ZESTIENDE HOOFDSTUK.
Louise Stuart translation
Broeders en zusters zijn zelden zeer spraakzaam, wanneer zij met elkander alleen zijn. Toen Charmion met haar broeder naar de Lochias ging, kostte het haar toch al moeite woorden te vinden, zoo diep hadden de gebeurtenissen van het laatste uur haar aangegrepen. Ook Archibius wilde het niet gelukken zijn geest op iets anders te richten, en toch was zijn hoofd vervuld van zaken, die in veel wijderen kring van beteekenis, en daarom gewichtiger waren.
Stilzwijgend liepen zij naast elkander voort.—Toen zijn zuster vroeg waar de jonggehuwden zich verbergen moesten, antwoordde hij dat dit, hoe goed zij ook zwijgen kon, voor haar een geheim moest blijven. Op de tweede vraag, hoe het mogelijk was geweest ongestoord het binnenste gedeelte van den Isistempel in gebruik te nemen, kon hij ook slechts met omzichtigheid antwoord geven.
In werkelijkheid was het de vrije beschikking over de onderaardsche gangen van het heiligdom geweest, die den bouwmeester op de gedachte had gebracht, Dion langs dien weg naar de boot van Pyrrhus te brengen. Daarvoor was alleen noodig dat de Isistempel, die gewoonlijk dag en nacht openstond, voor korten tijd alleen aan de vrienden der vluchtelingen werd overgelaten, en dat hadden zij gedaan gekregen.
De geschiedschrijver Timagenes, die als afgezant uit Rome gekomen was en de gastvrijheid van zijn vroegeren leerling Archibius genoot, had volmacht gekregen om aan Cleopatra, zijn voormalige leerling, het uitzicht te openen op de erkenning als Koningin voor haarzelve en hare kinderen, en volkomen genade, ingeval zij Marcus Antonius aan Octavianus wilde uitleveren of hem doen ombrengen. De Alexandrijn Timagenes vond zelf dezen eisch even billijk als noodzakelijk, omdat daardoor zijn vaderstad verlost zou worden van den man, wiens willekeur en overmoed hare vrijheid bedreigden, en wiens verkwistende mildheid en onmatige prachtlievendheid zooveel van haar schatten verslond. Voor den Romeinschen staat, dien de historicus hier vertegenwoordigde, beteekende het enkele bestaan van dezen man onrust zonder einde en burgeroorlog. Bij de herstelling op den troon van den fluitspeler, door Gabinius en Marcus Antonius, was Timagenes in slavernij geraakt. Ofschoon het hem te Rome, waar de zoon van Sulla den geschiedschrijver vrijgekocht had, gelukt was grooten invloed te verkrijgen, toch had hij een afkeer van Antonius behouden, en daarom was hem de taak om in zijn vaderstad zijn invloed tegen hem te gebruiken, welkom geweest. Hij hoopte door Archibius, wiens trouwe gehechtheid aan de Koningin hem bekend was, begrepen te worden. En ook Arius, Barine's oom, die vroeger de studiën van Octavianus had geleid, moest hem steunen. Doch de krachtigste medewerking bij zijn zending hoopte hij te vinden bij den grijzen Alexander-priester, het opperhoofd der geheele Aegyptische priesterheerschappij.
Aan hem had hij bewezen dat Antonius in ieder geval een verloren man was, en Aegypte op het punt stond om Octavianus als een rijpe vrucht in den schoot te vallen. Het zou nu spoedig in zijne macht staan om aan het land zooveel vrijheid en zelfstandigheid over te laten als hij goed vond. Ook over het lot der Koningin had de Cæsar alleen te beschikken, en ieder die wenschte haar op den troon gehandhaafd te zien, zou eerst de gunst van Octavianus dienen te winnen.
Dat alles had de wijze Anubis zich zelf ook reeds gezegd, doch Timagenes maakte hem het eerst opmerkzaam op Arius, als op den Alexandrijn dien Octavianus het meest vertrouwde. Zoo was dan ook de hooge prelaat in het geheim met Barine's oom in betrekking gekomen. Doch de eerbied-afdwingende waardigheid en de gebreken van zijn hoogen leeftijd weerhielden Anubis er van Arius, die reeds van vriendschap met de Romeinen werd verdacht, persoonlijk op te zoeken. Daarom had hij zijn vertrouwden schrijver, den nog jongen waarzegger Serapion gezonden, om in zijne plaats te spreken met Octavianus' vriend, die door zijn zware kwetsuur nog altijd verhinderd werd het huis te verlaten en naar hem toe te komen.
Gedurende de onderhandelingen van Timagenes met den secretaris en Arius, was Archibius gekomen om Barine's oom te overreden een poging te doen tot redding van zijn nicht. Allen die het goed meenden met de Koningin, moesten haar in dezen tijd van onrust gaarne terughouden van een daad, die, daar zij ook den Raadsheer Dion betrof, een deel der burgerij tegen haar in het harnas jagen moest. Daarom had de afgezant van den Alexanderpriester, zoodra men hem in het vertrouwen genomen had, zich dan ook volkomen bereid getoond alles te doen wat in zijn vermogen stond, tot redding der bedreigden. Om den persoon van Barine, noch om dien van Dion was het bij hem te doen—wèl ware hij bereid geweest een nog grooter offer te brengen om den machtigen Archibius en vóór alles Arius, die bij het nieuw opgaande licht, Octavianus, zooveel invloed had, voor zich te winnen.
Juist toen de mannen aan het beraadslagen waren wat er tot redding van Barine te doen viel, was de Nubische verschenen en had aan Archibius toevertrouwd, wat er aan Dion's ziekbed afgesproken was met den vrijgelatene en Gorgias. De vlucht der vervolgden zou alleen mogelijk zijn wanneer zij de boot der redding onbemerkt konden bereiken, en dit zou het beste bewerkstelligd kunnen worden door de onderaardsche gang, die de bouwmeester weder opengesteld had.
Nu had Archibius, wien de afgevaardigde van den opperpriester zijn medewerking had toegezegd, de verzamelde mannen in zijn vertrouwen genomen, en Arius had voorgesteld dat zijn nicht Barine in den Isistempel met Dion verbonden, en daarna beiden door de geheime gang naar de boot gebracht zouden worden. Dit denkbeeld was goedgekeurd, en de waarzegger Serapion had beloofd het heiligdom, na het vertrek van de processie, dat na zonsondergang zou plaats hebben, een korten tijd voor de vluchtenden en de huwelijksvoltrekking vrij te houden. Voor dien dienst mocht hij van Octavianus' vriend, die zijn belofte met zulk een warme erkentelijkheid had aangenomen, al zeer spoedig een anderen vragen.
De priesters, zeide de waarzegger, beschermden altijd de onrechtvaardig vervolgden, en aan deze schonken zij hunne hulp des te gereeder, naarmate het hen meer verheugde de Koningin te behoeden voor een daad die onvergefelijk zou zijn.
Wat de vluchtelingen betrof, hen stonden, dacht hem, slechts twee mogelijkheden open: Cleopatra zou zich blijven vasthouden aan Marcus Antonius en—wat de goden mochten verhoeden—met hem te gronde gaan, of hem opofferen, en troon en leven behouden. In beide gevallen zouden de geredden zonder gevaar terug kunnen komen. Het hart der Koningin was goedertieren, en waar geen schuld was, kon zij nooit lang vertoornd blijven. Vervolgens was het plan in bijzonderheden besproken door Archibius, de Nubische en vrouw Berenice, die zich tijdelijk bij het gezin van Arius bevond, en daarna had men alles aan den bouwmeester medegedeeld.
Evenmin als aan zijn zuster, had Archibius aan de beraadslagende mannen en Barine's moeder toevertrouwd, waarheen de jonggehuwden de wijk zouden nemen. Ook omtrent de zending van Timagenes en de staatkundige vraagstukken die hem zoo ernstig bezighielden, deelde hij Charmion slechts zooveel mede, als zij ter verklaring van het avontuur, waaraan zij met zooveel liefde medehielp, noodig had te weten. Zij zelve had ook niet begeerd meer te hooren, want zoo lang zij onderweg waren, had de vrees dat Cleopatra haar zou missen en Barine's vlucht ontdekt zou worden, haar geen rust gelaten. Wel had zij even melding gemaakt van den wensch der Koningin om aan Archibius de opvoeding harer kinderen toe te vertrouwen, doch eerst in haar woning was het haar mogelijk geweest daarvan nog meer te zeggen.
Haar afwezigheid was onopgemerkt gebleven. De Regent, Mardion had de processie ontvangen in naam der Koningin, want Cleopatra was uitgereden naar de stad, niemand wist met welk doel.
Met een verlicht hart kwam Charmion met haar broeder in hare vertrekken terug. Anukis deed de deur voor hen open. Niemand was haar komen storen, en Archibius vond er een genoegen in, aan de verstandige, trouwe vrijgelatene met eigen mond alles te kunnen verhalen. Hij had de nederige dienares, die daarnaar luisterde als naar eene openbaring, niet rijker kunnen beloonen dan met deze geringe moeite. Toen hij haar ten slotte zijn dank uitsprak, wees zij dien met den meesten nadruk af, en verzekerde dat het aan haar stond, erkentelijk te zijn. Haar fijne geest had nauwkeurig het onderscheid opgemerkt in de wijze, waarop een hooggeplaatste spreekt tot zijns gelijken of tot een mindere, en nu had hij, bij wien voor haar alles wat man heette, verre achterstond, haar den geheelen loop der gebeurtenissen beschreven alsof zij zijns gelijke was. Zelfs de Koningin had met zulk eene mededeeling tevreden kunnen zijn.
Toen zij heenging om zich aan het overige dienstpersoneel te vertoonen, zeide zij tot zich zelve, dat zij toch een boven velen bevoorrecht schepsel was, en toen een jonge kok haar plaagde met haar korten hals, gaf zij lachend ten antwoord: »Mijn schouders zijn zoo in de hoogte blijven staan, omdat ik ze zoo dikwijls heb opgehaald over de gekken die mij uitlachen, en die toch niet half zoo gelukkig en dankbaar zijn als ik.”
Charmion was doodelijk vermoeid in een leunstoel neergevallen, en Archibius nam tegenover haar plaats. Zij waren altijd gaarne bij elkander, doch heden was beiden het hart zoo vol, dat het hen ging als de afgematten, die van vermoeidheid den slaap niet kunnen vinden. Hoeveel hadden zij elkander niet te zeggen, en toch duurde het een geruime poos eer Charmion het stilzwijgen verbrak en terug kwam op den wensch der Koningin. Zij verhaalde haar broeder hoe Cleopatra op die gedachte gekomen was door het huisje dat de kinderen zelf hadden gebouwd, hoe hartelijk en vriendelijk zij was geweest, maar hoe zij met dat al, een oogenblik later, bij het enkele noemen van den naam Barine, haar zoo onbarmhartig en vertoornd weggezonden had.
»Ik weet niet wat gij van plan zijt te doen,” besloot zij, »maar hoe ik haar ook liefheb, moet ik voor mijzelve misschien het moeielijkste besluit nemen; want, zie! indien zij hoort dat ik het was die de dochter van Leonax aan haar en den snooden Alexas ontvoerde, welk lot staat mij dan niet van haar te wachten, te meer daar Iras niet meer zoo aan mij gehecht is als vroeger, en mij van hare zijde reeds heeft getoond, dat zij de liefde en de zorgen die ik haar bewezen heb, vergeten is.—Dat zal nog toenemen, en het ergste is dat, wanneer de Koningin haar bij mij gaat voortrekken, ik—wanneer ik rechtvaardig wil zijn—haar dat niet tot verwijt mag maken, want zij is scherpzinniger dan ik, en heeft een levendiger geest. Mij heeft de staatkunde van het begin af tegengestaan; Iras daarentegen heeft alles over voor de vergunning om mede te mogen spreken, waar het aankomt op de regeering van het land en vooral op het nooit rustende ernstige spel met Rome en zijne regeering.”
»Dit spel is reeds verloren,” zeide haar broeder met zulk een ernst, dat Charmion opsprong en zacht en angstig herhaalde: »Verloren?”
»Voor altijd,” verzekerde Archibius, »als niet....”
»Den goden zij dank,—toch nog een »als”....”
»Als niet Cleopatra besluit tot een daad die haar dwingt ontrouw te worden aan haar zelve, en haar edel beeld te schenden voor alle eeuwen.”
»Waardoor?”
»Wanneer gij er ook van hooren moogt, het zal altijd nog te vroeg zijn.”
»En als zij dat doet, Archibius? Gij zijt de man, dien zij het meest vertrouwt. Zij zal aan uwe hoede toevertrouwen wat zij meer liefheeft dan zich zelve.”
»Meer liefheeft? Indien ik u goed begrijp, dan denkt gij aan de kinderen.”
»De kinderen, ja! Honderdmaal ja—die heeft zij boven alles lief! Geloof mij—voor hen zou zij bereid zijn in den dood te gaan.”
»Laat ons dat hopen.”
»En gij—als zij de ontzettende daad begaat.... ik kan slechts vermoeden wat gij bedoelt.... Doch als zij afdaalt van de hoogte, waarop zij zich tot nu toe staande gehouden heeft—zoudt gij dan nog bereid zijn....”
»Voor mij,” viel hij haar met kalmte in de rede, »is het de vraag niet meer wat zij zal doen of niet doen. Zij is ongelukkig, en zal nog dieper, veel dieper zinken. Dat weet ik, en juist dat dringt mij haar met opoffering van alle krachten te dienen. Ik behoor aan haar, zoo goed als de kluizenaar die zich aan Serapis heeft gewijd, aan zijn god. Ieder van zijn gedachten is voor hem. Den god, die hem schiep, wijdt hij lichaam en ziel tot in den dood, dien hij over hem beschikt. De banden die mij hechten aan deze vrouw—gij kent de oorsprong daarvan—zijn niet minder onverbrekelijk. Wat zij wenscht en wat mij bij de vervulling daarvan, niet dwingt mij zelven te verachten, dat sta ik haar bij voorbaat toe.”
»Zoo iets” riep Charmion uit, »zal zij zeker niet verlangen van den vriend harer jeugd.” Daarop ging zij naar hem toe, strekte hare beide handen naar hem uit, en ging met blijde ontroering voort: »Zóó moest gij juist gevoelen en spreken, en daarin ligt ook het antwoord op de vraag, die sinds gisteren mijn ziel bezig houdt. De vlucht van Barine, de genade en ongenade van onze gebiedster, Iras, mijn arm hoofd dat voor staatkunde terug deinst, terwijl Cleopatra juist in dezen tijd een scherpzinnige vertrouweling noodig heeft....”
»In het geheel niet,” viel haar broeder haar in de rede. »Het komt alleen aan mannen toe haar in deze dingen raad te geven. Ik verwensch dat gewauwel van vrouwen aan de toilettafel! Dat heeft reeds menigen wel doordachten raad der verstandigste mannen in den wind doen vervliegen, en nooit kon het staatsbeleid van eene Iras noodlottiger worden dan juist nu, indien het lot niet reeds het laatste woord gesproken had.”
»Dus dit bezwaar is ook opgeheven!” riep Charmion levendig uit, »dan weet ik voor mij zelve wat ik doen zal! Zooals altijd, wijst gij mij ook nu weder den rechten weg. Het is waar, ik had het mij verrukkelijk schoon voorgesteld op het landgoed dat wij Irenia—Vrede-oord—noemden, of te Kanopus in het lieve, kleine paleis, de jaren die mij nog gegeven zullen worden, in rust door te brengen, en terug te keeren tot alles wat onze kinderjaren zoo heerlijk heeft gemaakt. De philosofen, de bloemen in den tuin, de dichters—ook die nieuwe Romeinsche, waarvan Timagenes ons zulke verrukkelijke proeven zond, zouden onze eenzaamheid veraangenamen. Het kind, de dochter van den man, van wiens liefde ik afstand deed, en misschien later ook hare knapen en meisjes, zouden voor mij als mijn eigen kinderen zijn. Even dierbaar als zij Leonax zouden geweest zijn, zoo hartelijk zou ik ook hen hebben bemind.—Zóó heb ik in stille uren dikwijls de toekomst gezien. Maar dezelfde Charmion, die, toen haar hart nog warmer klopte en het leven voor haar open lag, hare eerste vurige neigingen offerde op het altaar der vriendschap voor hare vorstelijke speelnoot, zou die nu, uit zelfzuchtige beweegredenen, Cleopatra in het ongeluk verlaten? Neen! Neen!—Evenals gij, behoor ook ik—er kome van wat wil—aan de Koningin!”
Van zijne instemming overtuigd, zag zij haar broeder in het gelaat, doch deze maakte een handgebaar en antwoordde met ernst: »Neen, Charmion! Wat ik als man op mij neem, zou voor u noodlottig kunnen worden.... Het tegenwoordige is niet zoet genoeg om dat te verbitteren met alsem uit de toekomst. En toch!.... Gij moet een enkelen blik slaan in haar duister rijk om mij te verstaan. Gij kunt zwijgen, en wat gij hooren zult, blijft een geheim tusschen ons beiden. Slechts één ding,” en hij liet zijn stem dalen, »slechts één kan haar redden: de moord van Antonius of een schandelijk verraad, dat hem in de handen van Octavianus doet vallen. Dat is het wat Timagenes mij heeft doen inzien.”
»Dat?” vroeg zij dof, en liet haar grijzend hoofd op de borst vallen.
»Ja, dat is het,” herhaalde hij met vastheid. »En als zij voor de verzoeking bezwijkt en ontrouw wordt aan de liefde die haar gansche leven heeft doorstroomd, zooals de Nijl het land harer vaderen, dan, Charmion, blijf haar dan, onder iedere voorwaarde getrouw, en hecht u vaster aan haar dan ooit; want dan, zuster, zal zij ongelukkiger zijn, tien- honderdmaal ongelukkiger dan wanneer Octavianus haar alles, misschien zelfs het leven ontneemt.”
»En dus verlaat ik haar niet, maar wat er ook gebeurt, ik blijf bij haar tot aan het eind,” riep Charmion met vuur. Doch Archibius sloeg geen acht op deze geestdrift en warmte, die zijne kalme zuster anders niet eigen waren, en ging bedaard voort: »Zij heeft ook u voor zich gewonnen, en het schijnt u nu onmogelijk toe u van haar los te scheuren. Velen is het evenzoo gegaan, en dat heeft niemand tot schande gestrekt. Het ongeluk is als het ijzer, dat alledaagsche naturen als een zwaard van elkander scheidt, en edele als met een hamer des te vaster aaneen smeedt. Het schijnt u daarom juist nu dubbel moeilijk haar te verlaten; maar gij hebt liefde noodig. Het recht om te leven en uzelve te behoeden voor den droevigsten achteruitgang, komt u even goed toe als die merkwaardige vrouw op den troon. Houd aan haar vast zoolang gij zeker zijt van hare liefde, en blijf haar getrouw door alles heen, tot aan het eind. Doch de redenen die u van haar willen aftrekken en voeren tot de boeken, de bloemen en de kinderen, wegen zwaar, en als het u ontbreekt aan den dauw van hare liefde en genade, dan zie ik reeds hoe gij jammerlijk wegkwijnen zult. De koude die van Cleopatra uitgaat, wanneer haar hart voor u is verkoeld, de speldeprikken die Iras u, die weerloos zijt, geven zal, zouden u te gronde richten. Dat mag zoo niet zijn, zuster, dat willen wij verhoeden.... Neen, laat mij uitspreken! Ik heb den raad dien ik hoop dat gij volgen zult, goed overwogen. Indien gij bemerkt dat de Koningin u nog altijd liefheeft als in vroeger dagen, blijf dan bij haar; doch als gij het tegendeel ondervindt, zeg haar dan morgen reeds vaarwel. Mijn Irenia is het uwe...”
»Maar zij bemint mij, en als zij dat niet meer deed...”
»De toetssteen daarvan ligt voor de hand. Wij zullen aan haar zelve de beslissing overlaten. Gij bekent haar dat gij het waart die Barine hielpt om zich te onttrekken aan haar straffende hand.”
»Archibius!”
»Zoo gij dat niet doet, zoudt gij een geheele keten van leugens moeten smeden. Let wel op, of het kleine in haar karakter, dat haar dreef om de dochter van Leonax in de hand van een onwaardige te geven, sterker is dan het groote! Onderzoek of zij de zelfopofferende trouw, die gij haar uw geheele leven hebt gewijd, wel waard is. Als zij, in weerwil van deze bekentenis, voor u blijft wat zij altijd is geweest....”
Hier werd hij in de rede gevallen door de Nubische, die kwam vragen of hare meesteres, ondanks het late uur, Iras nog even zou willen te woord staan.
»Laat haar binnenkomen,” antwoordde Archibius na een vluchtigen blik van verstandhouding op zijn zuster die nog zeer bleek zag, sedert hij haar dien eisch had gesteld. Dat merkte hij op, en zoodra de dienares zich had verwijderd, greep hij Charmions hand en zeide met vertrouwelijke hartelijkheid: »Ik heb u alleen maar mijn gevoelen gezegd, maar op onzen leeftijd moet men met zich zelve te rade gaan, en gij zult ook ditmaal zeker toch wel het rechte vinden.”
»Ik heb het al gevonden,” zeide zij zacht en met neergeslagen oogen. »Dit bezoek heeft mij tot een spoedig besluit gebracht. Zoover mag het met mij niet komen, dat ik mij voor Iras moet schamen!”
Nauwelijks had zij deze woorden geuit, of de jongere vertrouweling der Koningin kwam de kamer binnen. Zij was gejaagd, en terwijl zij in de welbekende vertrekken onderzoekend rondzag, zeide zij na een korte begroeting: »Niemand weet, waarheen de Koningin gereden is. Mardion heeft reeds in hare plaats de processie ontvangen. Heeft zij u in haar vertrouwen genomen?”
Charmion antwoordde ontkennend, en vroeg op hare beurt of Antonius al aangekomen was, en hoe zij dien gevonden had.
»Treurig,” luidde het antwoord. »Ik heb mij zooveel ik kon gehaast om de Koningin terug te houden van een mogelijk bezoek aan hem. Doch zij was reeds afgewezen. Het is ontzettend.”
»De ontgoocheling van Parætonium komt nog bij de overige ongelukken,” merkte Archibius op.
»Dat is een veertje in vergelijking met het andere,” voegde Iras er misnoegd bij. »Welk een tooneel! Een ineengekrompen ziel, die nooit overgroot was, in het lichaam van een reus. De afstammeling van Herakles is door zijn tegenspoed geheel ineen gezonken. De zwakke man zal den fieren moed der Koningin nog met zich medetrekken in het stof.”
»Laat ons alle krachten inspannen om dat te verhinderen,” hernam Archibius met vastheid; »de goden hebben u en Charmion aan hare zijde geplaatst, om haar te ondersteunen wanneer de kracht haar ontzinkt. Nu is het de tijd om te toonen wie gij zijt.”
»Ik ken mijn plicht,” gaf Iras bits ten antwoord.
»Bewijs dat dan!” zeide Archibius ernstig. »Gij meent reden te hebben om vertoornd te zijn op Charmion.”
»Wie zoo hartelijk is voor mijne vijanden, zal het zeker wel zonder mijn vriendschap kunnen doen. Waar is uw beschermeling nu?”
»Dat zult gij later wel hooren,” antwoordde Charmion en trad haar nader. »Als het u bekend wordt, zult gij echter meenen nog meer recht te hebben om aan mijne liefde te twijfelen; maar niet om u te krenken, alleen om een wezen dat mij dierbaar is, voor ongeluk te behoeden, ben ik tusschen u en Barine gekomen. En nu wil ik u dit zeggen: Wanneer gij mij gekwetst hadt tot in merg en been, en alles waaraan een Griekenhart waarde hecht mij opriep om mij daarover te wreken,—dan toch zou ik mij nu, juist nu, den dwang aandoen om aan deze neiging geen gehoor te geven, omdat er in deze borst een liefde leeft, die sterker en machtiger is dan de felste haat. Deze liefde hebben wij gemeen. Wees verbolgen op mij, tracht mij, die u tot nu toe als een moeder ter zijde stond, leed te doen en nadeel te berokkenen, doch wacht u mij te berooven van die kracht en vrijheid, die ik noodig heb om aan mijne gebiedster te geven wat ik kan. Ik sprak er zooeven met mijn broeder over, of het voor mij niet geraden zou zijn Cleopatra te verlaten.”
»Nu?” viel Iras driftig uit. »Neen, neen! dat niet! Dat mag niet zijn. Zij kan u niet missen, nu minder dan ooit.”
»Misschien beter dan u” verzekerde Charmion, »doch in vele opzichten zouden mijn diensten inderdaad moeilijk te vervangen zijn.”
»Door niemand onder de zon,” riep Iras met warmte uit. »Als zij ook u in deze dagen verliezen moest....”
»Er komen nog donkerder dagen dan deze,” viel Archibius haar in de rede, alsof hij zeker van zijn zaak was. »Misschien zult gij het reeds morgen hooren. Het hangt mede van uw gedrag af, of Charmion aan haar wensch naar rust zal toegeven, of blijven bij de Koningin. Gij wilt dat zij blijven zal, en daarom moet gij haar het volharden niet al te moeilijk maken. Wij drieën, mijn kind, zijn wellicht de eenigen aan het hof, wien het geluk der Koningin nader aan het hart ligt dan ons eigen, en daarom moeten wij niet gedoogen dat het geringste misverstand, wat dat ook zij, onze eendracht verstoort.”
Iras wierp het hoofd achterover, en riep in hevigen toorn uit: »Was ik het dan misschien, die iets tegen u heb misdreven? Ik zou niet weten hoe. Maar Charmion en gij—hoe lang hebt gij het reeds geweten, dat dit hart zich ook voor een andere liefde had geopend; maar gij—juist gijlieden, plaatstet u tusschen mij en hem, op wien mijn hart van jongsaf heeft gehoopt; gijlieden, gij hebt de brug gelegd die Dion met Barine verbindt. Ik had de gehate vrouw in mijn macht, om haar aan hem te ontrukken, en ik dankte de goden daarvoor—maar gijlieden—het is nu niet moeilijk meer te raden wat gij mij nog verzwijgen wilt—gij zult haar helpen, of hebt dat reeds gedaan, om mij te ontkomen. Gij hebt mij de wraak ontstolen, gij hebt de zangeres teruggebracht op den weg, waar hij haar vinden moet, op wien ik een beter en ouder recht heb dan zij. En hij zal zich misschien toch nog wel bedenken wie van ons beter geschikt is, zijn echtgenoot te zijn, indien ten minste Alexas en zijn waardige broeder er niet voor zorgen dat wij weldra tevreden moeten zijn met een doode in liefde te gedenken. Weet dus, dat ik niet het gevoel heb u nog iets verschuldigd te zijn, maar geloof dat Charmion voor al het goede dat zij mij bewezen heeft, ruimschoots betaald is.”
Hierop liep zij ijlings naar de deur, maar op den drempel bleef zij staan, en riep nog eens in de kamer: »Zóó is het met mij gesteld; maar daarom ben ik toch bereid hand in hand met u, als met een vriendin, in alles de Koningin te dienen, want ook gij zijt, zooals ik reeds zeide, noodig tot haar welzijn. In al het overige ga ik zonder u mijn eigen weg.”