De Veerschipper.
Reading edition

De Veerschipper.
Maar behalve dezen had ik menig vriend aan het veer, die mijn koffer en reiszak een kwartier uurs ver kon onderscheiden, en straks voor mij het lekkerste kussen uit de roef haalde, opschudde en in den stuurstoel legde, bereid om, als de bodem nat was, mij het gebruik van zijn sabotten af te staan. Als het eenigszins kon, zat ik in den stuurstoel, en van dezen heb ik nooit iets kwaads gezegd. Ik kende de geschiedenis van al de schippers en al de knechts; van hunne vroegere betrekkingen en van hunne latere wederwaardigheden aan het veer. Elk hunner had zijne eigene verdienste in de conversatie. De een wist overal eenden en hazen aan te wijzen op de landerijen, die wij voorbijvoeren; de ander kon zoo gezellig op zijn pijpje smakken en oude verhalen van zijn schooltijd opdisschen; de derde sprak van “Boneparte,” en hoe bang die voor de “Kezakken” moet geweest zijn, met al de nauwkeurigheid van een tijdgenoot en gemeenzaam vriend. Ik herinner mij den ouden Mulder, met den geverfden hoed en de korte broek; hij voer altijd de volste schuiten; den langen Rietheuvel; hij was befaamd in het redden van drenkelingen; en zijn broeder, die “de Mottige” genoemd werd, die wel niet al het statige van den schippersstand had, maar een aardige, praatzame grappenmaker was, die een anecdote uit kon rekken, zoo vele bruggen ver als gij verkoost. Indien hij het begin van dit stuk las, het zou hem ergeren; want ik weet dat niets hem meer verveelt, dan dat men hem en den geheelen trekschuitwinkel in de toekomst beklaagt.
“Je zelt haast gedaan hebben, schippertje!” zei een juffrouw in de roef, onder haar bril uitkijkende, tot onzen Rietheuvel, nadat zij vruchtelooze pogingen had in ’t werk gesteld om een heer, die in ’t hoekje zat, aan den praat te krijgen. “Je zelt haast gedaan hebben, schippertje!”—“Hoe zoo, juffrouw?” vroeg de kapitein.—“Wel, met die Spoorwegen!”—“Spoorwegen! juffrouw da’s geen duit waard. As ’t anders niet was; die hebben haast gedaan. Maar dat nieuwe.”—De juffrouw wist ter wereld niets nieuwer dan spoorwegen, en “men zou er haar ook niet opkrijgen”.—“Ja maar,” merkte Rietheuvel aan, “in dat nieuwe ga je wèl. Je hebt ommers wel gelezen van dien Onderaardschen Schietblaasbalk?”—“Van die wat?” vroeg de juffrouw, haar bril van den neus nemende, “van die wat?”—“Wel, van dien Onderaardschen Schietblaasbalk?” riep de schipper, zoo hard als zijn verweerde stem gedoogde. “Heerlijk hoor! Je hebt pijpen, buizen, kanalen; onderaardsche, weetje? ’k zel zeggen van Amsterdam na Rotterdam, en vicie versie; dat zijn de twee grootste. Nou heb je dan ook korte, voor Halfweg, Haarlem, Leiën,…. dat begrijpje, na venant.”—De juffrouw spitste de ooren en opende den mond.—“Best; je komt in ’t ketoor; je ziet een partij luiken in de’ vloer, met groote letters, beschilderd; al de plaatsen, weetje, die staan der op. Halfweg, Haarlem, Leiën, allemaal. Je ziet een groote schaal hangen en een knecht in leverei, netjes as ’t hoort, der bij. Waar mot de juffrouw nou b.v. wezen? Zeg maar wat!” Hier wachtte de verhaler op een antwoord, maar de juffrouw wist niet wat ze zeggen zou, en vreesde dat het geheele verhaal een strik was om hare onnoozelheid te vangen.—“Nou goed; as je ’t dan maar weet. Ik zel maar zeggen: je mot te Rotterdam zijn. Je krijgt een kaartje. Best. Belieft u maar op de schaal te stappen.”—Hier kon de juffrouw zich niet bedwingen: “Op de schaal, schipper?” riep zij uit, en hare oogappels werden van verbazing zoo groot als tafelborden, “wat mot ik op de schaal doen?”—“Dat zel je hooren. UE. wordt gewogen. Je bent nog al dikkig. Goed. Zooveel pond, zooveel kracht op de’ blaasbalk. Belieft u maar op dat luikie te gaan staan. Pof! je zakt in de’ grond, Ruut! daar ga je, hoor! Je ziet niks niemendal as egyptische duisternis. ’t Hoeft ook niet. Tien menuten! knip, knap, gaan de veeren. Daar sta je weer in een ketoor; je denkt in ’t zelfde? Mis! Je bent te Rotterdam. Is ’t waar of niet, Piet?”
Op dit beroep antwoordt de aangesprokene, die als knecht met den Mottige vaart, niet anders dan door het hoofd te schudden en een pruimpje te nemen.—“Piet wordt er Weger bij,” vervolgt de schipper: “je kunt er de teekening van zien; ’t zou al lang ingevoerd wezen, me lieve juffrouw! maar ’t het motten wachten totdat die wije mouwen uit de mode waren.—Pietje, ’t wordt koud, man! je hebt je jaren. Wees niet nuffig omdat er een juffer in de schuit is; trek je schanslooper an, maat; en geef mijn me zuidwester, want ’et begint te regenen.”
“Ja menschen!” merkt de juffrouw aan, “je mag wel voor je gezondheid zorgen. Ik weet niet hoe je ’t uithoudt!”
“Uithouën?” zegt de schipper: “de juffrouw mot weten dat er geen menschen ouèr worden as schippers en schoolmeesters. De schoolmeesters, van de onschuldige asempies van de kinderen, en de schippers, van weer en wind.”