegaan. Ook Cleopatra had als kind gaarne aan de ziekelijke grijze huisbezorgster van haar ouders bloemen gebracht, en aan haar bed gezeten, om haar met haar vroolijk gebabbel den tijd te verkorten. Dit had zij geheel uit zich zelve gedaan, zonder dat iemand het haar zeide, doch bij Iras was alles anders. Zij was dikwijls gestraft, als zij in haar ouderlijk huis, waar ook vele slaven gehouden werden, het leven dezer ongelukkigen onnoodig zuur maakte. Dat had haar oom reeds vroeg reden tot bezorgdheid gegeven en ook later had hij haar om haar trotschen omgang met hare minderen, onmogelijk onder de goede vrouwen kunnen rekenen.

De trouwe, onbaatzuchtige liefde, waarmede zij zich tot nu toe aan den dienst der Koningin had gewijd, was hem echter meegevallen. Cleopatra had, op den wensch zijner zuster Charmion, Iras haar tot helpster gegeven, en het meisje, dat voor hare eigen moeder geene liefdevolle dochter was geweest, had zich nu met innige hartelijkheid aan hare gebiedster gehecht. Dat waardeerde Archibius zeer in haar, maar hij wist wat andere menschen van haar te wachten hadden, zoo zij hen haatte. Bij de vrees dat zij Barine in wezenlijk gevaar zou brengen, kwam nu nog de grootere angst voor Cleopatra. In de droevige overtuiging dat hij machteloos stond tegenover de kwade bedoelingen zijner nicht, wilde hij afscheid nemen, toen de gedachte dat iedere tijding het eerst in het Sebasteum en tot haar zou komen, hem nog terughield. Het kon toch licht eene zijn die hij met zijn kalm doorzicht beter begrijpen kon dan zij. Haar geest geleek op dit oogenblik in zijne oogen op een stilstaand water, dat door daarin geworpen steenen troebel was geworden.

De vertrekken van zijn zuster Charmion, die door een gang met de hare verbonden waren, stonden ledig. Zij verzocht hem daar een weinig rust te nemen. Zij zelve dreigde te sterven van angst en onrust; het zou een weldaad voor haar zijn, indien zij hem in hare nabijheid wist.

Eerst aarzelde Archibius, want het was zijn plicht Cæsarion, op wien hij wel eenigen invloed had, op het hart te drukken dat hij uit liefde voor zijn moeder van zijn dwaze wenschen moest afstand doen. Iras verzekerde hem echter, dat hij hem nu niet vinden zou, want hij was met Antyllus en eenige vrienden op de jacht; zij had dat plan goedgekeurd, omdat het hem van de stad en het noodlottige huis van Barine verwijderd hield.

»Daar de Koningin hem nog onkundig laten wil van het verschrikkelijke nieuws,” zeide zij, »zou zijne aanwezigheid ons maar in moeilijkheden gebracht hebben. Blijf gij alzoo hier, en zoodra het donker wordt, rijdt gij mede naar de Lochias. Mij dunkt, de ongelukkigen zullen bij het aan wal stappen gaarne uw welbekend gelaat zien, dat hen aan vroeger, beter dagen herinnert. Bewijs mij die weldaad, en blijf!”

Zij strekte hare beide handen naar hem uit, en hij drukte die en beloofde het haar.

De maaltijd was gereed, en beiden zetten zich aan tafel; doch hoe uitgezocht de spijzen ook mochten zijn, Iras roerde die in het geheel niet aan, en hij at slechts zeer weinig. Zonder het nagerecht af te wachten, stond hij op, om zich naar de vertrekken zijner zuster te begeven. Iras verzocht hem echter op den divan in het zijvertrek te blijven rusten, en hij willigde dit gaarne in. Maar ofschoon de kussens zacht waren en hij zeer naar slaap verlangde, hij kon die maar niet vatten. De onrust in zijn ziel hield hem wakker, en door het voorhangsel, dat Iras kamer van de zijne scheidde, heen, hoorde hij nu eens den lichten tred van het rusteloos heen en weer loopende meisje, dan weder het komen en gaan van boden, die kwamen hooren of er al tijdingen waren.

Zijn geheele leven trok nog eens aan zijn ziel voorbij. Cleopatra was de zon daarvan geweest, en nu kwam de zwarte wolk, die dit licht misschien voor altijd verduisteren zou. Hij, de leerling van Epicurus, die zich eerst in later jaren ook in de leerstellingen van anderen had verdiept, beschouwde de goden met hetzelfde oog als zijn meester. Evenals hij, zag hij in hen zalige, onsterfelijke wezens, zonder zorgen en zich zelven genoeg, tot wie men moest opzien enkel om hunne volmaaktheid, doch die zich evenmin bekommerden om het bestuur der wereld dat van eeuwige wetten afhankelijk was, als om het lot der enkele menschen. Ware hij van het tegendeel overtuigd geweest, gaarne zou hij al het zijne geven om de hemelsche machten door middel van offers gunstig te stemmen voor haar, aan wie hij zijn leven had gewijd.

Hij bleef den geheelen nacht even onrustig als Iras was, en toen zij ook zijne voetstappen hoorde, riep zij hem toe, waarom hij niet sliep en zijne schade inhaalde? Want men kon met weten wat in de volgende nachten van hem geëischt zou worden. Hij antwoordde bedaard: »Men zal mij wakker vinden.”

Nu trad hij aan het venster dat tegenover de pylonen voor het Sebasteum lag, en uitzag op het Bruchium en de zee. Het wemelde op dit oogenblik in de haven van schepen van allerlei grootte, die met kransen, vlaggen en wimpels waren versierd. Allen geloofden aan het gerucht van den goeden afloop van den eersten zeeslag, en velen verlangden er naar de vloot te begroeten en de Koningin bij hare aankomt toe te juichen.

Aan land, tusschen de alleenstaande hooge pylonen en de groote poort, die toegang verleende tot het Sebasteum, waren ook vele menschen, draagstoelen en voertuigen bijeen. De meeste hunner behoorden tot de aanzienlijke kringen der stad, en werden door rijk gekleede slaven gevolgd. Sommigen waren bekranst, en menige wagen was met gouden en zilveren sieraden, edelgesteenten en geslepen glas getooid. Vóór het paleis was een voortdurend heen-en-weder-geloop, en Iras, die naast haar oom was gaan staan, wees hem daarop en zeide: »Zie, wat het gerucht reeds uitwerkt! Gisteren kwam slechts een enkele, heden verdringen zich hier allen, die tot den kring der »onnavolgbare kunstenaars van het leven” behooren om iets van een bericht op te vangen. De overwinning is afgekondigd op de markt, in het theater, in de gymnasiën en in het kamp. Alles wat nu kransen of wapens draagt, heeft van een gewonnen slag gehoord. Gisteren was er onder duizenden niet één, die daaraan twijfelde, maar heden—hoe komt dat toch? Zelfs onder de »onnavolgbaren” die alle vermaken, genietingen en vertooningen van ons edel paar gedeeld hebben, is het geloof aan het wankelen gebracht. Als zij vast overtuigd waren van die »glansrijke overwinning” die hen verkondigd werd, dan zouden zij niet zelve gekomen zijn, om te vragen, te bespieden, te luisteren. Zie eens daar ginds! Dat is de draagstoel van Diogenes—die dáár van Lysander. Gindsche wagen behoort aan Alexander; die slaven in roodzijden rokken zijn in dienst van Hermias. Die allen maken deel uit van de »onnavolgbaren” en deden aan al onze feesten mede. Diezelfde Apollonius, die nu al een half uur lang bezig is de dienaren van het paleis uit te hooren, liet eergisteren nog voor Ares, Nike en de groote Isis, als de godin der Koningin, ieder vijftig ossen slachten. Toen ik hem in den tempel aantrof, riep hij mij toe, dat dit de grootste verkwisting was, waaraan hij zich ooit had schuldig gemaakt, want ook zonder al dat rundvee waren Cleopatra en Antonius van hunne overwinning zeker. Maar nu blaast ook bij hem de wind van het gerucht zijn goed vertrouwen weg.

»Zij mogen mij niet zien. De poortwachters zeggen dat ik uit de stad ben. En ik zou het besterven als ik mij moest vertoonen met een verblijd gezicht.—Daar komt Apollonius aan. Wat ziet hij er stralend uit! Hij gelooft het goede nieuws, en zoodra de zon ondergaat, zal geen enkele van die allen meer te zien zijn, want daar geeft hij reeds zijn slaven bevelen. Hij noodigt zijn vrienden tot een gastmaal uit, en zal daarbij den kostelijken wijn niet sparen. Goed zoo! Dan kan ten minste geen van hen ons hinderen! Dion is zijn neef, en ook hij zal tot de gasten behooren. Wat zullen deze liefhebbers van feestvieren wel zeggen als zij de schrikkelijke waarheid moeten hooren?”

»Ik denk,” antwoordde Archibius, »dat zij aan de wereld dit merkwaardig schouwspel te zien zullen geven: vrienden, die men in dagen van voorspoed heeft opgedaan, en die in tegenspoed getrouw blijven.”

»Zoudt gij dat denken?” vroeg Iras met fonkelende oogen. »Als dat waar is, dan zou ik hen roemen en prijzen, al waren zij zoo arm als bedelaars! Maar zie eens dáár! Is dat niet Dion, met dien witten mantel, naast den obelisk? De menigte stuwt hem voort.... ik geloof zeker, dat hij het was.”

Toch vergiste zij zich; de man, dien zij meende te zien, omdat haar hart zoo vurig naar hem verlangde, bevond zich niet zoo dicht bij het Sebasteum, en zijne gedachten waren nog verder van haar af.

Eerst was hij naar Gorgias gegaan om hem den bewusten brief te brengen. Hij had gedacht hem te vinden bij de eerepoort die aan het strand in het Bruchium opgericht was, doch hij vernam al spoedig dat hij naar het huis van Didymus gegaan was om het beeld van Cleopatra en Antonius, dat daar nog altijd stond, weg te halen en voor het Dionysostheater te doen opzetten. Dat geschiedde op bevel van Mardion, en Gorgias had gezorgd dat het voetstuk er reeds stond. Hij had de groote steenblokken die hij daarvoor noodig had, genomen van den tempel van Nemesis, die onder zijne leiding in aanbouw was, en de eerste opzichter had gezegd dat hij beschikken kon over zoovele staatsslaven als hij maar hebben wilde. Met trots voegde hij hierbij, dat de bouwmeester, nog eer de zon onderging, aan de Alexandrijnen het wonder zou doen zien, hoe men in één dag het standbeeld van twee personen van de eene plek naar de andere vervoeren kon, en zóó zorgvuldig nederzetten, dat het zoo vast stond als de duizendjarige kolos van Thebe.

Vóór den tuin van Didymus vond Dion het beeld ter overbrenging gereed, doch de bouwmeester liet de slaven, die de rollen al vóór de slede hadden gelegd, nog een geruimen tijd wachten.

Hij was ten derden male naar het huis van den ouden philosoof gegaan. Den eersten keer had hij hem en de zijnen moeten meedeelen, dat hun eigendom geen gevaar meer dreigde, daarna was hij gekomen om te zeggen op welk uur hij het standbeeld zou doen weghalen en eindelijk was hij nog eens gaan melden, dat het nu dadelijk gebeuren zou. Hij had al die boodschappen zeer goed door een slaaf of onderopzichter kunnen laten brengen, doch Didymus' kleindochter Helena had hem zelf telkens weder naar dat huis getrokken. Hij zou om harentwil nog vaker gekomen zijn, want bij iedere ontmoeting had hij nieuwe bekoorlijkheden ontdekt in het schoone, stille, bedachtzame meisje, dat zoo liefderijk haar oude grootouders verzorgde. Hij geloofde dat hij haar beminde, en dat ook zij hem gaarne bij zich zag. Maar dat gaf hem nog niet het recht naar hare hand te dingen, al had zijn groot, ledig huis ook dringend een meesteres noodig. Zijn hart had reeds zoo menigmaal gegloeid; hij wilde eerst afwachten of het ditmaal zoo blijven zou. Hij kon geen echtgenoote vinden die beter voor hem paste. Was hij ook maar eenige dagen aan deze neiging getrouw, dan zou hij zichzelf daarvoor als het ware beloonen, door bij Didymus te komen met het aanzoek om haar hand.

Hij verontschuldigde zijn talrijke bezoeken voor zichzelven met de noodzakelijkheid zijn toekomstige gemalin te leeren kennen, en Helena maakte hem deze taak gemakkelijk. Hare terughoudendheid verdween hoe langer hoe meer, en het groote vertrouwen dat hij haar al dadelijk ingeboezemd had, was door zijn krachtdadige hulp nog toegenomen. Bij een vorig bezoek had zij hem zelfs hare hand toegestoken, en naar den voortgang van het werk gevraagd.

Overstelpt met bezigheden als hij was, gaf het gesprek met haar hem toch zooveel genoegen, dat hij haar langer, dan hij ooit onder dergelijke omstandigheden zichzelven veroorloofd zou hebben, te woord stond, en het een onaangename stoornis vond, toen Barine, die hij nog onlangs zoo hoog schatte, ook het tablinum binnentrad.

De jonge vrouw liet het niet bij een korte begroeting, maar nam weldra Helena geheel in beslag. Zij omarmde haar zuster zoo teeder en hartstochtelijk, als hij nog nooit van haar had gezien, en vertelde haar in levendige bewoordingen, dat zij gekomen was om van iedereen afscheid te nemen. Vrouw Berenice was met haar medegekomen, maar deze was eerst naar den ouden Didymus en zijn vrouw gegaan.

Terwijl Barine Helena alles uitlegde, maakte Gorgias in stilte zijne vergelijkingen. Hij kon wel begrijpen dat hij eenmaal gemeend had Barine te beminnen, maar zij zou toch nooit geschikt zijn geweest voor zijn echtgenoote. Het leven met haar zou een aaneenschakeling van jaloersche opwellingen en bezorgdheid voor haar man geworden zijn. Die vrouw, die met haar levendige opmerkingen en weetgierige vragen steeds al zijn oplettendheid vorderde, zou hem als hij vermoeid van zijn werk tehuis kwam, de rust niet bezorgen die hij in zulke uren noodig had. Alsof het een onderzoek naar den afstand van twee pas opgerichte zuilen gold, zoo dwaalde zijn oog van haar naar haar zuster, en toen de jonge vrouw dat opmerkte, barstte zij in een vroolijken lach uit, en vroeg of zij ook weten mocht met welk gebouw zijn geest zich bezighield, terwijl een goede vriendin hem kwam vertellen dat het met de prettige uurtjes in haar huis gedaan was.

Nu kwam hij met allerlei verontschuldigingen voor den dag, maar daaruit bleek zoo zonneklaar hoe onoplettend hij toegeluisterd had, dat Barine zich in ernst beleedigd had kunnen voelen. Maar een blik op haar zuster en daarna op hem, deed haar plotseling de waarheid vermoeden. Dat verheugde haar, want zij waardeerde Gorgias en had al eens gevreesd dat zij hem, als hij haar hand vroeg, met een afwijzend antwoord zou moeten bedroeven. Maar hij scheen als geschapen voor haar zuster. Haar binnenkomen had hen zeker gestoord, en daarom zeide zij tot Helena: »Ik ga moeder en mijn grootouders opzoeken. Houd gij ondertusschen onzen vriend bezig. Wij kennen hem goed. Hij behoort tot de enkelen die men vertrouwen kan. Dat meen ik in ernst, bouwmeester! En gij Helena, denk er aan!”

Nu zeiden zij elkander vaarwel, en Gorgias was weder met het geliefde meisje alleen. Het kostte beiden moeite het gesprek weer op gang te brengen, en daarom was de stem van den opzichter die hem weder aan het werk riep, hem ditmaal welkom. Hij beloofde nu spoedig terug te zullen komen, en legde hierop zooveel nadruk, alsof men er hem ernstig om had verzocht. Daarna verliet hij haar door de deur die naar het woonvertrek leidde.

Doch op den drempel deinsde hij reeds weder terug, en Helena, die hem gevolgd was, ook, want daar stond zijn vriend Dion, en het bevallige hoofdje van Barine leunde tegen zijn borst, terwijl zijn hand als om haar te zegenen, op het blonde haar rustte. Daarbij—neen, Gorgias vergiste zich met—zag hij het teere persoontje die door haar opgewekten levenslust hem en anderen zoo dikwijls had meegesleept, nu sidderen, alsof zij door een diepe, smartelijke ontroering werd geschokt. Hij zag hoe zij het hoofd ophief en Dion aanzag met een gelaat dat door tranen bevochtigd was, maar toch kon de bron daarvan geen leed zijn, want hare blauwe oogen blonken van gelukzaligheid. Bovendien ontdekte Gorgias in hare trekken nog iets waaraan hij geen naam kon geven. Het was de weerschijn van de warme dankbaarheid, die hare ziel op dat oogenblik geheel vervulde.

Barine had Dion ontmoet toen hij den bouwmeester zocht, en zij naar hare grootouders ging. Wat hij den vorigen dag had gevreesd, werd nu waarheid. De eerste blik uit hare oogen die hem trof, had reeds het beslissende woord op zijne lippen gebracht. Toen had hij haar in korte, ernstige woorden bekend dat hij haar liefhad, en niets vuriger begeerde dan haar, als de trots en het sieraad van zijn huis, tot de zijne te maken. In de overmaat van haar geluk waren toen de heete tranen gekomen, en alsof zij onder den indruk van een groot wonder was, had zij geen woorden gevonden om hem te antwoorden. Maar hij had hare hand gevat, die in beide de zijne gedrukt, en zóó alles bekend: hoe hij eerst met het beeld zijner strenge moeder voor oogen geweifeld had, maar hoe eindelijk de liefde oppermachtig in hem geworden was. Nu vroeg hij haar vol vertrouwen, of zij er in toestemde als de eer en het sieraad van zijn oude huis, als meesteres daarin het gebied te voeren. Hij wist wel dat haar hart hem reeds toebehoorde, maar één ding moest hij toch nog uit haar mond vernemen....

Toen riep zij uit »Dit ééne: uwe vrouw wil voor u, en voor u alléén leven, in vreugde en leed. De geheele wereld mag voor haar ondergaan, nu gij haar tot u opheft en zij de uwe is.”

Bij deze verzekering, die hem als een plechtige gelofte in de ooren klonk, was het alsof hem een pak van het hart viel. Hij sloot haar met hartstochtelijke teederheid in de armen, en herhaalde: »In vreugde en leed!”

Op dat oogenblik hadden Gorgias en Helena hen gevonden, en voor het eerst van zijn leven voelde de bouwmeester, niet zonder eenige verwondering, dat er geen eigenlijk onderscheid is tusschen het geluk van ons zelven, en dat van iemand die ons lief is.

Zijne vriendin Helena scheen hetzelfde te gevoelen, toen zij zag wat deze dag haar zuster had gebracht. Het huis van den ouden philosoof, waar in den laatsten tijd zoovele zorgen en angsten binnengeslopen waren, weerklonk nu van enkel blijde, elkander geluk wenschende stemmen.

De bouwmeester voelde dat hij nu niet langer blijven mocht in dezen vertrouwelijken kring, die door ééne groote, gemeenschappelijke vreugde werd bezield, en na een korte verklaring van Dion, hoorde men hem weldra buiten bij het werk zijne bevelen geven aan de arbeiders.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings