De Familie Kegge.1
Reading edition
De Familie Kegge.1
Eene treurige inleiding.
Wie kent niet die ontzettende ziekte, die men in het dagelijksch leven met den gevreesden naam van zenuwzinkingkoorts gewoon is te bestempelen? Wie heeft onder haar geweld geen dierbaren zien bezwijken? Wie heeft haar nimmer bijgewoond, die verschrikkelijke worsteling der zenuwen en vaten, waar deze zich onderling het gezag betwisten, totdat de lijder—meestal, helaas!—onder dien kampstrijd bezwijken moet. Voor mij rijst menige angstige herinnering aan hare verschijnselen op. Ik zie nog die lijders, met die gebroken oogen, die zwarte lippen, die droge lederachtige handen, die vingers in altoosdurende beweging. Zij staan mij voor den geest, zoo als zij nu eens in een dof en mompelend ijlen als verdiept waren en in stilte bezig met hunne visioenen, en dan met een kracht, die niemand hun meer zou hebben toegeschreven, zich in hun bed ophieven, om daarna weder ineen te krimpen als in dierlijken angst. Zij staan mij voor den geest, ook in hun noodlottig stilliggen, in die treurig heldere tusschenpoozen, die den dood voorbeduiden. Nog zie ik al dien droevigen toestel van zuurdeeg om af te trekken, van natte omslagen om terug te drijven; dien gewichtigen overgang van afwasschende tot prikkelende middelen. Nog ruik ik de kamfer en de muscus, die de omstanders zoo zeer plegen te verschrikken. Nog voel ik het zielpijnigend dobberen tusschen hoop en vrees, het angstig ingaan van iederen nacht, het smachten naar het morgenlicht, en naar den arts. Nog hoor ik de betrekkingen duizendmaal de vraag herhalen “of dit nu niet de crisis zou zijn geweest?” en hun deerniswaardig zelfbedrog, als zij zich met in hun oog goede teekenen vleien, den dokter een zwaarhoofd achten, zijne uitspraken naar de inspraak van hunne hoop verplooien, zoo lang, zoo lang … tot (eindelijk nog onverwachts!) de harde waarheid bevestigd wordt, dat de ziekte hopeloos was, dat de dood zich onvermurwbaar had aangekondigd.
Maar ook, Gode zij dank! er doemen zoete herinneringen van herstelling bij mij op; bij mij, die zelf de gevreesde kwaal heb doorgeworsteld met de veerkracht der jeugdige sterkte, en die anderen, als uit hare kaken gered, zag opleven tot gezuiverden bloei. Die herstelling der gelaatstrekken, dat langzamerhand gezond insluimeren, en dat eerste ontwaken met gevoel van beterschap en rust; dat lang gewenschte kalm opslaan der oogen; die honger; dat eerste opzitten; en die kinderlijke dankbaarheid voor het eerste glas wijn, dat werd toegestaan! O! gezond te zijn is een onschatbaar bezit, maar uit een ziekte te herstellen is een zalig genot!
In het begin van het derde jaar van mijn verblijf te Leiden, was er een jong mensch, uit Demerary geboortig, in mijne buurt komen wonen. Het is de gewoonte onder de studenten, in zulk geval elkander een bezoek te brengen. De jongeling beviel mij. Hij was van een openhartig, aantrekkelijk karakter, en van een zacht gevoel. Vooral dacht hij zeer teeder en aanhankelijk over de betrekkingen, die hij in zijn geboorteland reeds als knaap verlaten had, en die hij niet weder zou zien dan na zijn bevordering, waarom hij zich ook zoo veel mogelijk met zijn studiën haasten wilde. Om dien trek en dien ijver was hij mij lief; en hoewel ik, daar onze studiën en onze tijd van aankomen te veel verschilden, mij niet met hem in een geregeld verkeer begaf, zoo bezocht ik hem toch een enkele maal, en scheen hem dat dubbel aangenaam te zijn, omdat hij met mij vrijuit spreken durfde over dat, wat hem zoo na aan ’t harte lag en aan de meeste zijner jonge vrienden kinderachtig toescheen, of te ernstig om tot een onderwerp van gesprek te worden gemaakt.

Jan Adam Kegge.
Bij een dier bezoeken klaagde hij mij sterk over een zekere vermoeidheid en loomheid in de beenen, die hem sedert eenige dagen kwelde, en zeer kort daarop vernam ik, dat William Kegge, zoo heette hij, werkelijk ongesteld was. Een ongesteld student ontbreekt het nimmer aan gezelschap; en er sterft er misschien menigeen aan te veel oppassing. Ik koos, om hem te gaan zien, een uurtjen uit, waarin ik hoopte hem niet al te zeer omringd te vinden, en vond hem te bed. Ofschoon het nu uitgemaakt is, dat een studeerend jongeling, als hij toch eenmaal thuis moet blijven, veel vroeger zijn troost in de veeren zoekt dan een nijvere huismoeder, zoo was dit dan toch erger dan ik mij had voorgesteld. William was echter zeer monter en opgewekt. Ik bemerkte dadelijk, dat hij koorts had. Twee zijner intiemsten zaten voor zijn ledikant om hem wat op te beuren, en raadpleegden hem als scheidsman over een al of niet op te spelen kaart in een partij hombre, die dien namiddag in “de Pauw” gespeeld was, waardoor zij hem noodzaakten zich in verbeelding zevenentwintig kaarten in allerlei samenvoeging voor te stellen; gewisselijk een aangename tijdpasseering voor een zieke, maar uit haren aard toch wel wat vermoeiend. Ik gaf den beiden zieketroosters een wenk om dit gesprek liever te staken, en had ze gaarne te zamen zien vertrekken. Ik ried daarop den patiënt zich stil te houden, draaide de pit van de lamp wat neer, en liet het opgenomen bedgordijn vallen.
Ik verzocht hem een dokter te nemen; maar hij wilde er niet van hooren; een der vrienden zou bij hem blijven totdat hij sliep, en men zou den anderen dag afwachten.
Den anderen dag had ik reeds vroeg de hospita van mijn buurman bij mij.
“Het was niemendal goed met meheer! Hij was in ’t midden van den nacht wakker geworden, had haar thee laten zetten, en was, wat zij volstrekt niet van haar meheer gewend was, zeer knorrig geweest; daarbij had hij haar zoo verwilderd aangekeken, dat ze “der tranemontane haast was kwijt geraakt en de schrik haar nog in de beenen zat”. Zij geloofde, “dat het niet goed was geweest, dat meheer zoo veul met een open raam zat, want daar waren die menschen uit vreemde landen toch maar niet aan gewend”, en zoo vervolgens. Ik kleedde mij en ging hem terstond zien.
Hij had nog koorts, en nu veel heviger, was zeer ontevreden over zijn bed, zijn slaapkamer, zijn hospita, in één woord, over alles; hij wilde een groot vuur op de voorkamer hebben aangelegd, en had daar alle verwachting van. Ik verzocht hem te blijven waar hij was, en liet oogenblikkelijk een dokter halen.
De dokter kwam en verklaarde de ongesteldheid voor bedenkelijk. De studeerkamer werd tot een ziekekamer ingericht, de patiënt met zijn bed derwaarts gebracht; aan zijn voogd geschreven. Deze kwam na een paar dagen. Het was een oud vrijer, die nooit zieken had bijgewoond en wien de handen buitengewoon verkeerd stonden, klein van verstand en dof van gevoel. Hij liet mij het bestier in alles over. De hospita was gelukkig eene zeer handige, bedaarde, knappe, dóórtastende en tegelijk hartelijke vrouw. Zij deed haar best; de dokter deed zijn best; een paar jongelingen, die ik, uit de menigte van die volstrekt waken wilden, gekozen had, deden met mij al het mogelijke; maar het hielp niet. De ziekte nam een noodlottigen loop; en na drie weken van angst en tobben, droegen wij den armen William Kegge naar het graf.
Een studentebegrafenis heeft iets plechtigs. Een lange sleep van menschen in den bloei des levens, die in rouwgewaad een lijk ten grave brengen, ten teeken dat die bloei des levens niet onschendbaar is voor den dood! Zij weten het wel, maar zij moeten het zien, om er zich van te doordringen. Het zou echter nog veel plechtiger zijn, indien allen doordrongen waren of konden wezen van dit gevoel; indien allen even zeer belang stelden in den overledene, even zeer deel namen in zijn dood; ja, indien maar allen, ook de achtersten, het Memento Mori zien konden dat vooruitgedragen wordt. Ook moesten de nooders van de liefhebberij afzien om met den langen trein te pronken en hen, die hem uitmaken, te vervelen met eenen nutteloozen omgang door de stad. Gewoonlijk wordt de baar door de stadgenooten van den doode gedragen of, indien die niet genoegzaam in getale zijn, door hen die met den doode uit dezelfde provincie of uit dezelfde kolonie afkomstig zijn. Voor William had men geen twaalf landgenooten kunnen vinden. Zijne beste vrienden droegen hem. Hij had nog zoo kort aan de hoogeschool verkeerd …! Er was misschien onder dezen zelfs niet een enkele, voor wien hij zijn hart ten volle geopend had. Wellicht was ik, die hem toch zoo weinig had gezien, nog wel zijn vertrouwdste geweest. Althans hij had in den laatsten nacht van zijn leven, in een oogenblik waarop hij volkomen bij zijne kennis was, een ring van zijn vinger getrokken, met een kleinen diamant, en van binnen de letters E.M.
“Bewaar dat”—had hij met flauwe, maar nadrukkelijke stem gezegd—“het was mij heel dierbaar.”
Meer had hij er niet bijgevoegd.
De student voorzitter der rechtsgeleerde faculteit, tot welke William behoord had, hield eene korte toespraak bij het open graf. Toen wierpen wij, die hem gedragen hadden, er ieder een schop aarde in, en de voogd bedankte alle aanwezigen voor de eer den overledene aangedaan. De trein ging terug naar de gehoorzaal der academie en scheidde daar. De zwarte rokken werden uitgetrokken, de witte handschoenen hadden afgedaan. Elk keerde weder tot zijne oefeningen, zijne uitspanningen, zijne levende vrienden. Nog zes weken droeg deze en gene den smallen rouwstrik om de muts. Maar toen, tegen kersttijd, de studentenalmanak verscheen, en het verslag gelezen werd, waarin ook eenige regels aan de nagedachtenis van William Kegge waren gewijd, was er reeds menig academiebroeder, die al zijn herinneringsmiddelen moest bijeenroepen om zich voor te stellen hoe “die William Keg” er bij zijn leven had uitgezien.
Als de voogd er aan dacht of van sprak om naar de West te schrijven, was hij zoo verlegen met de zaak, dat ik eindelijk op mij nam den voorbereidenden brief te stellen, waarop dan de zijne met het doodsbericht en zijne verantwoording omtrent de zaken van den jongen overledene zoo ras mogelijk volgen zouden. Ik vervulde dien moeilijken plicht; en eenigen tijd na de afzending der beide tijdingen ontving ik van den vader van Kegge een brief vol van wel wat overdreven dankbetuigingen en vriendschapsaanbiedingen in antwoord.
Twee jaren later kwam de familie Kegge zelve in Nederland, en zette zich (zooals ik later vernam, schatrijk) in de stad R. neder. Ik kreeg hier het eerst kennis van, door een kistje havannah-sigaren, per diligence ontvangen, met een biljet van dezen, vrij zonderlingen inhoud:
“Een klein reukoffer van dankbaarheid bij onze komst in het moederland. Kom te R. en vraag er naar de familie die uit de West is gekomen, en gij zult hartelijk welkom worden geheeten door
Jan Adam Kegge.”
Kennismaking met menschen en dieren.
Eenigen tijd na de ontvangst van dit “reukoffer”, hetwelk mijne vrienden niet nagelaten hadden van lieverlede voor mij in geur te doen opgaan, zat ik op een regenachtigen Octobermorgen, waarop ik juist niet te vroeg was opgestaan, in stil gepeins voor mijn ontbijt, toen zich beneden mij een buitengewoon gestommel hooren deed.
“Nog al hooger?” vroeg eene zeer luide stem, die ik niet kende, “drommels, tante! dat is in de hanebalken. Sakkerloot, ’t is hier suffisant donker, hoor! ik ben een kuiken als ik zien kan!”
Het is niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat zich de kapiteins van vergane schepen met onleesbare brieven in de met hen gestrande portefeuilles, of de “professeurs” van onbekende lycaea, die “tijdstroomen” aanbieden, of de doorgevallen kruideniers, die uit hunne verbrande pakhuizen niets anders hebben gered dan een mooie partij Zeeuwsche chocolade van duizend A’s, of de goedkoope portretteurs en silhouettemakers, die de eer hebben gehad uwen besten vriend ook af te beelden, of de konstenaars, die voor een spotprijs de geheele koninklijke familie in gips op uwe tafel willen zetten, of de reizigers met inteekenlijsten op onmisbare boeken, waarvan een professor zich heeft afgemaakt door ze een student op den hals te schuiven; het is, zeg ik, niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat opgemelde heeren, en al wat verder zich op eene listige wijze bij de studeerende jeugd indringt, om op haar medelijden, onervarenheid, of blooheid te speculeeren, gewoon zijn zich aan te bieden; want indien zij geen Fransch of Duitsch of Luikerwaalsch spreken om uw hospita te overbluffen, dan nemen zij de beleefdste, beschaafdste en tevredenste houding der wereld jegens haar aan; en wat de trap betreft, zij veinzen niet zelden er ten volle mede bekend te wezen. Ik was dus op dit punt gerust, en daar ik in eene stemming verkeerde, die voor afleiding vatbaar was, verheugde ik mij bij voorraad, een vreemd gezicht te zullen zien.
“De deur ging open, en er trad een welgedaan heer binnen, die een goede veertig jaar oud mocht zijn. ’s Mans gelaat was juist niet hoog fatsoenlijk, maar de uitdrukking er van bijzonder vroolijk en joviaal. Zijn verbrande kleur verried de warmer luchtstreek. Hij had levendige grijsblauwe oogen en zeer zwarte bakkebaarden. Zijn haar, waarin op de kruin een aanzienlijk hiaat begon te komen, was reeds hier en daar, naar de uitdrukking van Ovidius, met een weinig grijs doorsprenkeld. Hij droeg een groenen overrok, dien hij oogenblikkelijk losknoopte, en vertoonde zich toen in een zwart pak kleederen met een satijn vest, waarover een zware gouden halsketting tot beteugeling van zijn horloge. In de hand hield hij een fraai bamboes met barnsteenen knop.
“Kegge!” riep hij mij toe, als ik verbaasd opstond om hem te groeten, “Kegge! De vader van William! Ik ben gekomen om u, het Museum, en den Burg te zien; en als je dan mee naar mijn huis wilt gaan, zulje me drommels veel pleizier doen.”
Ik was door dit bezoek geheel verrast, en op het hooren van den naam ontroerd. Ik beken, dat ik zelden meer aan den goeden William dacht, maar eene plotselinge herinnering, en dat wel uit den mond van den beroofden vader, deed mij aan.
Ik betuigde hem mijn genoegen den vader van den overleden vriend vóór mij te zien.
“Ja,” zei de heer Kegge, zijn horloge uithalende: “het was jammer van den jongen, hè! ’t Moet een goeie kerel geworden zijn. ’t Spijt me in mijn ziel.” En het gordijntje openschuivende voegde hij er bij: “Je woont hier duivels hoog, maar ’t is een mooie stand; dat heet hier de Breestraat, doet het niet?”
“Hier schuins over woonde William: dáár; waar nu de steiger staat.”
“Ei zoo, dan was je na buren! Ja, ’t is jammer, jammer, jammer.—Sakkerloot, is dat het portret van Walter Scott? Lees je Engelsch? Mooie taal, niet waar? Zou ik hier een complete editie van Walter Scott kunnen krijgen? Maar zij moet wat mooi, wat kostbaar zijn. Ik hou niet van die lorren. Mijn kinderen hebben er al één half verscheurd.”—En al weder op zijn horloge ziende: “Hoe laat gaat dat museum open? Ik moet volstrekt naar dat dooiebeesten-spel toe. Kan ik de Academie óók zien? Wat hebje al zoo meer?”
Op dien regenachtigen Octoberdag zag men Hildebrand met een vreemdeling door Leidens straten hollen, om eerst de doode beesten in het Museum van natuurlijke, en daarna de Farao’s in het Museum van onbekende historie te gaan aanschouwen; vervolgens een blik te werpen op de kindertjes, die nooit geleefd hebben, der Anatomie, en daarna op de portretten der doode professoren, die eeuwig leven zullen, op de Senaatskamer, van Scaliger “met den purperen mantel” af, tot op Borger met den houten mantel toe, waarvan er echter ettelijke den doodstrek duidelijk hebben gezet. Om een weinig verscheidenheid teweeg te brengen, bezochten wij daarop den Burg, die zelf een lijk is, vroeger bewoond door de Romeinen, Ada, en die Rederijkerskamer waarvan “zoo vele genieën” lid waren. Ten slotte zagen wij ook nog den Sineeschen en Japanneeschen inboedel bij den heer Siebold, en rustten eindelijk uit in de sociëteit Minerva, toen nog geschraagd door “de dubbele zuil” van dien broederlijken zin, die sedert roekeloos verbroken is. Wij aten vervolgens aan de open tafel in “de Zon”, en het was aldaar, dat de heer Kegge de algemeene verbazing en zelfs de volkomen verontwaardiging van een zeer lang heer tot zich trok, door de aanzienlijke hoeveelheid cayennepeper, die hij uit een opzettelijk daartoe op zak gedragen ivoren kokertje op zijn spijzen schudde, alsmede door zijne volstrekte verachting van bloemkool en bordeaux-wijnen, waardoor ik genoodzaakt werd een flesch port met hem te deelen.
Na het diné vertrok ZEd. per diligence; evenwel niet dan na mij de belofte te hebben afgeperst, dat ik na afloop van mijn ophanden zijnde candidaatsexamen, zonder fout, een paar weken bij hem zou komen doorbrengen; als wanneer hij mij eens zou toonen hoe hij gewoon was menschen te ontvangen, en hoe goed zijn kelder was.
“Als je studeeren wilt,” zei hij; “ik heb een mooie portie boeken; en is er wat nieuws uitgekomen van Bulwer of zoo iemand, breng het voor mijn rekening mee; maar vooral een beste editie!”
Een paar weken daarna kreeg ik een brief ter herinnering aan deze mijne belofte, begeleid door een onmetelijk grooten pot West-Indische confituren, bestaande, voor zoo veel ik er van begreep, uit vele schijven rhabarber en groote stukken hengelriet, in quint-essence van suiker ingelegd. De heer Kegge meldde mij, dat “zijne vrouw en dochter, welke laatste, tusschen twee haakjes gezegd, een mooie brunette was, van verlangen brandden om mij te zien.”
Aan dit verlangen voldeed ik, en weinige dagen daarna zat ik tegenover de vrouw en de mooie brunette, onder een geweldig geblaf van twee spaansche hazewindjes, ten huize van den heer Jan Adam Kegge.
De kamer waarin ik mij bevond leverde een schouwspel op van de weelderigste pracht, met de grootste achteloosheid gepaard. Overvloed van zwierige meubelen vervulde haar, welke allen het onhuiselijk aanzien hadden van splinternieuw te zien. Een breede, veeloctavige piano-forte stond opengeslagen en lag bevracht met een aantal boeken, een hoop dooreengeworpen muziek, en een gitaar. Een gladhouten muziekkastje stond open, en een der spaansche hazewindjes vermaakte zich een weinig met dat gedeelte van den inhoud hetwelk niet op de piano zwierf. Een allersierlijkst pronktafeltje stond beladen met allerlei aardigheden en mooie beuzelingen, reukflesschen, handvuurschermen, magots, kinkhorens, sigaarbusjes en kostbare plaatwerken. Een zilveren pendule met een paar vazen van hetzelfde metaal rustten op een schoorsteenmantel van cararisch marmer, en op een trumeau, onder een reusachtigen spiegel daartegenover, zag men een groep van de schitterendste opgezette vogels met spitse bekken en lange staarten, die ooit levend of dood geschitterd hebben. Een marokijnen kleinodiënschrijntje stond er halfgeopend naast. In de vier hoeken der kamer prijkten vier zwaar vergulde standerdkandelaars. Het vloertapijt was uit gloeiend rood en even gloeiend groen geweven. De neteldoeken gordijnen waren met oranje en lichtblauwe zijde overplooid. Gelijk bij alle ijdele menschen, hingen ook in deze huiskamer aan den wand de levensgroote en zeer behaagzieke portretten van mijnheer en mevrouw; mijnheer in een almaviva met een sierlijken zwaai gedrapeerd, en een oogopslag als van een aangeblazen dichter; mevrouw, zeer laag gekleed, met een dik parelsnoer om den hals, een kanten plooisel om de japon, en schitterende armbanden. Een derde schilderij stelde een groep van vier kinderen voor, waarbij aan de schoone brunette vooral niet was te kort gedaan. De beeltenis van William, die de oudste geweest was, miste ik met smart; maar het was natuurlijk, want het stuk was eerst sedert de overkomst der familie in het moederland geschilderd. Voor de sofa, waarop de schoone dochter van den huize was gezeten, lag een tijgervel met rood omzoomd; en de armstoel van mevrouw was zoo ruim en zoo gemakkelijk, dat zij er als in verzonk.
Toen ik binnentrad zat mama met het windhondje Azor, dat met minder muzikale neigingen begaafd scheen dan het windhondje Mimi, op haar schoot, en liefkoosde het, terwijl de dochter haar borduurwerk had neergelegd, om zich met een grooten witten kaketoe met gele kuif te onderhouden.
Mevrouw Kegge was eer klein dan groot van gestalte, aanmerkelijk jonger dan haar echtgenoot, aanmerkelijk bruiner dan haar dochter en, wat zij ook mocht geweest zijn, op dit oogenblik aanmerkelijk verre van eene schoonheid in de oogen van een Europeaan. Haar toilet was, ik moet het bekennen, eenvoudig genoeg, en ik zou haast zeggen eenigszins slordig; maar waar is het, dat er veel werd goedgemaakt door een zonnige ferronière op mevrouw Kegges voorhoofd en een zware gouden ketting op mevrouw Kegges voormaligen boezem; hoezeer ook deze versierselen zich het air gaven van bij mevrouw Kegges tegenwoordige kleedij volstrekt niet te willen passen. Zij scheen verlegen met mijn bezoek, en had wel het voorkomen een weinigje verlegen met alles te zijn; ook met de pracht die haar omringde, en het karakter, dat zij had op te houden.
Haar dochter kwam haar te hulp. Een goede uitvinding van sommige moeders: dochters te hebben. Zij hief zich, om mij te groeten, eenigszins plechtig van de sofa op, terwijl de zwarte knecht mij een stoel gaf, veel dichter bij haar dan bij haar mama, en betuigde haar genoegen mijnheer Hildebrand te zien. “Papa had er zich zóó veel van voorgesteld mijnheer Hildebrand eens te bezitten. Niet lang zeker zou hij zich laten wachten; maar eene dringende commissie had hem uit geroepen.”
Inderdaad, het was een schoon meisje, die dochter van den heer Kegge. Zij had den fijnen neus en den mond van William, maar veel schooner oogen dan deze had gehad. Heerlijke, donkere, tintelende oogen waren het, die tot in de ziel doordrongen. Als zij ze opsloeg, blonken zij vurig en onversaagd, en toch, als zij ze neersloeg, hadden zij iets bijzonder zachts en kwijnends. Heur haar hing in menigte van lange glinsterende krullen, naar engelsche wijze, langs haar eenigszins bleeke, maar mollige wangen. Ik wist dat zij drie jaar jonger was dan William, die nu ongeveer twintig jaren zou geteld hebben; maar, naar den aard der tropische menschengeslachten was zij ten vollen ontwikkeld. Een weelderig négligé van wit batist en kronkelige tule kleedde hare rijzige gestalte, en zij had geen anderen opschik dan een bloedigen robijn aan haar vinger, die de oogen trok tot haar kleine zachte handekens.
De schoone brunette hield het gesprek vrij wel gaande, en vulde de gapingen aan door allervriendelijkst met den kaketoe te converseeren en hem kleine stukjes beschuit uit hare hand te laten oppikken, bij welke gelegenheid ik doodsangsten uitstond voor hare schoone vingeren. Men gevoelt, dat ik het begunstigde dier uitermate prees.
“O, hij praatte zoo aardig. Zij was nu begonnen hem haar naam te leeren uitspreken; Coco, hoe heet de vrouw?”
En zij aaide Coco zoo zacht over den kop, dat ik wenschte Coco te zijn.
De lieve naam kwam echter zoomin van ’s mans hoornachtige lippen, als ikzelf in staat zou geweest zijn dien voort te brengen. Na lang vleiens kwam er: “Kopje krauwen.”
Dit was klaarblijkelijk eene vergissing, en Coco boette die duur genoeg. De schoone oogen begonnen te vonkelen, en de lieve hand gaf den onwilligen met een gouden naaldekoker een gevoeligen slag op den kop; ten gevolge waarvan de heer Coco, met een schuinslinks gebogen kruin en kleine pasjes, naar het verwijderdste gedeelte van zijn kruk retireerde, en daar in die houding zitten bleef met een ter bescherming opgeheven poot, ongeveer als een schooljongen op wien de meester onheildreigend uitschiet.
“Papa leert hem soms zulke woorden uit een aardigheid,” zei de vertoornde schoone; “maar ik vind het zeer onaangenaam.”
Mama zag met een zekeren angst naar haar dochter op.
Ik zocht naar een nieuw onderwerp van gesprek, en was juist van plan de portretten te hulp te roepen, als mijnheer Kegge te huis kwam.
“Onsterfelijke vriend!” riep hij mij toe; als waren wij ons geheele leven door de teederste banden van vriendschap, waarvan ooit in een album gesproken is, “verknocht, verstrengeld” en, als het rijm medebrengt, “verengeld” geweest: “Onsterfelijke vriend! daar doe je wel aan. Kom aan, dat’s goed. Nog niets gebruikt? Wat wil je hebben? Madera, teneriffe, malaga, constantia? witte port? vruchtenwijn? Lieve kind, laat onmiddellijk de likeuren komen. Hoe zit jij daar zoo te druilen, Lorre?”
“Hij heeft knorren gehad, papa,” antwoordde de dochter, “omdat hij andere woorden spreekt dan die ik hem geleerd heb.”
“Allemaal gekheid! Hoe meer woorden hoe beter! Poes, poes! kopje krauwen! gekskap!…”
“Papa, ik had het waarlijk liever niet.”
“Nu, nu, Harriot my dear! Ik zal ’t niet weer doen.—Maar wat zegje van onzen gast, mijnheer Hildebrand? En wat zegt mijnheer Hildebrand van mijn dochter?…”
Wij waren beiden verlegen, en hadden niets van elkaar te zeggen.
“Allemaal gekheid!” riep de heer Kegge; “je zult wel familiaar worden. Voortaan geen mijnheeren of dames, maar Henriette en Hildebrand, alstjeblieft.”
Juffrouw Henriette Kegge stond op, om met zeer veel ijver op de piano een boek te zoeken.
De knecht had intusschen bevel gekregen de aangebodene verkwikkingen te brengen, en zette te dien einde een onmetelijk groote vierkante sandelhouten kist op tafel, met het woord Liqueurs in sierlijke trekletters bemaald. Ik houd niet van die coffres-forts der gastvrijheid, die door slot en grendel schijnen aan te toonen hoeveel prijs men zelf op hun inhoud stelt. Naar de woorden van den heer Kegge evenwel te oordeelen, geloof ik dat ik hem wezenlijk zou hebben verplicht, indien ik had kunnen besluiten al de zes karaffen, die er, met haar bijbehoorend gezelschap van glazen, in eens werden uitgelicht, na elkander leeg te drinken. Met een glas madera heette hij mij welkom.
“Hoor reis, onsterfelijke!” ging de heer Kegge voort, “dit is nu mijn huis, dit mijn vrouw, dit mijn oudste dochter, en straks zul je al de kinderen zien; niet waar Hanna? Dan ken je hier de taal en de spraak zoo wat. Je moet maar denken: wij in de West zijn familiaar. In Europa is men vrij wat stijver. Je hebt hier adellijke heeren en groote hanzen; daar behoor ik niet toe; waarachtig niet; ik ben niet van adel; ik ben geen groote hans; ik ben een parvenu, zoo je wilt.”
Henriette verliet de kamer.
“Maar ik heb, Goddank! niemand naar de oogen te zien; dat’s één geluk! Leve de vrijheid, en vooral hier in huis! Je doet en laat hier alles wat je goed vindt, slaapt zoo lang als je wilt, eet goed, drinkt goed—dat zijn de wetten van het huis. Waar is Henriet?”
“Naar haar kamer,” antwoordde mevrouw Kegge. “Zij kleedt zich voor het diné.”
“Dan moeten de kinderen nog effen komen!”
Er werd gescheld. De zwarte knecht kreeg zijne bevelen, en de kinderen verschenen.
Er traden twee mooie jongens binnen, de een van negen, en de andere van tien jaren. De ondeugd zag hun uit de brutale zwarte kijkers, en zij waren er, helaas! niet leelijker om. Zij droegen blauwlakensche pakjes met tallooze vergulde knoopen over de schouders, breed omgeslagen en breed geplooide batisten halskragen, geen das, en lage schoenen met witte kousjes. Daarna kwam een meisje van zeven jaar met lange zwarte haarvlechten en bloedroode strikken op den rug; een jongen van vijf, in een schotschbont blousetje; weder een meisje, van een jaar of drie, met bloote voetjes in gekleurde laarsjes; en eindelijk, op den arm eener min, een kind, dat niets meer aanhad dan het witte jurkje dat men zag, en het witte hemdje dat men niet zag,—verontrust u niet, lieve Hollandsche moeders! het schaap zag er volmaakt gezond uit—met een gouden rammelaar in de eene hand en een korst brood in de andere.
“Nu hebje ze allemaal gezien,” riep papa, de kleinste van den arm der minne nemende en op zijn schouder zettende; waarop het kind allerliefst schaterde van lachen en met de bloote beentjes spartelde en trappelde, dat het een lust was om aan te zien. “Ik heb er elf gehad; William, dien je gekend hebt; Henriet, die je gezien hebt; nu is er een heele gaping; eerst kreeg mijn vrouw een miskraam, en daarop een dood kind; de vierde is tien jaar oud geworden en toen aan de koorts bezweken; nu komen de jongens; hier hebje Rob, en daar hebje Adam, mijn petekind; die zijn allebei nog ondeugender dan hun vader, toen hij zoo klein was; tusschen hem en dit meisje is er weer eentje dood; dat werd door een beest van een negerin vergeven op zijn anderhalf jaar; dit meisje heet Hanna, naar mijn vrouw; dat ’s een mooi klein ding, is het niet? en die kleine jongen heet Jan; niet waar, boer? Hier hebben we Sofietje; en het kleintje heet Kitty.”
Na deze optelling van zijn kinderen, schonk hij ze allen een glas malaga in, en liet zelfs de kleine Kitty daarvan proeven, die een leelijk gezicht zette, een uitwerksel dat den oorsprong van haar leven zeer vroolijk maakte. Mama speelde met den krullebol van Rob, en Rob met den staart van Azor; Adam prikte zijn zuster Hanna zachtkens met een speld in den nek, en buitelde daarop naar den kaketoe, die zichtbaar bang voor hem was; Jan en Sofie begonnen een twistgeding ter zake van het hazewindje Mimi. De heer Kegge gaf zijn jongste spruit weer aan de min over.
“Zie zoo, minne!” zeide hij: “nu maar weer naar de kinderkamer! Vort, jongens! Veel pleizier!”
En de geheele stoet verdrong zich lachende en juichende in de deur, en stoof henen.
“Als je nu eens weten wilt waar je slaapt, onsterfelijke!” hervatte de heer Kegge, die dezen naam voor mij gekozen scheen te hebben, “ga dan mee als je wilt; dan kanje meteen de bibliotheek zien.”
Hij bracht mij naar een achterbovenkamer, die op den tuin uitzag. Nog nooit zou ik te midden van zooveel weelde hebben geslapen. Een lit d’ange, een canapé, een chaise longue daarenboven, een pendule, een psyché, een waschtafel van satijnhout, met tot de geringste benoodigdheden voor het toilet meer dan voorzien.
“Je bent niet bang voor dat wapentuig daar in den hoek?” zei de heer Kegge, naar een paar indiaansche bogen en een dozijn wie weet hoe vergiftige pijlen wijzende. “Hier is de schel; als je wat noodig hebt, dan rammel je maar dat het huis dreunt.”
Wij gingen daarop naar de bibliotheek, waar een lustig vuur brandde en een schat van Voyages pittoresques en hedendaagsche literatuur, op de keurigste wijze gebonden, bijeen was.
“Hier ga je nu maar heen, als je je verveelt! Die sofa is nog al makkelijk. In deze laden zijn platen; al wat je hier ziet is meestal in Engeland gekocht, en nu completeert Henriet het zoo wat. Ik kan me met die snorrepijperij niet altijd ophouden. Henriet heeft twee jaar te Arnhem school gelegen. Maar toen zijn we in ’t land gekomen, en hebben haar thuisgehaald; ze was te groot, en ze moet nu zelf maar verder haspelen. Engelsch kon ze al; en als je in twee jaren geen Fransch kunt leeren, dan leer je ’t nooit. Dat lange schoolgaan—allemaal gekheid. Ik laat geen van me kinderen meer schoolgaan; ze krijgen patente meesters aan huis. Gouverneurs en gouvernantes wil ik niet onder mijn oogen zien. En wat de meisjes betreft: mijn vrouw verstaat geen woord Fransch, en toch heeft ze elf kinderen gehad, weetje …. Zie je dien opgezetten tijger? Dien heb ik zelf op mijn suikerplantage geschoten!… De deugniet had al driemaal een kalf komen weghalen.”
Wij gingen verder, en in den tijd van een half uur had de heer Kegge mij al de kamers van het geheele huis, den tuin, den stal en het koetshuis laten zien, alles onder even drukke en schutterige gesprekken, waaruit het mij meer en meer bleek, dat de heer Jan Adam Kegge zeer ingenomen was met zijn rijkdom, zijn kinderen, en zichzelven. Hij scheen er volkomen van overtuigd te zijn, dat hij een onuitputtelijk fortuin had en dat hij “een perfecte goeie kerel” was; tienmaal beter dan alle mogelijke “groote hanzen en adellijke heeren”, en volkomen gerechtigd om alle wereldsche zorgen en welvoeglijkheden met zijn lievelingsuitroep af te doen: “allemaal gekheid!”
Toen wij alles gezien hadden, wachtte mevrouw ons in de eetzaal.
Henriette verscheen er in eene japon van blauwe zijde, die haar niet volkomen zoo goed stond als haar wit négligé. Ik had de eer tusschen haar en mevrouw haar moeder te worden geplaatst. Mijnheer zat over mij, en de kinderen schaarden zich naar goedvinden. Bij het couvert van den oudsten, die trouwens ook al tien jaren telde, stond een karaf wijn zoo goed als bij het mijne. Aan het eind der tafel stond nog een stoel ledig; en toen wij allen gezeten waren, kwam er een kleine, magere vrouw binnen, nog veel bruiner dan mevrouw Kegge. Zij kon omstreeks zestig jaren oud zijn, als eenige te voorschijn komende grijze haren deden vermoeden; valsch haar droeg zij niet. Zij was in het zwart gekleed, maar droeg een omgespelden neusdoek van hoogroode oostindische zijde. Achter haar ging een schoone lange-hond, die zoodra zij plaats genomen had zich bij haar stoel nederzette en zijn kop in haar schoot lei, waar zij hare bruine hand op rusten deed. Er was iets indrukmakends in deze verschijning, schoon niemand acht op de binnenkomende sloeg. Men noemde haar grootmama; doch ik twijfelde soms of dit niet maar een naam was, haar in scherts gegeven. Zij zelve sprak weinig en eenigszins gebroken, maar eenmaal zag ik haar veelbeduidend het hoofd schudden, toen de heer Kegge vertelde “dat hij den koop van dat nieuwe rijtuig maar gesloten had, en dat zij nu voortaan nog makkelijker naar de kerk zou rijden.”
“Ik zou er maar J.A.K. op laten zetten,” zei de oude dame droogjes: “je kunt immers de letters met net zooveel krullen maken als je maar wilt.”
Ik beschrijf u het diné niet, met al zijn opscherpende tomaat- en andere sausen, cayenne, soya, kruiderazijn, atjarbamboe, engelsche pickles en wat dies meer zij; noch zal het wagen u een denkbeeld te geven van den portwijn van den heer Kegge, die hij door een extra-extra gelegenheid had, maar die dan ook zóó was, dat de heer Kegge verklaarde een zeeuwsche rijksdaalder te willen zijn als men hem ooit, als men hem ergens anders dan misschien bij den koning van Engeland, zóó drinken zou. Mevrouw at veel, en Henriette weinig; maar men moet bedenken dat de laatste oneindig meer sprak; ook regelde zij de tafel, en droeg zorg, dat men de gerechten in behoorlijke orde nuttigde, niettegenstaande haar papa zich daar wel eens tegen bezondigde, en dan met een “allemaal gekheid” de fout verschoonde. De hazewindjes van mevrouw waren allerbescheidenlijkst stil, omdat zij ontzag hadden voor den langen-hond der oude dame; maar de kinderen, die “vrij werden opgevoed”, maakten een vreeselijke drukte.
Na den eten bood de zwarte knecht koffie aan, en moest ik een schotsche likeur proeven, die als vuur in de keel was.
De oude dame was na den afloop van het diné terstond opgestaan en vertrokken, gevolgd van haar getrouwen hond. De kinderen waren in de eetzaal gebleven, waar de kleine Hanna de compôte met morellen tot zich trok en daaruit, terwijl het gezelschap scheidde, zichzelve en hare broertjes nog eens bediende, op mama’s vriendelijk verzoek zich aan deze verkwikking niet verder te buiten te gaan, niets antwoordende dan dat het zoo lekker was.
“Je zult niet kwalijk nemen dat ik eens naar de bibliotheek ga,” zei de heer Kegge; “dit is mijn studie-uurtje!” En met een weinig bedwongen geeuw verliet hij de kamer.
Mevrouw zette zich in eene gemakkelijke houding op de sofa neder, wierp een bonten zijden zakdoek over haar hoofd en bereidde zich insgelijks tot de siësta.
De schoone brunette en ik bleven dus zoo goed als alleen in de schemering, slechts verhelderd door de grillige vlammen van het lustig brandend kolenvuur. Zij zette zich in een vensterbank neder en betuigde er zich in te verheugen, dat zij na den eten aangenaam gezelschap had.
Dit was allerliefst; maar ik merkte aan, dat een eenzaam schemeruurtje ook zijn waarde heeft.
Zij hield er niet van. Zij hield van veel licht, veel discours, veel menschen; “en helaas”, voegde zij er bij, “er is hier volstrekt geen conversatie.”
Ik verwonderde mij over het verschijnsel van een stad met zoo veel duizend inwoners, zonder eenige conversatie.
“Ach,” antwoordde Henriette: “men moet denken, de menschen zijn hier verschrikkelijk stijf; het zijn allemaal coterieën, waar men niemand in opneemt. Daar zijn nog wel families genoeg, die gaarne met ons zouden omgaan, maar … die conveniëeren ons weer minder.”
Ik begreep zulk een toestand volkomen. Er zijn in iedere stad huisgezinnen, die volstrekt niet georiënteerd zijn in hunne eigenlijke plaats en stand; familiën zonder familie, die den neus optrekken voor den eenvoudigen, den deftigen burger, wiens vader en grootvader ook eenvoudige en deftige burgers waren, maar verbaasd staan, dat de eerste kringen hen niet met open armen ontvangen. Lieve menschen! van waar komt u deze laatdunkendheid? Moeten dan, mevrouw, omdat uw echtgenoot een ambt bekleedt dat hem tot het waterpas van zes, zeven groote heeren in de stad opvoert, de zes, zeven vrouwen dier groote heeren terstond vergeten, dat uw geboorte burgerlijk, uw afkomst burgerlijk, uw toon burgerlijk is? Of bevreemdt het u, rijke koopmansgade! dat de hoogste kringen niet tot u zijn toegenaderd, naarmate uw echtvriend langzamerhand een grooter huis is gaan bewonen, zijne bedienden in liverei heeft gestoken, meer paarden en misschien wel een heerlijkheid heeft gekocht? Moet dan, mejuffrouw! omdat uw vader met ettelijke tonnen gouds uit Oost of West terugkwam, en den achtbaarsten patriciër, den besten edelman naar de oogen steekt door uiterlijke praalvertooning, die achtbare patriciër, die doorluchtige edelman al de uwen terstond de hand reiken, en u tot gade voor zijnen zoon begeeren? Weet gij dan niet, dat indien de kringen, welke gij zoo verlangend zijt binnen te treden, zich voor u openden, gij in gestadigen angst zoudt verkeeren voor eene toespeling op uws vaders afkomst, eene hatelijkheid op uw aangewaaiden rang? Zou het niet veel beter zijn, indien gij u rustig aansloot aan den stand waartoe gij behoort, die even goed is als een hoogere, en waarin gij zoudt worden geëerd en ontzien? Moest gij niet veel liever de eerste onder de burgers dan de laatste, de bij gedoogen toegelatene, onder de grooten zijn? Waarlijk, ik begrijp hunne terughoudendheid beter dan uwe eerzucht. Zij zijn volkomen tevreden met het verkeer onder huns gelijken; zij schromen avances te doen, die hun naderhand zouden kunnen berouwen; de mevrouwen vreezen, dat zij nu en dan voor elkander over hare nieuwe kennissen zouden hebben te blozen, indien zij u en amitié namen, en gij verriedt eens uw nieuwelingschap of volkomen misplaatst zijn in de kaste, waarin gij waart toegelaten zonder in hare geheimenissen te zijn ingeleid!… Of, korter nog; zij zien niet in, waarom zij juist u in haren omgang zouden opnemen.—Maar gijzelve, die gedurig op uw teenen staat om in haar vensters te kijken en het af te zien hoe zij haar huis stoffeeren, haar disch arrangeeren en hare bedienden dresseeren; gij, die haar plaagt, en tart door uw toilet kostbaarder te maken dan het hare, die er beurtelings de nabootsing, de parodie, en de charge van uitstalt; die terwijl gij over den onchristelijken hoogmoed der groote dames klaagt, die de deur sluiten voor eene familie, die niet tot haren stand behoort, uw eigen deur op het nachtslot gooit voor familiën, die wèl tot uwen stand behooren: ik weet niet hoe het komt, dat gij deze dwaze eerzucht niet lang hebt afgeschud. Een ordinaris kip is zoo goed als, en misschien beter dan een fazantehen, maar ze behoort daarom niet in het hok der goudlakenschen. Zoo zij dan den kippenloop veracht, mag zij alleen gaan zitten onder dezen of genen sparreboom, en pikken zich in de veeren, en aan de voorbij zwemmende eenden wijsmaken, dat haar nicht in den tienden graad ook een fazantehen is. Maar de kippen in den loop hebben samen ruim zoo veel genoegen als zij in haar eenigheid, achten elkander, bewonderen elkanders eieren, en kakelen en klokken dat het een lust is. Doch voor u heb ik eene andere vergelijking. Gij zijt vledermuizen, bij de vogelen niet gezien, en de muizen verachtende, die geen ander genoegen hebben dan in het schemeruur wat vertooning te maken met een soort van vleugelen, die haar waarlijk staan of ze haar niet toekomen.
Het bleek mij in dit schemeruur, dat de schoone Henriette zich met deze ongelukkige eerzucht pijnigde. Mevrouw kende ik nog niet; maar mijnheer, schoon alles bruskeerende, wat groot en hoog was, sprak mij veel te veel van adellijke heeren en groote hanzen, dan dat ik hem niet van eene heimelijke jaloezie verdacht zou hebben. In zijn trotsch belijden “zoo je wilt, een parvenu te zijn” was misschien even veel spijt als oprechtheid.
In den loop van ons gesprek verhaalde Henriette mij wonderen van het huis en de paarden en de slaven, die de familie in de West had; een slaaf voor den zakdoek, een slaaf voor den waaier, een slaaf voor het kerkboek, een slaaf voor den flacon! Zij kwam ook op haar kostschool, en klaagde over de nare madame, die door al de meisjes gehaat was, en verhief hemelhoog de allerliefste Clementine zus en zoo, haar beste vriendin, waarmee zij “in alles sympatiseerde”.
Zij had eene “onbegrijpelijken zin” om in Den Haag te wonen, of een reis door Zwitserland te doen; bij welke gelegenheid zij liefhebberij toonde om al die bergen te bestijgen, welke gewoonlijk niet door dames bestegen worden. Zij vond het onuitstaanbaar dat de menschen hier over het gordijntje gluurden als zij een dame te paard zagen, en dat men zich nooit in deze stad met een heer in ’t publiek kon vertoonen of er werd gezegd dat men verloofd was; een grieve, welke ik door alle mogelijke dames tegen alle mogelijke steden heb hooren inbrengen, maar waarvan ik het ijselijke zoo ijselijk niet inzie.
Een juffertje en een mijnheer.
Terwijl wij nog zaten te schemeren ging de deur open, en door twee of drie van de kinderen werd eene vrouwelijke gestalte meer binnengegooid dan ingeleid, onder het gejuich van “Saartje met een mof! Saartje met een mof!”
Een diepe zucht rees op uit den schoonen boezem van Henriette.
De gestalte, uit het licht in den donker komende, kon waarschijnlijk geen hand voor oogen zien, en bleef in de deur staan; de kinderen trokken weder af, en wij hoorden hen in den gang voortjuichen: “Saartje met een mof! Saartje met een mof!”
“Kind!” zei Henriette tot de binnengekomene: “Wat kom je ontzaglijk vroeg; mama slaapt nog.”
“Wat zegje, Harriot?” riep mevrouw met een schorre stem, wakker wordende: “Wat wilje kind? is er iets? hebje nog geen licht op?”
“Nicht Saartje is daar al,” was het antwoord. “De kinderen zeggen;” voegde zij er lachend bij; “de kinderen zeggen, met een mof!”
De gestalte kwam, op het geluid af, naderbij, en vroeg met een heele lieve stem naar de gezondheid van nicht Kegge en nicht Henriette.
“Och!” zei de laatste, “je bent er toch niet ver af; schel reis om het licht, wilje?”
Nichtje gehoorzaamde, en ik verlangde naar de lamp. Het licht kwam binnen, en ik ontwaarde bij zijn schijnsel een jong meisje, misschien van de jaren, maar nog niet van de ontwikkeling van Henriette. Een allerliefste taille, in een zeer simpel winterjaponnetje gekleed, maakte zich los uit de plooien van een bruinen lakenschen mantel; een gegaufreerd kraagje sloot stemmigjes om een allerblanksten hals; en toen zij haar eenvoudig kastoor hoedje afzette, vertoonde zich, onder een schat van los neerhangende blonde krullen, een allerinnemendst zacht en liefelijk gelaat. Zij bloosde op het onverwacht gezicht van een persoon meer dan zij vermoed had. Ik haastte mij haar van hoed en mantel te ontlasten, en ook van de mof, in wier gezelschap zij was aangekondigd. Zij bloosde nog sterker over deze gedienstigheid en wilde zich die volstrekt niet laten welgevallen.
Henriette nam de mof in de hand. Het was geen alledaagsch, nieuwmodisch handmofje van marter of chinchilla, met lichtblauwe of kersroode zijde gevoerd en nauwelijks groot genoeg voor twee kleine handjes, een zakdoek, een reukflesch, en een visiteboekje; maar een degelijke, ruige, ouderwetsche, dikke vette mof, van een fiksche langharige vossenhuid, waarbij een dito halsbekleedsel behoorde, waarmee onze grootmoeders over haar doek naar de kerk gingen en waarin wij daar ter plaatse nu nog een enkele oude keukenmeid zien verschijnen, en dat den naam van sabel draagt.
“Wat een allerliefst mofje!” zei Henriet, met het harde haar over hare zachte wangen strijkende; “wat doe jij nu met een mof, Saartje?”
“’t Is een oud ding,” zei Saartje met een lief lachje: “de kinderen hebben er ook al zoo’n pleizier over gehad. ’t Is nog van mijn grootmoeder, en ik draag het alleen ’s avonds, nicht Henriette! Hoe vaart neef?”
“Papa is heel wel,” antwoordde de schoone. En als om het te bewijzen trad de heer Kegge zelf binnen, vatte Saartje met een fikschen greep om het middel, en gaf haar een zoen dat het klapte.
“Wel Saar! daar doe je wèl aan!” riep hij uit. “Kom je nog reis thee voor ons schenken? Wat zeg je van dien mijnheer, dien we hebben opgedaan? Pas maar op hoor, het is een meisjesgek.”
Dit zijn van die malle gezegden, waarop de patiënt niet veel anders doen kan dan pijnlijk glimlachen.
“En wat hoor ik van je mof? Rob zegt dat je een mof hebt. Laat reis kijken. Die is nog van je moeder, Saar! Lieve schepsel! ik ben een citroen als dat niet precies het haar is van een wild varken. Hoor reis, je zult voor je Sinter Klaas een betere mof van mij hebben.”
“Och neen, neef Kegge!” zei het lieve meisje verlegen; “ik zou haar toch niet anders dan ’s avonds dragen.”
“En waarom niet, als ik ze je geef?”
“Omdat het me … niet past, neef Kegge.”
“Niet passen? allemaal gekheid! wat droes, als ik ze betaal?”
“Toch niet, neef Kegge! heusch, ik had het liever niet,—ik mag geen bont dragen,—en ik ben er ook nog veel te jong voor.”
“Allemaal gekheid! wat doen de jaren tot een stuk beestenhaar? ’t Is immers voor de kou, krullebol! Nu, let maar op, met Sinter Klaas; en hou nu je moeders vel maar uit de tanden van Azor en Mimi.”
Deze laatste aardigheid deed den heer Kegge machtig genoeglijk aan, en wij zetten ons tot de thee. Dat het servies van zilver en de kopjes van blauw porselein waren, behoeft niet te worden opgemerkt. De lezer weet nu te wel hoe het huishouden van de rijke familie Kegge gemonteerd was, om van eenige pracht ter wereld meer verwonderd te staan, en het verveelt mij er hem langer opmerkzaam op te maken. Die er behagen in schept moois van dien aard met bewondering en ingenomenheid beschreven te zien, leze de novellen van Q. en Z. Men zou zeggen dat die heeren zelf belust werden op de schoone mirakelen, die zij beschrijven.
Toen de thee was afgeloopen en de pendule bijna op acht uren stond, liet de heer Kegge zich een met zwart zeehond gevoerden overjas van poolsch maaksel geven. Het was nog niet koud genoeg voor de pels, zeide hij. Hij stak daarna op, hetgeen hij met een kieschen term een stinkstok noemde, en ging uit, om alweer een noodige commissie te doen.
Niet lang daarna kwam er in zijne plaats een heer binnen van een zeven- of achtentwintig jaren, naar ik berekende. Het was een welgemaakt, rijzig man, met een gelaat, waarvan de snede heel goed, maar dat voor het overige zeer vervallen was. Hij droeg het haar eenigszins lang, zeer scheef gescheiden, en aan den breedsten kant gefriseerd. Grijze oogen schoten hunne doffe stralen uit diepe spelonken, want de jukbeenderen waren zeer sterk geteekend, en om zijne lippen speelde een glimlach, die kennelijk geen andere bestemming had, dan om een zeer blank en regelmatig gebit te doen te voorschijn komen. Deze persoon was gedost in een zeer nauwen groenen rok met zeer kleine vergulde knoopjes en zeer nauwe en korte mouwtjes, een zeer wijden zwarten pantalon, met zeer spits toeloopende pijpen, en een gebrocheerd zijden vest. Een zwartsatijnen strop, in welks slippen een zeer lange, zeer dunne gouden doekspeld stak, met een klein goud snoertje daaraan vast, stroo-gele handschoenen en zeer puntige laarzen voltooiden zijn kleedij. Nog slingerde er een gouden halsketting, saamgesteld uit lange magere schakels, over zijn vest, en wees der verbeelding den weg naar een zeer dun goud horloge à cylindre, terwijl aan een bijna onzichtbaar elastiek koordje een klein vierkant lorgnet bengelde, dat geschikt was om zonder hand of vinger aan te raken, in den winkel van het oog te blijven staan.
Toen deze heer binnenkwam, ging hij eerst de kamer door, volstrekt in dezelfde houding alsof hij moederziel alleen ware geweest en zonder ter linker of ter rechter zijde iets te willen opmerken; men zou gezegd hebben in eene blinde opgewondenheid. Toen hij tot mevrouw Kegge genaderd was, stond hij stokstil en liet zijn hoofd op de borst vallen als eene geknakte bieze; vervolgens ging hij op Henriette af, en herhaalde dezelfde beweging met al de bevalligheid van een automaat; eindelijk bracht hij ze ten derdemale ten uitvoer voor de vereenigde personages van Saartjen en mij.
Henriette stelde ons aan elkander voor, als mijnheer Van der Hoogen en mijnheer Hildebrand.
Mijnheer Van der Hoogen plaatste zich vervolgens op den hem aangeboden stoel, bracht den duim van zijne rechterband ter hoogte van zijn rechterschouder, en stak hem door het armsgat van het gebrocheerde vestje, zoodat zijne taille fine allerschitterendst uitkwam. Daarop begon hij met een krakende stem tot mevrouw:
“En hoe maken het Azor en Mimi? Charmante hondjes. Gisteren dineerde ik bij den heer Van Nagel; nu, u weet wel dat freule Constance ook een aardig hondje heeft ….”
“Ik weet het heel goed; het is een King Richard,” zei Henriette, “een allerliefst dier.”
“Niet waar? allerliefst en allercharmantst; maar toch het haalt niet bij Azor en Mimi.”
“Zou je dat waarlijk denken?” vroeg mevrouw, met zichtbaar welgevallen.
“o Mevrouw!” antwoordde de heer Van der Hoogen, geheel opgewondenheid: “het scheelt hemel en aarde. Ik kon ook niet nalaten het te zeggen. Freule Constance! zei ik, uw hondje is charmant; maar de hondjes van mevrouw Kegge zijn charmanter.”
Ik had nog zoo veel bewijs van leven op het gelaat van mevrouw Kegge niet gezien; met een soort van geestdrift stak zij Azor en Mimi, die bij haar op een tabouret lagen, ieder een klompje suiker toe, en streelde hen dat hunne koppen blonken als spiegels.
De heer Van der Hoogen richtte zich daarop tot Henriette.
“Ik kan u zeggen, juffrouw Henriette, dat de freule Constance jaloersch is van uw maraboe’s; zij heeft u er laatst mee in de kerk gezien. Gisteren zei ze: Van der Hoogen, je kent immers de familie Kegge? Ik antwoordde dat ik de eer had er gepresenteerd te zijn. Nu, zei ze, ik kan je zeggen: ik ben ziek naar de maraboe’s van de freule. Het zijn allercharmantste maraboe’s; daarop volgde een heel gesprek over u.”
“Waarlijk?” vroeg Henriette: hare oogen ongeloovig tot hem opslaande. “Foei, Van der Hoogen! je houdt me een beetje voor den gek.”
“Dat is ondeugend van je,” antwoordde Van der Hoogen, als zij glimlachende. “Hoor je ’t, mevrouw? Foei, foei, welke zwarte soupçons!” Daarop trok hij zijn gezicht in een ernstige plooi en vervolgde: “Waarlijk, juffrouw Henriette, het is jammer, heel jammer, dat je die menschen niet ziet. Het is een charmant huis. De freule Constance is waarlijk allercharmantst.”
“Ik weet niet, Van der Hoogen! maar ik geloof stellig dat er iets bestaat tusschen u en die freule Constance!” merkte Henriette aan. En zij lichtte haar kleinen wijsvinger op, en zag hem met alle mogelijke coquetterie in de oogen.
De heer Van der Hoogen had er, wed ik, zijn mooie handschoenen voor willen verbeuren, indien hij had kunnen blozen. Maar zijn blos was—wie weet waar?
“Al weer foei!” hernam hij, “dat is nu toch niet edelmoedig, juffrouw Henriette!” En hij lei de hand zeer gemoedelijk op zijn gebrocheerd vest; “ik verklaar u op mijn woord van eer, dat al wat men daar misschien van fluistert—onwaar is.”
Hij liet een korte geheimzinnige pauze volgen; daarna ging hij voort:
“Ik mag de freule Constance heel gaarne; zij is waarlijk allercharmantst; maar … ik heb geen plans, in ’t geheel geen plans. En wilje weten waarom zij mij juist gisteren zoo beviel?”
“Welnu?”
“Omdat zij zich zoo aan u intéresseerde.” En hij sloeg de oogen liefelijk neder.
“Inderdaad, ondeugd?” plaagde Henriette; “je zoudt me waarlijk nieuwsgierig maken, indien ik het worden kon!”
“Zij vond uw voorkomen zoo bijzonder lief en intéressant,” zei Van der Hoogen, “en ze had zóó veel van uw spelen gehoord.” En zich tot mevrouw Kegge keerende: “Lieve mevrouw! vereenig u toch met al wat in de stad smaak heeft, om uw dochter te bewegen haar woord te houden.”
“Dat behoeft niet meer!” zei Henriette glimlachende: “alles is bepaald: ik speel vrijdag.”
“Charmant, charmant, allercharmantst. Dat zal freule Constance verrukken. Dat zal een sensatie in de stad geven. Een groot stuk, hoop ik ….”
“Ik ben nog niet gedécideerd,” antwoordde Henriette: “wil de heer Van der Hoogen mij eens helpen kiezen? Zullen wij de piano eens openmaken?”
“Gaarne, dolgaarne.”
“Maar gij moet reflecties maken.”
“Onmogelijk! onmogelijk!” riep Van der Hoogen. Daarop sprong hij van zijn stoel, bracht zijn hoed in een hoek van de kamer, waar hij hem zoo voorzichtig nederlegde, alsof hij een uitgeblazen eierschaal geweest was, ontblootte zijn sneeuwwitte handjes en nagels coupés à l’anglaise, en hielp Henriette de muziek uitzoeken.
Onderdies fluisterde hij half hoorbaar: “Dat juffertje De Groot heeft toch een allercharmantst gezichtje!”
“Wat onbeduidend,” antwoordde Henriette.
“Niet waar? dat is de eenige fout,” sprak Van der Hoogen.
“Saartje,” hernam Henriette, “het is goed dat ik er om denk. Grootmama heeft wel zeer verzocht of je haar een beetje gezelschap zoudt willen houden.”
“Graag, nicht Henriette!” antwoordde Saartje; “ik ga terstond.”
Ongaarne zag ik de lieve blauwe oogen vertrekken.
Henriette begon te spelen, en de heer Van der Hoogen sloeg de bladen om; maar ik merkte op dat hij er somtijds zoo lang mee talmde, dat Henriette, bevreesd dat hij het niet bij tijds doen zoude, zelve hare hand uitstak, waarop hij zich dan haastte die hand te ontmoeten en een allerliefst excuus te fluisteren, of te glimlachen. Over ’t geheel was de houding der jongelieden voor de piano zeer vertrouwelijk.
Intusschen zaten aan een klein tafeltje de jonge heeren Rob en Adam écarté te spelen om een kwartje, en verminkte kleine Hanna (want deze drie kinderen schenen op te blijven) de platen van een kostbaar boek tot mislukte knipsels.
Ik had nu geen andere conversatie dan mevrouw, die mij vooreerst ophelderde dat de gebeurtenis, die “al wat in de stad smaak had verrukken zou,” geen andere was, dan dat Henriette aanstaanden vrijdag op het damesconcert een obligaat op de piano zou uitvoeren. De heer Van der Hoogen had haar zoo lang gebeden, en de directie van het concert had er mijnheer Kegge zoo zeer om lastig gevallen, en Henriette speelde ook zoo uitmuntend, dat men niet langer had kunnen weigeren! Na deze mededeeling begon ons gesprek te kwijnen, en wist ik niets beters te doen, dan haar af te vragen hoe ’t haar in Holland beviel. Zij klaagde daarop steen en been. Het scheen hier te lande koud en nat te zijn; de menschen waren hier stijf en gierig, en altijd bij hun kinderen; de kinderen hadden zooveel kleeren aan ’t lijf; en de huizen waren zoo tochtig! Maar zij zelve was gelukkig altijd gezond, en de kinderen en Kegge ook, en ook de hondjes.
De heer Kegge kwam thuis en vertelde zooveel nieuws, dat het blijkbaar was dat hij naar de sociëteit was geweest. Er kwam wijn binnen voor de dames, en er werd grog gemaakt voor de heeren. De heer Kegge voegde zich bij de piano. Saartje kwam weder beneden en vertelde dat de oude mevrouw lust had om naar bed te gaan. Ik hield mij daarop met haar bezig door te zamen de platen te bezien eener prachtuitgaaf van Lafontaine. Zij wist zoo goed welke fabel door iedere plaat werd voorgesteld, en sprak het Fransch zoo wel uit, dat ik duidelijk bemerkte dat dit eenvoudig burgerdochtertje, dat geen bont mocht dragen, eene zeer goede opvoeding had gehad, en misschien ruim zoo goed geprofiteerd had, als ik van de schoone brunette en haar tweejarig pensionaat verwachten durfde.
Er werd nog een heele poos muziek gemaakt, en mevrouw Kegge sluimerde met haar hondjes in. Zij werd niet wakker voordat de charmante heer Van der Hoogen weder op haar was toegeloopen, zijn hoofd op de borst had laten vallen, en betuigd dat hij, heer Van der Hoogen, de eer had haar dienaar te wezen.
Hij maakte dezelfde plichtpleging voor de jonge dames, en begon nu aan den heer Kegge.
“A propos”—zeide hij—“goed dat ik er om denk. Er presenteert zich eerstdaags eene charmante gelegenheid om iets naar de West te verzenden. Een jong mensch aan een der bureaux zal zich waarschijnlijk décideeren er heen te gaan. Hier geen vooruitzichten voor iemand zonder familie; misschien daar nog een plaatsje als blankofficier; honorable betrekking!”
“Vooral tegenwoordig!” merkte de heer Kegge aan, “schoon’t bij ons beter is dan in Suriname. Daar zijn de blankofficiers geheel in verachting. Maar ’t is dwaas; want zoo in Suriname als in Demerary zijn de meeste directeurs het zelf geweest.”
Henriette werd vuurrood op deze uitspraak. Welke gevolgtrekkingen kon de charmante heer Van der Hoogen niet uit zulk een bekentenis opmaken! Maar de charmante heer Van der Hoogen dacht misschien aan zijn eigen vader die, zoo als ik naderhand vernam, een logementhouder te Amsterdam was, en met wien hij dien ten gevolge niets meer had uit te staan dan dat hij nu en dan een wissel op hem trok.
Vaderangsten en kinderliefde.
Wie Hildebrand te logeeren vraagt, krijgt, durf ik zeggen, geen al te lastigen gast in hem; maar op één ding is hij zeer gesteld. Hij moet niet alleen een afgeschoten hoekje hebben waar hij slaapt, maar ook een afgeschoten hoekje waar hij alleen kan zitten; een plaatsje van ontwijk, al is dat dan ook nog zoo klein, waar hij zichzelven kan toebehooren en, ongestoord en onbespied, gedurende een zeker gedeelte van den dag doen wat hij wil; en als het winter is, valt dat bij sommige menschen moeielijk; want dan kan op de eene kamer niet gestookt worden om de valwinden, en op de andere geen vuur aangemaakt omdat het er zoo rookt en, schoon hij zich vrij wat koude getroosten kan, “in de kou mag hij volstrekt niet gaan zitten.” Ondertusschen is het een schrikkelijk ding tusschen het ontbijt en het koffieuur, te zitten hangen in de huiskamer, eerst in gezelschap van de dames in négligé; daarna in gezelschap van een dienstbode, die u verzoekt uw boek op te lichten om “eventjes de tafel te wrijven,” vervolgens met in ’t geheel geen gezelschap, en eindelijk weer in gezelschap van iemand, die een brief gaat zitten schrijven, en dan, af en aan, eene flauwe, slaperige en rekkerige conversatie. Neen! de conversable dag begint niet voor één ure. Aan het ontbijt voegt de bijbel en de stilte, en na den ontbijt, eenzaamheid en bezigheid; met de koffie krijgt eerst de gezelligheid hare rechten, en ik heb geen eerbied voor den man, die eene anecdote vertelt of een geestigheid zegt vóór dat de klok van éénen koud is.
Ik was tot één ure op de bibliotheek gebleven, waar ik mij recht op mijn gemak genesteld had, en mij onledig gehouden, niet met mij op eene fatsoenlijke wijze te vervelen door, zonder bepaald iets te willen doen, nu het eene dan het andere boek uit de kast te halen, in te zien, en weer op zijn plaats te stellen, maar door een klein werkjen op te zetten, waartoe ik de materialen had meegebracht, een werkje daar ik alle oogenblikken van scheiden kon, maar daar ik ook genoeg aan had om met belangstelling in bezig te zijn.
Ik kwam beneden en werd door mijn gastheer als “den geleerde” begroet, “die den heelen ochtend met den neus in de boeken had gezeten; allemaal gekheid. Hij was een dromedaris als hij er niet bij in slaap zou zijn gevallen.”
Henriette kwam binnen. Zij zag er buitengewoon vroolijk en opgewekt uit, en hield in de eene hand een violetkleurig biljet, dat zij pas scheen te hebben ontvangen.
“Kind!” riep de heer Kegge haar toe, “vanavond ga je uit, hoor!”
“En waarheen, papa?” vroeg Henriette.
“Naar neef De Groot, hart! Op vergulden.”
“Op wat?” vroeg Henriette, wier aangezicht betrok.
“Op koekplakken!” zei haar vader, “Sakkerloot, ik heb het in mijn jeugd ook gedaan. Vrijers, vrijsters, varkens, ledikanten, Adam en Eva, schepen, al den boel! “Weetje niet dat het haast Sinter Klaas is?”
“Ik koekplakken, papa, bij de De Grooten!—Ik kan het niet; ik bedank er voor. Neen, daar bedank ik nu voor,” zei Henriette op een welberaden toon, “ik doe het niet.”
“Ja maar, lieve meid,” zei de heer Kegge, “ik heb het voor je aangenomen; hoor; je kunt er niet af; ’t is een heele damespartij.”
“En wat voor dames zouden er bij de De Grooten komen?” vroeg de schoone smalend.
“Weet ik het, juffrouw Henriette?” zei de vader, op een kluchtige wijze het mutsje afnemende, dat hij droeg uit aanmerking van het hiaat in zijne lokken, ofschoon met zichtbare verlegenheid. “Ik ben een kievit als ik het weet. Je neef heeft er me verscheiden opgenoemd; juffrouw Riet, juffrouw Dekker, juffer dit en dat; hij zegt dat het heele ordentelijke juffrouwen zijn.”
“En waarom heeft Saartje mij dan gisteren niet verzocht?”
“Omdat zij het vergeten heeft, zegt ze.”
“Omdat ze niet gedurfd heeft,” verbeterde Henriette, rood van verontwaardiging.
“Henriette-hef!” vleide papa, “ik had graag dat je wèl waart met de De Grooten. Toen we hier vreemd aankwamen, hebben ze ons duizend diensten bewezen. Neef heeft dit huis voor ons gehuurd en alles; hij is een eerlijk man; kan hij ’t helpen dat hij geen adellijk heer of groote hans is, dat hij geen glacé handschoentjes draagt als onze vriend Van der Hoogen? Ik heb het aangenomen; je zult er immers heengaan? Ik wil dat je er heengaat.”
“Het is wèl; ik zal er heengaan,” antwoordde Henriette, bleek van drift; “maar als ik vrijdag slecht speel, is het uw schuld.”
“Voor mijn rekening, kind! Maar, van vrijdag gesproken! Misschien bevalt je dat óók niet; ik heb neef De Groot een introductiekaartje beloofd.”
“’t Is goed,” zei Henriette, haar spijt verbijtende.
“Van wien is dat paarse briefje?”
“Ik heb het met muziek gekregen.”
“Nu, kind! van avond vergulden, hoor! Hildebrand mag je komen halen als hij pleizier heeft; en dan moet hij wat vroeg gaan, dan kan hij nog reis mee trekken om ’t langste brok. ’t Zijn waarlijk goeie menschen, Hildebrand! heel ordentelijk. Je hebt gisteren Saartje gezien. Henriet”—vervolgde hij, met de oogen pinkende—“Henriet mocht willen dat zij er zoo uitzag!”
Henriet beefde.
“Maar zij heeft óók wel mooie zwarte oogen,” zei haar papa, en gaf haar een kus. “Harriot, my dear, je moet niet boos zijn.”
Harriot, his dear, draaide het hoofd af.
De vader was verlegen.
“Het is goed weer,” hernam hij: “best weer! ik heb de schimmels voor de barouchette laten zetten; ik wil een toertje maken met mijn logé. Ga je mee, Harriot?”
“Ik heb te schrijven en muziek te copiëeren,” antwoordde zij, een slotportefeuille openslaande, en er een blaadje bathpapier uitkrijgende, dat zij oogenblikkelijk met veel ijver ging zitten vullen.
“Nu, dan gaan wij alleen; voor mama is het te koud.”
Er volgde een poosje stilte.
“Is uw toilet voor vrijdag al in orde, Harriot?” vroeg de heer Kegge.
“Ik weet niet,” zei Harriot.
“Moet er niets nieuws zijn, een ferronière, of zoo wat?”
“Neen, papa.”
De schimmels waren vóór; Henriette bleef pruilen. Wij namen afscheid en stegen in de barouchette.
“Henriette was boos,” zei de vader, toen wij gezeten waren. “Ja, die dametjes! je moet ze ontzien, vrind! En Henriet heeft veel karakter.”
Wij toerden eerst door de voornaamste straten der stad, en lieten de vensters der respectieve bewoners dreunen. Mijnheer Kegge beweerde dat men hard moest rijden, want dat men anders geen ontzag onder de voetgangers krijgen kon. Ik kon dan ook het woord “ongepermitteerd” duidelijk lezen op het gelaat van verscheidene Joden, die de stad met kruiwagens doorkruisten, en van oude vrouwen die van de vischmarkt kwamen en op dezen of genen hoek niet gauw genoeg uit den weg konden komen. Ook zag ik deftige heeren met rottingen onder den arm die, niettegenstaande de straat breed genoeg was, het veiliger achtten hunne wandeling te staken, totdat het rijtuig zou zijn voorbijgegaan, en kindermeiden die, twintig huizen vóór ons uit, “verschoten” en de aan haar zorg toevertrouwde lievelingen bij de armen naar zich toe sjorden, om der wereld te toonen hoe goed zij voor hen zorgden. In een koffiehuis kwamen, drie of vier heeren, met horizontaal opgeheven pijpen in den mond, over het horretje kijken, en alles toonde ontzag voor de twee schimmels, het mooie rijtuig, den deftigen koetsier, en den zwarten lakei achterop, die met onbewegelijke plechtigheid zat rond te kijken en iedereen eerbied inboezemde, behalve den boven alle vooroordeelen verheven straatjongen, die hem nariep: “Mooie jongen, pas op, hoor! dat de zon je niet verbrandt!”
Alle deze bewijzen van opmerkzaamheid en belangstelling in zijn persoon en bezitting schenen ditmaal noch de hoovaardij van den heer Kegge te prikkelen, noch zijne vroolijkheid gaande te maken.
Wij reden de poort uit en den straatweg op, en deden een mooien keer door de boschrijke streek. Het was een heerlijke najaarsdag. Het had in dien herfst weinig geregend en nog in het geheel niet gestormd. De boomen pronkten dus nog met een goed gedeelte van hun bladerkroon. Heerlijk blonken de goudgele en bloedroode tinten van iepen en beuken in het rosse zonlicht. Hier en daar breidde een eik daartusschen zijn gelende takken uit, nog steeds groen aan den top; en het donkergroen van een partij dennen beschaamde van tijd tot tijd, met somberen ernst, de overige zonen van het woud, die nu nog zoo trotsch schenen op verdorde pracht, en weldra naakt en arm den winter zouden tegemoet gaan.
Maar noch de schoone natuur, noch de heldere zon, noch de frissche najaarslucht vermochten de wolk van het voorhoofd van den heer Kegge te verdrijven. Ik trachtte het gesprek levendig te houden en zijne gedachten over allerlei onderwerpen te verdeelen, maar telkens bleek het mij duidelijk dat zij over de verstoordheid van zijne beminde dochter liepen.
De schimmels waren ongemeen vurig en liepen uitmuntend, en de koetsier maakte den heer Kegge herhaalde malen opmerkzaam dat de bijdehandsche nu toch alle kuren had afgelegd. Het scheen alsof de heer Kegge er geen gevoel voor had; hij dacht aan de kuren van Henriet.
De koetsier slaagde er in, na een lange worsteling, een “grooten hans en adellijken heer” voorbij te rijden; maar de heer Kegge wreef zich de handen niet met dat genoegen, waarmee ik mij overtuigd hield dat hij het gisteren zou gedaan hebben. Zijn geest was gedrukt. Wel poogde hij den last nu en dan van zich af te werpen, of zich dien te ontveinzen, door van tijd tot tijd koddig of ruw uit te vallen, maar daarna geraakte hij op nieuw in de stilte. Hij was de man van gisteren niet. Die barre mijnheer Kegge, zoo onafhankelijk, zoo luidruchtig, zoo opbruisend, en voor geen kleintje vervaard, was kleinmoedig en benepen van ziele, om den wille van de gril van een zeventienjarig meisje, dat hij liefhad, en vreesde. Mejuffrouw Toussaint, in wie ik niet weet wat het meest te bewonderen, òf de juistheid waarmede zij de verborgenheden van het innerlijk leven opvat, òf de keurigheid en kracht waarmee zij die in hare geschriften schildert, heeft dezen vorm der ouderlijke liefde uitstekend geschetst.
Op den terugkeer gebood de heer Kegge stil te houden voor de deur van een bloemist.
De zwarte palfrenier steeg af en schelde aan. “Is je heer thuis, meisje?”
“Meheer is na Amsterdam.”
“Maar mogelijk is Barend te werk,” riep Kegge uit het rijtuig.
“Ja, meheer! Barend is er. As meheer er maar uit wil komen?”
Wij stegen af, en men bracht ons naar het zoogenaamde bollenhuis, waar Barend zich weldra te midden der bolrekken, houten zaadbakjes en sterke geuren aan ons oog vertoonde.
Barend was de oudste, de meester-knecht van den bloemist, bij wien wij waren afgestapt; een man van een, in zijn stand, allereerwaardigst voorkomen. Hij was niet groot van gestalte, en droeg een blauw wambuis van een antiek snit, een korte broek, grijze kousen en groote vierkante zilveren kuit- en schoengespen; zijn wit voorschoot was in de schuinte opgenomen. Niettegenstaande zijn hooge jaren, droeg hij het hoofd nog vrij rechtop. Dunne witte haren hingen hem langs de slapen; maar zijn gerimpeld gelaat had nog dat gezonde rood, dat denzulken, die hun leven in de open lucht hebben doorgebracht, tot in hun grijsheid bijblijft. Zijne blauwe oogen hadden een vriendelijken glans, en zijn mond was juist genoeg ingevallen om een allerinnemendste plooi te hebben aangenomen.
“Barend!” zei de heer Kegge, “ik moet een mooien ruiker bloemen hebben.”
“Dat zal slecht gaan, meheer Kegge,” antwoordde Barend.
“Voor geld en goede woorden, Barend!” hernam Kegge; “’t kan me niet schelen wat het kost; je weet wel dat ik op geen kleintje zie.”
“Allemaal goed,” zei Barend; “maar je kent de natuur niet dwingen. Dat ’s een anjer; verstaje! ’t Is nou de allerschraalste tijd. Weetje wel dat we al mooi naar korsemis opschieten? Kom zoo vroeg in ’t voorjaar as je wil, meheer Kegge, en ik zel je een handvol gebroeid goed geven, dat je hart er van verdaagt; maar nou is alles gedaan. Der mag nog een enkele kresantemum wezen,—maar ’t is over, meheer Kegge; je kent, zeg ik nog reis, de natuur van een ding niet dwingen. Je kent het wel dwingen; maar dwingen en dwingen is twee; en as je een ding dwingt, dat nou eigenlijk niet gedwongen kan worden, wat heb je dan? Dan plaag je je zelve.”
De heer Kegge brak dezen niet zeer duidelijken woordenstroom van den ouden Barend af, met te zeggen: “Nu nu, Barendje, als je al de kassen reis doorloopt!”
“Hoor reis!” zei Barend, “je mot maar denken dat ik je net zoo graag de heele pot geef, as dat ik er de hartsteng uit mot snijen, want daar zit al de kracht in, weetje. ’En blom, meheer Kegge; dat zeg ik altijd; ’en blom is net as ’en mensch. As ik jou je hart uit je gemoed snij, dan kan je ommers ook niet in ’t leven blijven? Daar zit ’et ’em as ’t ware maar in …. Wat zeg jij, meheer?” voegde hij er bij, zich tot mij richtende.
De heer Kegge wachtte volstrekt niet af wat ik in dezen zeggen zoude. “Maar voor een goud vijfje zal ik toch nog wel wat kunnen hebben?” zei hij ongeduldig.
“Neen, Barend! voor me dochter.”
“Kom an!” hernam hij, “da’s etzelfde; de dames zijn onze beste klanten voor de blommen; maar as we ’t van de blommen hebben mosten!”
“Maar waar drommel moet je ’t anders van hebben?”
“Wel, van de bollen,” zei Barend; “de blommen beteekenen nies. Dat is armoed. Kijk!” ging hij voort, daar hij een potje aanwees dat niet bloeide, maar met een rijkdom van fijne samengestelde bladeren pronkte; “motje zoo’n dingsigheidje niet hebben? Of hebje dat al?”
“Wat is het, Barend?”
“Dat,” zei Barend, “is nou eigenlijk de effetieve mimosa nolus mi tangere!”
“Hou op met je potjes-latijn!” riep Kegge uit; “allemaal gekheid! Hoe heet het in je moers taal, man?”
“Kruidje roer me niet,” antwoordde Barend.
“Dankje hartelijk!” hernam Kegge, zich waarschijnlijk herinnerende dat hij “zoo’n dingsigheidje” al had.
Wij gingen eerst den tuin door, waar nog een enkele maandroos bloeide, die er heel goed uitzag, ofschoon Barend beweerde, dat zij het door de nattigheid toch in het hart weg moest hebben, en zagen vervolgens de kassen, waar hij hier en daar een pelargonium, chrysanthemum, en primula sinensis afsneed, zoodat wij op ’t laatst nog een vrij aanzienlijken ruiker bijeen hadden, terwijl Barend bij iedere bloem zijn kennis en praatziekte had aan den dag gelegd. Toen hij de laatste deur achter zich sloot, liet de heer Kegge zich onvoorzichtig de vraag ontvallen:
“Wel Barend! hoe lang ben jij hier nu al geweest?”
“Vijf en vijftig jaar, meheer! met God en met eere,” was zijn antwoord; “ik word met vrouwendag achtenzestig; en ik ben hier op me dertiende jaar as tuinmansjongen gekommen.”
“Wel man! en je ziet er nog zoo fiksch uit!” merkte ik aan.
“O!” antwoordde Barend; “maar dan most meheer me wijf zien. Die is nou toch ook in der zestigste, maar da’s nog wat anders. Ik heb dertien kinderen bij ’er gehad, en de jongste scheelde met de oudste krek eenentwintig jaar. Nou beurt dat zoo niet meer, maar voor een jaar of tien is ’et mennigmaal gebeurd dat de lui an der vroegen, of ’er vader thuis was.”
“Dat ’s knap!” zei Kegge, “weergaasch knap, hoor Barend. In de Westinjes is dat anders. Daar kan ’t wel beuren dat moeder en dochter maar vijftien jaar schelen; maar de vrouwen zijn er vroeg oud, man.”
Met deze woorden haalde de heer Kegge zijn beurs uit den zak en nam de houding aan van iemand die vertrekken wilde. Maar Barend dacht er anders over, en leunde tegen den muur van de kas met al de gemakkelijkheid van iemand die een lange historie beginnen gaat.
“De heeren hadden men vader motten kennen,” zei Barend, “dat was een vast man. Toen ie stierf was ie omme en bij de negenenzestig jaar, maar hij had zijn volle gebit nog. We woonden toen ter tijd te Uitgeest en hij kwam geloopen van Uitgeest na Alkmaar om de koffie, want we hadden een eigen moei te Alkmaar; en hij ging weer na huis, en hij wist er niks niemendal van.—En was ’t niet om ’en boer—hij was er nog wel.”
“Zóó,” merkte ik aan; “dan zou hij toch nog al aardig oud zijn! vrind!”
“Doet niet!” zei Barend, “doet niet! Dan was ie pas honderd en vijf, en dat had hij makkelijk kennen worden ook. Maar dat mot ik de heeren toch reis vertellen. Hij was bij een boer, Stoetema hiette de boer, an ’t werk; want me vader was een timmerman van zijn ambacht. Wat wil ’t geval. Hij krijgt zoo klakkeloos de koors op ’t lijf. Nou was me vader van zoo’n natuur, dat as ie, met permissie, maar an ’t zweeten kommen kon, dan was ie weer klaar. Jongens, zeit ie tegen zijn kameraads, ik heb een harde koors. Weetje wat, zeiën ze, dan motje wat op de koes gaan leggen. Dat is, zooals de heeren mogelijk wel weten, in den koestal, achter de koeien, de plek waar de knechts, deur den bank, slapen. Maar Stoetema zei: dat kan niet, want we hebben ’t bed pas opgemaakt voor de jongens; dan most me vader maar in den hooiberg gaan. Nou toen moest me vader zoo’n hooge ladder op van ’en veertig sporten. Jongens! dat kostte hem wat ’n moeite voor dat ie boven kwam! Toen maakte hij daar zoo’n kuiltje voor ’m en haalde het hooi over ’m heen, en bleef stil leggen. Maar toen ie een uurtje gelegen had, kwam daar ’t houtschuitje; daar gingen de knechts mee na huis; want het sloeg twaalf uren. Deur die weg riepen ze an me vader: Jan, kom der nou of, daar is ’t schuitje! maar me vader zei: neen, want ik zweet zoo, laat me nou leggen. Maar ze zeiën: jongen, as ’t reis erger wier; je most maar mee gaan. Toen kwam me vader van den hooiberg af; maar kijk, hij zweette dan erg. Toen vroegen ze an Stoetema om koedekken. Maar hij wou ze niet geven; me koedekken motten droog blijven, zeid’ ie. Toen trok de een zen wammes uit, en de ander trok zen wammes uit, en lei dat over me vader; maar het holp niet, want het was te kort. Zoo kwammen ze te Uitgeest, maar het was nog wel ’en anderhalfuur varens. Maar die menschen motten zekerlijk der tijd noodig gehad hebben, want geen een ging er met me vader mee. Maar toen waren zen beenen zoo stijf geworden, dat ie niet gaan kon, maar van hoeken tot kanten viel. Toen motten de lui, die ’m gezien hebben, zekerlijk bij der eigen hebben gedocht, die man is dronken. Maar ziet! met dat ie zóó an de deur kwam, wou ie de knop grijpen ….”
Hier raakte de oude Barend zijn stem, die al zwakker en afgebrokener geworden was, geheel kwijt, en stikte in zijn tranen. Met de linkerhand greep hij zich bij ’t achterhoofd en trok zich bij de dunne haren.
“Kijk!” zei de oude man, met den voet stampende, en met even veel smart en verontwaardiging als of zijn vader gisteren gestorven was, “kijk! as ik an dien boer denk!…”
“Hij wou de knop grijpen,” ging hij bedaarder voort, “maar het ging niet. Drie dagen daarna was ie ’n lijk. Maar was ’t niet om dien boer,” zei hij, andermaal stampvoetende, “hij zou der makkelijk nog kennen wezen.”
De heer Kegge had de tranen in de oogen. Hij tastte in zijn beurs.
“Daar Barend,” zeide hij; “wat er meer is dan een spiergulden is voor jou. Geef me nu den ruiker maar in een groote spanen doos.”
Barend ging de doos halen.
“Die oude heer Barend is in allen gevalle toch niet in de wieg gesmoord,” merkte de heer Kegge aan, met gemaakte vroolijkheid. En zijn oogen afvegende, voegde hij er bij: “een lamentabele historie! Zoo’n ouwe kerel zou je nog akelig maken óók.”
Wij waren al spoedig klaar en weer te huis. Henriette, die ook al berouw over hare verstoordheid had, keek weer vriendelijk; en toen haar vader haar de bloemen gaf, stonden er tranen in haar mooie oogen. Zij was beschaamd.
“Je bent toch een lieve papa,” zei ze, hem kussende, en met haar fraaie hand zijn haren schikkende. “Ik had het niet verdiend,” voegde zij er bij; en zij boog haar hoofd aan zijn hart.
“Geen coupjes!” zei de vader. “Allemaal gekheid! Een mensch moet altijd vroolijk zijn!”
Ik begon tienmaal meer van Henriette te houden. De kaketoe riep:
“Zoete vrouw.”
Wij zaten nog aan het dessert, toen de heer Van der Hoogen, dien ik in mijne gedachten nooit anders dan “den charmanten” noemde, aangediend werd en binnenkwam.
Henriette kleurde vreeselijk.
“Dérangeer je niet, lieve mevrouw; dankje mijnheer Van Kegge. Een zeer ongelegen uur, inderdaad! Mijn boodschap was aan juffrouw Van Kegge; het is alleraffreust; ik ben desperaat!”
Ik zag den heer Van der Hoogen opmerkzaam aan, maar ik merkte niets van die verwilderde haren of strakke blikken, die de dichters mij als het onvermijdelijk vereischte der wanhoop hebben leeren beschouwen. Integendeel; ’s mans lokken zaten, dank zij het uitmuntend plakmiddel, bij de haarbouwkunstenaars als cosmétique bekend, even glad en net als gisteren; de blik zijner oogen was volmaakt kalm; en ook beefde de hand des desperaten heeren Van der Hoogen niet, toen hij die naar een glas port uitstak, dat mijn gastheer voor ZEd. had ingeschonken.
“Ik zal u zeggen;” dus vervolgde hij tot Henriette; “ik kan onmogelijk donderdagavond bij uwe repetitie zijn. Zoo even ontving ik de uitnoodiging tot een groot souper bij den heer Van Lemmer, waar ik niet van tusschen kan, en ’s middags moet ik bij mevrouw D’autré dineeren! Morgen is er, zoo als je weet, soirée bij den generaal. Als je van avond niet kunt, dan ben ik waarlijk radeloos. Maar ik vrees dat je niet zult kunnen ….”
De dochtervreezende vader nam deze gelegenheid waar, om alles wat hij dezen morgen verkorven had geheel weder goed te maken; want indien Henriettes toorn hem bevreesd had gemaakt, hare tranen hadden hem volkomen overtuigd dat hij haar ongelijk had aangedaan. Misschien was hij wel een weinigje bang voor eene nieuwe vredebreuk.
“Nu Henriette,” zei de heer Kegge, het woord schielijk opvattende: “dan zit er niets anders op dan dat je thuisblijft. Je kunt er wel af,—zóó is het niet.”
“Hadje een invitatie? Dat vreesde ik al,” merkte Van der Hoogen aan; “juffrouw Van Kegge is overal zoo gechérisseerd. Neen, neen! als je er iets voor sacrifiëeren moet, doe het dan niet; ik zal ….”
“Neen!” zei de heer Kegge, “ik ben op die repetitie gesteld. Wij wachten u van avond stellig …. Om een uur of zeven, niet waar?”
“Charmant, charmant!” riep de heer Van der Hoogen uit, en wipte van zijn stoel op: “dérangeer u niet; à ce soir!” Hij danste heen.
Ik begreep de beschaamdheid en de tranen van Henriette nog beter dan vóór den eten. Het was alles een opgedicht stukje, en de heer Van der Hoogen vertrok met de zalige overtuiging, der schoone brunette een belangrijken dienst te hebben bewezen. Zij zelve had er berouw van. Ik stond op om hem uit te laten.
“Mijnheer studeert te Leiden, niet waar?” vroeg hij mij in de gang. “Charmante jongelui. Ik heb ook een halfjaar te Leiden geresideerd. Maar ’t is voor ’t overige een miserabele stad. Geen amusementen; de menschen zien elkander niet. Eens in ’t jaar een bal, om hun fatsoen te houden. Criant vervelend. Dérangeer u niet. A ce soir!”
“Het spijt mij dat het zoo treft,” zei Henriette toen ik weder binnenkwam, “maar gij ziet, ik kan nu volstrekt niet gaan.”
“Je moet een briefje schrijven!” zei haar papa.
“Foei neen!” zei Henriette; “geen briefjes aan de De Grooten; dat zijn die menschen niet gewend.”
“Wil ik het voor u af gaan zeggen?” vroeg ik half schertsend.
“Heb ik u niet gezegd, mama! dat mijnheer zin in Saartje heeft?” sprak Henriette lachende; maar daarop nam zij de zaak ernstig; “ik zou haar inderdaad zéér verplichten!”
“Goed,” zei ik, “en als ’t mij bevalt, blijf ik er, in plaats van juffrouw Henriette, hoe slecht de ruil ook wezen moge. Ik heb niets tegen vergulden.”
“Vergulden!” riep de vader uit, geheel verrukking dat de zaak zoo geheel ten genoegen van de dochter geschikt was, “wel, ik kan je zeggen dat ik het nog met pleizier doen zou. Ik wed dat grootmama er nog schik in zou hebben ….”
“Ik hou niet veel van verguld!” sprak de oude dame.
Om te bewijzen dat eenvoudige genoegens ook genoegens zijn; en voorts iets droevigs.
De verguldpartij zou uiterlijk te half zes aanvangen, en tegen dat uur begaf ik mij op weg naar de woning van den koekebakker De Groot of, zooals Henriette altijd zeide, van “de De Grooten”. Zij was vrij verre van het huis van den heer Kegge gelegen, en ik ging op de, voor een stadgenoot waarschijnlijk zeer heldere, maar voor een vreemdeling zeer ingewikkelde aanduidingen van den heer Kegge af.
Plotseling bevond ik mij in eene donkere steeg, aan welker einde een hel licht als uit den grond opkwam, voor welk licht zich eene duistere massa met zekere golving scheen te bewegen. Naarmate ik verder ging, hoorde ik stemmen, die mij toeschenen van jonge knapen te zijn, uit deze massa voortkomen. Geheel genaderd, zag ik een op alle manieren op en over elkander liggenden stapel jongens, die door een kelderraam, waaruit het licht kwam, het oog hadden op de bewegingen van een meester koekebakker en zijne gezellen, die in hunne witte linnen pakjes alzulke schoone wonderen kneedden, duimden, schikten en bakten, als welke Henriette versmaad had verder te volmaken. Ik stond een oogenblik stil en verlustigde mij in de belangstelling dier straatjongens, die waarschijnlijk geen beter aandeel in de genoegens van Sint Nicolaas hebben zouden, dan dat zij de lekkernijen zagen toebereiden, die hun begunstigder broederen gelukkig, of, zooals maltentige menschen beweren, ziek zouden maken.
“Nou, wat weerga, jongen, laat main ook reis kaiken,” zei de een, en ondersteunde zijn begeerte met eene heftige beweging der ellebogen.
“Doppie, Jan! dat is een mooie!” riep een ander, “da’s zeker ’en Jan Klaasen!”
“Ben je mal, jongen?” riep een derde; “’t is ’en waif!”
“Nou as dat ’en waif is,” merkte een vierde aan, “dan mag ik laien dat Piet in de’ kelder valt.” “Hou je ellebogen vóór je, Gerritje; ik waarskou je, hoor!”
“Pas op, Pietje! of je holsblok gaat de bakkerij in.”
“Kaik; ie doet den oven open; is ’t men een vuurtje?”
“Wat doet die dikke nou weer? Hij doet meel an zen knuisten!”
“Wel nou, mot ’et deeg dan an zen vingers blaiven hangen? Jij bent ook een mooie ….”
“Wacht ’en beetje! da’s een kokkerd,—die kost wel ’en daalder, hoor!”
“Hoor je hem? Je zoudt er wel kommen met ’en daalder.”
“’En daalder op je oogen.”
Deze en dergelijke waren de gesprekken van de kunstbeschouwers voor het raam van dit atelier.
Op den hoek van ’t huis hing een groot uithangbord, waarop de bekende geschiedenis van den Zoeten Inval stond afgebeeld, en daar onder “H. P. De Groot. Alle zoorten van koek en kleyngoed.” Ik trad den winkel binnen, en er was zulk een verward geluid van vrouwestemmen in een belendende kamer, die door een glazen deur met een groen horretje daarop uitzag, dat ik duidelijk bemerkte dat de partij aan den gang was, en ik mij nogmaals luidkeels moest aanmelden eer er iemand opdaagde.
De glazen deur ging open, en het mooie Saartje verscheen, met een hooge kleur, als iemand die uit een zeer druk gesprek of uit eene zeer warme kamer komt.
“U alleen, mijnheer Hildebrand?”
“In plaats van uw nichtje Kegge, lieve juffrouw! ik kom haar bij u verontschuldigen.”
“Maar u zal toch binnenkomen?”
“Een oogenblikje.”
Saartje opende de deur op nieuw, om mij in te laten, en ik overzag de schare.
Daar zat, in al de glorie van een bloedkoralen halsketting, bloedkoralen oorbellen, bloedkoralen doekspeld, en zelfs van een ring, met een zeer grooten ronden bloedkoraal aan den vinger, juffrouw Mietje Dekker, de dochter van een deftigen kleedermaker, en aan hare zijde, met een groote doodvlek op haar wang en een koperen gesp als een vierkante zon op haar buik, Keetje de Riet uit den kruidenierswinkel. En daarnaast Pietje Hupstra, wier vader het gewichtig ambt van deurwaarder bekleedde, en die zich verbeeldde dat niets losser en bevalliger stond dan een rozerood tissuutje door een ringetje gehaald. Dan had men er Truitje en Toosje, de twee telgen van den heer Opper, voornaam metselaar, waarvan de eene in ’t openbaar een hoed met steenen bloemen en de andere een dito met houten pluim droeg, maar die in dezen huiselijken kring zich gelukkig gevoelden in het hoofdsiersel, de eene van een blauwe, de andere van een roode céphalide, in de stellige overtuiging dat er op dit ondermaansche geen bevalliger of modieuzer damescoiffure kon bestaan. Voorts het magere Grietje van Buren, die de oudste van de gevraagde partij was en een- of tweeëndertig jaren tellen mocht; zij leefde “in otio cum dignitate” van een kleine lijfrente, haar door eene oude vrijster gemaakt, bij wie zij iets meer dan kamenier en iets minder dan gezelschapsjuffrouw was geweest. Zij droeg een mutsje met een smal kantje, en een toertje aan twee kleine trosjes rozijnen niet ongelijk. Ook zag ik Bartje Blom, wier vader een deftige spekslagerij had, en die zelve een groote, zwarte duimelot aan haar middelsten vinger droeg, omdat zij zich ongelukkig aan gemelden vinger had verwond, bij welke kwetsuur “de kou” gekomen was. Ter afwisseling, Suzette Noiret, dochter eener weduwe, die op een hofje woonde, en van de Fransche gemeente was. Deze had een allerliefst, beschaafd en net besneden uiterlijk, en wedijverde, in het bruin, met het blonde Saartje, waarnaast zij gezeten was. En eindelijk, aan het hooger einde van de tafel, moeder De Groot zelve, een dame van een veertig jaar, in eene zwarte zijden japon gekleed en dragende een muts met eene belangrijke hoeveelheid wit lint opgesierd, die groot en breed genoeg was, en toch ongetwijfeld slechts een schaduw vertoonde van het hoofdtooisel dat zij op den vijfden december dragen zou.
De herhaling van mijn boodschap maakte veel sensatie bij juffrouw De Groot, die gehoopt had met nicht Henriette te pronken; het speet de vergaderde juffers ook recht, zooals zij zeiden, schoon ik mij overtuigd hield, dat het wegblijven van zulk een dame voor menig harer een pak van ’t hart was. Een algemeen gefluister, dat door de dames twee aan twee werd uitgevoerd, volgde, waaruit zich eindelijk de solo van Grietje van Buren ontwikkelde, met de betuiging, “dat het jammer voor juffrouw Kegge was; zoo reis vergulden, dat was altijd nog reis aardig”.
“Ik hoop,” zei juffrouw De Groot, “in de aanstaande week, de kleine neefjes en nichtjes der ook nog reis op te nooden. Dan vraag ik zoo wat klein grut.”
“Maar dan zalje ook zulke effetieve stukken niet laten werken,” merkte juffrouw Van Buren aan, haar penseel indoopende en een lange streep goud op den wimpel van een oorlogschip klevende.
“’t Ziet er wel prettig uit,” zei ik zelf; “ik watertand om het ook reis te doen. Mag ik eens effen van de partij zijn?”
Dit voorstel bracht een schaterend gelach en groote vroolijkheid te weeg, die evenwel nog vermeerderde, toen men zag dat ik het waarlijk meende.
Tot de edele kunst van vergulden, ook wel, met eenen bij alle koekebakkers voor beleedigend gehouden naam “plakken” genoemd, zijn vier dingen noodig, als: de koek die verguld moet worden, het verguldsel zelf, een nat penseel, en dat gedeelte van een hazen- of konijnenvacht, hetwelk jagers de pluim, en gewone menschen den staart noemen, en dat in dit bijzonder geval dient om het opgelegde goud aan te dringen en vast te drukken. Om alles geregeld in zijn werk te doen gaan, zat aan het eene einde van de tafel het lieve Saartje, die de verschillende sinterklaaskoeken uitdeelde, welke de bewerking moesten ondergaan: vrijers, vrijsters, schepen, paradijzen, dagbroers, ruiters, rijtuigen, allen meestal van de eerste grootte; terwijl aan het tegenovergestelde einde moeder De Groot, die ook de thee schonk, boekjes bladgoud in breeder en smaller reepen knipte, om daarvan ieder behoorlijk te voorzien, de tafel met kopjes met water bezaaid was, en elk der genoodigden met een penseel en een konijnepluimpje was uitgerust. Men voorzag ook mij hiervan, en bij ieder materiaal of instrument, dat ik in handen nam, proestte men ’t uit van ’t lachen en ging een kreet van verbazing op.

… en verlustigde mij in de belangstelling dier straatjongens.
“’t Is zonde!” betuigde Mietje Dekker.
“Heb ik van mijn leven?” informeerde Keetje De Riet.
“Die stedenten hebben alevel altijd wat raars,” fluisterde die van de roode céphalide.
“Menheer doet het heusch!” verklaarde die van de blauwe.
“’k Ben benieuwd hoe dat af zal komen,” zei Grietje Van Buren.
“Wat menheer breekt mag menheer opeten, niet waar, juffrouw De Groot?” vroeg Bartje Blom, die het goed met mij scheen te meenen.
Maar Suzette Noiret en Saartje wezen mij terecht en deden ’t mij voor.
Nu moeten mijne lezers, die misschen laag op de schoone kunst van koekvergulden neerzien, niet denken dat de gezegde kunst zoo heel eenvoudig en gemakkelijk is. Ja, een vierduits varken kan een ieder beplakken; een streepje voor den grond, en een ruitje op zijn lijf, dat kan een kind! Maar deftige vrijers en vrijsters van vierëntwintig stuivers netjes te vergulden, tot de plooitjes van den kraag en de ruitjes van den breizak toe; een Eva bij den boom op te sieren, geen enkel appeltje (want het is een appelboom geweest) te vergeten, en de bochten van de slang niet hoekig te maken; een geheel oorlogschip met gouden reepen op te tuigen en de schietgaten netjes af te zetten, zooals juffrouw Van Buren deed, en een koets met paarden, als juffrouw De Riet, die het zweepkoord zoo natuurlijk wist te doen kronkelen of het een gouden kurketrekker was, dat is iets anders. Het is gemakkelijk gezegd: ’t is maar koekvergulden! maar ik verzeker u dat koekvergulden en koekvergulden twee is, en dat er bijvoorbeeld een hemelsbreed onderscheid was tusschen den vrijer, dien Toosje, en den vrijer, dien Truitje had uitgemonsterd, zoodat Toosje zelve moest bekennen dat ze niet wist hoe Truitje die parapluie zoo natuurlijk kreeg; waarop de vrijer van Truitje dan ook rondging, en het geheele gezelschap eenstemmig verklaarde, dat het waarlijk was als of die parapluie leefde.—Ik voor mij kan u als eerlijk man betuigen dat mij; nadat ik eerst mijne krachten aan den zadel van den ruiter, dien juffrouw Noiret onder handen had, beproefd, en mij van haar omtrent de hoofdgeheimen der kunst had laten onderrichten; dat mij, zeg ik, een koude rilling door de leden ging, toen er een groote, majestueuze dagbroer voor mijne eigene onbijgestane verantwoording werd gelegd. Eén ding kan ik niet nalaten hier ten algemeenen nutte op te merken. In het koekvergulden is vooral van het uiterste gewicht de juiste hoeveelheid water, die men op de plaats penseelt, waar men het goud op wil doen kleven; want neemt men die te gering, zoo wil het niet kleven, en doet men het te nat, zoo wordt het verguldsel dof. En wat is er nu aan een doffen dagbroer?
Spoedig was men het er over eens, dat ik het al heel mooi begon te doen; ik hoop niet dat men grootspraak zal achten, wat ik gaarne aan de zachtmoedigheid der critiek toeschrijf; en weldra lette men er niet meer op. Ook werd het gesprek gedurig levendiger. Mietje Dekker met de bloedkoralen, Keetje de Riet, en Pietje Hupstra hadden het heel druk met juffrouw De Groot over “fripante sterfgevallen in de Haarlemmer krant; drie onder mekaar in den bloei van ’t leven, en twee door een ongelukkig toeval”. Voorts spraken zij van “pinnetrante kou, fattegante reizen, en katterale koorsen”. Zij roerden ook het teeder onderwerp van “vomatieven, en opperaties”, en kwamen van lieverlede nog eens op den vinger van Bartje Blom. “Zij moest er toch niet te luchtig over denken.” De een zei, zij moest er den meester bij halen, maar de ander beweerde dat zij er den meester niet bij moest halen; en zulks om de duchtige reden, dat er een meester was geweest, die den duim van den neef van haars zusters man “verknoeid” had. De een wilde haar vinger pappen, omdat de kou er bij was; een ander ried zoete melk aan om er den brand uit te trekken; een derde, kennelijk onder den invloed van den genius der plaats, achtte niets zoo heilzaam als koekebakkersdeeg. En Bartje Blom dacht er over hoe zij deze verschillende raden het best zou vereenigen. Daarop maakte Grietje van Buren zich van den boventoon meester en vertelde het gezelschap wonderen van de gierigheid van de freule Troes, van wie zij hare lijfrente had. “Ik kan je zeggen, mensch, als er zoete appelen zouen gegeten worden, gaf ze der vierentwintig uit, en dan moest de meid de pan binnenbrengen als ze ze geschild had, en dan telde ze na of der—hoeveel is ’t ook weer? viermaal vierentwintig?—als ’t viermaal vijfentwintig was, dan was ’t net honderd; dat ’s vier minder; dat’s zesennegentig;—of der zesennegentig vierdepartjes waren, en als ze dan op tafel kwamen, nog eens.” Waarop die van de blauwe en roode céphalides hare uiterste verbazing te kennen gaven. Bartje Blom vroeg of het waar was, dat de freule enkel zoo rijk was geworden, door in haar jeugd al de spelden en naalden, die zij bij den weg vond, op te rapen en te verzamelen? En ik nam de gelegenheid waar om verscheidene anekdoten van befaamde Engelsche gierigaards te verhalen, die bij al mijne kennissen hadden uitgediend, maar die hier nog eens gaaf opgingen, zoodat men mij zeer aardig begon te vinden, maar tusschenbeiden ook aanmerkte, “dat ik er maar wat van maakte”.
Juffrouw Noiret was niet zeer spraakzaam, en ik bracht haar doorgaande stilheid in verband met een weemoedigen trek om den mond, die mij deed onderstellen dat zij niet gelukkig was.
Saartje was allerliefst en, schoon het geheele gezelschap in beschaving vooruit, ook hier volkomen op haar plaats, en enkel eenvoud. Zij liep gedurig af en aan, om ieder van het noodige te voorzien; maar Grietje van Buren begon haar veelbeteekenende oogen toe te werpen en op eene mysterieuze wijze toe te lachen, waarvan de zin was dat zij haar met mij plaagde, tot groot genoegen van al de anderen. Evenwel kreeg Bartje Blom ook haar beurt, daar men haar laatst, bij het uitgaan van de kerk, zoo vriendelijk had zien groeten tegen een zekeren Kees; maar zij wendde de scherts af, door haar op die van de roode céphalide over te brengen, die laatstleden kermis met denzelfden Kees in ’t paardespel geweest was; en die van de blauwe céphalide werd opgeroepen om te getuigen dat het tusschen haar zuster en Kees, “ja, ja! wel zoo wat koek en ei was, als men zegt”; waarop die van de roode zeide, dat die van de blauwe wel zwijgen mocht; waarop Grietje van Buren aanmerkte, dat ieder zijn beurt kreeg; waarop Bartje Blom uitriep: “Nu, nu Grietje; ik vertrouw jou ook niet! je gaat tegenwoordig zoo dikwijls naar Amsterdam; ik denk dat daar ook wat zit!” waarop Grietje verklaarde, dat Bartje een ondeugd was.—Ik merkte op dat Suzette Noiret door niemand werd geplaagd.