ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
Louise Stuart translation
Toen Cleopatra uit den tempel kwam, verbaasde Iras zich over haar veranderd uiterlijk. De strakheid die zoo even nog iets scherps gegeven had aan haar schoon gelaat, had plaats gemaakt voor een uitdrukking van stille smart, die er goed aan stond; doch die was spoedig verdwenen toen haar vertrouweling haar wees op den stoet, die juist het eerste binnenplein van het paleis opkwam.
In Alexandrië en geheel Aegypte werd de geboortedag zoo feestelijk mogelijk gevierd. Ter eere der tweelingen waren vele kinderen uit de stad gezonden om hen geluk te wenschen, en tegelijk hunne koninklijke moeder te verzekeren van de trouw en liefde der burgerij.
De terugweg naar het paleis duurde slechts enkele minuten, en toen Cleopatra, terwijl zij zich in haast een feestgewaad liet aandoen, op die kinderschaar neerzag, was het haar alsof het noodlot haar door dit liefelijk schouwspel een teeken gaf, dat het haar moeilijk besluit goedkeurde.
Weldra stond zij met de tweelingen aan de hand op het terras, waarvoor de optocht stilhield; honderden knapen en meisjes van denzelfden leeftijd als de prins en prinses, waren daar bijeen. Deze hadden ruikers, gene droegen kleine mandjes met viooltjes en rozen in de hand. Al de hoofden droegen kransen, en vele meisjes waren met guirlanden van bloemen omslingerd. Een koor van jongelingen en jonkvrouwen zong een feestlied, waarin zij de goden smeekten om geluk voor de edele moeder en hare kinderen; de aanvoerster van het meisjeskoor hield een korte aanspraak uit naam van de geheele stad, en terwijl zij sprak, hadden de kinderen zich in rijen geschaard. De kleinsten stonden vóór de grooteren, en deze weder voor de allergrootsten. Het geheel geleek een levende tuin, waarin de frissche gezichtjes de schoonste bloemen waren.
Cleopatra sprak haar dank uit voor dien liefelijken groet der burgerij, die haar door het dierbaarste wat zij had, liet zeggen dat zij hare liefde beantwoordde. Hare oogen werden vochtig, toen zij met haar eigen klaverblad naar de gelukwenschende kinderen toeging, en een klein, bijzonder bekoorlijk meisje, dat zij kuste, de armen zoo teeder om haar hals sloeg, alsof zij haar eigen moeder was. Ook was het een allervriendelijkst gezicht, toen de meisjes den inhoud harer korfjes vóór haar op den grond strooiden, en de knapen hunne ruikers aanboden aan haar en de tweelingen en Alexander, en dat met menigen vroolijken uitroep en hartelijken gelukwensch vergezeld deden gaan.
Charmion had de geschenken niet vergeten, en toen kamerdienaren en vrouwen de kinderen naar een feestzaal brachten om hen daar ververschingen te doen geven, straalde er zulk een helder licht uit de oogen der Koningin, dat de gezellin harer jeugd moed vatte om nu met haar moeielijke bekentenis voor den dag te komen.
Zooals zoo dikwijls datgene, waarvoor wij den meesten angst hebben gehad, als het eenmaal daar is, ons een vriendelijk of onverschillig gelaat vertoont, zoo gebeurde het ook nu. Er is in het leven niets groot of klein. Het eene kan het andere worden, naar gelang der dingen waarmede wij het in verhouding brengen. De grootste mensch wordt een dwerg naast de reusachtige rots, de kleinste is een reus in vergelijking met de krioelende mieren in het bosch. De bedelaar beschouwt datgene als een rijke schat, waar de rijke verachtelijk overheen ziet. Wat voor Cleopatra, enkele dagen geleden, onverdragelijk was geweest, wat haar in onrust had gebracht en een deel van haar slaap geroofd; wat haar genoopt had ernstige maatregelen daartegen te doen nemen, kwam haar nu als iets nietigs voor, dat nauwelijks de aandacht waard was.
De dag van gisteren en die van heden hadden gebeurtenissen medegebracht, en haar voor vragen gesteld, die de verdwijning eener Barine terug gedrongen hadden naar het rijk van het onbeteekenende.
Vóór zij hare bekentenis deed, had Charmion haar verzekerd dat zij smachtte naar rust, maar toch bereid was om in alle omstandigheden hare koninklijke vriendin getrouw te blijven, zoolang totdat deze haar bijzijn niet meer begeeren en haar wegzenden zou. Zij vreesde dat dit oogenblik nu gekomen was.
Cleopatra viel haar in de rede met de verzekering dat zij van iets onmogelijks sprak, en toen Charmion daarop bekende dat Barine was ontkomen, en zij het was geweest, die de onschuldige, zwaar bedreigde kleindochter van Didymus in hare vlucht had bijgestaan, toen was de Koningin opgestaan en had het voorhoofd gefronst; doch dit had slechts een oogenblik geduurd.
Zij had haar vriendin glimlachend met den vinger gedreigd, haar naar zich toe getrokken, en ernstig, doch vriendelijk verzekerd, dat van alle ondeugden, ondankbaarheid het verste van haar verwijderd was. De vriendin harer jeugd had haar zooveel sprekende bewijzen van trouw en liefde, van offervaardigheid en onvermoeid dienstbetoon gegeven, dat zij door ééne daad van eigenmachtige ongehoorzaamheid nog lang niet opgewogen werden. Er bleef nog altijd een aanzienlijk bedrag over, en daarop terende, mocht zij nog een tijd lang voort zondigen, zonder te vreezen dat Cleopatra zich van haar Charmion zou kunnen scheiden.
Op dit oogenblik wist deze opnieuw, dat niets op aarde vijandig en scherp genoeg zijn kon om den band door te snijden, die haar aan deze vrouw verbond. Terwijl hare lippen overvloeiden van den dank uit haar volle hart, bekende Cleopatra dat het haar toescheen alsof haar met Barine's vlucht, eigenlijk een dienst was bewezen. Het was haar niet ontgaan hoe voorzichtig Charmion verzwegen had waar de jonge vrouw zich nu verborgen hield, en zij verlangde dat ook niet te hooren. Het was haar genoeg dat de gevaarlijke schoone onbereikbaar geworden was voor Cæsarion.—Wat Antonius aanging, deze was nu door een muur gescheiden van de overige wereld, en dus ook van de vrouw, voor wie hij eigenlijk nooit iets innigers had gevoeld, niettegenstaande de beschuldigingen van Alexas.
Met veel warmte trachtte Charmion nu de Koningin te doen inzien wat de aanleiding was geweest, dat de Syriër Barine met zulk een fellen haat vervolgde. Het lag voor de hand, en behoefde nauwelijks bewezen te worden, dat de geheele omgang van Marcus Antonius met de kleindochter van Didymus in het minst niet tot een nauwere betrekking had geleid. Cleopatra luisterde echter slechts met een half oor. Het was alsof de geliefde, voor wien eenmaal haar hart uitsluitend had geklopt, haar nu reeds tot een dierbare herinnering geworden was. Zij vergat niet welk geluk zij met en door hem had gesmaakt, en wat zij hem door den tooverbeker aangedaan had, doch met den muur voor de landtong Choma, die hem van haar en de overige wereld scheidde, en haar bevel om voor hen beiden een grafteeken te bouwen, was, dacht zij, het tijdperk hunner liefde afgesloten. Wat nu nog aan dit deel van het leven hunner harten toegevoegd kon worden, kon alleen het einde zijn. Zelfs dacht zij voor goed te hebben afgedaan met de jaloerschheid, die het geluk van haar liefde als een voorbijgaande, plotseling invallende schaduw had verduisterd.
Terwijl Charmion verzekerde dat niemand buiten Dion zich er op mocht beroemen dat Barine zijn wensch had verhoord, en daarbij allerlei gebeurtenissen uit haar vroeger leven vertelde, verwijlde Cleopatra in gedachte bij haar geliefde. De boven allen uitstekende heldengestalte van Antonius stond als het beeld van een dierbaren doode voor haar geestesoog. Daarbij herdacht zij alleen wat hij vóór Actium voor haar was geweest. Zij verlangde en hoopte niets meer van den man, die nu zoo geheel gebroken was, misschien door haar schuld alleen. Maar zij was immers besloten daarvoor te boeten. Zij wilde dat doen met haar leven en haar troon. Dat zou de rekening doen sluiten. Wat de rest van haar leven misschien nog aan de uitkomst toevoegen of daarvan aftrekken zou, moest medegerekend worden.
De komst van Alexas maakte een eind aan hare overpeinzingen. De Syriër beklaagde zich hevig, dat het hem toegekende recht om over de schuldige het oordeel uit te spreken, hem door schandelijke listen zoo goed als ontnomen was. Dit viel hem bijzonder hard, omdat hem de mogelijkheid afgesneden was de vluchtelingen te doen vervolgen. Antonius had hem de vereerende opdracht gegeven Herodes weer tot zijne partij terug te doen keeren. Hij moest nog dezen nacht Alexandrië verlaten. Daar in deze zaak niets te wachten was van den menschenschuwen imperator, hoopte hij dat de Koningin zulk een inbreuk op hare gekwetste waardigheid straffen, en tegen Barine zoowel als tegen haar laatsten geliefde, dien Dion, die den zoon van Cæsar met heiligschennende hand mishandeld had, strenge maatregelen zou nemen.
Cleopatra gebood hem echter met vorstelijke hoogheid binnen de perken te blijven, en van deze zaak in hare tegenwoordigheid niet meer te spreken; daarop wenschte zij hem met een weemoedigen glimlach een goeden uitslag van zijne zending bij Herodes toe. Welke goede gedachten zij ook had van de handigheid van den bemiddelaar, zij geloofde toch niet, dat het hem zou gelukken, dezen tot de verloren partij van Antonius terug te brengen.
Zoodra hij zich verwijderd had, riep zij Charmion toe: »Ben ik dan blind geweest? Deze man is een verrader. Dat zullen wij spoedig ondervinden. Waarheen Dion zijn jonge vrouw ook heeft gebracht, laat zij zich goed verbergen, niet voor mij, maar voor dezen Syriër. Men kan zich gemakkelijker hoeden voor een leeuw, dan voor een schorpioen. Vriendin, zorg gij er voor dat nog heden Archibius mij komt bezoeken. Ik moet hem spreken, en van een scheiding tusschen ons beiden is geen sprake meer, niet waar? Spoedig genoeg zal er een ander komen, die deze lippen voor altijd verbieden zal uw trouw gelaat te kussen.”
Zij sloot nog eens de vriendin harer jeugd in hare armen, en toen Iras naderde om gehoor te vragen voor Lucilius, den vertrouwden vriend van Antonius, zeide Cleopatra, die opgemerkt had met welk een benijdenden blik zij deze omarming aanzag: »Vergiste ik mij toen ik meende te bemerken, dat gij u achteruitgezet voeldet bij Charmion, die toch mijne oudste vriendin is? Dat zou niet goed zijn, want gij zijt mij beiden lief, en ik heb u beiden noodig. Gij zijt haar nicht, en van jongs af zijt gij haar veel dankbaarheid schuldig. Vergeet daarom wat er is gebeurd, evenals ik dat heb gedaan, al derft gij daardoor het verkwikkend gevoel van u op iemand dien gij haat te wreken, en laat die oudere vriendschappelijke omgang blijven bestaan. Mijn dank daarvoor is het eenige wat de dochter van den rijken Krates zich niet koopen kan, en dat zij toch zeker niet geringschat: de liefde harer koninklijke vriendin.”
Daarop sloot zij ook Iras in hare armen, en toen deze heenging om Lucilius te roepen, dacht zij: »Geene vrouw heeft zooveel liefde ontvangen als deze; misschien komt het daardoor dat zij zelve zulk een rijken schat daarvan bezit en door liefde anderen zoo onuitsprekelijk gelukkig maken kan. Of wordt zij door zoo velen bemind, omdat zij zoo vol van liefde ter wereld kwam, en die als het ware uitstraalt evenals de zon het licht? Ja, dat moet het zijn. Ik heb, meer dan iemand, reden om dat te gelooven, want wien had ik lief behalve haar? Niemand, zelfs niet mij zelve, en hoe ik ook peins, ik zou niemand weten van wien ik zou mogen denken dat hij mij liefhad.... Maar waarom versmaadde Dion mij, hij, dien ik zou innig...? Dwaze, die ik ben! Waarom koos Antonius Cleopatra boven Octavia, die niet minder schoon was en wier hart hem toebehoorde, en die de heerschappij over de geheele wereld in hare hand had?”
Zij moest gaan, en leidde weldra den Romein Lucilius bij de Koningin binnen. Door een daad van dapperheid was deze man voor goed aan Antonius verbonden. Na den slag bij Philippi, toen het leger der republikeinen reeds op de vlucht was geslagen, was Brutus op het punt geweest door vijandelijke ruiters te worden weggevoerd; doch Lucilius had zich, op gevaar af van gedood te worden, voor hem uitgegeven, en hem daardoor, al was het maar voor korten tijd, het leven gered. Dat had Antonius zeer buitengewoon en edel gevonden, en op zijne grootmoedige manier had hij hem niet alleen vergeven, maar hem zelfs met zijn vriendschap verwaardigd. Lucilius was hem daarvoor dankbaar en bleef met dezelfde trouw als aan Brutus, ook aan hem gehecht. Bij Actium had hij eerst de gunst van Antonius op het spel gezet door hem er van af te brengen den slag te verlaten om Cleopatra te volgen; doch daarna had hij hem op zijn vlucht vergezeld. Nu deelde hij zijne afzondering op den Choma. Gebogen en neerslachtig kwam de man, die zoo kort geleden nog frisch en krachtig was geweest, al begonnen ook zijn haren reeds te grijzen de Koningin tegemoet. Zijn welgevormd gelaat had in de laatste weken een groote verandering ondergaan. Zijne wangen waren ingevallen, zijn trekken scherper geworden. Zijn trouwe oogen hadden een weemoedige uitdrukking aangenomen, en toen hij Cleopatra bescheid gaf omtrent den toestand van haar vriend, kregen zij een vochtigen glans.
Vóór den ongelukkigen slag was hij een harer grootste bewonderaars geweest; doch sedert hij had moeten aanzien hoe zijn vriend en weldoener roem, geluk en eer prijs gaf om Cleopatra te volgen, koesterde hij een wrok tegen haar. Hij zou zich dezen tocht zeker bespaard hebben, indien hij niet overtuigd ware geweest dat zij, die haar geliefde te gronde had gericht, ook de eenige was, die hem nu uit zijn moedelooze verslapping tot nieuwe geestkracht en levenslust kon opwekken.
Hij kwam ongeroepen en door niemand gezonden, alleen om de vrouw, die hij vroeger zoo oprecht had bewonderd, op het hart te drukken dat zij den neergebogen man weder oprichten en hem aan zijne plichten herinneren moest. Veel nieuws had hij haar niet te melden, want zij zelve was op zee lang genoeg getuige geweest van den droevigen toestand van haar gade. In den laatsten tijd echter begon Antonius daarin behagen te scheppen, en dat verontrustte den trouwen man het meest.
De imperator had het kleine paleis, dat hij op den Choma bewoonde zijn Timonium genoemd, omdat hij zich vergeleek bij den vermaarden menschenhater uit Athene, even als hij door vele voormalige vrienden verraden, nadat het geluk hem den rug had toegekeerd. Reeds bij Tænarum had hij zich bedacht dat hij zich op den Choma wilde terugtrekken en dien, door een muur, die de landtong van het vasteland zou afsnijden, even ongenaakbaar te maken als het graf van Timon te Halæ, in de buurt van Athene moest zijn geweest. Gorgias had dien muur opgericht, en ieder die den wereld-ontvluchtenden man wilde bezoeken, moest per schip komen en om toegang verzoeken; en nog werd deze maar aan enkelen vergund.
Cleopatra hoorde Lucilius vol belangstelling aan, en vroeg hem of er niets zou zijn waarmee men den droefgeestige genoegen kon doen of opwekken.
»Neen, gebiedster,” antwoordde hij. »Hij denkt het liefst aan hetgeen hij eenmaal bezat, maar alleen om te bewijzen hoe weinig het de moeite loont zich daaraan te herinneren. »Welke genietingen heeft het leven mij niet geboden?” vraagt hij, en voegt er bij: »Maar dezelfde keerden telkens weder, en als men zich tienmaal daarin had verheugd, dan werden zij eentonig, en hadden hunne aantrekkingskracht verloren. Wat zij nalieten was enkel verveling en walging.” Hij wil niets dan het noodigste hebben, zooals water en brood, maar hij verlangt naar geen van beide omdat hij daarin nog minder smaak vindt dan in datgene waarmede men zich den volgenden morgen bederft. Gisteren, toen hij bijzonder somber was gestemd, viel ons gesprek op het goud. Dat was misschien nog het meest waard begeerd te worden. De enkele aanblik daarvan wekte reeds aangename verwachtingen op, omdat daarin zoovele genietingen verborgen lagen. Maar daarop lachte hij weder, en beweerde dat het juist deze genietingen waren die de afschuwelijke oververzadiging in het leven riepen. Het goud was ook al niet waard er een hand naar uit te steken.
»Zulke gedachten spint hij gaarne uit, en zoekt dan beelden om zijne bedoeling duidelijk te maken. »In de sneeuw op de hoogste toppen,” zeide hij, »bevriezen onze voeten. In het slijk hebben zij het warm, maar de zwarte modder is leelijk, en blijft er aanhangen.”
»Ik merkte op, dat er tusschen het moeras en de sneeuw op de bergen, zonnige dalen liggen waarin men heerlijk leven kan, maar hij stoof op, en wierp het denkbeeld ver weg, zich ooit tevreden te stellen met den jammerlijken middenweg van Horatius. Daarop ging hij voort: »Ja, ik heb het onderspit moeten delven. Octavianus en zijn Agrippa zijn de overwinnaars, maar als een steen mij verplettert, of de plompe poot van een olifant mij vertrapt, dan ben ik toch nog van een hoogere natuur dan die beide zijn.””
»Dat was weder de oude Marcus Antonius!” riep Cleopatra uit, doch bij den trouwen man werd opnieuw de toorn wakker tegen de vrouw die voedsel gegeven had aan den overmoed, waardoor zijn machtige vriend ten val was gekomen. Hij ging daarom voort: »Maar dikwijls ziet hij zichzelf ook in een ander licht. Onlangs riep hij uit: »geen dichter zou zich een onwaardiger leven kunnen denken dan het mijne is: een satyrspel, met een tragedie tot slot.””
Lucilius had nog veel krenkender dingen hierbij kunnen voegen, maar tegenover den bedroefden blik uit de vochtige oogen der zwaarbeproefde vrouw, wilden die hem niet over de lippen.
De gebroken man wist op de eene of andere wijze in bijna alles wat hij sprak Cleopatra te betrekken. Somtijds deed hij dit met weergaloos bittere verwijten, maar vaker nog met onbegrensde verrukking en heftige uitbarstingen van het vurigst verlangen, en juist die waren het, die Lucilius versterkten in de hoop, dat de invloed van de Koningin zich krachtig zou doen gelden bij zijn vriend. Daarom bracht hij haar eenige bijzonder hartelijke woorden over, die Antonius aan haar aandenken had gewijd, en die hoorde zij met dankbare blijdschap aan.
Toen Lucilius ophield met spreken, maakte zij intusschen de opmerking, dat de menschenhater toch zeker ook wel in een anderen geest van haar en misschien ook van Octavia, zou hebben gesproken. Zij was op het allerergste voorbereid; zij behoorde immers tot de klippen, waarop zijne grootheid schipbreuk geleden had.
Op dat oogenblik herinnerde Lucilius zich wat Antonius eenmaal had gezegd omtrent de drie vrouwen, wier gemaal hij was geweest, en aarzelend antwoordde hij: »Fulvia, de gemalin zijner jeugd—ik heb die hartstochtelijke, vermetele vrouw, de voormalige gade van Clodius, welgekend—noemde hij de stormwind, die in zijne zeilen geblazen had.”
»Goed, goed,” riep Cleopatra. »Dat deed zij ook. Hij heeft haar veel te danken, en ook ik ben veel aan de overledene verplicht. Zij heeft hem geleerd de macht der vrouw te erkennen en zich daarnaar te voegen.”
»Niet altijd tot zijn voordeel,” hernam Lucilius, bij wien dat laatste gezegde het pas verdwenen onaangename gevoel weder opwekte, en zonder te letten op den lichten blos der Koningin, ging hij voort: »Van Octavia zeide hij, dat zij de rechte weg was geweest, die tot tevredenheid leidt, en die hen, die zich daarmede vergenoegen, bij goden en menschen aangenaam maakt.”
»Waarom vergenoegde hij er zich dan met mede?” vroeg de Koningin driftig.
»In de school van Fulvia,” antwoordde de Romein, »werd tevredenheid het allerlaatste onderwezen. Gij weet dat die aan zijne natuur, die gij zoo goed kent, vreemd is. Ook hebt gij zooeven gehoord hoe hij over rustige dalen en den gulden middenweg denkt.”
»Maar ik, wat ben ik voor hem geweest?” vroeg de Koningin in spanning.
Lucilius zag een tijdlang nadenkend naar den grond, en gaf toen aarzelend ten antwoord: »Gij verlangt het te hooren, en het bevel der Koningin moet gehoorzaamd worden! U, gebiedster, noemde hij een heerlijk overwinningsfeest waarop de gasten zich met kransen op het hoofd, vóór den slag in weelde baden.”
»En die verloren wordt,” voegde de koningin er op gedempten toon bij. »Die vergelijking is juist. Thans, na de nederlaag, zou het iets tegenstrijdigs zijn, opnieuw een feestmaal aan te richten. Het treurspel loopt ten eind; daar het satyrspel—zoo zeide hij immers?—reeds vooraf is gegaan, zou de opvoering daarvan in dezen tijd slechts een onaangename herhaling zijn. Trouwens, ééne zaak schijnt mij gewenscht: een verzoenend slottooneel. Zoo gij denkt dat het in mijne macht staat mijn gade terug te geven aan het leven, reken dan op mij. Het overwinningsmaal, waarvan hij sprak, heeft lange jaren geduurd. Het nagerecht zal kort zijn, maar ik ben bereid daarvoor te zorgen. Toen ik hem een bezoek wilde brengen, heeft hij mij afgewezen. Op welke wijze stelt gij u de toenadering voor?”
»Ik geloof,” antwoordde Lucilius, »dat ik dat aan uwe vrouwelijke fijngevoeligheid moet overlaten. Doch ik kom ook met een verzoek, en in de vervulling daarvan ligt misschien reeds het antwoord opgesloten. Eros, de trouwe lijfslaaf van Marcus Antonius, laat uwe majesteit nederig verzoeken hem enkele oogenblikken gehoor te verleenen. Gij kent den wakkeren knaap. Hij zou voor u, zoowel als voor zijn heer, het leven laten, en hij.... Ik heb eens van uzelve gehoord wat Koning Antiochus zeide: dat niemand groot was voor zijn lijfslaaf.... Zoo ziet dan ook Eros de zwakheden en voorrechten van zijn heer van meer nabij dan wij, en daarbij is hij verstandig. Antonius heeft hem sinds lang vrijgelaten, en indien uwe Majesteit er niet tegen heeft den geringen man bij zich te ontvangen....”
»Laat hem komen,” antwoordde Cleopatra. »Wat gij van mij verlangt is billijk. Ik weet helaas maar al te goed wat ik bij mijn vriend heb goed te maken. Reeds vóór gij kwaamt bedacht ik mij juist, hoe ik een zijner vurigste wenschen zou vervullen.”
Hierop gaf zij den Romein zijn afscheid, en zag hem met gemengde gewaarwordingen vertrekken. Het smachtend verlangen naar den man, dien zij reeds zoo lang moest missen, was opnieuw in haar ontwaakt, en toch klonken de grievende woorden, die hij omtrent haar had geuit, nog bij haar na. Doch nauwelijks was de deur achter Lucilius gesloten, of de hofmaarschalk meldde de komst van eenige afgevaardigden uit de leden van het Museum.
De geleerde heeren kwamen zich beklagen over het onrecht dat hun medelid Didymus was aangedaan, en tegelijkertijd uiting geven aan hunne gevoelens van trouw, ook in dezen tijd van druk. Cleopatra van hare zijde betuigde hen hare hulde en verklaarde dat zij den ouden philosoof reeds volkomen schadeloosstelling had aangeboden. Zij was in zekeren zin een der hunnen. Zij wisten immers allen, dat zij van hare jeugd af aan hun streven geëerbiedigd en gedeeld had. Ten bewijze daarvan vereerde zij aan de bibliotheek van het Museum de tweehonderd duizend boekdeelen die uit Pergamus afkomstig waren, een der schoonste geschenken waarmede Marcus Antonius haar ooit had verrast, en die zij tot nu toe aan hunne boekerij slechts in bruikleen had afgestaan. Daardoor hoopte zij de schade die tot haar leedwezen aan Didymus was toegebracht, weder goed te maken, en tenminste gedeeltelijk het verlies te herstellen, dat de beroemde bibliotheek van het Museum door den brand in het Bruchium geleden had.
De geleerden verwijderden zich met levendige dankbetuigingen en verzekeringen van trouwe gehechtheid. Zij kende de meesten van hen persoonlijk, en met de uitstekendste onder hen had zij dikwijls een wedstrijd in scherpzinnigheid gehouden, tot genoegen en ten nutte van beide partijen.
De zon was reeds ondergegaan, toen een den vorigen dag aangekondigde optocht der priesters van Serapis, den hoogsten god der stad, op de Lochias verscheen. Begeleid door fakkel- en lantaarndragers, bewoog de stoet zich langzaam in plechtige staatsie, voort. Overeenkomstig den aard van Serapis, was daarbij veel dat aan den dood moest doen denken. De Koningin was met de beteekenis van ieder beeld, iedere standaard, iedere kist, iedere bijzonderheid van de muziek en het gezang vertrouwd. Zelfs de afwisselende kleuren van het licht hadden een beteekenis, die betrekking had op den kringloop van het worden en vergaan in het heelal en in het menschelijk leven, en het grootsche slot van het eerebetoon, dat de opname van de koninklijke ziel in het wezen der godheid, de apotheose van de ziel des heerschers voorstelde, was wel geschikt het hart te treffen. Onverwachts baadde de geheele stoet in een zee van licht, en terwijl door dien lichtgloed de omvangrijke steenen massa van het paleis, de zee met de schepen en masten die haar bedekten, en de kust met zijn tempels, pylonen, obelisken en praalgebouwen werd beschenen, vereenigde zich al de koren, begeleid door de klanken der bazuinen, cymbalen en luiten tot één machtige hymne, welker tonen tot aan den sterrenhemel en de open zee achter den vuurtoren doordrongen.
Allerlei zinnebeeldige voorstellingen moesten doen denken aan den dood en de opstanding, de nederlaag en een daarop volgende overwinning door den bijstand van den grooten Serapis, en toen de fakkels zich verwijderden en tegelijk met het gezang der priesters in het donker van den nacht verdwenen, hief Cleopatra het hoofd omhoog, en het was haar alsof de gelofte die zij zichzelve had gedaan, onder het zachte gezang der grijsaards en het uitblusschen der flambouwen, de goedkeuring had verworven van den god, dien hare vaderen naar Alexandrië gebracht en daar eer hadden doen bewijzen, opdat hij het wezen der Grieksche en Aegyptische godheden in zich vereenigen zou.
Nu moest haar grafmonument worden opgericht en wanneer het noodlot het wilde, haar geliefde en haar zelve tot gezamentlijke rustplaats strekken. Zij had uit de bittere woorden van Antonius, zoowel als uit den blik en den klank der stem van Lucilius, begrepen, dat hij, evenals den man aan wien haar hart ook nu nog met onverbrekelijke banden was gehecht, haar aansprakelijk stelden voor Actium en de vernietiging van zijn grootheid. Zij wist dat de wereld dat naspreken zou, maar die moest leeren inzien dat, zoo het de liefde was geweest die den grootsten man van zijn tijd roem en heerschappij had doen verliezen, deze liefde ook den allerhoogsten prijs waard was geweest.
Wat men haar zooeven in een zinnebeeld voor oogen had gesteld, dat het voor het verdwijnende licht was weggelegd in nieuwen stralenden glans weder op te gaan, dat wilde zij bedenken, ook dan als de beste uitslag harer pogingen tot niets leidde dan om de glimmende vonken nog eens aan te blazen en het uitdooven daarvan nog wat uit te stellen.
Voor haar eigen persoon was er geen groote overwinning meer te behalen, die den strijd zou zijn waard geweest. Toch mochten de wapenen niet rusten tot het laatste toe, en mocht Antonius niet langer, als een andere Timon, morrend en als een stuk wild dat in een strik gevangen was, er bij nederliggen. Zij wilde het vuur zijner heldennatuur, dat door de blinde liefde tot haar en door de macht der tooverkunst, waarmede zij zijn wil gebonden had, met verstikkende asch was bedekt, weder oprakelen en het dwingen, al was het maar tot een enkele laatste opflikkering.
Onder het luisteren naar de opstandingshymne der Serapispriesters, had zij zichzelve de vraag gesteld: of het misschien niet mogelijk zou zijn om aan Antonius, zoo deze tot nieuwe geestkracht ontwaakte, den zoon van Julius Cæsar tot medestrijder te geven.
Het is waar, zij had den jongeling anders wedergevonden dan zij had gehoopt. Ofschoon hij zich eenmaal tot een stoute onderneming had laten medesleepen, scheen het alsof al zijn kracht tot handelen daarmede uitgeput was, want thans gaf hij zich geheel aan de jammerlijkste liefdesmart over, en verdiepte zich in somber gepeins. Maar hij was dan ook nog ziek. Als hij hersteld was zou hij weder ontwaken tot levendige belangstelling in de gebeurtenissen, die zoo diep dreigden in te grijpen in zijn bestaan, en, even goed als de geringste slaaf, treuren over de nederlaag bij Actium.
Tot nu toe had hij alle berichten omtrent den slag, dien men hem letterlijk had moeten opdringen, aangehoord met een onverschilligheid, die alleen te verklaren en te vergeven was als men die aan zijn verwonding toeschreef.
Zijn gouverneur Rhodon had zooeven om een kort verlof verzocht en daarbij opgemerkt, dat het in zijn afwezigheid Cæsarion niet aan gezelschap zou ontbreken, daar hij Antyllus en eenige andere jongelieden van zijn leeftijd verwachtte.
De vensters van de ontvangzaal van den »Koning der koningen” waren helder verlicht. Het was nog tijd hem op te zoeken en te doen begrijpen, waarom het ook voor hem te doen was. O, indien het haar eens gelukte zijns vaders geest bij hem wakker te maken! Indien eens die strafwaardige aanslag op Barine een voorbode was geweest van toekomstige heldendaden!
Geen enkele ontmoeting met hem had haar nog aanleiding gegeven tot deze verwachting, doch voor het moederhart wordt zelfs de ontgoocheling licht een trap die tot nieuwe hoop leidt. Toen Charmion binnentrad om den lijfslaaf van Antonius aan te dienen, beval zij dien te laten wachten, en verzocht haar vriendin haar naar haar zoon te vergezellen. Op het oogenblik toen zij de vertrekken naderden die Cæsarion bewoonde, klonk de luide stem van Antyllus haar tegen door de breede open deur, waarvan het voorhangsel slechts half toegeschoven was. Het eerste woord dat de Koningin verstond, was haar eigen naam; daarom gaf zij hare gezellin een wenk, en beiden bleven staan.
Het onderwerp van het gesprek was alweder Barine. De zoon van Antonius verhaalde wat hij door Alexas had gehoord. Cleopatra, had de Syriër beweerd, was van plan geweest de jonge vrouw naar de steengroeven of in verbanning te zenden, en Dion zwaar te straffen; doch nu waren beiden ontsnapt. De epheben hadden zich als verraders gedragen, want zij hadden de partij van hun vijand gekozen. Maar dat was daaraan toe toe te schrijven, dat men hem nog niet met het jongelingsgewaad had bekleed. Hij hoopte zijn vader daartoe te bewegen indien deze maar eerst weder van zijn beklagenswaardige menschenschuwheid verlost was. Dan moest men hem ook overreden zelf voor de vervolging der gevluchten te zorgen. »En dat zal niet moeilijk gaan,” riep hij overmoedig uit, »want de oude man weet wat schoon is, en heeft zelf reeds een oog op de zangeres geworpen. Doch als zij haar vangen, dan sta ik u overigens voor niets in, gij »Koning der koningen”—want ondanks zijn grijzen baard steekt hij ons allen bij de vrouwen nog de loef af, en voor Barine—dat hebben wij immers gehoord—begint een man eerst iets waard te worden, wanneer zijn haar gaat dunnen. Ik heb aan den trawant Derketaeus opgedragen al zijne lieden uit te zenden om haar te zoeken; die is zoo slim als een vos, en de gerechtsdienaars moeten hem gehoorzamen.”
»Als ik hier maar niet moest liggen als een doode ezel,” zuchtte Caesarion, »dan zou ik haar wel vinden. Nacht en dag denk ik aan haar. Al mijn geld zou ik willen geven om haar te vervolgen. Gisteren heb ik ook den zaakwaarnemer Seleukus laten komen. Waartoe ben ik anders de zoon mijner moeder? Doch die kleine, dikke man is de eerlijkste niet. Hij wil wel-is-waar, nog niet toeslaan, maar toch moet er geld genoeg zijn. In den Delta, op de grens van Syrië, heeft de Koningin millioenen in het zand verstopt. Ik hoor dat men daar bezig is een vierkante kuil te graven, of iets dergelijks om daarin de vloot te verbergen. Ik heb dat onzinnige plan maar half begrepen. Ik had voor dat geld honderden speurhonden kunnen laten werken. Zoo worden de talenten weggeworpen, en voor den eigen zoon blijft de kas gesloten. Maar ik zal wel iemand vinden om die voor mij te openen! Ik moet het geld hebben, al kost het ook de kroon. Het klinkt mij altijd als spot in de ooren, als zij mij »Koning der koningen” noemen. Ik deug niet voor de heerschappij! Buitendien, eer ik den troon werkelijk bestijg, zal hij mij reeds ontnomen zijn. Wij hebben de nederlaag geleden, en indien het ons gelukt vrede te sluiten, waardoor wij het leven en maar weinig meer behouden mogen, dan moeten wij het daarmede doen. Ik voor mij ben tevreden met een landgoed aan het water, geld genoeg, en daarbij Barine. Wat gaat dit Aegypte mij aan? Als Caesars zoon zou ik over Rome kunnen gebieden,—doch de goden wisten wat zij deden, toen zij mijn vader ingaven mij te onterven. Om de wereld te regeeren, moet men een minder sterke behoefte aan slaap hebben. Eigenlijk—dat weet gij wel—voel ik mij altijd moede, zelfs wanneer ik gezond ben. Men moet mij met vrede laten! Uw vader, Antyllus, legt immers ook de wapenen neder, en laat de dingen gaan zooals zij willen.”
»Helaas ja!” riep Antonius' zoon wrevelig. »Maar wacht slechts! De sluimerende leeuw zal weder ontwaken, en als hij zijn tanden en klauwen gebruikt....”
»Dan loopt mijn moeder weg, en uw vader haar achterna,” hernam Caesarion met een diep weemoedigen, niets minder dan honenden glimlach. »Alles is nu ook verloren. Maar Rome laat de overwonnen koningen en koninginnen in het leven. Men zal Caesars zoon niet bij een triomftocht aan de Quiriten vertoonen. Daarvoor gelijk ik te veel op mijn vader. Er zou een oproer komen, zegt Rhodon, indien ik op het Forum verscheen. Als ik daar nog eens kom—dan zal het zeker niet zijn bij den zegevierenden intocht van Octavianus, want voor deze soort van schande ben ik niet gemaakt. Zij zou mij doen stikken, en eer ik een ander het genoegen gunde, Cæsars zoon achter zich aan te sleepen, om zijn eigen roem te verhoogen, zou ik aan mijn toch niet overheerlijk leven op goede Romeinen-manier tien- neen honderdmaal een eind maken. Wat is er eigenlijk zoeter dan een vaste slaap, en wie stoort of wekt mij, wanneer de dood zijn toorts voor mij uitbluscht? Maar nu blijft mij ten minste het ergste bespaard, zou ik denken. Alles wat men mij nog meer zou kunnen aandoen, zal mijn kracht niet te boven gaan. Zoo iemand geleerd heeft zijn wenschen te matigen, dan ben ik het. Den »Koning der koningen” en mederegent der groote Koningin werd zijn leven lang tevredenheid ingeprent. Wat moest ik zijn, en wat ben ik?—Doch ik klaag niet, en zal ook niemand beschuldigen. Wij behoeven Octavianus niet te roepen, en is hij er eenmaal, dan mag hij nemen wat hij wil, indien hij mijne moeder, de tweelingen en den kleinen Alexander, die mij allen lief zijn, maar laat leven; en indien hij mij het landgoed waarvan ik sprak—met vischrijke vijvers als hoofdvoorwaarde—als mijn eigendom toebedeelt. Den gewonen burger Cæsarion, die zich den tijd verdrijft met hengelen, en met de boeken die hij gaarne leest, zal men licht veroorlooven zich een vrouw te kiezen naar zijn eigen smaak, en van hoe geringer afkomst zij is, zooveel te zekerder krijg ik de toestemming van mijn Romeinschen voogd.”
»Weet gij wat, Cæsarion,” viel hier de losbandige zoon van Antonius hem in de rede, en strekte daarbij, op zijn rustbank liggende, zijn beenen verder uit, »zoo gij niet »de Koning der koningen” waart, dan zou ik lust hebben u een nietswaardige, flauwe knaap te noemen. Wie het geluk heeft de zoon van Julius Caesar te zijn, moest dat niet zoo schandelijk vergeten. Bij al dat jammeren van u is mij de gal overgeloopen. Bij den Hond! Het was een van mijn domste streken, om u bij die zangeres te brengen! Mij dunkt dat er nu voor den »Koning der koningen” wel wat anders te bedenken valt! Daarbij geeft Barine evenveel om u als de laatste meerval dien gij gevangen hebt. Dat heeft zij u duidelijk genoeg getoond. En dan, laat ik u nog eens zeggen: als het Derketaeus gelukt de schoone op te sporen, die u het verstand doet verliezen, dan zal zij u daarom nog lang niet volgen naar uw ellendig landgoed, om de visschen, die gij met hengelen vangt, voor u te koken; want als wij haar weder hier hebben, en mijn vader slechts een hand naar haar uitsteekt, dan zou al uwe moeite vergeefsch zijn. Hij heeft die blonde harten-veroveraarster immers slechts tweemaal gezien, en de tijd ontbrak hem haar nader te leeren kennen; doch zij behaagde hem, en als ik hem aan haar herinner, wie weet wat er dan gebeurt?”
Op dit oogenblik gaf Cleopatra haar vriendin een wenk, en met gebogen hoofd keerde zij naar hare vertrekken terug. Eerst dààr verbrak zij het stilzwijgen, en zeide: »Gesprekken afluisteren, Charmion, is zeker een Koningin niet waardig, doch als alle luisteraars zulke pijnlijke dingen te hooren kregen als ik, dan behoefde men niet meer te letten op de reten der deuren en sleutelgaten. Vóór ik Eros ontvang, moet ik eerst tot mijzelve komen. En nu nog één ding! Is de schuilplaats van Barine veilig?”
»Ik ken die niet, maar Archibius zegt van ja.”
»Goed. Zij wordt ijverig genoeg gezocht, zooals gij hebt gehoord, en men mag haar niet vinden. Het verheugt mij dat zij het niet was, die den knaap tot zich lokte. Waartoe kan het jaloersche hart ons niet brengen? Had ik haar hier, dan zou ik haar, ik weet niet wat willen toestaan, ter wille van Antonius en mijn valschen argwaan. En te denken dat Alexas haar—en zonder uwe tusschenkomst zou dat geschied zijn—naar de steengroeven had willen zenden! Het is een vreeselijke waarschuwing om op onze hoede te zijn. Voor wien? Altijd het eerst voor onze eigen zwakheid. Dit is voor mij een dag van nieuw inzicht. Een edel doelwit; doch op den weg daarheen worden de voeten ten bloede toe opengereten en het hart,—ach Charmion, dat arme, zwakke, ontgoochelde hart!”
Zij zuchtte diep, en liet het hooft rusten op haar arm, die op een naast haar staande tafel steunde. Dat glimmende, fraai gevlamde blad van thyahout had een even groote som gekost als een groot landgoed; de edelsteenen der ringen en banden aan haar handen en armen, zooveel als een vorstendom. Dat kwam haar nu in de gedachte, en in een opwelling van toornigen weerzin zou zij al die kostbare nietigheden liefst ver van zich af, in de zee of in de vernielende vlammen geworpen hebben.
Zij zeide tot zichzelve dat zij zich gaarne als een bedelares met het gerstebrood van Epicurus tevreden zou stellen, indien zij daarvoor haar zoon, al was het slechts de gezindheid van den lichtzinnigen dwarrelwind Antyllus, had kunnen inblazen. Voor zóó machteloos, zóó onbeduidend hadden hare ergste vermoedens Cæsarion niet gehouden. Zij kon het op de rustbank niet meer uithouden, en terwijl zij met neergebogen hoofd een terugblik op het verleden wierp, riep de aanklager in haar eigen borst haar toe, dat zij nu maaide, wat zij had gezaaid. Zij had de ontwakende wilskracht van den knaap tegengegaan, onderdrukt, om hem gehoorzaamheid te leeren. Zij had alle pogingen van zijn kunnen en streven in wijderen kring weten te weerhouden. Dat was trouwens niet gebeurd zonder dat zij daarvoor menig voorwendsel had gevonden. Waarom zou haar zoon niet het stille geluk mogen smaken, dat zij in den Epicuristentuin te Kanopus had gekend? En was de eisch dat, wie eens zou moeten bevelen, eerst zelf moest leeren gehoorzamen, dan niet op oude ervaringen gegrond?
Deze dag was echter aan afrekening en opheldering gewijd, en voor het eerst vond zij den moed zichzelve te bekennen, dat haar eigen brandende eerzucht bij de opvoeding van Cæsarion had voorgezeten. Zij had niet uit koele berekening zijn aanleg onderdrukt. Het was haar alleen aangenaam geweest hem zoo zonder wenschen te zien opgroeien. Zij had den droomer rust gegund, zonder hem wakker te maken. Hoe dikwijls had zij zich verheugd in de zekerheid, dat deze zoon, aan wien Antonius bij zijn zegepraal over de Parthen den titel van mede-regent had gegeven, zich nooit zou verzetten tegen de voogdij zijner moeder. Het welzijn van den Staat was toch in hare bekwame hand veiliger dan in die van een onervaren knaap. En dan het trotsche gevoel van haar macht! Haar hart zwol daarbij op. Zoolang zij leefde, wilde zij Koningin zijn! De heerschappij aan een ander, wie dat ook zijn mocht, af te staan, scheen haar onmogelijk. Thans wist zij hoe weinig haar zoon naar zulke hooge dingen streefde. Haar hart kromp ineen. Het woord: »gij maait wat gij hebt gezaaid” liet haar geen rust, en waar zij ook rondzag in haar vroeger leven, overal ontdekte zij de vrucht van het zaad, dat zij zelf in den bodem had gelegd. Het veld droeg den last der onheilvolle halmen. Het was rijp voor den maaier. Doch eer deze de zeis opnam, moest het recht van den bezitter verzekerd zijn. Gorgias moest met het bouwen der graftombe haast maken, want het einde zou niet lang meer op zich laten wachten. Hoe zij aan dat einde een waardigen vorm moest geven, indien de overwinnaar haar geen andere keus liet, dat had zooeven de zoon, over wien zij zich schaamde, haar voorgeschreven. Den diepsten smaad te dragen met het geduld dat zijn moeder hem had ingescherpt, dat verbood hem ten minste het edele bloed van zijn vader.
Het was reeds laat, toen zij den lijfslaaf van Antonius bij zich toeliet. Doch voor haar moest de werkzaamheid voor den nacht nog pas beginnen. Als hij weg was, dan moest zij nog uren lang arbeiden met de bevelhebbers van het leger, de vloot en de vestingwerken. Daarbij moest zij voortgaan, door middel van hartroerende brieven, bondgenooten te werven.
Daar kwam Eros, de lijfslaaf van Antonius, binnen. Bij dit wederzien vulden zich zijn trouwe oogen met tranen. Het verdriet had wel is waar zijn aardig rond gezicht niet aan volheid doen verliezen, maar de uitdrukking van een schalksche, vaak overmoedige vroolijkheid had plaats gemaakt voor een weemoedigen trek om den mond, en zijn blond haar begon al grijs te worden.
Het bericht van Lucilius, dat Cleopatra er in bewilligde zijn heer weder te ontmoeten, was voor hem geweest als het doorbreken van de zon na lange duisternis. In zijn oogen moesten allen, niet alleen zijn heer, zich buigen voor de macht der Koningin. Hij had het bijgewoond hoe Antonius te Tarsus uitgevaren was tegen de Aegyptische slang, die hij voor haar twijfelachtige gezindheid jegens hem, haar ouden vriend, en omtrent de zaak van Caesar, zou laten betalen, betalen dat de schatkamers aan den Nijl er zoo mager van zouden worden als een leege wijnzak,—en slechts enkele uren later, was hij haar weder met lichaam en ziel toegedaan geweest. Zoo was het altijd gegaan, tot aan den dag van Actium toe. Nu was er niets meer te verliezen; maar wat kon Cleopatra zijn heer niet schenken en toestaan? Hij dacht daarbij slechts in het voorbijgaan aan de goede jaren, toen zijn gezicht zoo dik en rond geworden was, en iederen dag oogen en ooren, verhemelte en neus te gast waren gegaan, terwijl ook de nieuwsgierigheid werd bevredigd door allerlei vermaken en vertooningen, op een wijze zooals de wereld nooit weder zien zou. Indien dat alles—al ware het in bescheidener vorm—zich herhalen wilde, des te beter! Datgene waarom het hem hoofdzakelijk, ja bijna alléén was te doen, was zijn heer te verlossen uit deze droevige eenzaamheid en van dat akelige wereldverachters-bestaan, dat zoo slecht bij hem paste.
Cleopatra had hem ongeveer twee uren laten wachten, doch hij zou graag nog driemaal zoo lang in het voorvertrek vliegen gevangen hebben, wanneer zij dan had kunnen besluiten zijn raad te volgen. Die was werkelijk de aandacht waard, en Eros hield hem niet vóór zich. Hoe Antonius de verschijning van Cleopatra zelve opnemen zou, kon niemand weten. Daarom sloeg hij voor, dat zij Charmion zou zenden, en wel vergezeld van haar slimme gebochelde kamervrouw, aan wie de imperator zelf den naam Aisopion gegeven had. Hij was Charmion altijd genegen geweest, en de bruine dienares kon hij niet aanzien zonder met haar te schertsen. Als zijn heer nu maar eerst weder eens aan een ander dan alleen aan hem, Eros, een vroolijk gezicht had getoond, en daarbij had ondervonden, hoe veel meer goed het doet te lachen dan somber voor zich heen te staren en te morren, dan zou er al zóóveel gewonnen zijn. Het overige zou Charmion wel gedaan krijgen, wanneer zij hem slechts vriendelijke woorden van de Koningin mocht overbrengen.
Tot zoover had Cleopatra hem laten voortspreken, doch toen zij het vermoeden uitte, dat de radde tong van een slavin maar weinig zou kunnen veranderen aan de ernstige zwaarmoedigheid van een door tegenspoed getroffen man, maakte Eros een gebaar met zijn breede, korte hand, en zeide: »Moge de goddelijke Majesteit een gering man zijn openhartigheid vergeven, maar voorname lieden geven onwillekeurig aan een van onzen stand veel te zien, wat zij voor huns gelijken verbergen. Alleen aan den allerhoogste en geringste, aan de godheid en den slaaf, toonen de grooten zich onvermomd zooals zij zijn. Men mag mij de ooren afkappen, wanneer die menschenhaat en zwaarmoedigheid zoo diep gaan bij den imperator. Dat is alles een vertooning, waarin hij behagen schept. Gij weet nog wel, hoe gaarne hij in beter dagen zich als Dionysos vertoonde, en met welk een wegslependen vroolijken overmoed hij de rol van dien god speelde. Nu verbergt hij zijn waar en opgeruimd gelaat onder het masker van menschenschuwe mijmerij, omdat het hem toeschijnt zoo slecht te passen voor dezen tijd van jammerlijke ellende. Het is waar, menigmaal geeft hij iemand dingen te hooren, die hem een rilling op het lijf jagen, en ook zit hij dikwijls in zichzelf gekeerd stil te peinzen. Maar dat duurt nooit lang, wanneer wij alleen zijn. Kom ik met een recht grappig verhaal aan, en legt hij mij niet dadelijk het zwijgen op, dan kunt gij er op aan, dat hij mij met een nog koddiger overtroeft. Onlangs herinnerde ik hem aan die vischvangst, waarbij uwe Majesteit door den duiker een gezouten haring aan zijn hengelhaak had laten binden. Toen hadt gij hem moeten hooren lachen en uitroepen, welk een kostelijke tijd dat was geweest! De edele Charmion behoeft hem dien slechts weder te binnen te brengen en Aisopion het met iets geestigs te kruiden. Ik geef ook mijn neus er voor—hij is wel klein, maar ieder geeft dáárom toch het meeste—als zij hem er niet toe brengen om dat afschuwelijke kraaiennest, midden in de zee, te verlaten. Zij moeten ook spreken van de tweelingen en van den kleinen Alexander; want als dat mij veroorloofd is, dan wordt zijn voorhoofd het spoedigst weder glad. Hij zelf spreekt nog dikwijls met Lucilius en zijn andere vrienden van zijn grootsch plan om een machtig rijk van het Oosten te stichten, met Alexandrië tot hoofdstad. Zijn krijgsmansbloed is dan ook nog niet tot rust gekomen. Onlangs moest ik zelf den krommen Perzischen sabel slijpen, dien hij hier zoo gaarne draagt. Men kan niet weten, zeide hij, waarvoor die nog dienen kan. En toen zwaaide hij dien met zijn sterken arm. Bij den Hond! De kracht van drie jongelingen steekt nog in dezen grijzenden reus. Als hij maar eerst weder bij u is, en onder zijn krijgslieden en paarden, dan wordt alles nog goed.”
»Laat ons dat hopen,” antwoordde zij vriendelijk, en beloofde hem zijn raad te zullen volgen.
Toen Iras, die Charmion in den dienst opgevolgd was, de Koningin na vele uren arbeid ter ruste bracht, vond zij haar stil en bedroefd. In gedachten verzonken liet zij zich de handreikingen van haar vertrouweling welgevallen. Nadat zij zich reeds op hare legerstede had gelegd, verbrak zij het stilzwijgen, en zeide: »Dat was een moeilijke dag, meisje, en toch bracht hij mij niets dan de bevestiging van een oude, misschien de alleroudste les: Ieder maait alleen, wat hij heeft gezaaid. De kiem die voortkomt uit het koren, dat gij in de aarde hebt gelegd, laat zich wel vertreden, doch geene macht ter wereld kan den zaadkorrel dwingen zich anders te ontplooien en een andere vrucht voort te brengen, dan de natuur daaraan voorgeschreven heeft. Mijn zaad was slecht. Dat wordt mij nu, in den oogsttijd, duidelijk. Maar toch zullen wij ook nog een handvol goede tarwekorrels in de schuur bergen. Daarom moeten wij daarvoor zorgen zoolang het nog tijd is.
»Morgen vroeg zal ik met Gorgias spreken. Als er iets te bouwen viel, hebt gij altijd goeden smaak getoond en ons dikwijls op een nieuwe gedachte gebracht. Wanneer Gorgias ons de plannen voor de graftombe voorlegt, dan moet gij ze mede bespreken. Daarop hebt gij recht, want zoo ik mij niet vergis, zullen weinig menschen het voltooide monument trouwer bezoeken dan mijne Iras.”
Het meisje sprong op, en terwijl zij hare hand als tot een eed in de hoogte stak, riep zij: »Op mijn bezoek zal uw grafteeken te vergeefs wachten;—uw einde zal ook het mijne zijn.”
»Daarvoor mogen de goden uwe jeugd bewaren,” viel de Koningin haar op een toon van ernstige afkeuring in de rede. »Nog leven wij, en willen wij strijden.”