← Table of contents
Camera Obscura

De Familie Stastok.

Reading edition

De Aankomst.

In het kleine stadje D—— werd op een donderdag in de maand October, des namiddags omtrent één ure, de stijle ijzeren trede neergelaten van een gele diligence, rijdende over D—— van C—— tot E—— vice versa, en uit dezelve daalde, tot groote bemoddering van dengenen die hem onmiddellijk volgde, en die niemand anders was dan zijn eigen cloak, uw onderdanige dienaar Hildebrand. Hij had gereisd met een bleeke dame, die het rooken had verboden, en gedurig de kronkelbochten van haar boa had zitten te verschikken, dan eens had gezucht, dan eens ingesluimerd was, dan eens eau de cologne genomen, dan weer eens geslapen had, en altijddoor leelijk was geweest. Op dezelfde bank met deze had een jong juffertje gezeten, in een blauwen geruiten mantel niet gedoken, het denkbeeld is te ruim, maar gestoken; een mantel, die, naar een langvergeten mode vatbaar was om van achteren te worden ingehaald door een klein lapje van dezelfde stof, in den vorm van een souspied, op twee paarlemoeren knoopjes uitgespannen; dezelve juffer had een stroohoed op met blauw gaas lint met bruine strepen, in groote lissen met stevig soutien opgemaakt, en een hardgeel sjaaltje om den hals. Zij was zeer bang voor de bleeke dame naast haar, en bleef op een schuwen afstand; soms had zij den goeden wil haar in ’t verschikken van haar boa te hulp te komen, en eenmaal had zij er werkelijk een dikachtig roodvingerig handje, met een ring, die bijzonder veel op tin geleek, voor ontbloot; maar de bleeke dame had haar aangeblikt, en toen had zij haar neus gesnoten, volgens een in den omgang zeer deugdelijk stelsel, naar ’t welk de neus alle mispassen, voorbarigheden en malle figuren misgelden moet. Dit was het personeel van de achterste bank geweest. Op de volgende had een jodin gezeten, als een oostersche edelsteen gevat tusschen twee christenen; zij verborg onder een groen nopjesgoed manteltje een klein kind, dat al haar trots uitmaakte omdat het niet schreeuwde, zelfs niet toen zij het omstreeks halfweg een schoone luier aandeed. Het kind nu was zeer klein, en had een zeer groote dot in den mond. Van de christenen, waartusschen zij gevat was, had de een een grooten rondglazigen zilveren bril, een zilveren sigaarkoker, een zilver potlood, een zilver horloge, benevens zilveren broek- en schoengespen, waaruit ik opmaakte dat hij een zilversmid was; en de andere een koperen doekspeld, een koperen tabaksdoos, en een koperen guirlande op zijn buik, waaruit ik besloot dat hij niet minder dan een banketbakkers meesterknecht zijn moest. De eerste haalde, daar er niet gerookt mocht worden, den zilveren sigaarkoker een paar malen uit den zak, alleen om ’t vermaak te hebben van hem open te doen, er een zilveren sigarepijpje uit te halen, en er nog iets in te zoeken dat er niet in was, maar dat, zoo ’t er in was geweest, zeker beter te pas had kunnen komen dan het pijpje, en hem vervolgens weer dicht te sluiten, na alvorens meergemeld pijpje, eerst met het voor- en daarna met het achtereinde naar beneden, er in gepast te hebben; de laatste stak uit de koperen tabaksdoos eene niet onaardige tijdpasseering in den mond. De zilveren man had eene groote neiging tot spreken, de koperen scheen vast besloten te hebben, geen mond open te doen. De jodin had natuurlijk veel meer achting voor den zilveren; maar de zilveren was terughoudend voor de jodin. Vóór den zilveren zat een knorrig, groot dik man, dien ikzelf niet toe dorst spreken, want hij had twee jassen over elkaar aan, een dikken rotting in de hand, een kleur als of hij zoo pas van een vechtpartij kwam, en een uitdrukking alsof hij zich gereed maakte met den eersten die hem toesprak een vechtpartij te beginnen; het was ongetwijfeld een commissaris van politie, of een plaatsmajoor in politiek. Aan zijne zijde sluimerde een jong mensch met gescheiden haar, zoo glad gekamd alsof het uit eén stuk was, hooge jukbeenderen, een blauwe das, een turkooizen doekspeld, een roodgebloemd vest, heele korte toegeknoopte mouwen aan een langlijvig bruin jasje, handschoenen met bont, en overschoenen. ’t Was een Duitsch kantoorreiziger. Daar naast—maar wat heb ik er aan, mijn talent te toonen in ’t beschrijven van een reisgezelschap, dat volstrekt niet pikant was, en dat ik aan het begin van dit opstel reeds vaarwel had gezegd? Om korter te gaan: ik stapte van de trede, viel eerst bijna in de armen van een geknevelden heer, met een stijf been en gelen rotting, die de bleeke dame afwachtte en, bang zijnde dat iemand anders haar de hand toesteken zou dan ZEd., de zijne alvast uitstak, dook onder de reeds tegen het dak van het voertuig, waarmee ik gekomen was, opgezette ladder dóór, riep den knecht toe: “die zwarte koffer met een H!” gaf den conducteur, die met de maal naar binnen ging, mijn vijfje, en keek naar iemand om, die mijn goed zou kunnen dragen zonder in de verzoeking te komen het aan zijn eigen adres te bezorgen.

“Is uwé meheer Willebram, als ik vragen mag?” vroeg een zwak, pieperig stemmetje, blijkbaar toebehoorende aan iemand, die nog nooit een onbekende van de diligence gehaald had. De vraag was tot den commissaris van politie gericht.

“Benje d …… mal, kerel”, zei de commissaris van politie.

“Moet hij uit dezen wagen komen?” vroeg op hupschen toon de man van het maagdelijk metaal.

“Dat zal ik wezen”, zei ik, eene nadere beschouwing daarlatende van de zorg, waarmee het (naar alle gedachten gezelschap-)juffertje voor haar hoedendoos was aangedaan en die zich uitte in de gedurige verzuchting: “Is dat met me goed leven, kondelteur!”

Het mannetje, dat vóór mij stond, had zijn opvoeding waarschijnlijk in een weeshuis begonnen en was nu bezig haar in een diaconiehuis te voltooien. Hij was hoog in de schouders en stijf van knieën, droeg een langen bruinen duffelschen jas, met het teeken zijner orde op de mouw, en had onder den arm een versleten portefeuilletje, waarin de boeken van een of ander leesgezelschap werden rondgebracht.

“Ik moest een boodschap voor meheer doen”, zei het mannetje, dat ik voor ongeveer achtenzestig aanzag, “en nu zei meheer, dat ik meteen reis na’ de dullezan zou gaan, om te kijken of meheer gekommen was. Uwé mot niet kwalijk nemen, dat ik uwé niet trekt kon”.

Nu, daar men de alleronmenschelijkste beul zou moeten wezen, om ’t iemand kwalijk te nemen dat hij u niet kent, indien hij u nooit zijn dagen gezien heeft, schonk ik den goeden diaconieburger op dit punt eene volkomene vergiffenis, liet mijn koffertje, totdat het afgehaald worden zou, in de “Rustende Moor”, en sukkelde met mijn nieuwen kennis naar het huis mijns ooms; onder het faveur van onderweg vriendelijk door hem onderricht te worden aangaande het doel van een groot gebouw met gotische deuren en vensters, waarop een toren stond met ordentelijke omgangen, appel en weerhaan, ’t welk hij zeide “de kerk” te wezen; als ook omtrent een breede streep groenkleurig vocht tusschen twee hooge gemetselde wallen, ’t welk hij verklaarde “de gracht” te zijn.

“En dit is het huis”, zeide hij, zijne oude beenen op een stoep zettende en een goeden ruk aan een lange schel gevende, met die uitdrukking van gelaat, die bij een oud man te kennen geeft: ik kan het toch niet hooren of ze zacht of hard overgaat.

De Ontvangst.

Het duurde een minuut of wat alvorens een eigenaardig sloffen in het voorhuis de aankomst eener bejaarde keukenmeid verried, die eerst natuurlijk den aardappel waaraan zij bezig was, had moeten afschillen, daarna den bak van haar schoot en haar beide voeten van haar stoof zetten, om vervolgens haar roode muilen aan te trekken, haar neus met het buitenste van haar hand af te vegen, haar eva in de schuinte op te slaan, en den langen weg te aanvaarden, die van de keukendeur tot bij den barometer twintig, en van den barometer tot de mat, zes stappen vergde. In dien tusschentijd bekeek ik den voorgevel van de woning.

Het huis was, als mijn oom, burgerlijk, en schoon het huis ouder was, was hij toch, zoowel als zijn huis, van een vroeger eeuw. Het had een trapgevel, en de bovenste verdieping was met kruiskozijnen in het lood. Het had slechts ééne zijkamer, met twee schuiframen met middelsoort ruiten, versierd door groene gazen gordijntjes op breede koperen roeden, in het midden een weinigje opengeschoven om het licht vriendelijk uit te noodigen wel te willen beschijnen twee bloempotten van mijn tante, onder streng verbod van iets anders in het vertrek òf op te luisteren òf te verbleeken. Ik was nieuwsgierig of ik ooit in die kamer zou toegelaten worden. In allen gevalle werd ik alvast in ’t voorhuis gelaten, en kwam ik spoedig in een achterkamer met een hoog licht, in de onmiddellijke tegenwoordigheid van mijn oom en tante.

De ontvangst was recht hartelijk, en de goede menschen die mij nog nooit in mijn leven gezien hadden, schenen zeer verheugd dat genoegen te smaken, ofschoon gemeld genoegen bij den eersten eenigszins scheen verbitterd te worden door de omstandigheid, dat ik juist op een donderdag gekomen was, als wanneer de voorkamer “gedaan werd”, zoodat men nu achter zat; waarop mijne moei aanmerkte, dat neef het wel zoo voor lief zou nemen en dat hij zeker in zijn ouders huis ook wel eens in een achterkamer gezeten had; waarop neef zei, dat deze een heele lieve achterkamer was, en dat hij wel van een achterkamer hield; waarop oom zei, dat hij er, al zei hij ’t zelf, niet van hield, en tante het met neef eens was dat zij er wel van hield, waarop oom wat bijkwam met te zeggen, dat hij er ’s avonds nogal van hield; waarop tante en neef zeiden, dat zij er ook ’s avonds het meest van hielden; zoodat er met eenparigheid van stemmen besloten werd, dat een achterkamer met een hoog licht des avonds op haar voordeeligst is. Ik ben verplicht hier bij te voegen dat de geheele redewisseling op de goelijkste en vriendelijkste wijze gevoerd werd terwijl oom zijn ingebrande pijp met een zwavelstok weer op de wijs bracht, en tante de kopjes van ’t koffiegoed met een minzaam lachjen en een bonten theedoek zat af te drogen. Zij schikte juist de stapeltjes in orde op het blad, toen zij vroeg: “Wel heeremijntijd, Hildebrand, hadje nou niet nog koffie willen hebben?”

Nu was er op dit oogenblik inderdaad niets waar ik vuriger naar verlangde dan naar een kop koffie; maar daar ik mijn tante verdacht dat zij het middel om koffie te vermeerderen zou zoeken in de kunst om ze te verdunnen, bedankte ik edelmoediglijk, en zei dat ik straks met oom een bittertje zou nemen, waarop oom verklaarde dat hij dat altijd gebruikte als de wagen van tweeën voorbijkwam.

Met dit vooruitzicht schikte ik mijn stoel wat dichter bij den haard, waarbij mijn oom altijd zat als hij achter zat, ofschoon er nooit in gestookt werd vóór den eersten November en er dus ook nu geen vuur aanlag, en begon met naar mijn neef Pieter te vragen.

Mijn neef Pieter studeerde te Utrecht in de rechten; maar hoewel ik bij onderscheidene gelegenheden aan onderscheidene studenten van onderscheidene faculteiten gevraagd had of zij mijn neef Pieter Stastok ook kenden, had ik daarop te geenen tijde een voldoend antwoord ontvangen, zoodat ik, in de onzekerheid der oorzaken, waaraan deze onbekendheid wellicht moest worden toegeschreven, eindelijk begonnen was met niet meer naar mijn neef Pieter Stastok, maar naar een zekeren student Stastok navraag te doen.

Petrus Stastokius Junior.
Petrus Stastokius Junior.

Petrus Stastokius Junior.

“Gij moest hem al gezien hebben, neef Hildebrand”, zei de oudere Stastok, “want hij is uitgegaan om u op te wachten.”

“Om u op te wachten,” herhaalde mijn tante, haar breiwerk in haar schoot latende vallen en over haar bril heenziende: “hij moet u zeker misgeloopen zijn; maar hij zal wel spoedig hier wezen. Hij is tegenwoordig zoo druk aan zijn examen! Ik ben eigenlijk bang dat hij te veel werkt; hij is zoo vlug, weet u!”

En nog nauwelijks had ik den tijd mijn vurig verlangen te uiten om die zeldzame vereeniging van vlugheid en arbeidzaamheid, den jongeren Stastok, te aanschouwen of de schel ging over, de muilen van de keukenmeid sloften, en de stap van den Utrechtschen student werd gehoord.

Had ik tot nog toe niet de minste notie van mijn heer en neef gehad, zooras hij de kamer binnenkwam kende ik hem door en door. Zijn geheele voorkomen sprak collegehouden uit; zijn geheele lichaam dicteerde dictaten. De bleeke kleur, het gebogen hoofd, de stalen bril, de theedoekige das, de sluitjas met dubbele borst, de horlogesleutel, de niet nauwe en niet wijde pantalon, de verschoende laarzen, de floretten handschoenen, de zwarte kapelaansrotting met twee nuffige kwastjes—alles deed den student zien, die van het academieleven niets kent dan de collegekamers en de thé’s der professoren; van de studenten, geen andere dan zijn stadgenoot en en de senatoren, die hem ontgroend hebben; van de burgers, niemand dan zijn hospita; den student, die een kleur krijgt als hij twee, en een straat omloopt als hij een partijtje van zes studenten tegenkomt; den student, die er over klaagt dat er zoo weinig studenten-broederschap is, en niet weet dat er studenten-vreugd bestaat; den student, die een dispuut zou willen oprichten, waarvan niemand lid zou willen wezen; die van den kok dagelijks vijf borden eten krijgt: één, gesneden vleesch, één, ingemaakte postelijn, één, dito andijvie, één, opgekookte aardappels, en één, rijst met bessennat, omdat hij den moed niet heeft zich aan een tafel te doen voorstellen; den student, die in de sociëteit duizend angsten uitstaat dat iemand om de courant zal vragen, waar hij zich achter verbergt, en wiens naam de andere studenten voor ’t eerst hooren, als zij toevallig op ’t college zijn daar hij afgeroepen wordt om te respondeeren.—Zulk een student was zonder twijfel mijn onbekende neef Pieter Stastok.

“Hoe komt het, Piet! dat je neef Hildebrand misgeloopen bent?” vroeg tante verwonderd.

De student Pieter Stastok keerde zich om, ten einde zijn rotting in een hoek te zetten, en zei dat de diligence verwonderlijk vroeg aangekomen was, eene omstandigheid, die zeer zeker verwonderlijk was, aangezien wij op weg een oponthoud gehad hadden van een half uur, door ’t storten van een der paarden. “Hij was eerst nog effen bij den boekverkooper geweest, die zijne Instituten inbinden moest, en was toen regelrecht naar de diligence gegaan, maar had tot zijne verbazing gehoord dat die al lang aan was, en dat ik met den knecht was opgewandeld”, enz. enz.

De zaak was dat hij een singeltje had omgeloopen, totdat hij zeker wist dat ik reeds lang onder zijn vaders dak goed en wel zou gevestigd zijn, uit vrees van den verkeerden persoon voor mij aan te spreken. Nu, indien hij den commissaris van politie getroffen had—hij was voor zes weken een bedorven man geweest!

“De neven moeten nu maar eens goed kennismaken”, zei mijn tante, die tot de minzaamste aller schommelige huismoeders behoorde; “ze zijn toch allebei student”.

“Ja maar”, zei Pieter, nog lang niet gemeenzaam met het denkbeeld van eene kennismaking, “in verschillende vakken”.

Dat was waar, en zelfs op verschillende academiën. Maar ik ben nooit zoo zeer Leidsch student geweest, dat ik niet altijd gaarne dronk op de harmonie tusschen de zusteracademiën, een toost, die immer gedronken wordt, waar Utrechtsche en Leidsche studenten bijeen zijn, maar die men evenwel niet te druk moet herhalen om geen twist te krijgen. Wat ons betreft, er kwam al spoedig gelegenheid voor een toost; want na nog een woord of wat met Pieter Stastok, ter informatie wáár hij te Utrecht woonde, waarop het antwoord was, ten huize van een catechiseermeester in de Lijsbethstraat, en na een kort gesprek met mijn oom over het nieuws dat er niet was, en een dito met mijn tante over het goudleeren behangsel in de kamer, waarvoor zij ook wel had hooren zeggen dat de muilenmakers te Waalwijk, vóór dat zij door den brand geruïneerd waren, groote sommen zouden hebben willen geven, kwam het diaconiemannetje (dat ik bij deze gelegenheid met den naam van Keesje hoorde versieren) binnen met de boodschap, dat de wagen van tweeën net voorbijging; waarop tante, na alvorens haar bril te hebben afgezet, opstond, een kastje opende en daaruit te voorschijn bracht en fleschje met Van der Veen’s elixer, een fleschje met “Erger dan de cholera”, en drie glaasjes. Oom wenschte mij frisschen morgen.

De verdere afloop van dien dag was als gewoonlijk bij een eerste kennismaking. Wij bevielen elkander onderling, en ik werd dikke vrinden met Pieter. ’s Middags stal ik het hart van mijn tante nog eens door van schorseneren te houden, en bewoog mijn oom bijna tot tranen door met opgewondenheid van een gestoofden kabeljauwshom te spreken. Om Pieter ook een genoegen te doen wist ik eenige kennis van zijn vak te verraden, door de begripsbepaling van Justitia en van Ususfructus te pas te brengen. Na den middag nam mijn oom een slaapje bij den kouden haard, en ging mijn tante eens naar boven. Daarna dronken wij te zamen recht gezellig thee, zagen de achterkamer op haar voordeeligst, en wat dies meer zij.

Mijn oom was iemand, wiens grootvader en vader een zeer bloeiende, en die zelf een vrij bloeiende lintweverij gehad had; om de strikte waarheid te zeggen, moet ik bekennen dat hij ze nog had, maar er werd volstrekt niet meer in gewerkt, en op de zolders lag nog een aanzienlijke partij oortjesband, die hij “liever daar zag verrotten dan haar onder de markt te verkoopen”. Hij behoorde alzoo tot die menschen, die hun zaken aan kant gedaan hebben en, het uitzicht op verdere winsten opgevende, zich met een vrij aardig inkomen, een onverzettelijken afkeer van stoommachines, en de Haarlemsche courant tevredenstellen. In den loop van den avond kwam het uit dat hij een bijzondere genegenheid had voor het stopwoord “al zeg ik het zelf”, alleen overtroffen door de verslingerdheid van zijne echtgenoot aan den uitroep “wel heeremijntijd!” welke termen dit echtpaar buitengemeen beminde; ofschoon ik zeggen moet dat zij zo somtijds afwisselden met de bevallige tusschenvoegsels van, “wat hamer”, “goede genadigheid”, “och grut” en andere dergelijke vloeken meer, die een balk in hun wapenschild voeren. De student Petrus Stastokius Jun. had daartegen niets in te leggen dan zijn geliefkoosde verzekering “waaratje”, waarvan ik evenwel, om billijk te zijn, erkennen moet, dat hij in ’t geheel geen misbruik maakte.

Hildebrand ziet de stad, en Pieter verstout zich pot te spelen.

Ik werd des anderen daags om zeven uren waker, en toen ik de groene saaien gordijnen openschoof om te zien wat voor weer het was,—welke was mijne ontzetting, te bemerken dat (wij sliepen op dezelfde kamer) Pieter zich reeds geperpendiculariseerd had en bezig was om, met den bril op, een paar schoone kousen aan te trekken, waarin zijne moeder den vorigen avond plichtmatig hieltjes gemaakt had.

De oudere Stastok was een man van de klok en stond diensvolgens om zes uren op, ten einde om halfacht aan het ontbijt te zijn; en daar hij volstrekt niets te doen had, vulde hij dien tusschentijd met pijpjes rooken aan. Opmerkelijk is het, dat naarmate men minder bezigheid heeft, men des te bekrompener over den tijd denkt. Indien men den goeden Pieter Stastok Senior het moeilijke vraagstuk omtrent de zetelplaats van den wil had voorgelegd, zou hij, indien hij daartoe genoegzame tegenwoordigheid van geest had gehad, zijn wijsvinger op twee duim afstand van zijn maag hebben moeten leggen, door die beweging datgene zijner ingewanden aanwijzende, ’t welk hij zijn “goud horloge” noemde. En inderdaad, indien ik mij door een goud horloge moest laten regeeren, ik zou van zulk een geregeerd willen worden; want een goed, groot, dik en vet uurwerk was het, met twee kasten over elkaar; en daar het iederen morgen, klokke negen, met de torenklok werd gelijkgezet, liep het doorgaans volmaakt.

Ik vond mijn oom in de voorkamer (die zulk een heiligdom niet scheen te wezen als ik mij wel voorgesteld had) juist daar hij van onder de handen van zijn barbier kwam. Hij had zijn slaapmuts nog op het kale hoofd, daar hij gewoon was die niet vóór elf uren voor zijn pruik te verwisselen.

“Mooi weertje, neef Hildebrand”, riep hij mij toe: “mooi weertje, al zeg ik ’t zelf.”

Tante, die reeds zat te breien, zette, tengevolge eener zeer oneigenaardige gewoonte, haar bril af, om te beter mijne robe de chambre te bekijken, en na een “heeremijntijd! zijn die dingen weer in de mode?” (het was in 1836) begon zij een optelling van al de japonnen met sjerpen, die haar vader en haar man in vroeger eeuwen gedragen hadden en die, naar haar voorgeven, nog boven in een kast hingen.

Oom vond dat het veel te gemakkelijk was voor een jong mensch, en in de oogen van Petrus geleek ik in dit ochtendgewaad zoo volmaakt op de grootste Jannen der Utrechtsche academie, dat hij mij, geloof ik, voor een overgegeven lichtmis begon te houden.

De bijbel werd opengeslagen, en mijn oom las er uit voor. Eerwaardige gewoonte! Waarom is zij zoo bijna uitsluitend tot de burgerlijke huishoudens bepaald, en raakt zij ook zelfs daar meer en meer in onbruik? Mijn oom las niet welsprekend, niet mooi, zelfs niet goed op sommige plaatsen—maar het was stichtelijk, want hij las den bijbel; het was goed, want hij las met eenvoudigheid; het was schoon, want het was hem aan te zien dat hij geloofde. Hij las Luc. X, en bijzonder trof mij, in dezen kring en uit dien mond, het 21ste vers: “Ik danke u, vader, Heer des hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt en hebt ze den kinderkens geopenbaard”.

Na den ontbijt ging Pieter “aan zijn examen werken”, ’t welk bestond in zeer breedvoerige tabellen van de Instituten te fabriceeren, met rooden, blauwen en zwarten inkt geschreven, en ik volgde hem naar zijn kamer, waar ik mij tot koffietijd met een paar boeken bezighield.

En nu was het oogenblik daar, dat mijn neef mij aan de stad en de stad aan mij vertoonen zou. Wij gingen dus samen uit, en daar hij een rotting had, liet ik den mijnen thuis. Wij zagen dan: eerst de gracht, daarna de korenbeurs, en vervolgens twee kerken, waarin praalgraven en kosters die een fooi begeerden, als ook in een dier kerken een orgel, dat op het Haarlemsche na, het mooiste der wereld was; eene eer, die ik te Gouda, aan het Goudsche, te Leidon, aan het Leidsche, te Alkmaar, aan het Alkmaarsche, te Zwol, aan het Zwolsche, en nu weder te D. aan het Deesche hoorde toeëigenen; zoodat het de zaak van de 4de klasse des Koninklijken Nederlandschen Instituuts worden zal, daaromtrent een prijsvraag uit te schrijven. Wij beklommen zelfs met levensgevaar den toren van een dier kerken, en maakten er de opmerking dat het er woei, en dat er rondom de stad veel weiland, veel water, en veel molens waren. Daarop begaven wij ons naar het stadhuis, en bevonden dat onze voorvaderen nòg beter schilderden en er nòg gezonder uitzagen dan wij; ook had ik tegelijk gelegenheid het manlijk voorkomen der Deesche dienders te bewonderen. In zijn ijver om mij alles te laten zien, bracht Pieter mij zelfs naar de vleeschhal, en over de vischmarkt, en eindelijk aan een groote vierkante eendekom, die hij “de haven” noemde. Al voortgaande informeerde hij zich zeer sterk, hoeveel colleges de juristen te Leiden op één dag hadden en of het bij prof. A. fideel was op de thé’s; als ook welke colleges gemelde hooggeleerde in ’t Hollandsch gaf en hoeveel prof. B. dicteerde; of iedereen bij prof. C. zoo maar een testimonium krijgen kon; of prof. D. liefhebberij-colleges hield; en of ik Smallenburg wel eens gezien had; tegen welke berichten hij de zijnen omtrent de Uitertsche Juris professores met eene eerlijkheid inwisselde, eene betere zaak waardig. Hij verzuimde niet den billijken Utrechtschen trots op prof. Van Heusde en op de moeilijkheid van een mathesis-examen in ’t Latijn te pas te brengen; en toen ik ’t gesprek voor de afwisseling op lichtvaardiger onderwerpen wendde, kwam het uit, dat hij, Pieter Stastok, zonder evenwel hartstocht voor die spelen te koesteren, wel eens domino speelde, ja zelfs wel eens biljartte, en daar wij juist vóór een koffiehuis stonden, noodigde ik hem uit zich in laatstgenoemde kunst met mij te meten.

Pieter Stastok had noch den moed, noch den slag mij iets aan te bieden; daarom bestelde ik een bittertje voor mij zelven, en hij insgelijks voor zich. Op dat oogenblik sloeg de klok boven’t buffet twee uren, en zag ik aan den overkant der straat de diligence afrijden, die mijn oom in staat zou stellen ons voorbeeld te volgen.

Er waren vrij wat menschen in het koffiehuis, maar daar wij met niemand dan met het biljart te maken hadden en geen hunner speelde, hinderden zij ons volstrekt niet. Pieter sloeg de mouwen van zijn sluitjas op, en vertoonde de groote gesteven boorden van wat zijn moeder, hoe algemeen Europeesch die dracht ook geworden was, nog altijd een Engelsch hemd noemde; daarop verzocht hij den jongen zeer beleefd om eene “goede keu”. De jongen gaf hem natuurlijk de beste die in het rek was, en wij trokken wie vóór zou spelen. Die eer viel mij te beurt, en de partij begon.

Wij hadden evenwel nog nauwelijks eenige punten gemaakt, toen een luidruchtig geroep van “pot, jongen!” al onze zaligheden verstoorde.

Het geroep kwam van een winderigen jongen advocaat, die pas voor de studentensociëteit te Utrecht bedankt had, en nu nog voorhing op de particuliere sociëteit te D. en van dit interregnum gebruik maakte, om alledag in het koffiehuis “de Noordstar” pot te maken.

“Vierentwintig uit, menheeren!” riep de jongen ons toe, en tegelijk het korfje schuddende, waarin hij de potballen had, bood hij ze ons aan.

Ik trok er een; en met een gezicht waarover een kleine stuiptrekking scheen te gaan, stak Pieter, dien ik ondertusschen als geen grooten Mingaud had leeren kennen, zijn hand alsmede manmoedig in den korf. Daarop kwamen al de habitués van den pot uit hunne hoeken en vroegen dopjes voor hunne pijpen; de jongen deelde de eigen keuen rond, en de jonge advocaat nam in persoon het krijt om op te schrijven.

“Wie van de heeren heeft het aas?”

“Ik”, riep een barsche stem, die aan niemand anders toebehoorde dan aan den heer met de twee jassen over elkaar, dien ik in de diligence voor een commissaris van politie gehouden had; het bleek mij echter dat hij volstrekt geen commissaris van politie was, maar wel pikeur der kleine manege, die te D. aanwezig was, en tevens eigenaar van de kleine comedie, die aldaar ingelijks bestond.

“Wie van de heeren de twee?”

Pieter Stastok ging zelf naar de lei om den jongen advocaat in te fluisteren dat hij het was.

“Zoo! zal jij ook pot spelen?” vroeg de jonge advocaat, die als stadgenoot mijn neef wel kende.

Pieter werd bleek.

De drie had ik. De vier had een bejaard tweede luitenant van de infanterie, met de medaille van twaalfjarigen dienst. De vijf had een chirurgijnsleerling, die te veel tijd had. De zes, een kort, dik man met stoppelig grijs haar, die een graankooper scheen te zijn. De zeven, een jong mensch van drieëntwintig jaar, die student geweest was, maar om slecht gedrag thuisgehaald, voor wien Pieter bang was, te meer daar hij hem zeer gemeenzaam behandelde. Deze scheen de boezemvriend van den bejaarden luitenant der infanterie met de medaille van twaalfjarigen dienst te wezen. De advocaat zelf had de acht, en de negen was in handen van een jongeling van drieëndertig jaren, in een leverkleurigen pantalon, die op zijn moeders zak leefde, een hond hield, nooit iets had uitgevoerd, en in groote achting stond bij den kastelein van het koffiehuis “de Noordstar.”

Toen de jonge advocaat de namen van al deze heeren netjes had opgeschreven, nam de biljartjongen het krijt in de eene en den kleinen bok in de andere hand, en gilde met al de kracht, die een kind van veertien jaren over kan houden, als hij den geheelen dag en den halven nacht op één been staat, te midden van de uitwaseming van mensehen en pijpen: “Aas acquit, twee speelt!”

Petrus Stastokius Junior moest alzoo op het acquit spelen, en hij maakte zich werkelijk tot dien arbeid gereed. Te dien einde lei Petrus Stastokius Junior zijn pijp neer; maakte de punt van zijn keu wel een halven voet ver wit; plaatste zijn bal met de linkerhand op drie vierden; drukte de vier vingers van zijn linkerhand op een handbreed afstands van denzelven bal op ’t biljart; krulde den duim bevallig om, zoodat hij aan ’t geheele gezelschap zijn tot op ’t leven afgesneden nagel vertoonde, en begon met de rechterhand de keu tusschen duim en vinger heen en weder te bewegen op eene wijze, die deskundigen “zagen” noemen.

Tot zoover ging Petri Stastokiï wetenschap om op het acquit te spelen. Ja, hij had zelfs een flauwe notie van de theorie van halfbal raken; maar daar het hem aan practijk in het edele potspel haperde, was hij bijna zoo wit als zijn bal, en stiet hem eindelijk krampachtig er op los, met dit gevolg dat hij klotste en “à faire” lag voor den rechter hoekzak.

Het zou onmenschelijk geweest zijn hem “te maken” en daarom, mijn eigen bal stevig “houdende”, bracht ik den zijnen naar onderen, een goed eind voorbij den milieu. Daarop nam de bejaarde luitenant der infanterie zijn pijp tusschen zijn grauwe knevels en speelde met de linkerhand op goedaf, maar werd niettemin met “een beest” gesneden door den chirurgijnsleerling; waarop de verloopen student, die onder ons gezegd een grappenmaker was, zeide dat die chirurgijns niet leefden of zij moesten wat te snijden hebben. De graankooper verzocht daarop den jongen om acquit voor hem te zetten en bleef met een wijs gezicht en onder het genot van zeker mengsel van geestrijk vocht en suiker, ’t welk in ’t gemeene leven een sneeuwballetje genoemd wordt, in ’t Handelsblad turen, en de verloopen student, zijn sigaar op den rand van ’t biljart neergelegd hebbende, stiet met veel nonchalance en verschrikkelijk hard op ’t acquit, welk voorbeeld van hard spelen door den advocaat met gelijke woede werd opgevolgd. Nu was de beurt aan den jongeling van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pantalon, die, van het beginsel uitgaande dat hij zijn bal voordeelig moest trachten te verkoopen, nooit op goedaf speelde, als hij zeker wist dat hij een bal maken kon. Hij maakte: en zoo gebeurde het dat Petrus Stastokius andermaal op het acquit spelen moest.

Hij was nu zoo ver, dat het zweet hem in groote parels op het voorhoofd stond.

“Dat wordt een collé, mijnheer”; riep de barsche stem van den pikeur.

Pieter sprak niet, maar in zijne desperate poging om den geduchten spreker eens niet te logenstraffen, en in een van die dwaze inblazingen van hoop, waaraan slechte spelers somtijds gehoor geven, dat namelijk het goed geluk voor hen zal doen wat hunne kunst niet vermag, raakte hij den acquitbal zoo fijn, dat hij hem, tegen alle etiquette aan, in den linker hoekzak “sneed”.

“Dat doet men niet, mijnheer!” riep de pikeur, hevig met de keu op den grond stampende.

“Het was een ongeluk”; stamelde Pieter, die nu zoodanig transpireerde, dat ik vreesde dat zijn bril op den vloed zou afdrijven.

“Het was een lompigheid”, brulde de pikeur.

“Leve het snijen!” riep de chirurgijnsleerling.

“Die mijnheer is gevaarlijk!” schertste de bejaarde luitenant.

“Aas één appèl, drie acquit, vier speelt!” riep de biljartjongen.

Ik geloof dat mijn neef poogde in een onverschillige houding zijn neus te snuiten, maar het had er niets van.

Het derde toertje liep goed voor Petrus af, maar het vierde was geschikt om hem er gansch onder te werken. De pikeur lag voor den middelzak; het was een gemakkelijke bal; een kind kon hem maken.

“Je kunt hem best sauveeren”, zei de pikeur, “en goed afkomen ook”.

Dit was volmaakt overeenkomstig de gezindheden van Pieter, die, uit aanmerking van den snijbal, voor geen geld ter wereld hem maken wilde, zelfs al moest hij er slecht op afkomen. Maar daar de pikeur een gevreesd potspeler was en, sedert onheuglijke jaren, van de drie potjes, die gespeeld werden, er twee in zijn zak stak, riepen natuurlijk al de anderen: “stop weg; stop weg!”

Pieter stootte niettemin met het voornemen om hem stellig niet weg te stoppen; en toch scheelde het zoo weinig of hij had hem weggestopt, dat de winderige advocaat, die in ’t gewoel was opgestaan, uitriep: “hij zit!” waarop de verloopen student, die als gezegd is, een grappenmaker was, geestig antwoordde, “als hij een stoel had”; waarop allen lachten.

“Wacht wat!” riep de chirurgijnsleerling, die voor ’t snijen was; “hier is nòg een zak!”

En inderdaad! Petrus Stastokius had geheel buiten zijn eigen voorkennis of medeweten een doublé gemaakt, waarop allen juichten, behalve de pikeur, die op een grimmige wijze nog een glas bitter bestelde en de Goudsche courant opnam, alleen om haar hard weer neer te smijten.

Men speelde voort en, na al de wederwaardigheden die hij had doorgestaan, werd mijn vriend Pieter weder vrij kalm, waartoe vooral machtig medewerkte dat hij een paar malen acquit moest leggen. Maar op eens werd zijne rust akelig verstoord door den uitroep van den jongen: “vier driemaal, zes acquit, zeven speelt! mijnheer Hastok (de St was onduidelijk geschreven) de Vlag!”

Nu was er geen eind aan de kortswijl en de grappen van den chirurgijnsleerling, en den verloopen student, en den advocaat, en den jongeling van drieëndertig jaren met den leverkleurigen pantalon. De een noemde hem een Mingaud, de ander een blauwbaard, de derde een boa constrictor, allen te zamen: “den mijnheer van de vlag”. De bejaarde luitenant, die op drie stond en met den verloopen student geassureerd was, wilde zich doodstooten en hem voor een daalder koopen; de graankooper, die tegen die manoeuvre was, zei dat Pieter veel te sterk speelde om het aan te nemen; de chirurgijnsleerling bestelde de bokaal voor mijnheer “Hastok”, die den pot “op schoon dacht te winnen”;—het was een leven als een oordeel. En onder dit alles stond, met verwilderden blik, het onschuldig voorwerp van al dit rumoer altijd maar krijt aan zijn keu te strijken. De beurt kwam weer aan hem.

“Welke bal?” vroeg hij verlegen.

“Die witte!” riep de verloopen student, die een grappenmaker was.

“Die ronde!” zei de chirurgijnsleerling, niet minder aardig.

“De beste”, zei de leverkleurige pantalon, die ook iets zeggen wou.

“De benedenste”, zei de dikke graankooper, die medelijden kreeg.

Nu was het zoo gelegen, dat het vrij onverschillig was met welken bal de arme Pieter, die geen drogen draad meer aan ’t lijf had, op dat merkwaardig oogenblik spelen zou, aangezien beide ballen, de een boven, de ander beneden, stijf en allerstijfst collé lagen; ik herinner mij niet in al den tijd dat ik mee gebiljart heb—nu slaapt mijn keu voor immer in haar zelfkanten graf—ooit zulk een stijven collé gezien te hebben. De verloopen student bood mijn neef den bok aan. Pieter zag hem aan met een blik van machteloozen haat en stootte een voet of drie mis.

“Strijk de vlag!” riep de chirurgijnsleerling.

Zij was alreede gestreken. De pikeur had zich bij voorraad gewroken.

Van dat oogenblik aan bood de luitenant Pieter een gulden; maar hij was te zeer van zijn stuk om te verkoopen. In den volgenden toer maakte ik hem, uit medelijden; den daarop volgenden, verliep hij en smaakte de voldoening dat de luitenant hem een beschuitje voor zijn bal bood; met een mispunt besloot hij, in den voor hem laatsten toer, zijn carrière in het edele ballenspel; en daar hij zeer veel haast scheen te hebben om te vertrekken, brak ik, die nog een enkel appèl te verliezen had, mijn bal op, vooral ook om een einde te maken aan de dringende aanzoeken van den jongeling met den leverkleurigen pantalon, die nu zichzelven voor een achtentwintig aan “Hastok” verkoopen wilde, in welk aanbod hem al de vroolijke jongelui ondersteunden.

Op straat gekomen scheen de frissche octoberlucht Pieter weer moed en verwaandheid toe te waaien.

“Daar zijn goede spelers onder”, zei hij, “maar toch waaràtje geen een, die eigenlijk uitmunt. Ik had een kromme keu”, voegde hij er bij; “en hebje wel gezien hoe de hoekzakken trokken?”

Ik had alles gezien, en wist dat de graankooper het potje zou gewonnen hebben eer wij thuis waren.

Het eten stond reeds op tafel. Pieter had geen honger.

Het diakenhuismannetje vertelt zijn historie.

Drie dagen had ik bij de familie Stastok vertoefd, en in dien tijd was ik groote vrienden met Keesje geworden. Een paar malen had hij mij door de stad vergezeld om mij den weg te wijzen, als ik boodschappen te doen had; en daar hij, als vele oude lieden, praatziek was, en ik in dat gebrek soms met vele oude lieden deel, hadden wij dikwijls te zamen vrij wat afgehandeld. Keesje was een eenvoudig, braaf, goedaardig mannetje. Hij had een flauwe herinnering van zijn vader, die borstelmaker geweest was en groote “zulveren” gespen op zijn schoenen had gedragen. Behalve de gespen, herinnerde hij zich niets meer van hem dan zijn dood, en hoe hij met een groote huilebalk en lange witte das achter zijn lijk gegaan was; en hoe er toen hij thuis kwam een zwarte doek over den spiegel had “gehongen”; en hoe hij, bij die gelegenheid, zoo veel geraspte broodjes had mogen eten als hij maar wilde; en dat daar een lange moei was bijgeweest, die zóóveel witten wijn gedronken had, dat een dikke oom gezegd had: “je krijgt niet meer”. Zijne moeder had hij nooit gekend. De dikke oom had hem naar ’t Weeshuis gebracht; hij had er leeren spellen, en toen was hij op timmeren gedaan; maar hij was te zwak voor dat werk, weshalve men hem bij een apotheker besteld had, om fleschjes te spoelen, en te stampen: een baantje dat juist niet rijk is aan schitterende vooruitzichten. Vijftien jaar had hij er gediend, maar daar hij maar heel weinig lezen kon, en hij dikwijls tegelijk twee halfpintsflesschen, drie kinderglazen, een amplet, een likkepot en een pakje poeiers weg moest brengen, was ’t hem eindelijk eens gebeurd dat hij een salebdrank gebracht had bij iemand die obstructies had, en daarentegen de poeiers met jalappeharst bij eene dame die aan diarrhee leed, waarop hij, als niet genoeg geletterd, ontslagen werd. Sedert was hij looper voor een kantoor, en daarna huisknecht bij onderscheidene lieden geweest, waarvan sommige dood en andere geruïneerd waren; en daar hij, bij de groote opruiming, te oud was geweest om naar Frederiksoord te worden gezonden, had eindelijk het Weeshuis hem overgedaan aan het Diakoniehuis. En nu werd hij op zijn ouden dag nog door mijn oom en een paar lieden van diens slag gebruikt tot het smeren van schoenen, uitkloppen van kleeren, wegbrengen van de courant en, in één woord, tot het doen van min gewichtige boodschappen. Hetgeen, volgens de inlichtingen van mijn oom, ’s mans carrière het meest had gedwarsboomd, was zijne verregaande onnoozelheid en daaraan geëvenredigde menschenvrees.

In dit priëeltje zocht ik, op zaterdag morgen na den ontbijt, met een boek onder den arm, het zonnetje. Waarom ik het boek niet opensloeg zal terstond blijken.

Ik had nog nauwelijks met mijn zakdoek het stof van de bank in ’t priëeltje geslagen, en was bezig, op mijn gemak nedergezeten, met de oogen op het loodsje, het plaatsje en het hekje gericht, mij te verlustigen in het denkbeeld, hoe goed alles bij mijn oom en tante in de verf was, als de plaatsdeur openging en Keesje verscheen. Daar hij den geheelen tuin doormoest om ter plaatse zijner bestemming te komen, en hij bijna zeventig jaar op de schouders torste, had ik tijd genoeg om op te merken, dat er iets aan scheelde. Hij strompelde eerst bijna tegen de rollaag aan, waarop hij niet scheen verdacht te wezen, schoon hij er sedert jaren alle morgens om halftien uren overheen moest stappen; hij liet den zondagschen rok van mijn oom, dien hij over den arm had, in het zand slepen en, eer hij den appelboom voorbij was, den borstel, dien hij in de hand hield, tweemaal vallen. Als hij nader kwam, zag ik dat zijn wangen zeer bleek en flets waren, onder zijn niet zeer net onderhouden baard; zijn geheele gelaat was betrokken, zijn oogen stonden dof, en toen hij mij voorbijging was het niet als anders: “lief weertje, meheer!” maar hij nam zijn hoed stilzwijgend af, en strompelde naar het plaatsje. Met een diepen zucht trok hij daarop zijn jas uit, zoodat hij mij in zijn eng zwart vest met mouwen, al het magere en gebogene van zijne gestalte zien liet. De roode blikken tabaksdoos, die half uit den eenen vestzak stak, bleef onaangeroerd, en met wederom een diepen zucht hing hij den rok van mijn oom over den knaap. Met een nog dieper zucht greep hij den borstel op, stond eenige oogenblikken in gedachten tegen de haren op te strijken, en begon toen den rok te borstelen, beginnende met de panden.

“Hoe is ’t Keesje! Gaan de zaken niet goed?” riep ik hem toe. Keesje borstelde altijd door. Hij was wat doof.

Wanneer men den volzin herhalen moet, die men op een eenigszins meewarigen toon heeft uitgesproken, is ’t glad onmogelijk het met dezelfde woorden te doen. Ik stond op, kwam een stapje nader, en zei wat luider:

“Wat scheelt er aan, Kees?”

Kees ontstelde, zag mij aan, en bleef mij een oogenblik met strakke oogen aanzien; daarop vatte hij weer een mouw van mijn ooms zondagschen rok en begon op nieuw te borstelen. Er liep een traan over zijn wangen.

“Foei, Kees!” zei ik, “dat moet niet wezen: ik zie waterlanders, dunkt me”.

Keesje veegde zijn oogen met de mouw van zijn vest af en zei: “’t Is een schrale wind, meheer Hildebrand”.

“Ei wat Keesje;” zei ik, “de wind is niemendal schraal. Maar daar schort iets aan, man! Hebje een courant verloren?”

Keesje schudde het hoofd en ging hardnekkiger dan ooit aan het schuieren.

“Kees!” zei ik: “Je bent te oud om verdriet te hebben. Is er niets aan te doen, vrind?”

De oude man zag vreemd op bij het hooren van het woord “vrind”. Helaas, misschien was ’t hem op zijn negenenzestigste jaar nog geheel nieuw. Een zenuwachtige glimlach, die iets verschrikkelijks had, kwam over zijn mager gezicht; zijne grijze oogen luisterden eerst op, werden toen weer dof, en schoten vol tranen. Zijn gansche gelaat zeide: ik zal u vertrouwen. Zijn lippen zeiden:

“Hoor reis meheer! Kent uwe Klein Klaasje?”

Hoewel ik nu een zeer bijzonderen vriend heb, die Nicolaas gedoopt is, en van wien ’t niet ondenkbaar was dat Keesje hem wel eens gezien had, zoo kon ik echter onmogelijk op gemelden Nicolaas den naam van Klein Klaasje toepassen, aangezien hij een zeer “lange blonde jongen” is, en nooit zou ik hebben willen gelooven dat gemelde Nicolaas, hoe onaardig hij ook somtijds wezen kan, de oorzaak zou kunnen zijn van ouden Keesjes tranen. Ik antwoordde dus dat ik Klein Klaasje niet kende.

“Heeft meheer Pieter hem uwe dan niet gewezen? De heele stad kent Klein Klaasje. Hij krijgt centen genoeg”; ging Keesje voort.

“Maar wat is het dan voor een man?” vroeg ik.

“Het is”, zei Keesje, “in ’t geheel geen man. ’t Is een dwerg, meheer! een dwerg, zoo waar as ik hier voor je sta. Je kent er mee in een spul reizen. Maar ’t is een kwaad kreng. Ik ken hem goed”.

Ik wenschte hartelijk naar wat meer orde in de berichten van Keesje.

“Hij is uit het Huis”, hernam hij na een oogenblik zwijgens: “hij loopt over straat as ’en gek. Hij wint geld met zen bochel. Als er ’en school uitgaat, leggen de jongens centen bij mekaar, en laten Klein Klaasje dansen. Dan springt ie om een stok net as zoo’n aap, en dan maakt ie zijn bochel wel eens zoo groot. Ik heb geen bochel, meheer!” liet hij er met een zucht op volgen.

Terecht begreep ik dat Keesje minder jaloersch was van den bochel dan van diens geldige vrucht.

“Ik wou”, ging hij op een treurigen toon voort, den rok een veel harder streek met den schuier gevende, dan voor laken van negen gulden dienstig was; “ik wou dat ik een bochel had. Ik zou nies uitvoeren; ik zou centen krijgen; ze zouen om me lachen …. Maar ik zou niet drinken”, zei hij eensklaps van toon veranderende. En den volzin omkeerende, voegde hij er, zeer bedaard den rok van den knaap nemende en hem opvouwende, nog eens bij: “drinken zou ik niet”.

“Keesje”, zei ik, “toen je den tuin doorkwaamt, en toen ik je aansprak, was je bedroefd, en nu lijk je wel wat boos te zijn; ik zie je liever bedroefd!”

De oude oogen schoten weer vol tranen; hij stak zijne dorre handen naar mij uit; ik vatte ze, toen hij ze, beschaamd over zijn gemeenzaamheid, terug wilde trekken, en liet ze niet dan na een bemoedigend drukje varen.

“Och”, zei hij—“och meheer weet dat zoo niet;—maar ik ben—ik ben veel bedroefder dan boos. Maar Klein Klaasje het me mishandeld. Klein Klaasje is slecht. De menschen”, ging hij voort, naar het schoensmeer bukkende, “de menschen denken soms dat ie gek is; maar hij is slecht”.

“Hoor eens, Keesje!” zei ik, een klaptafeltje op een ijzeren poot opslaande; “ga hier eens wat zitten en vertel me reis geregeld, wat heeft Klein Klaasje je gedaan?”

“Het zel niet helpen”, zei Keesje, “maar ik zel et doen, as u ’t niemand zegt. Kent meheer et Huis?”

“Welk huis?”

“Van de Diakenie.”

“Ik heb het in ’t voorbijgaan gezien.”

“Goed. Et is een leelijk huis, is et niet? een leelijk huis; met rooie deuren en vensters; en van binnen alles rood en alles donker. Nou; meheer weet wel dat we daar allemaal arm zijn, allemaal even arm; ik kan et niet anders zeggen, net precies, denk ik wel, as op ’t kerkhof. Ik en een ander verdienen iets, maar et helpt niet. We brengen et in bij den Vader; en de Vader geeft ons alle weken zakduiten. Dat is goed, meheer; dat is heel goed. Als ik oud wor, verdien ik geen kopere’ cent meer; maar ik krijg toch de’ zakduit. Hier”, zeide hij, een bonten katoenen zakdoek uithalende, “deuze, en”, op zijn tabaksdoos kloppende, “en deuze, heb ik van me zakduit gekocht”.

Het was aandoenlijk een man van bij de negenenzestig te hooren spreken van “als ik oud word”!

“Klaas”,—ging hij voort—“zoo as meheer wel begrijpt, krijgt ook een zakduit. Maar wat doet Klaas? Klaas doet niets, dan nou en dan de straat voor iemand wieden. Klaas houdt zich gek; Klaas danst met zen bochel; en as ie centen krijgt van de lui en van de kinderen, dan wandelt Klaas de poort uit. Kent meheer de Vette Vadoek?

“Neen, Keesje.”

“Et is een herberg in de Hazelaan, daar drinkt Klaas ’en borrel; en welreis twee, en welreis drie borrels”.

“En als hij dan in ’t Huis komt?”

“o Hij heeft allerlei kunsten. Hij neemt een groote pruim tabak. Hij haalt ’en oranjeschilletje bij de’ drogist. Soms merkt de Vader et. Dan krijgt hij ’en blok aan zen been, want hij is te oud om op de bok gelegd te worden, en men kan em ook niet op zen bochel slaan; maar wat is ’t as ie met het blok loopt? Dan zeit ie teugen de kinderen: St … jongens! Klaas is ondeugend geweest; Klaas het ’en graantje gepikt; en de Vader het Klaas al zen centen afgenomen. Je begrijpt wel, meheer, dat ie dan nog meer opdoet”.

Ik begreep het volkomen.

“Maar dat zijn zijn zaken”, ging Keesje voort, een schoen van mijn oom opnemende, dien hij smeren moest en onmiddellijk weer neerzette; “maar wat hoeft ie mijn ongelukkig te maken? Weet u wat et is. Ik zel et u vertellen. Ik had geld,—ik had veul geld,—ik had twaalf gulden!”

“En hoe kwam je daaraan, Keesje?”

“Met God en met eere. Ik had et gespaard toen ik in de apteek was. Somwijlen, als ik ’n drankje buiten de stad brocht, op een buitenplaats of in een theetuin, zei de meheer of de mevrouw: geef de’ looper een dubbeltje; ’t is slecht weer. Zoo had ik twaalf gulden bij mekaar. Ik mocht die in ’t Huis niet hebben. Maar ik bewaarde ze; op me hart”.

“En waartoe bewaarde je die? Hadje dat geld noodig; of deeje ’t alleen om ’t pleizier van het te hebben?”

“Och, meheer”! zei het diakenhuismannetje, het hoofd schuddende: “Als ik et zeggen mag, die rijke lui weten dat zoo niet; de Regenten weten ’t ook niet; want zij hebben er geen zorg voor. ’t Gaat alles goed bij zulke menschen; bij leven en sterven. Hoor reis; we hebben ’t goed in et Huis; de Regenten zijn goed; op vastelavond krijgen we bollen met botter; over drie weken, as de slacht is, krijgt et Huis ’n os, ik weet niet van wat voor groot heer die lang dood is. Dan eten we allemaal gehakt; en de heeren hebben ’n partij en eten de tong, We hebben ’t er heel goed; maar ’n mensch, meneer, denkt altijd om zen dood”.

“Ik denk nogal dat je ’t na je dood ook heel goed zult hebben, Keesje!” zei ik.

“Ik hoop et, meheer: in den Hemel is alles goed; maar dat meen ik niet. Ik wou me lijk verbeteren, weet u?”

“Wat is dat, Kees?”

“Hoor reis, as we dood zijn, dan leit men ons op strooi en we krijgen ’t goed an van ’t Huis, net as wanneer we leven, en dan gaan we na ’t kerkhof, in de put; dat wou ik niet. Ik wou, as ik dood was, geen diakenhuisgoed aanhebben ….”

Hij zweeg een oogenblik; en weder kwamen de tranen.

“Ik wou in me kist leggen, ik weet niet, ik zel maar zeggen, zoo as ik er mijn vader in heb zien leggen, met eigen goed; ik heb nooit een eigen hemd gehad; één eigen doodhemd wou ik hebben”.

Ik was aangedaan. Spreek mij niet van vooroordeelen. De rijken der aarde hebben er duizend. Deze arme man kon alles verdragen: schrale spijs, een hard bed en, naar de mate zijner jaren, harden arbeid. Hij had geen eigen huis, hij zou geen eigen graf hebben: o had hij dan ten minste de zekerheid dat zijn allerlaatste gewaad het zijne wezen zou!

“Meheer begrijpt wel!” ging hij, eenigszins schor, voort, “dat daar die twaalf gulden voor was. Het was veuls te veul. Maar ik wou nog meer; ik wou fassoendelijk begraven worden. Ik heb geen verstand van die dingen; maar ik had gerekend vier gulden voor et linnen, en dan twee gulden voor de menschen, die me zouen ofleggen, en tien stuivers voor een draagplaats an twaalf dragers. Was dat niet knap geweest? De bediende van den apteker had het zoo beschreven; het geld was in et pampiertje; en alles in een leeren zakkie: dat heb ik dertig jaar op me hart gehad …. en nou is het weg …”

“Heeft Klaas het gestolen?” vroeg ik.

“Neen!”—zei hij, uit het droef gepeins, waarin zijn eigen laatste woord hem gestort had, oplevende: “maar hij is er achter gekomme dat ik et had. Zijn kreb staat naast mijn kreb. Of ie et gezien het as ik me uitkleedde, of as ik me aankleedde, of toen ik ziek was, of dat ik er hardop van gedroomd heb, ik weet et niet. Ik zou wel haast zeggen dat ik er van gedroomd had; want ik denk er altijd om.—Verleden dinsdag had et den heelen voormiddag geregend, as meheer wel weten zel. Klaas had geen cent opgedaan. Het was te slecht weer; de jongens hielden zich niet met hem op. Zen zakduiten waren ook weg, en hij had een razenden trek om na de Vette Vadoek te gaan. “Kees”, zeid’ ie na den eten, “leen me zes centen”. “Klaas”, zeg ik, “dat doei ik niet; want je verzuipt ze toch maar”. “Kees” zeid’ ie, “ik mot ze hebben”, zeid’ ie. Ik zeg: “nou je krijgt ze niet, hoor!” “Weetje wat,” zeid’ ie, “Kees”, zeid’ ie, “as je ze me niet geeft, zel ik an de’ Vader zeggen, wat je onder je hemd hebt, hoor!” Ik besturf as ’en doek, en gaf ’em de zes centen. Maar ik zeid’ er bij: “Klaas, je bent een schurk!” Dat zei ik. Of ie daar toen toch kwaad om geworden is, kan ik niet zeggen; maar gisteren mot ie dronken geweest zijn, en toen de suppoosten ’em ’t blok andoen lieten, het ie as ’en gek geschreeuwd en gezongen: “Kees het geld! Kees het geld! Onder zen hemmetje het ie geld”! de broers vertelden ’t me, toen ik in ’t Huis kwam. Ik was as ’en dooie. We gingen na’ de mannezaal en kleedden ons uit. Klaas lag er al en snurkte as ’en os. Toen ze allemaal sliepen, stak ik me hand onder me hemd om et zakkie weg te nemen en, als ik kon, in ’t strooi van me bulster te verstoppen. Maar eer ik et los had, daar ging de deur ope’, en de Vader kwam op de zaal met ’en lantaren. Ik viel achterover op me kussen met et geld in me hand, en tuurde as ’en gek mensch na’ de lantaren. Ieder stap, die de vader dee, voelde ik op me hart. “Kees,” zeid’ ie, over me heen bukkende: “Je heb geld; je weet wel dat je dat hier in ’t Huis niet verstoppen mag”; en meteen trok ie ’t uit me hand.—“’t Is voor een doodhemd”,—stotterde ik, en viel op me knieën in de krib—maar ’t holp niet. “We zellen ’t voor je bewaren”, zei de Vader, en maakte het zakkie ope’, en telde et geld bedaard. Mijn eigen oogen hadden et niet gezien sunt ik et er in genaaid had; dat was dertig jaar geleden; et was mijn, eigen, lief, begrafenisgeldje. “Ik zweer je dat ik er niets voor doen zel”, huilde ik, “dan me eerlek laten begraven.”—“Daar zellen we zelf wel voor zorgen”, zei de vader; en weg ging ie met et geld en met de lantaren. “Klaas”, riep ik hem na, “het et je verteld, omdat ie”…. maar wat holp het of ik gezeid had, omdat ie ’en lap is! wat holp et of ik hem verteld had dat Klaas alle dag na’ de Vette Vadoek ging? Ik had er me geld niet mee weerom. Den heelen nacht heb ik geen oog toegedaan.—Et is wat te zeggen!”

“Zou er bij de Regenten niets aan te doen zijn, Keesje?” vroeg ik vertroostend.

“Neen! neen!” snikte hij, de hand op zijn borst rondwrijvende, als zocht hij er het geld nog: “het geld most weg; dat is ’en wet zoo oud as et Huis, en et Huis is zoo oud—zoo oud as de wereld!”

“Dat’s wat kras, Keesje”, zei ik; “en wanneer”….

Hij liet mij niet uitspreken.

“Wat kras? Het is niemendal kras. Zijn er dan niet altijd armelui geweest zoo as ik, die an de Diakenie kwammen, en van de Diakenie mosten eten en drinken, en bed en leger hebben, en begraven worden?—Maar ik wou begraven worden van mijn, eigen, geld,—en ik wou zeker weten dat ik van mijn, eigen, geld begraven zou worden; en dat was mijn grootste troost; en daarom droeg ik et vlak op me hart.—O, as Klaas kon weten dat ie me dood maakte!”

“Hoor eens, Keesje”, zei ik, “je zult en moet je geld weerom hebben; ik beloof het je: ik zal mijn oom er over spreken; hij kent zeker de Regenten wel; wij zullen zien of zij de wet, voor een oud, braaf, oppassend man, als gij zijt, niet eens zullen willen overtreden. Maak er staat op, Kees, je zult je geld weerom hebben”.

Op die vergadering moest eerst Keesje binnenkomen....
Op die vergadering moest eerst Keesje binnenkomen....

Op die vergadering moest eerst Keesje binnenkomen ….

“Zel ik?” zei de arme man, door mijn stelligen toon bemoedigd. “Zel ik wezenlijk?”

En zijn oogen afvegende met een blij gelaat, gaf hij mij de hand.

In zijn behoefte om ook mij iets aangenaams te zeggen vroeg hij:

“Smeer ik uw laarzen netjes genoeg?”

“Overheerlijk”, was mijn antwoord.

“En is uw jassie goed genoeg geborsteld?” vroeg hij verder; “as er iets an mankeert, mot meheer ’t maar zeggen”.

Dat beloofde ik hem en ging in huis. Maar hij kwam mij achterop, met den linkerarm in een laars van Pieter en den schoenborstel in de rechterhand. “Vraag escuus, meheer, dat ik zoo vrijpostig ben”, zei hij, “maar mag ik u nog wel iets verzoeken?”

“Wel ja Kees!”

“As meheer na’ de Regenten gaat”, hernam hij, “mot meheer maar net doen as of ie van nies weet.”

“Ik beloof het u, Keesje!”

Ik ging naar mijn oom en wist dien te bewegen naar de Regenten te gaan. De president liet den Vader bij zich komen, en daarna den vader rondgaan bij de andere Regenten, om ze tot een extra vergadering te convoceeren. Op die vergadering moest eerst Keesje binnenkomen, en vervolgens buitenstaan; daarna moest ook de Vader binnenkomen, en vervolgens buitenstaan. Daarop werd er een uur gedelibereerd, hetwelk hoofdzakelijk daarmee werd doorgebracht dat de president gedurig zei dat hij de zaak aan de heeren overliet, en de heeren gedurig zeiden dat zij de zaak aan den president overlieten.

Daar het zóó niet blijven kon, bracht eindelijk de president het advies uit, “dat het, aan den eenen kant, wel doenlijk was Keesje zijn geld terug te geven, daar Keesje een man was van voorbeeldig gedrag, die het geld zeker tot aan zijn dood toe zoo goed bewaren zou als de ijverige thesaurierzelve”,—waarop de “ijverige thesaurierzelve” boog—“maar dat, aan den anderen kant, de ijverige thesaurier het weder even zoo goed bewaren zou als Keesje, en dat het dus volstrekt niet noodig was Keesje in het vooroordeel te stijven dat zijn geld beter bewaard zou worden en zekerder tot deszelfs, d.i. Keesjes, doel zou worden aangewend, indien hij, Keesje, het zelf bewaarde, dan indien de ijverige thesaurier het bewaarde; en dat dit zijn advies was”.

De secretaris meende echter met eenig recht dat dit advies den knoop niet genoeg doorhakte, en stelde dus onder verbetering voor, tot een van de beide maatregelen over te gaan;—waarop “de ijverige thesaurierzelve” de edelmoedigheid had afstand te doen van het “custodiëeren der penningen in quaesti”, en men eenparig besloot aan Keesje zijn twaalf gulden, weder behoorlijk in een zeemlederen zakje vastgenaaid, terug te geven.

Keesje heeft nog twee jaren zijn geld “vlak op zijn hart” gedragen. En toen ik in ’t verleden jaar het kerhof te D. zag, was ’t mij zoet te mogen denken, dat aldaar in het algemeene graf der armen één man sluimerde, die er eerbiedig was heengedragen door twaalf broeders van zijne eigene keuze, nadat hij, ook eenigszins door mijn toedoen, in de gerustheid was ontslapen dat hij in zijn eigen doodskleed zou worden gewikkeld.

Had hij misschien in zijn laatste oogenblikken nog aan Hildebrand gedacht?

Er komen menschen op een kopje thee, om verder het avondje te passeeren.

Des zondagsavonds was de tuinkamer in haar schitterendste pracht. Ik zal pogen er u een flauw denkbeeld van te geven.

Verbeeld u een ruim vierkant vertrek, met een vierkante tafel in het midden, waar het vierkante groene kleed van is afgenomen en vervangen door een vierkant zilveren theeblad, waarop een degelijk ouderwetsch porselein theeservies prijkt, lange lijzen met zes merken. Daaromheen staan vijf stoelen geschikt, met hooge ruggen en zittingen van groen gebloemd trijp. Men maakt dat tegenwoordig zoo goed niet meer. Als men onder de tafel kijkt, ziet men als twintig vurige oogen, van wege vier stoven; de vijfde vonkelt niet; het is een steenen. Daaraan, en aan de plaatsing van het theegoed, en aan den verlakten ketel, die naast den stoel staat, ken ik de plaats mijner eerzame moei. Midden op de tafel staat een dierbaar pronkstuk. Het is een verbazend groote bronzen lamp, die door een olifant getorst wordt, in wiens voetstuk een speelwerk verborgen zit. Bij deze bijzondere gelegenheid ligt er, reeds vóór November, een netgebouwd turfvuurtje in den helder gepolijsten haard; het is alleen maar opdat er met schik stoelen omheen zouden kunnen worden gezet, voor de heeren. De smalle marmeren schoorsteenmantel is versierd met een pendule, voorstellende een negerslaaf met witte oogen, roode neusgaten, en gouden voorschoot, die op eene ongedwongen wijze den arm om een wijzerplaat slaat; en aan de beide kanten, met twee vaasjes met gekleurde bloempjes onder stolpjes, zoo poppigjes en zoo kleintjes, dat men ze voor de pasgeboren kindertjes houden zou van die groote stolp met opgezette vogels, die tegenover den schoorsteen, op een bruinhouten tafeltje met ééne lade, pronkt. Het schoorsteenstuk vertoont in stukadoorwerk eene aangename partij weverskammen, weversspoelen en weversklossen, in een luchtigen strik bijeengehouden en halfbegraven onder witsellagen van onderscheidene formatie.

Maar wat de feestelijke zaal, niet alleen nu, maar altijd den meesten luister bijzet, is zonder twijfel, boven een hooge grijze lambrizeering, op snee verguld, het prachtig behangsel, beschilderd met niet onaardige bergachtige landschappen, met op- en ondergaande zonnen, zandwegen met diepe sporen, en waterplassen met riet en zwanen; voorts gestoffeerd met vrouwen met manden op den rug, waar bovenuit een bos stroo steekt; mannen aan den waterkant, die aan lange hengels visschen opslaan; kinderen met bloote hoofden en bloote voeten, die bij een geit in ’t gras liggen; reizigers op bruine paarden, met den rug naar u toe om het valies te laten zien, en op witte paarden, die een dunne rijzweep zeer rechtop houden; wandelaars met enorme wandelstokken en driekante ….. Wat ga ik zeggen? Ja, zij hadden driekante hoeden opgehad, maar die tijd was voorbij; de kamer was voor een paar jaar “opgeknapt”, en de heer Petrus Stastokius Sen., hoe ouderwetsch ook in vele opzichten, had in dezen gemeend een proeve te moeten geven, dat hij met zijn tijd was vooruitgegaan. Hij had al wat kleedij was laten modernizeeren. Een geestig schilder had op zijn gebod al de hoeden veranderd, naar het toen nieuwste model, bij den hoedemaker gehaald, en al de wandelaars hadden bruine, gele of gestreepte pantalons aangekregen met soupieds en naar de nieuwste snede. Al de pruiken waren verbannen. De dames, die tot hiertoe de openlijke bewijzen hadden gegeven dat onze grootmoeders veel meer gedecolleteerd waren op hare wandelingen dan onze zusters op hare bals, hadden hooge japonnen met stukken, wijde mouwen, en lange lijven ontvangen, en zelfs het haar der halfnaakte kinderen was in naam der beschaving geknipt.

’t Is waar, dat deze vernieuwerwetsching in vele opzichten nog veel te wenschen overliet, vooral ten opzichte van de rottingen, regen- en zonneschermen, die hunne vorige gestalte hadden behouden; maar de waaiers waren allen in bloemruikers veranderd, en dus bestond er van dien kant volstrekt geen tijdsverwarring meer.

Toen mijn oom en tante dit alzoo met wijsheid hadden laten in orde brengen, meenden zij zich van hun plicht gekweten te hebben, en een offer aan den Moloch der negentiende eeuw te hebben gebracht, groot genoeg om hun te vergunnen, voor hun persoon, die eeuw op velerlei wijze te hoonen en weg te cijferen; want om de waarheid te verklaren: de heeren en dames op ’t behangsel waren mijnheer en juffrouw Stastok een goed eind vooruit; en daar zij op dezen heugelijken avond op hun mooist gekleed zijn, vooreerst omdat het zondag is, en ten anderen omdat zij “menschen wachten”, wil ik deze gelegenheid waarnemen om u eene tot hiertoe verzuimde beschrijving van hun persoon en voorkomen te geven.

Het is nog doodstil in de tuinkamer; “diezelfde tuinkamer” zou een redenaar zeggen, “die zoo aanstonds weergalmen zal van het luidruchtig gesnap eener vroolijke menigte!” Ik verneem er niets dan het gezellig gezang van het theewater, dat door de tuit stoomt, en het spinnen van de cyprische poes, die voor den haard zit, verwonderd van hier zoo vroeg in ’t jaar vuur aan te zien. Ik ruik er niets dan den theeketel, die nog lang niet dikwijls genoeg gebruikt is om niet te stinken, en ik zie er, behalve de voormelde poes, niemand anders dan mijn deftigen oom, die met den rug naar het vuur gekeerd, en met de handen op dien rug, beschenen wordt door de vier waskaarsen op de vergulde lustres aan zijn schoorsteen, en wiens beeld zich weerkaatst in den spiegel tegenover hem. Een heerlijk oogenblik om zijn portret te maken! Mijn oom, schoon in de zestig jaren oud, is hetgeen men voor dien ouderdom, nog “een kras ventje” noemt. Hij heeft geen grijs hoofd, vermits hij een bruine pruik draagt, die over zijn ooren gaat, en waar hij bijgevolg door heen moet hooren; hij heeft een rond, blozend gezicht, volstrekt geen bakkebaarden, een niet onaardig bruin oog, en een onderkin. Hij is niet groot van postuur, en heeft, om hem recht te doen, geen ander lichaamsgebrek dan zijn hooge linnen halsboorden. Deze zijn heden, wegens het feest van den dag, nog ééns zoo hoog, zoodat ze zelfs de uiteinden van zijne ooren in eenige ongelegenheid brengen. Voor het overige draagt hij een wit stropje, een overhemd met jabot, een wijden zwarten rok, die van achteren gezien wel wat van een jas heeft, en nog altijd een korte broek, zoodat men in de gelegenheid is de welgevormde kuiten te bewonderen, die in fijne floretten kousen steken. Op dit oogenblik treedt mijne tante binnen, die het toilet van mijn oom volmaakt, door hem een grooten, schoonen linnen zakdoek met breede zoomen aan te bieden. Gij hebt lang gemerkt dat zij een neepjes-mutsje draagt. Zij heeft van avond het beste op, met een net wit satijn lintje met tandjes;—het heugt mij hoe ik mijn grootmoeder zulke lintjes op haar verjaardag gaf!—Zij draagt het haar gepoeierd, althans er komt een weinigje van dat wit, met een mesje gelijkgestreken, op haar voorhoofd; en dat staat heel wel bij haar helder, welgedaan gezicht, en bij de goelijke kuilen, die, als zij spreekt, in haar wangen komen. Zij heeft om haar hals een aardig snoertje kleine paarlen met een juweelen bootje, en een hoogen dikgeplooiden kamerijkschen doek in haar lage japon van weerschijnende zijde met ruim lijf.

Wij laten haar, eenigszins vermoeid van al de bereddering, plaats nemen om thee te zetten, en slaan terwijl onze oogen op Pieter Jr., die juist binnentreedt. Ook hij ligt onder zijn, wat de zeelieden noemen, beste tuig. Hij is (ik moet het zeggen) volmaakt naar de mode gekleed; een zwarte pantalon met soupieds, een zwart satijn vest, een blauwe rok met glimmende knoopen; en toch ziet hij er infaam ouderwetsch uit. Want de pantalon is zoo kort, en de soupieds zijn zoo lang, en het vest is zoo laag uitgesneden, en zoo wijd om het midden; en de rok is zoo smal van kraag en zoo breed van rug; en waarom verstokt hij zich nu om zich met een bruine stropdas te willen uitzonderen, in plaats van een zwarte om te hebben, als alle fatsoenlijke menschen?

Oom kijkt een paar malen op zijn horloge, om aan te merken dat Ds. S. het geweldig lang moet maken. Dit is, in ’t voorbijgaan gezegd, de eenige reden, waarom Petrus Stastokius Sen. nooit diaken of ouderling heeft willen worden, omdat hij alsdan genoodzaakt zou zijn geweest, op zijn beurt, ook bij die predikanten te kerk te gaan, die niet als hij, lieden van de klok waren.

Het duurt evenwel niet lang of een bescheiden belletje kondigt de aankomst van den eerstverschijnenden gast aan. Wij zullen hem en al de verdere hun jassen en mantels laten afdoen en in handen stellen van Keesje, die van avond bijzonder verlof heeft om later in ’t Huis te komen; hun vervolgens pijpen laten stoppen, en complimenten maken over “de zorg”; hen daarna een uurtje laten praten over ’t weer, over de kou in de kerk, over het verkieslijke van een open haard boven een “toe kachel”, over den stand der fondsen, over het werk van de dames, en over de laatste verkooping van huizen en het laatste plan van den stedelijken raad om een brug te leggen over een water, waarover reeds voor tien jaren een brug is noodig geweest; om u daarna op eens midden in ’t gezelschap binnen te leiden en u al zijne leden in hunne grootheid te laten aanschouwen. Gij kunt ondertusschen zelf een versche pijp stoppen.

De man, dien gij bij den haard ziet, met mijn oom in druk gesprek gewikkeld over de meerdere voortreffelijkheid van de inrichting der gilden, zooals die vroeger bestond, boven die van de patenten, onder het ministerie Gogel ingevoerd, is een oude kennis, en niemand anders dan de zilveren man uit de diligence. Hij is evenwel zoo min een zilversmid, als de pikeur een commissaris van politie was. Ik ben ongelukkig in mijne waanwijze gissingen geweest. Hij is alleen maar oudste commies ter secretarie van de stad D. Hij behoort tot die menschen, die jaar en dag in Wagenaar en in de vervolgen op Wagenaar, alsmede in de boeken van Le Francq van Berkhey, en in Tuinmans “Nederduytsche Spreekwoorden” studeeren, terwijl hun verdere lectuur bestaat in onbeschrijfelijk veel Preken, en Reizen rondom de wereld. Hij kan met wijsheid op zijn snuifdoos kloppen, en verklaren hoe een snuiter heette in den tijd, toen de kaarsen nog niet gesnoten werden, en voor hoeveel geld men een huis kon huren, in een jaar, waarvan hij in de stoffige papieren der secretarie een rekening gezien heeft. Hij heeft groot gezag in het beoordeelen der talenten aller predikanten; en in ’t geheel, als er iets is in de familie dat duister voorkomt, richt men zich tot den heer Van Naslaan, “die onbegrijpelijk veel gelezen” heeft. Het is echter waar, dat in de laatste jaren de hooge wijsheid van den jongen Pieter ’s mans gezag veel kwaad heeft gedaan, vooral omdat gemelde Pieter het alle voorrechten verzekerend Latijn verstaat.

Pieter en ik worden beziggehouden door een langwerpig man van een groote dertig jaren, met een kaalachtig hoofd en in een langen sluitjas, die den naam draagt van den heer Dorbeen, en den naam heeft van droogkomiek te zijn. Behalve dit, oefent hij het ambt van makelaar uit. Hij vraagt ons naar studentegrappen, die sedert de oprichting der academiën, aan alle academiën eenmaal ’s jaars gebeurd moeten zijn, die hij gehoord heeft in zijn jeugd, die aan mij en aan Pieter verteld zijn als onder onze laatste voorgangers aan de hoogeschool vertoond, en die waarschijnlijk nooit hebben plaats gehad, en nooit zullen plaats hebben; en als hij er een heeft opgehaald die heel aardig is, dan vraagt hij terstond een baleintje en steekt zijn pijp door, met een gezicht zoo lang en zoo akelig, dat hij duidelijk toont hoe droogkomiek hij is. Pieter is onder zijn verhalen verstrooid, rookt wanhopig door, grinnikt als er een vertelsel, en stopt een nieuwe als er een pijp uit is. Ik sta op heete kolen om eens nader kennis met de dames te maken.

“De heeren zullen zeker liever bij den wijnstok blijven?” zegt mijn welgedane tante, vriendelijk omkijkende, en een ruimen witten ketel opbeurende; “Pieter wil misschien wel een kopje slemp?”

“Dat wil ik óók wel tantelief!” zei ik, en trad naar haar toe, om haar den grooten ketel vooreerst wat lichter te maken, daar zij hem onmogelijk tillen kon. Weet gij voor wie ik inschonk?

Voor een deftige dame, die, als mijn tante, zat te breien, maar toch meer naar de mode gekleed was en de wettige echtgenoot van den commies, echter veel jaren jonger dan hij; voor een jeugdige zuster van dezen haren man, van een veertig jaar, met kalfsoogen, die bij haar inwoonde met het voorrecht van de wasch voor haar te doen, haar kousen te mazen, haar hoeden te vermaken, en haar japonnen af te dragen; als ook voor haar dochtertje Koosje, een meisje van ik denk zeventien jaren, die er met haar gescheiden bruin haar en rozerood japonnetje allerliefst uitzag; en behalve voor mijn tante en mijzelven, voor de zeer modieuze gade van den makelaar, die de eenige “mevrouw” van de partij was, een enorme muts met vuurrood lint droeg, en een niet minder enorme gouden gesp aan haar ceintuur.

Mejuffrouw Van Naslaan was een zeer wijze dame, die zeer verstandige bevindingen had. Zoo vond zij bijv. een kouden tocht altijd erger dan een koude lucht; zoo vond zij altijd, dat het op een heeten dag nog al eens wat helpt als er wat wind is; zoo merkte zij op, dat als men veel verloor, het altijd nog een troost was als men iets behield; zoo had zij ontdekt dat, als men ergens aan gewende, zoo iets gemakkelijker viel dan als men er volstrekt niet aan gewoon was; zoo was zij er zelfs, door vlijtige en innige nasporingen op het gebied der zielkunde, toe gekomen, een wezenlijk onderscheid tusschen menschen en menschen waar te nemen en met grond te kunnen verklaren, dat de eene mensen de andere niet was; en dergelijke verstandige dingen meer, die haar een grooten roep van knapheid en ervarenheid gaven onder de vrouwen van haar kennis; en daar zij van alle eenvoudige zaken zei, dat er meer achter zat, en alle dingen geestiglijk bij muisjes vergeleek die staartjes hebben zouden, zoo hield men het er met reden voor, dat zij meer zag dan een ander. Mevrouw Dorbeen daarentegen was een rammel, trotsch op haar mevrouwschap, haar muts en haar echtgenoot. Ik had van haar hooren spreken als van iemand die heel mooi een vers opzei, dat ik wel geloofde, daar zij sterk brouwde, en zeer rollende bruine oogen bezat.

De manszuster van mejuffrouw Van Naslaan heette Mietje, en was volstrekt niets dan een goed mensch.

Met uitzondering van deze die niets, en van de lieve zeventienjarige, die zeer weinig sprak, praatten de aanwezige dames doorgaans alle tegelijk, en de heeren bij het vuur zongen er de tweede partij toe. Bijvoorbeeld:

“Hoor eens, me lieve juffrouw Stastok”, zei mejuffrouw Van Naslaan, haar breiwerk neerleggende en haar wijsvinger op de hand van mijn tante drukkende: “Hoor eens; me lieve juffrouw Stastok, je hoeft er me niets van te zeggen; ik weet” (hier kneep zij hare oogen op een interessante wijze dicht), “ik weet dat allemaal wel; ik ken die menschen door en door; en zoodra als ik hoorde dat Keetje dat in ’t hoofd had, wist ik wel hoe de vork in den steel stak”.

Hierop nam zij haar breiwerk weer op, en telde de steken van het toertje, daar zij aan bezig was, na.

“Ja maar, Koosje!” rammelde mevrouw Dorbeen, voorbij Mietje van Naslaan heen sprekende, en die met haar roode mutslinten, zoodanig voor de oogen schitterende, dat de goede ziel den anderen dag betuigde, er wee van te zijn geworden: “je kunt je niet begrijpen hoe druk Dorbeen het heeft; dat is van den ochtend tot den avond; daar had je nog gisteren morgen mijnheer Van der Helm”; (deze was, moet men weten, de grootste heer uit de stad, wiens zaken Dorbeen waarnam); “daar hadje nog gisteren morgen mijnheer Van der Helm, al vóór den ontbijt: hij ging op de jacht en wou Dorbeen nog eerst spreken; nu is hij gelukkig heel eigen bij ons, zoodat het er niet op aankwam dat Dorbeen nog niet gekleed was; maar zoo gaat het dag op dag; nu heb ik het óók wel druk met de kinderen, maar ik zei tegen Dorbeen: weetje wat? ik ga er zelf maar reis op af. Nu is Dorbeen daar altijd heel wèl van, en vindt het altijd goed zoo als ik het maak …”

“Juffrouw Mietje, nog niet een roomsoesje?” vroeg mijn tante—“Jij ook niet, Koosje? Wel kind! wat heb ik je in lang niet reis hier gezien. Het heugt me nog dat je met Pieter speelde. Ja, kleine kinderen worden groot, Koos!”

“Dat zeg ik zoo dikwijls”, zei mejuffrouw Van Naslaan. “Waar blijft de tijd? En ik zeg maar, hoe ouder dat je wordt, hoe meer de tijd vliegt; maar je jonge jaren, kind! zeg ik alle dag tegen Koosje, leer dat van mij, die komen nooit weerom”.

“En dat zijn van die dingen”, klonk het van den schoorsteen, uit den mond van den heer Van Naslaan, met plechtige langzaamheid en afgebroken door het statig uitblazen van tabaksrook: “dat zijn van die dingen, mijn goede vriend!—(p’hoe), die u—(p’hoe) en mij—en een ander—(p’hoe, p’hoe) ongelukkig maken. En onze voorvaderen”,—hier nam hij de pijp uit den mond, om er den derden knoop van mijn ooms rok onder ’t spreken onderscheidene kleine tikjes mee te geven—“onze vaderen … ik vraag je of ze der zoo veel slechter aan waren dan wij?—onze vaderen, mijnheer! hielden zich met die dingen niet op”.

“Neen!” verklaarde mijn oom, in edele opgewondenheid een versche pijp stoppende, “dat waren andere menschen! die wisten—Piet, geef me ’t komfoortje reis aan—die wisten handen uit de mouw te steken, al zeg ik ’t zelf;—en wat ik altijd zeg—ze pasten op er tijd. Mijn vader was altijd ’s morgens kwartier voor zessen gekleed en geschoren—kom daar nú reis om!”

En zijn pijp op het vuur zettende, spande hij een schrikkelijke kracht in om haar ineens aan te trekken, en ze daarop omkeerende, en een mondvol rook tegen den kop blazende, herhaalde hij, door de inspanning half uit zijn adem: “Kom daar nú reis om!”

“Ja, lieve vriend!” zei Dorbeen tot Pieter, bijna een der vergulde knoopen van diens nieuwerwetschen ouderwetschen rok aftrekkende, daar hij met hem in gesprek was geraakt over een der rijkste jongelui, die te Utrecht studeerden: “Zijn vader heet Goedelaken, maar hij mocht wel Goudlaken heeten”.

Dit was een trant van geestigheid, waarin de heer Dorbeen sterk was; en daar Pieter grinnikte, en mijn oom, die ’t ook hoorde, zijn hoofd lachend schudde, en de grap voor den heer Van Naslaan herhaalde, merkte mevrouw Dorbeen dat er iets grappigs aan de hand was en, haar gevuurvlamd hoofd opheffende, zeide zij allerinnemendst:

“Lieve Dorbeen! laten de dames ook reis wat van je hooren”. Allen zagen hem aan en zwegen.

“Beste schat!” zei Dorbeen, toen het heel stil was, met een lief lachje—“ze hebben immers al heel veel van mij gehoord”.

“Hoe zoo?” vroeg mevrouw Dorbeen.

“Wel, ze hooren immers u, mijn beste! en zijt gij niet van mij?” antwoordde hij, heel “droogkomiek”.

Allen lachten; maar het lieve zeventienjarige Koosje had moeite, en daarom vond mevrouw Dorbeen het gepast haar lachende toe te voegen: “Och Koosje! zoo is hij altijd; trouw nooit, kind; want de mannen laten er hun vrouwen altijd inloopen”.

Pieter was intusschen achter den stoel van Koosje gaan staan rooken en werd op deze woorden bleek. Hij gevoelde dat hij er nooit iemand, laat staan een vrouw, laat staan de zijne, in, zou, kunnen, doen, loopen.

....Mijn deftige oom, die met den rug naar ’t vuur gekeerd....
....Mijn deftige oom, die met den rug naar ’t vuur gekeerd....

….Mijn deftige oom, die met den rug naar ’t vuur gekeerd ….

Daar nu dan toch de muur gevallen was, die op dergelijke bijeenkomsten, welke men in burgerkringen “een kopje thee, en verder het avondje te passeeren” of ook wel een “presenteertje”, of een “aangekleede pijp”, of een “aangekleede boterham” noemt; daar nu dan toch, zeg ik, de muur gevallen was, die op dergelijke bijeenkomsten de mannen van de vrouwen scheidt, en er als ’t ware eene verbroedering der beide seksen had plaats gehad, en daar mevrouw Dorbeen op eene ongezochte wijze het voorwerp der algemeene opmerkzaamheid geworden was, vond mijn oom goed met een verzoek voor den dag te komen, dat hij reeds lang op ’t hart had gehad.

“Nu, mevrouw! maar je zult toch ons en de vrienden wel een plezier willen doen?”

“Wel zeker, mijnheer Stastok!” En zich, met een bescheidenheid grooten genieën eigen, spoedig tot mejuffrouw Van Naslaan wendende, “wat heb je daar een lief patroontje van een kraagje om!”

“Ja, mevrouw!” was het antwoord, ik “zeg altijd: duurkoop goedkoop. Want ik vind dat het beste goed het ’et beste uithoudt. Ik had het in den winkel bij Van Drommelen gezien, en ik zeg tegen mijn kinderen, als ik nú reis weer jarig ben ….”

“Hoor eens,” zei Stastok tegen Dorbeen: “je moet maken dat je vrouw reis reciteert, hoor”.

“Heeremijntijd ja, je moet strak stellig reis reciteeren, lieve mevrouw!” zei mijn tante met eenige ongerustheid, en op het woord strak zooveel kracht leggende als zij in bescheidenheid doen kon.

“Och toe, mevrouw!” zei Koosje met een allerliefste uitdrukking van gelaat.

“Hè ja!” zei Mietje met de kalfsoogen.

“We moeten mevrouw niet overhaasten”, zei mijn tante.

“Neen!” zei mevrouw Dorbeen, eenigszins bleek wordende, “als het dan moet, moet het ineens maar. Wat wil je hebben? Kom, het Rijntje dan nog maar reis”. En haar schaar opnemende, om die, onder ’t opzeggen, bij iederen nieuwen regel open te doen en bij ’t invallen der caesuur toe te knijpen, begon zij met een door verlegenheid wat heesche stem, die gedurig scheller werd:

“Zoo rust dan eindlijk, ’t ruwe noorden

Van hageljacht en stormgeloei,

En rolt de Rijn weer langs zijn boorden,

Ontslagen van de winterboei.”

Toen zij zoover gekomen was, hield mevrouw Dorbeen haar zakdoek voor den mond en had een hevigen aanval van hoesten. Zij begon op nieuw en geheel in denzelfden toon, maar andermaal bracht zij ’t niet verder dan tot “de winterboei”. Zoodat mejuffrouw Van Naslaan dadelijk begreep dat zij wel ingezien had dat er achter die hoestbui meer zat.

Mevrouw Dorbeen werd zoo rood als de linten van haar muts, staarde in de lamp, en zei nogmaals, als om weer op gang te raken,

Ontslagen van de winterboei.

Nieuwe stilte.

“Die winterboei boeit je tong, lieve!” merkte mijnheer Dorbeen droogkomiek aan.

“Foei! daar had ik het nou net, en nou breng jij er me weer af. Wacht!

“Zijn waatren drenken de oude zoomen,

En ’t landvolk”

hier werd de stem zeer hoog:

“spelende aan zijn vloed,

Brengt vader Rijn den lentegroet….”

Aldus ging mevrouw Dorbeen voort op een hartroerende wijze het hartroerende meesterstuk des grooten Borgers te bederven. Bij het derde couplet begonnen hare oogen te rollen, en bij het vierde rolden zij zoo zeer, dat ik vreesde dat zij van hare wangen afrollen zouden. Zij was nu al rollende en brouwende en zingende en gillende gekomen tot:

“Noem hij deze aarde een hof van Eden,

Die altijd mocht op rozen gaan,…”

Ach, du lieber Augustin, Augustin, Augustin!

klonk het over de tafel.

Het was het speelwerk in de lamp, door mijn tante, in schijn van lepeltjes uit het lepeldoosje, dat vóór den olifant stond, te zoeken, opgewonden. Ik begreep na waarom zij er zoo op gesteld was geweest, dat mevrouw Dorbeen haar reciet mocht hebben uitgesteld.

Mevrouw Dorbeens oogen, die net gereed stonden om met

“Ik wensch geen stap terug te treden”,

hevig uit te rollen, rolden terug met de snelheid van een spoortrein.

“Wat is dat?” riep ze.

“Dat is een walsje,” zei haar man.

“Neem mij niet kwalijk, mevrouw,” smeekte mijn tante, “ik had het opgewonden. ’t Is het speelwerk in de lamp. ’t Is anders de aardigheid, dat het zoo onverwachts begint, een poosje nadat het opgewonden is. ’t Was om de vrinden te verrassen. Ik had gehoopt dat UE. wat later zou hebben gereciteerd; nu komt het er ook zoo mal in.”

Mijn tante zou gaarne, in dat oogenblik van verlegenheid, den geheelen bronzen olifant den kop ingedrukt hebben. Maar er was niets aan te doen, en in blinde opgewondenheid ging hij voort met zijn

Ach, du lieber Augustin!

Het was een tartend geluid voor mevrouw Dorbeen, en zij beefde inwendig van toorn. Zij hield zich evenwel goed, en met langzame teugen een kopje slemp uitgedronken hebbende, zei ze:

“Och! het vers was zoo goed als uit; de vrienden verliezen er niet veel bij. Nu zal Koosje wel eens wat willen doen.”

Koosje bloosde, en zei met de oogen op haar moeder geslagen:

“Ik kan niets; wel moeder?”

“Stil!” zei Dorbeen: “het verandert weer:

Où peut-on être mieux?”

En waarlijk, daar de olifant drie deuntjes machtig scheen te zijn, was er voor niemand anders gehoor dan voor het grootste der viervoetige dieren; totdat het al zijn kunsten getoond had, en met een forschen tjingel besloot.

Mama Van Naslaan bleek van eene meening te wezen tegenovergesteld aan die, welke haar lief kind met het zoetste lipje der wereld had beleden; zij geloofde veeleer dat haar Koosje niet alleen iets, maar zelfs zeer veel vermocht, en knikte haar daarom toe, ook iets in het midden te brengen, waarop mevrouw Dorbeen zei:

“Wel ja, laat je ook reis hooren, Koosje! ik heb nu mijn plicht gedaan!”

En tante riep: “Och ja, asjeblieft?” en mijnheer Dorbeen, zeer droogkomiek, rijmde:

“Kom Koosje,

Lief roosje,

Reciteer reis een poosje!”

En Mietje, die niets was, zei alweer: “Hè ja!” en de oude Stastok zei: “Komaan!” en stopte een pijp; en de jongere Stastok verstoutte zich om met een hooge kleur te zeggen: “Toe, als ’t u belieft!”

Maar het lieve kind bloosde zoo sterk, en was zoo angstig, en verontschuldigde zich zoo smeekend, dat tante er medelijden mee kreeg en zei:

“Koosje is misschien bang voor den vreemden heer; ik geloof dat we haar meer pleizier doen zullen als we ’t voor dezen keer te goed houden!”

Waarop mevrouw Dorbeen, haar oogen zeer sterk op den snuit van den olifant gevestigd houdende, op een aardig toontje zei:

“Als die vreemde heer ons dan ook eens schadeloos wilde stellen! Mijnheer Hildebrand kan immers ook wel een kleinigheid!”

“Dat was goed,” zeiden allen, en mijn oom keerde zich om, ten einde even op zijn horloge te kijken; want “hij wou om den dood niet graag dat er nachtwerk van wierd.”

Men stopte versche pijpen; de heeren gingen zitten; de heer Van Naslaan met een zucht; de heer Dorbeen met het oog van een kenner; Pieter met dat van een verachter; mijn oom met dat van iemand die pas op zijn horloge heeft gekeken en halftien heeft ontwaard. Ik stoorde mij volstrekt niet aan de heeren, en plaatste mij zoo, dat ik het lieve gezichtje van Koosje vlak voor oogen had; men moet wat hebben voor de moeite.

“Ik zal,” zeide ik, toen alles doodstil was, “het gezelschap lastig vallen met een klein stukje. ’t Is een vertaling door een mijner vrienden, en uit het Fransch.”

“Uit het Fransch!” herhaalde de heer Van Naslaan, met een bedenkelijk gezicht mijn oom aanziende.

“Kom aan, dat ’s goed!” zei mevrouw Dorbeen.

Alles was doodstil om den vreemden stoethaspel te hooren, maar geen der dames zag hem aan, vermits hare loffelijke bescheidenheid dit nooit gedoogt, als men in gezelschap iets voor haar opzegt, met uitzondering van mevrouw Dorbeen, die scheen te willen weten “of hij goed met zijn oogen rollen zou”. Koosje zat hevig te festonneeren, en ik zag niets dan haar gescheiden haar.

Ik begon:

“Als ’t kindje binnenkomt—”

Pie-ie-iep! zei de deur, langzaam opengaande, en binnenkwam—geenszins een kindje, maar de vijftigjarige dienstmaagd in haar wit pak; belast en beladen met de aangekleede boterham in persoon, in de gedaante van een schat van broodjes met kaas en rookvleesch, en een macht van ster-, ruit-, cirkel-, klaverblad-, en vischvormige gebakjes, die ondanks hun verschillende gedaante, wegens de evenredigheden van hun inhoud, in het dagelijksch leven den wiskundigen naam van evenveeltjes dragen.

Mevrouw Dorbeen kon een klein lachje van zenuwachtige voldoening niet onderdrukken.

Er werd rondgepresenteerd, en ik wreekte mij over de stoornis met een evenveel; en toen die op was, hervatte ik vol moed, ofschoon de uitwerking van den eersten regel bedorven was, en ik duidelijk zag dat de droogkomieke heer Dorbeen, toen ik de eerste woorden herhaalde, nog weer aan de vijftigjarige dienstmaagd dacht:

“Als ’t kindje binnenkomt, juicht heel het huisgezin;

Men haalt het met een lachje en zoete woordjes in;

Het schittren van zijn oog deelt aan elks oog zich mede;

En ’t rimpligst voorhoofd (ook ’t bezoedeldste wellicht!)

Klaart voor den aanblik op van ’t vroolijk aangezicht,

Met iedereen in vrede.

’t Zij we onder ’t lindeloof des zomers zijn vereend,

’t Zij ’t snerpen van de koude ons stiller vreugd verleent

En we om een knappend vuur de stoelen samenschikken;

Als ’t kind verschijnt, ziedaar een waarborg voor de vreugd;

Men lacht, men troetelt, kust en tergt zijn dartle jeugd;

En moeders harte smaakt zijn zaligste oogenblikken.”

Mevrouw Dorbeen lachte goedkeurend.

“Soms spreken we om den haard, met ernst en met verstand,

Van wetenschap en kunst, van plicht en vaderland,”

De heer Van Naslaan knikte zeer verstandig.

“Van staat, van godsdienst, van geschriften en gezangen;

Het kind komt in: vaarwel kunst, godsdienst, plicht en staat!

’t Wordt: kusjes voor den mond, en kneepjes in de wangen,

En hobblen op de knie, en jok en kinderpraat.”

“Dat is heel lief!” zei mijn goedhartige tante, halfluid.

“Als, na een duistren nacht van stormwind en van regen,

Een nacht, wen menigeen, vergeefs ter rust gezegen,

Naar ’t woelig gieren hoort, daar ’t kind doorheen slaapt; als,

Na zulk een nacht, het rood des uchtends, dat de kimmen

Van liefelijken waas en zachten gloed doet glimmen,

En blijde zangen wekt bij ’t vooglenkoor des dals;”

De heer Dorbeen kuchte. De heer Van Naslaan trok oogen en wenkbrauwen pijnlijk samen, als of hij vragen wilde: “waar moet dat naar toe?”—Juist omdat ook hij dat niet wist, liet mijn ooms gelaat onbepaalde bewondering blijken.

“Zoo zijt gij, dierbaar kind! Waar gij verschijnt, daar vluchten

En duisternis en nacht en zwarte regenluchten;

Gij zijt een heldre zon, een blijd en vroolijk licht;

Door d’adem van uw mond verwekt gij vreugd en leven,

Als zuivre koeltjes, die langs ’t knoppig bloembed zweven,

En ’t blosje sterken op der rozen aangezicht.

“Want duizend lieflijkheên uit uw schoone oogjes schijnen;

Uw kleine handjes, die ik berg in een der mijnen,”

“Och heer!” zei mijn tante halfluid, en haar oogen werden allervriendelijkst klein.

“Doen nog geen kwaad; gij weet nog niet wat dat beduidt.

Wat lacht gij vriendlijk, als wij ze u met speelgoed vullen!

Klein heiligje, in een krans van glinstrend blonde krullen,

Hoe lieflijk blinkt uw hoofdjen uit!”

Koosje, die van tijd tot tijd al eens had opgekeken, hief hier haar schoon gezichtje geheel op en staarde mij aan. De allerlaatste regel scheen mij volmaakt ook op haar toepasselijk.

“Lief duifjen in onze ark! Uw mondje bracht den vrede,

De vreugde en ’t zoetst geluk in onze woning mede,

Zoo vurig afgesmeekt, met zooveel angst verbeid!

Gij kijkt de wereld, daar gij niets van vat, in ’t ronde!

Blank lijfje zonder smet, blank zieltje zonder zonde,

Ik eer uw dubble maagdlijkheid!

“Hoe heerlijk is het kind met lachjes op de wangen,

Met traantjes soms, maar ras door lachjes weer vervangen,

De goede trouw in ’t oog, en ’t uitzicht zoo gerust!

’t Slaat een verwonderd oog op ’s werelds bont getoover,

En geeft zijn jonge ziel zoo blij aan ’t leven over,

Als ’t ons zijn lipjes biedt als ’t wordt goenacht gekust.”

Tante knipte een traan weg; mejuffrouw Van Naslaan knikte twee-, driemaal met het hoofd. Koosje hield haar adem in en zag mij angstig aan, als ik vervolgde:

“Bewaar mij, Heer! mij, en mijn broedren, en mijn vrinden,

En hen zelfs, die een lust in mijne tranen vinden,

Indien er zulken zijn misschien!

Dat zij nooit zomertijd, aan bloemen arm, bejammeren,

Of bijenlooze korve, of schaapskooi zonder lammeren,

Of kinderlooze woning zien!”

“Heeremijntijd! neef Hildebrand!” riep mijn tante, “neef Hildebrand, dat is mooi.”

En ik wed dat zij aan Pieter dacht, toen hij klein was; maar ook … och, zeker ook aan het kleine Truitje, dat gestorven was vóór haar vijfde jaar, en daar zij niets van overhad dan een klein vlokje haar aan haar middelsten vinger.

“Hé ja;” zei Mietje met de kalfsoogen, die ditmaal velen vooruit was.

“Ik vind altijd,” zei mejuffrouw Van Naslaan, “dat men moeder zijn moet om van zulke dingen het rechte te hebben.”

“Niet waar, juffrouw Van Naslaan?” zei mevrouw Dorbeen! “O, maar het is allerliefst; het vèrs” (zij drukte op het woord) “het vers is allerliefst!” Blijkbaar wilde zij zeggen: wat het opzeggen betreft, dat kon beter.

Koosje was geen moeder, en kon er dus “het rechte niet van hebben”, maar haar glinsterende oogjes en bleeke wangen zeiden genoeg dat zij de poëzie verstaan en gevoeld had.

“Van wien is het gedicht?” vroeg de heer Van Naslaan.

“Van Victor Hugo, mijnheer.”

“Victor Hugo?” zeide hij, den klemtoon op de eerste lettergreep leggende en met een uitspraak alsof er, in plaats van ééne Fransche, vijfentwintig goede Hollandsche G’s in den naam geweest waren. “Ik dacht dat die man niets dan ijselijkheden schreef. Ik heb in de Letteroefeningen, dunkt mij … Hé, dat ontschiet me … Ik dacht dat het zoo’n bloederig man was.”

“Ik weet niet, mijnheer!” antwoordde ik.

“Verwar je hem ook met Jacques Julin?” vroeg de makelaar.

“Ja,” zei mijnheer de makelaar. “Dat is een rare kerel, naar ik hoor. Hij schrijft voor geld, mijnheer; hij schrijft voor geld; pro en contra schrijft hij voor geld.”

“Ja,” zei oom, zijn pijp uitkloppende, “die Franschen! ’t Is een raar volk; al zeg ik ’t zelf.”

“Weetje wat ik ook altijd al een heel mooi verzenboek vind?” zei mejuffrouw Van Naslaan, het gezelschap rondziende: “Het Nut der Tegenspoeden.”

“Wat?” vroeg de heer Dorbeen, droger en komieker dan ooit; “het nut der regenhoeden?”

Er ontstond een groot gelach over deze aardigheid; hetwelk mejuffrouw Van Naslaan min of meer verlegen maakte; zij besloot dus haar lofrede op het bekende geschrift van Lucretia Wilhelmina, die voor een algemeen gesprek in de wieg gelegd was, als privaat gesprek den geest te laten geven.

“Inderdaad,” fluisterde zij mijn tante in: “het is een heerlijk boek, en door een vrouw geschreven; maar ik kan je zeggen dat je ’t met geen droge oogen lezen kunt.”

Het gesprek werd spoedig weder algemeen en levendig. Ik maakte veel werk van de zeventienjarige, en Pieter week niet van haar stoel. Ik poogde hem telkens te bewegen ook reis iets op te zeggen, of te zingen of zoo; maar hij zei altijd, met een knorrig gezicht: “Och kom!” en “Ik kan waaratje niets!” En hard wilde ik er niet op aandringen, omdat ik oom nog eens weer op zijn horloge had zien kijken. Er kwam dus niets van, en ook moet ik bekennen dat de familie Stastok, door middel van den muzikalen olifant, tot het genoegen van dien avond te veel had bijgedragen, om nog iets van een harer leden te vergen.

Het avondje liep verder vroolijk en gezellig af; en nadat al de dames en de beide heeren mijnheer en juffrouw Stastok bedankt hadden “voor de vrindelijke receptie”, en Pieter “voor zijn aangenaam gezelschap”; en nadat mijnheer en mejuffrouw Stastok plechtig hadden beloofd “hun scha eens te zullen komen inhalen”; en nadat de beide heeren elkanders hoeden hadden opgehad, en tante met eigen hand al de dames, behalve Koosje, wie ik niet kon nalaten zelf hierin bij te staan, aan haar mantel had geholpen en, naar verkiezing, er de kraagjes boven overheen gehaald, of “alles er asjeblieft maar onder” gelaten had, ging men omstreeks half twaalf, recht van elkander tevreden, uiteen; en schoot er voor niemand eenig genoegen meer over dan voor de meid, die op eene achtelooze wijze zich de kwartjes liet welgevallen, die zij bij ’t weggaan der gasten schijnbaar toevallig in haar hand voelde glijden.

Oom had slaap, al zei hij ’t zelf. Heeremijntijd! wat had mijn tante ’t nog druk. Waaratje was knorrig. Onder zulke omstandigheden ging ik naar bed.

Pieter is waaratje verliefd, en hoe wij uit spelevaren gaan.

De knorrigheid, waarmee Pieter was te bed gegaan, was mij in ’t geheel geen raadsel geweest. Men heeft opgemerkt dat hij den geheelen avond niet bij uitstek veel gesproken heeft, terwijl hij anders onder zijn vaders vrienden praats en waanwijsheid genoeg had. Maar twee kleine omstandigheden hadden hem gehinderd en belemmerd, te weten: liefde en haat. Het was mij namelijk volstrekt niet ontgaan dat hij gedurig stille blikken had geworpen in het witte halsje van Koosje, en zeker openlijke blikken op haar gelaat had willen werpen, zoo hij het had durven wagen een geregeld gesprek met haar aan te knoopen. Verder was het mij niet moeielijk gevallen te ontdekken hoe de goedkeuring hem gehinderd had, die de schoone verzen van Victor (hoe middelmatig en ongeregeld ook vertolkt, en slechtweg voorgedragen) bij haar hadden ontmoet; en hoe hij mij èn de vrijmoedigheid, waarmee ik mij daarna met haar in gesprek had begeven, èn de vriendelijke lachjes, die mij bij die gelegenheid waren te beurt gevallen, had benijd. Hij had zich van dezen avond voor zijn verliefd hart, geloof ik, heel veel voorgesteld; maar Koosje was vertrokken zoo als zij gekomen was, zonder dat hij haar één zoet woordje had toegevoegd, tenzij dan “houje nog al van evenveeltjes?” Hij had er op den duur “ingezeten”: hij had tegenover zijn eigen voornemens en tegenover wat hij voor zijn hartstocht hield een mal figuur gemaakt; wat wonder zoo hij uit zijn humeur geraakt was?

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings