← Table of contents
Camera Obscura

Bijvoegsel, Veertiende Druk; 1883.

Reading edition

Wat betreft de in de voorrede van 1864 uitgedrukte meening omtrent het nog niet bereikt zijn van het noodpeil voor ophelderende aanteekeningen: zij bleef bij volgende uitgaven nog steeds dezelfde, en “zijn gevoel van kieschheid tegenover de geleerden der toekomst werd bij den Schrijver nog altijd niet overwonnen.” In den laatsten tijd echter, wordt hij mondeling en schriftelijk, door geleerden en ongeleerden, met zoovele vragen bestormd, dat hij in dit opzicht een ander begrip begint te krijgen van zijn plicht, en er ernstig aan begint te denken, in de meer en meer “dringende behoefte” eenigszins, in den een of anderen vorm, te gaan voorzien.

Intusschen zou het hem niet mogelijk zijn deze, nu veertiende uitgave van zijn werk in het licht te zenden, zonder dat zij de openlijke betuiging bevatte zijner erkentelijkheid aan zijn vriend Johannes Dyserinck.

Maar wat bij dit alles voor dien Schrijver een zeer groot gewicht hebben moest, waren de hier geleverde bewijzen der allerbijzonderste oplettendheid door den heer Dyserinck aan de onderlinge vergelijking der elkander opgevolgde uitgaven gewijd, aan welke nog de zin-storende of zin-veranderende drukfouten welke van tijd tot tijd in den tekst waren ingeslopen, noch de niet onbelangrijke uitlatingen, welke daarin van lieverlede hadden plaats gehad en door de onoplettendheid der correctie van de eene uitgave in de andere waren overgegaan, waren ontsnapt, noch ook de kleine, maar opzettelijke verbeteringen, door den Schrijver gaandeweg in de redactie aangebracht. Dit heeft bij dezen de uitwerking gehad, dat hij zich voelde aangespoord in elk dezer opzichten dubbel werk te maken van den toen reeds in uitzicht zijnden, thans in ’t licht verschijnenden, veertienden druk, en zich daarbij van de hoog te waardeeren hulp van zijn vriend Dyserinck te verzekeren. Zij is hem rijkelijk te beurt gevallen en, met een goed geweten, als die overtuigd is, in dezen niets bereikbaars verzuimd te hebben, meende hij dan ook ditmaal het “met zorg herziene” op den titel te mogen stellen. Bij de zuivering der drukproeven, is van elk der opstellen nu weder de eerste druk tot grondslag gelegd, al het gaandeweg verdwenene, voor zoo veel het niet opzettelijk geschrapt of opgeofferd was, aan zijne vroegere plaats hersteld, en zijn tal van (niet slechts druk-) fouten weggenomen, menige gebrekkige of min gelukkige uitdrukking door een juistere en betere, maar vooral een goede hoeveelheid onduitsche woorden door vaderlandsche taal vervangen.

Het zal den Schrijver niet dan aangenaam wezen, indien de wijzigingen, die de vrucht van deze ernstige herziening zijn, door hen, die alleen deze uitgave in handen nemen, bij het lezen onopgemerkt blijven en zelfs niet worden vermoed; maar die het der moeite waardig mocht achten haar met de vorige te vergelijken, zal ze, zoo hij hoopt, niet onbelangrijk vinden en aan het meerendeel zijne goedkeuring niet onthouden.

1 November, 1883. H.

Zoomin als bij de elkander schielijk opgevolgde 15de, 16de, 17de, 18de en 19de, heeft de Schrijver, bij deze 20ste uitgave, aan het bovenstaande iets toe te voegen dan de verzekering, dat hij ook voor haar zijne beste zorgen heeft overgehad; en de herinnering, dat aan de reeds bij het schrijven der Voorrede voor de 6de gevoelde en sedert steeds “dringender” gebleken “behoefte”, in het najaar van 1887, door zijn “na vijftig jaar, Noodige en overbodige Opheldering van de Camera Obscura”, naar vermogen voldaan is. Een tweede, geheel herziene druk zag daarvan in het voorjaar van 1888 het licht. (Haarlem, De Erven F. Bohn.)

1 Juli, 1900.

Illustration from Camera Obscura

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings