VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Louise Stuart translation
Terwijl Gorgias bezig was in den Isistempel de onderaardsche ruimte te onderzoeken, keerde Charmion, vroeger dan zij had gedacht, op de Lochias terug. Zij had haar broeder, niet te Kanopus, maar bij vrouw Berenice gevonden, en hem na een kort bezoek aan het ziekbed van Dion, deelgenoot van hare vrees gemaakt. Aan hem alleen vertrouwde zij het geheim toe dat de Koningin het lot van Barine in handen van Alexas had gelegd. Dit bericht zou de moeder der bedreigde jonge vrouw allicht tot wanhopige stappen hebben gebracht, want zelfs de onverstoorbaar kalme Archibius bleef zich zelven daarbij niet meester. Het liefst had hij zich onmiddellijk toegang tot de Koningin verschaft, als het moest zijn, met geweld, maar hij werd gewacht door den uit Rome gekomen geschiedschrijver Timagenes. Deze was niet als gewoon burger in zijn vaderstad wedergekeerd, maar met de opdracht van Octavianus, om als bemiddelaar een eind te maken aan den strijd, die bij Actium immers te zijnen gunste was beslist. De keus van dezen tusschenpersoon was gelukkig, want hij had Cleopatra in hare jeugd onderwezen, en was nog dezelfde strijdlustige man gebleven, die haar dikwijls tot tegenspraak geprikkeld had. Toen hij deelgenomen had aan een volksopstand tegen de Romeinsche overheid, was hij als slaaf naar de Tiber gevoerd. Hij was echter spoedig weder vrijgekocht en tot zulk een aanzien gekomen, dat Octavianus hem, die zoo goed bekend was in Alexandrië, deze gewichtige zending had toevertrouwd. Archibius had afgesproken hem te ontmoeten bij Arius, die nog altijd niet hersteld was van de kwetsuren, die hem door de wielen van Antyllus' wagen waren toegebracht, en zoo geleidde vrouw Berenice Timagenes naar haar broeder. Charmion mocht hen daar niet volgen, want men zou haar een bezoek bij den voormaligen Mentor van Octavianus euvel geduid hebben. Daarenboven verzette hare fijngevoeligheid zich ook tegen het denkbeeld, om juist nu in aanraking te komen met den vriend van den vijand en overwinnaar harer gebiedster.
Zij liet dus haar broeder alleen met vrouw Berenice naar het huis van den gewonde rijden, doch Archibius had haar eer zij scheidden, beloofd, dat hij in het ergste geval het uiterste beproeven zou, om de Koningin, die haar verboden had van de jonge vrouw te spreken, de oogen te openen en Alexas den voet dwars te zetten.
Uit den tuin van het Paneum, had zij zich naar de Kanopische straat en in de Jodenwijk laten dragen, waar zij allerlei gewichtige zaken voor Cleopatra moest inkoopen. Het was reeds langs over den middag, toen zij in haar draagstoel weder voor het paleis op den Lochias verscheen. Onderweg had zij reeds een droevig besef van haar eigen machteloosheid gehad. Zonder zelfs ook maar het geringste te hebben uitgericht, moest zij afwachten hoe andere daarin zouden slagen, en nauwelijks had zij den drempel van het paleis overschreden, of bij de oude zorgen, die hare ziel reeds zwaar genoeg drukten, kwamen nog nieuwe.
Zij verstond de kunst in de gelaatstrekken der hovelingen te lezen, en die van den poortwachter hadden haar al dadelijk doen zien, dat er in hare afwezigheid iets noodlottigs was gebeurd.
Het lag niet in haar aard om de onvrijen en minderen van het dienstpersoneel om inlichting te vragen, en dit deed zij dan ook niet, hoewel het in het paleis wemelde van wachters, beambten van allerlei soort, dienaren en slaven. Menigeen, die haar in het oog kreeg, zag haar aan met die eigenaardige schuwheid, die men gewoonlijk heeft voor iemand wien iets treurigs boven het hooft hangt. Anderen daarentegen, met wie zij in nadere betrekking stond, liepen op haar toe om zich het droevige genoegen te gunnen de eerste berichtgever van slecht nieuws te zijn. Doch Charmion stapte met ernstig afwerende blikken en woorden hen allen voorbij, totdat zij voor de deur van de groote wachtzaal, die overvol was met Aegyptische en Grieksche houders van verzoekschriften, den zegelbewaarder Zeno ontmoette. Dezen hield zij aan, om van hem te hooren wat er was geschied.
»Sedert wanneer?” vroeg de oude hoveling. »Iedere minuut heeft iets nieuws gebracht, en alles was even diep bedroevend. Welk een tijd, Charmion, en welk een onheil!”
»Toen ik uitging,” antwoordde zij, »was er nog geen bode aangekomen. Nu is het alsof bij dit oude monster van een paleis, dat toch al aan zoovele verschrikkingen gewend is, de adem stilstaat. Zeg mij ten minste de hoofdzaak, eer ik mijn gebiedster terugzie!”
»De hoofdzaak? Pest of hongersnood,—wat moet men het ergste noemen?”
»Spoedig Zeno, ik word gewacht.”
»Ik zelf heb ook haast, en er is ook waarlijk niets te vertellen waarbij men gaarne zou stilstaan. Vooreerst is Canidius gekomen, in eigen persoon en onmiddellijk uit Actium. Die man is stoutmoedig genoeg.”
»Is het leger te land ook verslagen?”
»Verslagen, verstrooid, overgeloopen; vooraan Koning Herodes met zijn legioenen.”
Nu sloeg Charmion hare handen voor het gelaat, en steunde luid, doch Zeno ging voort:
»Gij waart immers mede op de vlucht. Toen Marcus Antonius van u scheidde, zeilde hij met de schepen, die zich bij het zijne hadden gevoegd, op Parætonium aan. Daar stond een groote strijdmacht nog ongerept, waarop de Vorstin en Mardion hunne hoop vestigden. Andere troepen zouden zich bij deze kunnen aansluiten, en dan hadden wij weder een sterk leger tot onze beschikking.”
»Pinarius Scarpus staat aan hun hoofd; hij is een beleidvol krijgsman, en ik zelve dacht....”
»Hoe meer vertrouwen gij in hem steldet, hoe grooter uw dwaling was! Die vervloekte schelm, die zoo veel aan Antonius te danken heeft, had reeds tijding uit Actium ontvangen, vóór de schepen kwamen, en toen de imperator zelf verscheen, was hij reeds tot Octavianus overgeloopen. De ellendeling liet al de veteranen die zich tegen dit verraad verzetten, dooden. De dappere bezetting der stad was echter niet voor de snoode daad te winnen. Aan haar heeft Marcus Antonius het te danken dat hij nog leeft, en geen schandelijken dood vond door zijn eigen troepen. Nu heeft een ruiter de tijding gebracht, dat heden avond de verslagene hier zal terug komen. Om onbekende redenen stapt hij niet op de Lochias uit, maar in het kleine paleis op den Choma.”
»Arme, arme Koningin!” riep Charmion uit. »Hoe heeft zij dat alles gedragen?”
»Tegenover den verslagen Canidius en den bode van Antonius gedroeg zij zich als een heldin. Maar daarna.... het is waar, het jammeren duurde niet lang, maar dat stomme, wanhopige stilzwijgen.... Eer zij weder geheel zich zelve geworden was, zond zij ons allen weg, en ik heb haar nog niet wedergezien. Doch alles wat hier binnen leeft van gedachten en gevoel,”—en hij wees daarbij op voorhoofd en borst—»dat heeft van dat oogenblik af zijn woonplaats verlaten en blijft bij haar. Als een mensch zonder ziel waggel ik van de eene plaats naar de andere. O, Charmion, wat is ons overkomen! Waar zijn de tijden gebleven, toen kommer en vrees begraven lagen bij de andere dooden; die dagen en nachten, toen mijn geest zich verbond met dien der vorsten, om eene droeve aarde te herscheppen in de bloeiende velden der zaligen, den gewonen dag in een feest, en het feest in Olympisch genot? Welke fonkelnieuwe heerlijkheden had ik niet voor het overwinningsfeest, den triomf, ja zelfs voor den intocht in Rome ontworpen en gedicht! Mijn plannen, programma's, teekeningen en verzen vullen geheele kisten. Allen, die het timmermanslood, den kwast en den beitel hanteeren, die verzen en muziek maken, zouden mij hebben bijgestaan, en, dat kunt gij gelooven, het zou iets éénigs geworden zijn, waarvan het late nageslacht nog spreken zou, dat men zou geprezen en bezongen hebben. En nu—en thans?”
»Thans verdubbelen wij onze krachten, om te redden wat nog te redden is.”
»Nog te redden?” herhaalde de hoveling dof. »De Vorstin klampt zich trouwens ook nog vast aan dit schoone woord. Toen ik haar gisterennacht aan het werk zag, was het mij voortdurend alsof ik haar water zag gieten in het bodemlooze vat der Danaïden. Het is waar, heden, toen ik haar verliet, liet zij de armen zinken—en zóó—zoo staat zij mij nu voor mijn vochtige oogen, zoo.... Daarbij kan ik mijn neef Dion ook niet uit mijn gedachten bannen. Zorgen, niets dan zorgen, ook wat hem betreft! En ik meende het zoo goed met hem. In mijn testament vermaak ik hem alles wat ik bezit; maar nu wil hij in vollen ernst in den echt treden met de zangeres, de dochter van den schilder Leonax. Gij hebt op u genomen haar te beschermen;—doch uw eigen nicht, Iras, ligt u toch zeker nader aan het hart, en daarom zult gij wel goed vinden dat ik, als Dion bij zijn voornemen volhardt, het testament verscheur. Hij krijgt geen penning van mijn vermogen als hij de vrouw niet opgeeft, die de Vorstin een doorn in het oog is. Dat past nu eenmaal niet in ons oud, eerwaardig geslacht. Iras daarentegen is Dion's speelnoot, en ik heb haar sinds lang voor hem bestemd. Men kan geen verstandiger echtgenoot bedenken, en die daarbij de Koningin welgevalliger is. Hij was haar genegen, totdat de zangeres hem inpakte. Breng hen weder tot elkander, en ik zal hen als mijn eigen kinderen beschouwen. Indien de dwaas zijn oom, die enkel zijn welzijn beoogt, tegenstreeft, dan trek ik mijn hand van hem af. Hoe zijne vijanden ook tegen hem samenspannen, ik sla mijne armen over elkander, en zie het kalm aan. Ik neem de plaats in van zijn vader, mijn overleden broeder, en ik eisch gehoorzaamheid van hem. De Koningin is mijn alles, en hare genade is mij meer waard dan twintig weerspannige neven.”
»Gij zult de gunst der Vorstin toch wel behouden, al komt gij op voor den zoon uws broeders.”
»En Iras dan? Als zij zich door hem bedrogen ziet,—en dat doet zij nu reeds—dan zal zij niet rusten....”
»Totdat zij hem in de ellende heeft gestort,” voltooide Charmion den volzin, meer bezorgd dan verwijtend, en alsof zij het naderend onheil reeds vóór zich zag.
»Maar Iras staat niet nader bij de Koningin dan ik, en wanneer gij en ik, hand aan hand het onze doen om den wakkeren jongen man, die van uw eigen bloed is, te beschermen....”
»Ja, dat is waar.... gij staat zeker, ook om uw langeren diensttijd, nader bij de Koningin dan Iras... intusschen.... zulke dingen moeten wel overwogen worden, en ik heb het u immers al gezegd:... mijn geest heeft de oude woonplaats verlaten om de Vorstin als haar schaduw te volgen. Alleen datgene wat haar betreft, boezemt hem nog belang in. Al het andere mag gaan zooals het wil! De vloot is zoo goed als vernield, Canidius verslagen, Herodes tot den vijand overgeloopen, verraad op verraad,—en de Afrikaansche legioenen verloren. Hoe heet de god die het rad, dat in zijn vaart den berg afrolt, zou kunnen terug wentelen naar den top? En toch—laat ons offeren, vriendin, en op beter dagen hopen!”
De zegelbewaarder verwijderde zich, doch Charmion ging met gebogen hoofd verder, om bij Barine en haar trouwe Anukis tot zich zelve te komen en uit te weenen, voor dat zij de taak aanvaardde om hare dierbare meesteres te troosten en op te beuren. En toch had zij zelve zóózeer een vriendelijke toespraak noodig! Waarheen zij den blik ook wendde, overal zag zij ongeluk, gevaar, verraad en schandelijke listen. Het was haar te moede alsof zij lang genoeg had geleefd, en haar tijd nu voorbij was. Haar zachtmoedige aard, haar geest, die zich zoo gaarne in iets verdiepte, zich verrijkte, en wat zij verkregen had, met een ander deelde, had tot nu toe de Koningin veel kunnen schenken. Niet alleen was zij Cleopatra's vertrouwde geweest, maar de Koningin had haar ook noodig gehad om met haar de vragen te bespreken die haar rusteloos brein, midden onder de dagelijksche plichten, bezig hielden. Nu waren het gebeurtenissen, harde, wreede feiten, die de Koningin geheel en al in beslag namen, waaraan zij weerstand bieden, en die zij ten goede leiden moest. Haar leven was een en al strijd geworden, en Charmion voelde zich niets minder dan strijdlustig.
De harde, buigzame, scherp geslepen geest van Iras zou zich nu beter doen gelden, en de vrouw wier haren reeds grijs werden, zeide tot zichzelve dat het nu haar plicht was de jongere gezellin te laten voorgaan. Het zou haar rust gegeven hebben indien zij haar ambt had kunnen neerleggen, maar hiertoe kon zij niet besluiten. Juist omdat deze tijd zoo vol ellende was en misschien tot val en ondergang leiden kon, moest zij volharden, vooreerst ter liefde van de Koningin, en dan ook om over Barine te waken.
Nu moest zij weder naar Cleopatra terug. Zij wist dat hare enkele nabijheid reeds het gewonde hart der Koningin goed zou doen.
Voor de open deur van den tuin, waarop zij ijlings toe liep, klonk haar de zilverheldere lach van een kind tegemoet. De kleine zesjarige Alexander liep met open armen op haar toe, sloeg die om haar heen, vlijde zijn krulkopje tegen haar aan, en zag met zijn groote, heldere oogen tot haar op.
Daar ging haar hart van open. Terwijl zij het kind optilde en kuste, en daarbij de gedachte bij haar opkwam, welk een treurig lot het te wachten stond, liet al de met moeite verkregen zelfbeheersching haar in den steek. Hare oogen liepen over van tranen en luid snikkend drukte zij het knaapje vaster tegen haar borst.
Doch het koningskind, dat alleen aan opgeruimde gezichten en vriendelijke liefkoozingen gewend was, maakte zich verschrikt uit hare armen los, om hard terug te loopen naar zijn broertje en zusje. Toch had het kind een warm hart, en daar hij wel wist dat niemand weent en snikt zonder dat hij verdriet heeft, voelde Alexander medelijden met Charmion, van wie hij zeer veel hield, en daarom kwam hij nog eens bij haar terug. Wat hij van plan was haar te toonen, daarin had ook zijn moeder behagen geschept en het zou de tranen der bedroefde Charmion drogen. Het kind vatte hare hand, trok haar mede, en zeide dat hij haar iets héél moois en aardigs wilde laten zien. Zij liet zich gewillig medevoeren over de paden met fijn roodachtig zand bestrooid, van den kleinen tuin, dien Antonius voor hem en de andere kinderen op zijn gewone verkwistende en prachtlievende manier had laten aanleggen en voorzien was van allerlei schoone en zeldzame zaken.
Er was een vijver met goud- en zilvervisschen, waarop zeldzame lotosbloemen met rozenroode bloesems uit het groen der gladde bladeren te voorschijn kwamen, en een andere, waarop dwergeenden van allerlei kleuren rondzwommen, alsof zij opzettelijk voor kinderen waren gemaakt. Een gedeelte van de zee, die den tuin bespoelde, was met gouden traliewerk omheind, en op haar spiegel dreven tal van zwanen, sneeuwwit of zwart met roode snavels. In de bloemperken stonden inheemsche of Indische bloemen van alle kleuren. Doorgangen van gouddraad, omrankt door bontbloeiende slingerplanten, gaven schaduw op de smalle paden. Achter een dichtbegroeiden Indischen boom, noodigde een druipsteengrot tot rusten uit, en daarnaast stond een huisje, dat geheel voor de kinderen was ingericht. Niets ontbrak daarin wat tot het dagelijksch leven behoort, zelfs niet het gereedschap in de keuken, noch in het tablinum de portretten der familie, die een kunstenaar sierlijk geschilderd had op kleine platen van ivoor. Dat alles was in verhouding tot de grootte der kinderen, van de kostbaarste stoffen en met de meeste kunst vervaardigd.
Achter het huis was een kleine stal, waarin vier vlugge paardjes met gevlekte huid, zoo vreemd en aardig als men maar bedenken kan, een geschenk van den Koning van Medië, vol vuur op den grond stampten. Elders waren weder perken met gazellen, struisvogels, jonge giraffen en andere gras-etenden dieren. Bonte vogels en apen sprongen in de kruinen der boomen rond, en op den waterstraal der fontein werden gekleurde ballen voortdurend op en neder geworpen. Kindergeniën en godenbeelden uit marmer en brons kwamen uit het gras te voorschijn, en deze geheele tooverwereld was bijeen gebracht in een kleine ruimte en maakte door haar kleuren- en vormenrijkdom, haar geuren, gezang en gekweel een overweldigenden indruk op de verbeeldingskracht, en niet op die der kinderen alleen.
De kleine Alexander trok Charmion voort, vol opgetogenheid en zonder op al die heerlijkheden ook maar één blik te slaan. Eerst bij den lotosvijver bleef hij staan, legde zijn vingertje op den mond en zeide: »Nu zal ik het u laten zien. Kijk eens naar dezen kant!”
Hij ging zachtjes op zijn toonen staan, en wees op een hollen stam. Daarin had een paar vinken zijn nest gebouwd, en vijf jongen met breede, gele snavels, strekten hunne leelijke kopjes hongerig in de hoogte. »Is dat niet aardig?” riep het prinsje. »En nu moet gij eens zien als de ouden komen en hen voeden.”
Het lieve gezicht van den schoonen knaap straalde daarbij van verrukking en Charmion kuste hem teeder. Doch terwijl zij dat deed, dacht zij aan de dood gepikte jonge zwaluwen op het admiraalschip van zijn moeder, en een koude rilling ging haar door de aderen.
Nu hoorde men uit een verborgen hoekje achter het fraai bewerkte kinderhuisje heldere stemmen »Alexander” roepen. De knaap bedacht zich, en zei vol spijt:
»Nu heb ik u het nestje gewezen, maar daardoor heb ik wat vergeten. Agatha was ingeslapen, en Smerdis weggegaan, en dus waren wij alleen. Toen hebben zij mij gezonden naar den poortwachter Horus, om wat van zijn grof gerstebrood te halen. Hij geeft mij altijd alles, en wij houden daar zooveel van. Wij zijn boeren, en hebben hard gewerkt met de bijl en de schop, en nu gaan wij eten. Hebt gij ons huis al gezien? Wij hebben het zelf gebouwd! Selene, Helios, Jotape, daar ik mee ga trouwen, en ik.... Ja, ik! Zij hebben mij ook laten meehelpen, en wij hebben het heel, heel alleen gedaan! Het is heelemaal klaar. Morgen maken wij nog een stal voor de koe! De anderen mogen het niet zien, maar aan u mag ik het wel laten kijken.”
Hij trok haar weder mede, en Charmion volgde hem gewillig. Zij werden met vreugde begroet door de tweelingen en de kleine Jotape, die de zesjarige Alexander zijn aanstaand vrouwtje had genoemd. Het was een aardig blond kind van denzelfden leeftijd als hij, de dochter van den Koning van Medië, die men na den oorlog met de Parthen met den knaap verloofd had, en die nu aan Cleopatra's hof in gijzeling was. Met uitzondering van dit Medische Vorstenkind, had Charmion hen alle zien geboren worden, en zij hielden veel van haar.
De jonge vorstelijke bouwlieden toonden haar met blijden trots hun werk, en het was werkelijk goed gelukt. Zij hadden al wekenlang daaraan gewerkt, en in dien tijd den geheelen tuin met al zijn heerlijkheden vergeten. Bijzonder trotsch waren zij op de twee planken, die Helios zelf, met de hulp van Alexander, na den laatsten storm, uit de zee had opgevischt, toen men hen eens alleen gelaten had, en op het slot aan de deur, dat zij stilletjes en met veel moeite uit een oude poort hadden gehaald. Selene had zelf het voorhangsel voor de deur geweven. Nu wilden zij ook een haard bouwen.
Charmion prees hunne vaardigheid, terwijl zij vroolijk allen door elkander spraken, om haar te vertellen welke moeilijkheden zij hadden moeten overwinnen. Het pleizier in hun eigen werk straalde hen daarbij uit de oogen, en zij waren zoo daarvan vervuld, dat zij niet eens den man hoorden naderen, die hen overviel met den uitroep: »Nu genoeg met dat spel, uwe hoogheden! Er gaat toch al genoeg tijd mee heen!”
Daarop keerde hij zich tot de Koningin, die hij daarheen vergezeld had, en ging op verontschuldigenden toon voort: »Misschien is dit spel in uwe oogen bedenkelijk, doch er is ook veel vóór te zeggen. In ieder geval scheen het de jonge Vorsten zooveel genoegen te geven dat ik het voor korten tijd heb laten gaan. Indien echter uwe Majesteit beveelt”....
»Laat hun dit vermaak,” gaf de Koningin vriendelijk ten antwoord, en zoodra de kinderen hunne moeder zagen, liepen zij naar haar toe, drongen zich hartelijk en zonder vrees tegen haar aan, bedankten haar en verzekerden haar met levendigheid dat zij in den geheelen tuin niets zoo heerlijk vonden, als hun huis dáár.
Zij waren ook van plan nog een stal er bij te bouwen.
»Dat kon wel eens te veel worden,” merkte de gouverneur Euphronion op. Deze was een man, die reeds op jaren kwam, met een verstandig en welwillend gelaat; hij liet er op volgen: »Laat ons niet vergeten, hoeveel er nog te leeren is, opdat wij op den verjaardag van Hare Majesteit ons plan ten uitvoer brengen, en de proef goed doorkomen.”
Maar de kinderen vereenigden zich in het dringend verzoek, dat zij den stal nog mochten bouwen, en eindelijk stond hij hun ook dat nog toe.
Toen de gouverneur hen eindelijk wilde wegbrengen, hield de koninklijke moeder hen nog even tegen, en vroeg: »En wanneer ik u nu eens in plaats van dezen tuin een stuk land gaf, dat in het geheel niet aangelegd was, juist zooals een boer het beploegt, en gij mocht daarin, na de leeruren, graven en bouwen, zooveel gij maar wildet?”
Daar klonk een luide jubelkreet uit den mond der kinderen; alleen de kleine Medische Jotape vroeg bezorgd: »Maar dan mag ik mijn pop toch meenemen? Alleen maar de oudste van allen, Atossa. Zij heeft maar één arm, maar ik houd van haar het allermeeste.”
»Neem ons maar alles af wat gij wilt!” riep Helios, en trok den kleinen Alexander naar zich toe, om te toonen dat zij, de mannen, het met elkander eens waren, »geef ons alleen het land, en laat ons daar bouwen!”
»Wij zullen zien of het gaat,” antwoordde Cleopatra. »En gij Euphronion, zoudt misschien de rechte persoon zijn, om... Doch daarvan op een rustiger tijd.”
De gouverneur ging heen, en de kinderen volgden hem, terwijl zij nog lang naar hunne moeder omzagen, en haar groetten en toewuifden.
Zoodra zij achter de boomen in den tuin verdwenen waren, riep Charmion: »Hoe duister de hemel ook moge worden, zoo lang gij deze nog hebt, kan het er nooit ontbreken aan zonneschijn.”
»Indien,” ging de Koningin nadenkend voort, »niet een andere gedachte zich met deze samenvlocht, die den nacht nog zwarter maakt. Weet gij wat deze vreeselijke dag ons gebracht heeft?”
»Ik weet alles!” antwoordde zij met een diepen zucht.
»Dan kent gij ook den afgrond, aan welks rand wij wandelen, en deze kinderen door hunne ongelukkige moeder zelve medegesleept te zien in die gapende kloof,—dat, Charmion,—dat!”... Zij barstte daarbij in een luid snikken uit, sloeg hare armen om den hals van hare vriendin, de speelnoot harer kindsche jaren, en liet een oogenblik haar hoofd rusten aan dat trouwe hart, als een kind dat troost noodig heeft.
Zij weende enkele minuten zonder zich te bedwingen. Toen hief zij het vochtige gelaat weder op, en zeide zacht:
»Dat heeft goed gedaan! O, Charmion, ik heb meer dan iemand behoefte aan liefde. Aan uw warm hart is het hier binnen al stiller geworden.”
»Gebruik het maar, rust er aan uit, zoo dikwijls gij het noodig hebt, tot aan het einde toe!” riep Charmion diep ontroerd.
»Tot aan het einde,” herhaalde Cleopatra, en droogde hare tranen af. »Het is mij, alsof alles eerst heden begon. Straks was ik een uur alleen. Ik dacht dat ik zou ondergaan, en gij weet hoe licht ik mij door den hartstocht laat meesleepen. Maar wat was mij ook al niet overkomen! Het leger vernietigd, Herodes en Pinarius afvallig geworden, het grootmoedige, vertrouwende hart van Antonius verscheurd door snood verraad, zijn ziel verduisterd, de herstelling van het kanaal, mijn laatste hoop—Gorgias is het mij komen zeggen—zoo goed als mislukt.... Daar kwam de kleine Alexander, om mij naar zijn vogelnestje te brengen. Al het overige in den tuin scheen hem daarbij vergeleken, onbeduidend. Dat wekte nieuwe gedachten bij mij op, en dan dat huisje, dat de kinderen geheel alleen voor zich zelve hebben gebouwd! Dat alles,—het heeft mij met geheimzinnige kracht gedwongen terug te zien op mijn levensweg, tot in de lang verloopen dagen in het huis van uwen vader... Ik... De kinderen... Op hoe verschillende grondslagen bouwen wij ons leven op! Waartoe ik ook, toen mijn jeugd achter mij lag, gekomen ben, bij haar zoek ik het begin van alles. Mijn kindsheid viel midden in de verwikkelingen van den Staat, met de verdrijving van mijn vader en den dood van mijn moeder. Ik stond toen ook aan den rand van een afgrond. De tweelingen, die nu al tien jaar zijn, hebben ook bijna de kinderjaren achter den rug, en zij zullen spoedig hetzelfde lijden moeten doorstaan als ik, nadat zij genietingen hebben gesmaakt, waarvan ik ook niet de geringste heb gekend. Doch waren er voor ons niet betere weggelegd? Wat hen dagelijks ten deel is gevallen, daarvan hebben wij in onzen eenvoudigen tuin alleen maar gedroomd. Hoe dikwijls liet ik u deelen in de schitterende toekomstvisioenen die ik destijds had! Gij volgdet mij altijd gaarne in de sprookjeswereld mijner droomen. En ik.... wat de phantasie mij toonde, in die jaren van rust en nadenken, dat is in mijn later leven met mij medegegaan. Toen ik rijk en machtig op een troon zat, zag ik dat alles telkens weder. De middelen om die hersenschimmen tot werkelijkheid te maken, ontbraken mij niet, en toen ik den man ontmoette, wiens eigen leven de verwezenlijking van een droom geleek,—toen riep ik de visioenen uit mijn kindsheid weder op, en liet ze waarheid worden. De wonderen, waarmede ik het leven van mijn geliefde sierde, waren de kinderlijke phantasieën, waaraan ik een tastbaren vorm gaf. Deze tuin is een beeld van het leven waartoe ik geloofde opgeklommen te zijn, terwijl ik in waarheid daarin afdaalde. Alles wat de zinnen streelen kan, hebben wij op dit stuk grond bijeengebracht; doch geen daarvan komt tot rust, in deze enge ruimte, waar ieder die het waagt zich vrij te bewegen zich stoot aan al de overtolligheden die hier bijeen zijn.
»En toch had ik mij in uwe omgeving en aan de hand van uw wijzen vader leeren tevreden stellen met zoo weinig, en was ik reeds begonnen met het streven naar rust. Waar is zij, die rust zonder smart,—ons hoogste goed—toch heengegaan? Door mijne schuld hebt ook gij beiden haar verloren... maar de kinderen... Ik liet hen het leven beginnen op een brandpunt van alle mogelijke onrust, en nu zie ik hoe hun eigen gezonde natuur zich tracht los te maken uit dien verblindenden kleurengloed, den bedwelmenden geur, het geestverwarrend gezang en gekweel. Zij smachten naar den onontgonnen akker waarop het leven van den strijdenden mensch begonnen is. De knaap werpt alle beuzeling ver weg, om de kracht die hem aangeboren is te kunnen gebruiken. Het meisje doet evenals hij, en houdt zich vast aan haar pop, waarin zij het levende kind ziet, om toe te geven, aan de moederlijke aandrift, die het kenteeken is harer natuur. Wat hunne ziel met zooveel kracht begeert, dat is dan ook het ware, en dat moet hen worden gegund. Toen ik tien jaar oud was, zooals de tweelingen nu, toen had mijn geheele leven en streven reeds een bepaalde richting genomen. Zij gaan nog blindelings af op het doel dat hen voorgehouden wordt. Daarom: terug met hen naar het punt vanwaar hunne moeder uitging—naar de plek waar zij alles ontving, wat er goeds in haar is! Zij moeten naar den Epicuristen-tuin, om het even of het de oude te Kanopus is, of een andere. Wat bonte droomen aan hunne moeder hebben getoond, en wat zij met misdadige verkwisting heeft zoeken te verwezenlijken, dat heeft hen omringd van hunne geboorte af aan, en het heeft al spoedig zijn aantrekkingskracht voor hen verloren. Als zij eenmaal in de wereld komen, dan zullen zij alles wat alleen de zinnen prikkelt en bedwelmt verachten. Zij zullen vasthouden aan het streven naar smartelooze inwendige rust, wanneer zij geleid worden door een gids, die de gevaren, waarmede Epicurus' leer juist de jeugd omstrikt, verwijderd houdt. Ik heb dien leidsman gevonden, en gij zult ook vertrouwen in hem hebben, want het is uw broeder Archibius, dien ik bedoel.”
»Hij?” vroeg Charmion verrast.
»Ja, hij, die opgegroeid is in den Epicuristen-tuin, en die in het leven en de philosophie het steunpunt vond, dat hem midden in al den strijd van het dagelijksch bestaan de rust der ziel heeft doen behouden,—hij, die de moeder bemint, en wien ook hare kinderen dierbaar zijn,—hij, aan wien de knapen en meisjes gehecht zijn met warmte en oprecht vertrouwen. Ik wensch de kinderen onder zijne hoede te stellen, en indien hij er in toestemt dezen wensch van de ongelukkigste aller vrouwen te vervullen, dan zie ik mijn einde met kalmte tegemoet. Dat is nabij!—Ik voel het, ik weet het. Gorgias houdt zich reeds met een ontwerp voor mijn grafmonument bezig.”
»O, Koningin!” riep Charmion vol smart. »Wat er ook gebeuren moge, het kan toch nooit uw hoogheerlijk leven bedreigen! In Octavianus' borst klopt geen grootmoedig hart als dat van Marcus Antonius, maar toch is hij niet wreed, en juist omdat koele berekening datgene matigt waartoe de eerzucht hem drijft, zal hij uw leven sparen. Hij weet hoe deze stad, dit land u vergoden,—en indien het hem werkelijk gelukt op deze eerste overwinning andere te doen volgen, indien de goden toelaten dat uw troon en—wat zij verhoeden mogen!—ook uw geheiligde persoon in zijne handen valt...”
»Dan,” riep Cleopatra uit, en hare heldere oogen schoten vonken, »dan zal hij gewaar worden wie de grootste is van ons beiden—juist dan zal ik mijn recht laten gelden op hem neer te zien, al zou het blinde noodlot ook hem, die mij en Cæsars zoon het erfdeel ontstal, de heerschappij over de geheele aarde schenken.”
Zij had deze woorden uit gesproken met toornig fonkelende blikken, doch nu liet zij de kleine hand, die zich tot een vuist had gebald, zakken, en ging op een geheel anderen toon voort:
»Er kunnen nog maanden voorbijgaan, eer hij sterk genoeg is den aanval te wagen, en de goden zelve hebben het oprichten van het grafteeken goedgekeurd. De eenige hinderpaal die daaraan in den weg stond, het huis van den ouden philosoof Didymus, is reeds gesloopt. Zooeven heeft een bode van Gorgias mij daarvan kennis gegeven. Het moet het tweede grafteeken in deze stad worden, dat de aandacht waardig is. Het andere bedekt het lichaam van den grooten Alexander, aan wien zij het aanzijn en den naam te danken heeft. Hij, die de halve wereld onderwierp aan zijn macht en aan den genius van het Grieksche volk, was toen hij stierf, jonger dan ik. Waaraan heb ik, die door mijn ellendige zwakheid Actium deed verloren gaan, het recht te danken nog een dag langer onder de zon te wandelen? Misschien kunnen wij reeds binnen enkele uren Marcus Antonius verwachten.”
»En wilt gij dan,” vroeg Charmion, »den diep terneergebogen man in deze stemming verwelkomen?”
»Hij wil niet ontvangen worden,” gaf Cleopatra scherp ten antwoord. »Hij heeft zelfs mij verboden hem te begroeten, en ik begrijp dit verbod. Maar wat moet hem wel overkomen zijn, dat hij, de opgeruimde, de menschenvriend, naar eenzaamheid smacht, en schroomt te ontmoeten zelfs die hem het liefst en het naast zijn? Hij wenscht zich af te zonderen op den Choma, en daar is Iras nu, om te zien of alles in orde is. Zij zorgt ook dat de bloemen er zijn, die hij graag heeft. Het valt mij zwaar en hard dat ik hem niet als vroeger mag welkom heeten. O Charmion, wat was dat heerlijk, wanneer hij met open armen en wijd geopend hart als een jongeling met zijn krachtige gestalte aan land sprong, en uit zijn schoon heroëngelaat een stroom van vurige, machtige liefde mij tegenkwam. En als hij dan—dat hebt gij ook nog niet vergeten!—zijn zware stem verhief, om mij den eersten groet te brengen, dan was het mij alsof de visschen in het water daarmede instemmen, en de palmen aan den oever in zalig medegevoel met de pluimen wuiven moesten.—
»En hier! De droomen der kindsheid, die ik voor hem tot werkelijkheid maakte, namen ons op, en ons leven, door liefde en rozen omstrengeld, werd aan een sprookje gelijk! Van den eersten dag af dat hij ons te Kanopus tegemoet reed, en mij den eersten bloemruiker en een om liefde smeekenden zonnigen blik toewierp, staat zijn beeld voor mijn ziel als de belichaming der alles overwinnende mannekracht en der heldere, door niets te verduisteren, wereld-bezielende vreugde. En nu, nu?—Weet ge nog hoe wij hem als een somber droomer verlieten, vóór hij naar Paraetonium vertrok? Maar neen, duizendmaal neen, zóó mag hij niet blijven! Niet met gebogen hoofd, in opgerichte houding, zooals in de dagen van ons geluk, moet hij hand aan hand met haar die hij liefheeft, den drempel van den Hades overschrijden. En hij bemint mij nog altijd! Zou hij mij anders wel hierheen gevolgd zijn, hoewel het nu geen tooverbeker meer is, die hem naar mij toetrekt? En ik? Dit hart, dat reeds als kind de eerste neiging voor hem voelde, behoort hem nog altijd, en blijft het zijne....
»Zou ik mij toch niet naar de haven begeven, en hem opwachten? Zie mij in het gelaat Charmion, en antwoord mij zonder schroom, even waar als een spiegel: is het Olympus werkelijk gelukt de rimpels te doen verdwijnen?”
»Ik kon ze te voren ook nauwelijks zien,” luidde het antwoord, »en nu kan zelfs het scherpste oog niets meer ontdekken. Ik heb ook de haarzalf meegebracht, en wat Olympus u voor...”
»Stil, stil!” zeide Cleopatra zacht.... »Er zijn veel levende schepselen in dezen tuin, en men zegt immers dat de vogels het allerscherpste hooren.”
Tegelijk kwamen de schalksche kuiltjes in de wangen weder te voorschijn, en de blijdschap over deze betooverende bevalligheid dwong Charmion den uitroep af:
»Als Marcus Antonius u op dit oogenblik eens zag!”
»Vleister!” antwoordde de Koningin met een dankbaren glimlach, doch haar vriendin voelde dat nu het oogenblik gekomen was om nog eens een goed woord voor Barine te doen, en daarom zeide zij met levendigheid:
»Neen waarlijk, ik vlei u niet! Geen vrouw in Alexandrië, hoe zij ook heeten moge, zou het mogen wagen, zich ook maar in de verte met uwe bekoorlijkheden te meten. En daarom: laat toch de vervolging varen van die ongelukkige, die gij aan mijne hoede hebt toevertrouwd. Het is zichzelve beleedigen, wanneer men een Cleopatra is....”
Doch hier werd zij in de rede gevallen door een misnoegd:
»Al weder!”
Cleopatra's gelaat, dat gedurende dit gesprek alle gemoedsbewegingen eener vrouwenziel, van de diepste droefheid tot vroolijke schalkschheid weerspiegeld had, kreeg nu een uitdrukking van hardheid. Zij maakte de korte opmerking: »Gij vergeet weder, wat ik om goede redenen niet wilde hooren,—nu moet ik aan het werk,” en keerde daarmede de vriendin harer jeugd den rug toe.