← Table of contents
Cleopatra

VIJF EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Louise Stuart translation

Den volgenden morgen had de Koningin met Charmion, en deze met de Nubische Anukis, veel in het geheim te bespreken.

Den vorigen dag was de tuinman van Archibius gekomen en had aan de zuster van zijn heer bijzonder schoone vijgen gebracht, die gerijpt waren in den ouden Epicuristen-tuin. Ook over deze vruchten werd gesproken, en Anukis ging naar Kanopus, en van daar, in den wagen van den huisbezorger, met een mand vol prachtige vijgen naar de vischmarkt. Dáár moest zij veel afspreken met Pyrrhus, en de vrijgelatene nam de vruchten mede in zijn boot.

Spoedig na de thuiskomst der Nubische, keerde de Koningin uit het grafmonument terug. Hare trekken droegen een stempel van vastberadenheid, die daar anders vreemd aan was; ja zelfs gaven de vast opeengeklemde lippen daaraan een uitdrukking van bepaalde strengheid. Zij wist nu wat haar te doen stond, en zag haar naderend einde als een onafwijsbare noodzakelijkheid tegemoet. De dood kwam haar voor als een reis, die zij ondernemen moest om te ontkomen aan den wreedsten smaad. Bovendien was haar leven, na Antonius' dood, toch het rechte leven niet meer; het was nog maar een droevig talmen en afwachten geweest in het belang van haar kinderen.

Het bezoek aan het grafteeken had als het ware moeten dienen om den gemaal, die haar was voorgegaan, hare nadering aan te kondigen. Zij hadden langen tijd vertoefd in de stille zaal. Zij had daar de sarcophaag van haar geliefde met bloemen gesierd en gekust, tot den afgestorvene gesproken als tot een levende, en hem toegeroepen, dat nu de dag gekomen was, waarop vervuld zou worden wat hij in zijn testament zijn liefste hartewensch had genoemd: naast haar te rusten in hetzelfde graf. Onder het duizendvoudig leed dat haar getroffen had, was niets haar zwaarder te dragen geweest dan het gemis van zijne nabijheid en liefde. Vervolgens was zij in den tuin gegaan, had hare kinderen aan het hart gedrukt en gekust, en hen verzocht met liefde aan haar te blijven denken. Aan Archibius was niet verborgen gebleven wat zij voornemens was te doen, doch Charmion had hem medegedeeld wat haar anders in de toekomst te wachten stond—en hij had haar besluit goedgekeurd. Met behulp van al de wilskracht die hem ten dienste stond, wist hij de smart, die zijn trouw hart vaneen reet, te verbergen. Zij moest sterven. De gedachte haar te zien deelnemen aan den triomftocht van Octavianus, was ook voor hem ondragelijk. Haar dank en de bede, dat hij ook verder een liefdevol leidsman voor hare kinderen mocht zijn, hoorde hij aan met een uiterlijke kalmte, die hem later zelf onbegrijpelijk voorkwam.

Toen zij sprak van het wederzien van den geliefde tot wien zij nu heen ging, vroeg hij, of ze dan geheel gebroken had met de leer van Epicurus, die alle leven als geëindigd beschouwt met den dood.

Zij bevestigde dat levendig, en zeide: »Ook de smarteloosheid komt mij niet voor als het hoogste goed, sinds ik weet dat liefde niet alleen genot medebrengt, sinds ik ondervond dat smart onafscheidelijk is van liefde. Haar geef ik niet op, en evenmin mijn geliefde. Wie ondervonden heeft wat mij te dragen werd gegeven, heeft andere goden leeren kennen, dan in de ledigheid zalig rustende goden van den meester. Liever in een andere wereld met mijn geliefde vereenigd tot eeuwige pijn, dan een smart- en vreugdeloos niets in een ledig en ijl Nergens.—Gij zult allerminst de kinderen leeren streven naar afwezigheid van smart.....”

»Evenals gij,” riep Archibius uit, »heb ik ook geleerd welk een heerlijk goed de liefde is, en dat liefde ook smart insluit.”

Hij boog zich over hare hand om die te kussen, doch zij nam zijn hoofd in hare handen, en drukte hare lippen snel en vluchtig op zijn breed voorhoofd.

Nu was het met zijne zelfbeheersching gedaan, en luid snikkend haastte hij zich naar de kinderen terug.

Met een weemoedigen glimlach zag zij hem na, en aan den arm van Charmion ging zij het paleis weer binnen. Daarop nam zij een bad, en legde zich toen, in kostbaar rouwgewaad, op haar rustbank, om zooals gewoonlijk haar ontbijt te gebruiken. Iras en Charmion namen met haar daaraan deel.

Terwijl het nagerecht werd opgedragen, bracht de Nubische een korf met prachtige vijgen. Zij verklaarden aan Epaphroditus, die bij den maaltijd tegenwoordig was, dat zij die als iets bijzonders van een boer had gekregen. De wachters hadden er reeds eenige van gesnoept.

De aanzittenden aten eenige dier vruchten, en ook Proculejus, die gekomen was om de Koningin te begroeten, liet zich overhalen om een der schoonste te proeven. Na afloop van den maaltijd wenschte Cleopatra te rusten. De Romeinsche heeren en bedienden verwijderden zich. Eindelijk waren de vrouwen alleen, en zagen elkander zwijgend aan.

Charmion schoof aarzelend de bovenste vruchten ter zijde, doch de Koningin zeide met doffe stem in zichzelve:

»De gemalin van Antonius achter den wagen des overwinnaars in triomf door Rome's straten gesleept, tot vermaak van het volk en der afgunstige matrone's.” Daarop vloog zij op, en riep: »Welk een gedachte! Was die voor Octavianus te groot of te klein? Hij, die er zich zoo luide op beroemt, dat hij de menschen kent, verwacht dit onmogelijke van de vrouw, die hem toch even eerlijk haar gemoed heeft ontsloten, als hij voor haar het zijne verborgen heeft gehouden. Wij zullen hem toonen hoe weinig die menschenkennis waard is, en hem daardoor nederigheid leeren.”

Een verachtelijke glimlach gleed over haar fraaie lippen, en met snelle grepen wierp zij de vijgen bij handen vol op de tafel, totdat zij plotseling bespeurde, dat zich onder de vruchten iets bewoog. Zij haalde diep adem; van haar lippen klonk het zacht: »Daar is het dus!” en met een snel besluit stak zij de adder, die de tong naar haar uitstrekte, haar arm toe.

Terwijl zij den blik gevestigd hield op de bewegingen van het dier, dat scheen te schromen zijn vreeselijke taak te vervullen, riep zij de vrouwen toe:

»Dank, dank voor alles! Weest kalm. Gij weet het immers Iras, dat het geen pijn doet. Het moet zijn alsof men inslaapt.” Daarop overviel haar een lichte huivering en zij zeide: »Wat is het sterven toch een ernstige zaak. Om het even—het moet geschieden. Waarom aarzelt de slang? Daar, daar.... ik blijf standvastig. Eerzucht en liefde waren de drijfveeren van mijn leven... Men moet mijn nagedachtenis kunnen eeren.... Ik volg u, Marcus Antonius!”

Nu boog zich Charmion over den linkerarm harer gebiedster, die vrij naar beneden hing, en bedekte die, luid snikkend, met kussen. Cleopatra liet haar begaan, en zeide, terwijl zij opnieuw aandachtig de bewegingen van de adder gadesloeg:

»Heden begint de rust uit onzen Epicuristen-tuin, mijne vriendinnen. Of zij zonder pijn zal zijn, wie weet het? en toch—ook hierin was ik het eens met Archibius—bij het hoogste genot van het leven, de liefde, behoort de smart. Ik denk dat gij beiden dat ook reeds ondervonden hebt. Ook dit land, mijn Aegypte, was mij dierbaar. Liever eeuwig blind, dan ziende onder het Romeinsche juk. De tweelingen, en mijn kleine lieveling.... Als zij hun moeder en haar einde gedenken, niet waar, dan zullen de kinderen....”

Plotseling uitte zij een kreet, en kromp ineen. De slang was als een koude bliksemstraal langs haar arm naar boven geschoten, en een oogenblik later zonk Cleopatra ontzield op haar rustbank neder.

Bleek, doch kalm, wees Iras op haar en zeide: »Als een sluimerend kind. Betooverend, ook nog in den dood. Zelfs het noodlot moet haar gehoorzaam zijn, moet den laatsten wensch vervullen van de groote Koningin, de zegevierende vrouw. Daarmede valt het hoogvliegende plan van Octavianus in duigen. De triomphator zal zich zonder u in Rome vertoonen, gij dierbare!” Zij barstte in hevig snikken los, en boog zich over de ontslapene, sloot haar de oogen, en kuste haar op mond en voorhoofd. Charmion deed weenend hetzelfde. Daar hoorde men in het nevenvertrek den voetstap van mannen, en Iras die hen het eerst gewaar werd, riep dringend: »Het oogenblik nadert. Goed dat het gekomen is. Is het u ook niet, alsof de zon aan den hemel verduisterd is?”

Charmion knikte toestemmend, en vroeg zacht: »Het vergift?”

»Hier!” antwoordde Iras met kalmte, en reikte haar een kleine naald toe. »Een lichte prik, en het moet gedaan zijn.... Zie maar! Doch neen! Eens hebt gij mij het grootste leed aangedaan. Gij weet—de speelnoot van mijn kindsche jaren, Dion... Ik heb het u vergeven. Maar nu moet gij mij ook deze weldaad bewijzen!—Spaar het mij, mijzelve met de naald te prikken.—Wilt gij? Ik zal het u vergelden! Als gij het wenscht, zal deze hand u denzelfden dienst bewijzen.”

Charmion drukte haar nicht aan haar hart, kuste haar, prikte haar even in den arm, gaf haar toen de andere naald, en zeide:

»Nu is de beurt aan u.—Ons hart was vol groote liefde voor eene die zelve liefhad als geen ander, en onze liefde werd beantwoord. Wat is daarbij vergeleken die andere liefde, die wij hebben opgeofferd? Hij, voor wien de zon schijnt, behoeft geen licht te ontsteken. »Liefde is smart,” zeide zij bij het scheiden; doch deze smart—in de eerste plaats die van het zich onthouden uit liefde—draagt in haar schoot een genot, een heerlijk genot, dat het sterven licht maakt. Het is mij alsof het alleen te doen is om de Koningin te volgen, om haar.... O, dat deed pijn!”

De naald van Iras had haar getroffen. Het vergift werkte snel. Iras werd door een duizeling overvallen en kon zich nog slechts met moeite staande houden.

Juist was Charmion neergevallen, toen er buiten luid werd geklopt op de gesloten deur, en de stemmen van Epaphroditus en Proculejus geboden met drift die te openen.

Daar er geen antwoord kwam, liet men het slot van de deur met onstuimigen spoed openbreken. Men vond Charmion, bleek en ontdaan aan de voeten harer gebiedster, doch Iras was, ofschoon wankelend en reeds half bedwelmd door het vergift, bezig haar diadeem recht te zetten, die verschoven was. Haar laatste zorg was haar geliefde meesteres te sparen voor alles wat zou kunnen afbreuk doen aan de schoonheid van haar uiterlijk.

Ontzet, en buiten zichzelven van toorn, ijlden de Romeinen op de vrouwen toe. Epaphroditus had Iras nog bezig gezien met den tooi van Cleopatra. Hij trachtte nu hare gezellin op te richten, en riep haar verwijtend toe: »Dat is wat schoons, Charmion!” Doch zij raapte hare laatste kracht bijeen en antwoordde met brekende stem: »Ja, iets zeer schoons, zooals het voor de afstammeling van zoovele heerschers past.”23)

Toen sloot zij de oogen, doch Proculejus, de dichter, die lang met ontroering had gestaard in het trotsche, schoone gelaat der vrouw tegen wie hij zoo zwaar had misdreven, zeide: »Zij werd gevierd door de grootsten, bemind door de hoogstgeplaatsten, zooals geen andere vrouw op aarde. Haar roem weergalmde van volk tot volk over de geheele wereld. Hij zal voortklinken van geslacht tot geslacht; doch hoe luide hij haar betooverende bevalligheid prijst, den gloed harer liefde, die den dood overleeft, haar geest, kennis, heldenmoed, waarmede zij, de vrouw, den dood verkoos boven de schande—toch zal hij ook niet vergeten den lof te verkondigen van deze twee.—Hare trouw heeft dat verdiend. Onbewust hebben zij door haar wonderbaar einde voor haar gebiedster het schoonste gedenkteeken opgericht; want hoe waarlijk goed en beminnenswaardig moet de vrouw zijn geweest, die na den diepsten val het voor degenen, die haar het naaste stonden, zoeter deed schijnen te sterven, dan zonder haar te leven.”

De tijding van den dood der geliefde, gevierde Vorstin veranderde Alexandrië in een huis van rouw. Een uitvaart van ongeëvenaarde pracht en plechtigheid, waarbij veel oprechte tranen werden gestort, eerde hare nagedachtenis.

Voor Octavianus was een zijner schitterendste plannen door haar dood verijdeld, en vol woede had hij den brief gelezen, waarin Cleopatra hem met eigen hand meedeelde, dat zij van plan was te sterven. Toch was hij het verschuldigd aan den roem zijner grootmoedigheid, haar een begrafenis toe te staan, die haar rang waardig zou zijn. Aan dooden, die niet langer gevaarlijk voor hem waren, kon hij licht ruimschoots genade bewijzen.

Ook door de behandeling die hij haar kinderen liet ondervinden, deed hij de wereld de zachtmoedigheid zijner gezindheid bewonderen. Octavia, zijn zuster, nam hen in haar eigen huis, en liet hunne opvoeding aan Archibius over.

Toen het bevel was gegeven, dat alle standbeelden van Antonius en Cleopatra moesten worden omvergeworpen, gaf Octavianus nogmaals aan zijne tijdgenooten een bewijs zijner vergevensgezindheid, door te gebieden dat de standbeelden der Koningin, die talrijk waren te Alexandrië en in geheel Aegypte, moesten blijven staan en onderhouden worden. Trouwens, hij was daartoe gebracht door de aanzienlijke som van tweeduizend talenten, die een Alexandrijn in zijn schatkist had doen vloeien om deze grootmoedige daad te bewerken. De voortreffelijke vriend, die zich tot een arm man had gemaakt om aan de nagedachtenis der dierbare overledene dezen dienst te bewijzen, heette Archibius.

Dus bleven de standbeelden der ongelukkige vorstin ook nog in later tijd onaangeroerd de plaats versieren, waar zij waren opgericht.

De sarcophagen van Cleopatra en Marcus Antonius, waarnaast ook Iras en Charmion rustten, waren steeds overladen met bloemen en geschenken aan de dooden. Het grafteeken der veelgeliefde Koningin trok als een plaats der bedevaart vooral de vrouwen van Alexandrië aan; maar ook uit ver verwijderde streken, en nog in later tijd, kwamen trouwe harten die haar betreurden, het bezoeken, en onder die ook de kinderen van het beroemde paar, dat hier in den dood vereenigd was: Cleopatra Selene, die later de gemalin werd van den geleerden Numidischen koningszoon Juba; Antonius Helios, en de tot man gerijpte Alexander. Archibius, hun leeraar en vriend, vergezelde hen. Hij had er voor gezorgd, dat het aandenken hunner moeder bij hen in eere werd gehouden, en hen opgevoed tot menschen, die hij met opgerichten hoofde leiden mocht naar de sarcophaag zijner vriendin, die hen aan hem had toevertrouwd.

EINDE.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings