Brief van Hildebrand aan Schipper Rietheuvel1
Reading edition
Brief van Hildebrand aan Schipper Rietheuvel1
Aan den eerzamen Dirk Rietheuvel, bijgenaamd den Mottige, Emeritus-Schipper bij het Haarlemsche Veer; op het Levendaal, te Leiden.
Geachte Vriend!
Hoe menig, menig jaar is reeds voorbijgesneld sedert dien gelukkigen tijd, waarin het mij zoo menigmaal gebeuren mocht een genoeglijk uurtje (laat mij zeggen: een viertal uurtjes achtereen) met u te slijten in den stuurstoel of, wanneer de weersgesteldheid dit minder wenschelijk maakte, in de roef uwer schuit; gij, in dat geval, op den drempel van het deurtje gezeten, den schanslooper aan, den zuidwester op, terwijl de knecht aan ’t roer stond en niet kon nalaten van tijd tot tijd eens mede te grinneken, wanneer uw onuitputtelijke geest aan ’t werken was. Drommels, Rietheuvel! ik heb vele mensenen ontmoet die aardig waren, en nog oneindig meer die het volstrektelijk wilden wezen, maar uws gelijken in aardigheid heb ik zelden gevonden. Hoe gaat het tegenwoordig, bestevaar? En wat zeggen er de kleinkinderen van, daar gij bij uw Guurtje, uw jongste, naar ik mij meen te herinneren, het restje uwer dagen slijt? Hangen zij u niet aan de lippen, als de oude vertelsels weer opkomen, in het schemeruurtje, als er geen licht in ’t vertrek is dan het wisselvallig licht van het vlammetje dat door de kieren van de kacheldeur schijnt? Van de kacheldeur; want, gelijk den bloei van het veer, hebt gij ook den bloei van het haardvuur (sit venia verbo—als prof. S. zeide, dien gij zoo menigmaal hebt gevaren dat gij ’t van hem overgenomen hebt) reeds vele jaren overleefd.
Deze opmerking wekt misschien eene reeks van weemoedige gedachten bij u op, die ik echter zeker ben dat gij weder eensklaps met een luimige wending weet af te breken. Doch dit laatste, mijn beste Mottige! zal niet noodig zijn, wanneer gij mijn brief slechts niet uit de handen legt, eer gij hem ten einde toe hebt gelezen: een brief met geen ander oogmerk geschreven dan om uwen laten levensavond niet weinig op te leukeren door eene mededeeling, welke u alleszins stof tot zelfvoldoening en een billijk gevoel van waarde opleveren zal.
Heugt het u niet, mijn waarde vriend! hoe, nu dertig jaren geleden, alle mogelijke roefreizigers schenen saamgezworen te hebben om u, dag uit, dag in, te vervelen met hun schijnheilig beklag, omdat het te voorzien was dat de spoorwegen (rare dingen, waarvan geen hunner nog eenig denkbeeld had!) niet altijd in Nederland onbekend blijven en gewisselijk uw eerzaam beroep ten eenemale in den grond boren zouden? Hoe gij, in die moeielijke dagen, al de krachten van uwen vaardigen geest hadt in te spannen om uw goede luim te redden en het eentonig gejammer keer op keer af te snijden? En zou het u daarbij vergeten zijn, hoe gij, te midden van deze worstelingen, op eenmaal op het treffend denkbeeld kwaamt van een nieuw vervoermiddel, door een nieuwe beweegkracht gedreven, waarvan uw ver vooruitziende geest voorspelde dat het, eenmaal in practijk gebracht, tot stoom en spoorwegen staan zoude, gelijk deze thans tot de trekschuiten? Gij gaaft aan deze uwe vinding den schilderachtigen naam van Onderaardschen Schietblaasbalg en wist de werking van dit mechanisme, door niets anders gedreven dan de persing der lucht, zoo duidelijk en, ik mag zeggen, zoo smakelijk voor te stellen, ja ook met teekeningen van eigene of bevriende hand zoo gelukkig op te helderen, dat menig trekschuitreiziger uw roef niet zonder een diepen indruk van ’t gehoorde verliet, gelijk ikzelf dien dan ook altijd bewaard heb, en zelfs zoo vrij ben geweest dien weder te geven in een opstel, onder den nederigen titel van “De Veerschipper”, buiten uw weten gedrukt, en dat misschien nimmer onder uwe oogen gekomen is, maar waarin, zoo aan uwe begaafdheden in het algemeen, als aan deze uwe vinding in ’t bijzonder, eene welverdiende hulde is toegebracht.
Bij mijn eerstvolgend bezoek aan Engeland, hoop ik mij met eigen oogen te gaan overtuigen hoe ver men gevorderd is. Maar hoe zeer zoude ik wenschen u daarbij aan mijne zijde te hebben, waardige man! tot nog toe niet erkende, maar daarom niet minder hoogst verdienstelijke Uitvinder van hetgeen bestemd is zoo krachtig bij te dragen tot de oneindige eer onzer zoo bewonderenswaardige eeuw! Denk er eens over, Rietheuveltje! Gij zijt wel hoog bejaard, maar zoo ik verneem nog krachtig genoeg. Voor zeeziekte behoeft gij, bevaren Schipper! wel niet bang te wezen, en de zaak heeft voor u een belangrijkheid, als voor niemand anders. Maar als gij het doet, gij kunt er stellig op rekenen dat er alle werk van gemaakt zal worden om u aan den Hertog van Buckingham en, door dezen, aan de Koningin te doen voorstellen, en als gij besluiten kondt u te laten angliseeren, ik zie niet waarom er met zoo wel een Sir Derrick Reedhill zou kunnen gemaakt worden, als er een Sir Joseph Paxton gemaakt is.
Hoe het indertijd met die der Trekschuiten is gegaan, weet ik niet; maar alle groote uitvindingen hebben dit bijzondere gemeen, dat zij meer dan eens, en niet zelden in verschillende landen, òf te gelijkertijd, òf op onderscheidene tijden, hebben plaats gehad.
Dit is met het Kompas, met het Buskruit, met de Drukkunst, de Gasverlichting, en ook met het gebruik van den Stoom als beweegkracht geschied. Menigmalen gaat het zooals het hier gegaan is. Een genie als het uwe vindt iets uit, voor de menschheid van het hoogste gewicht. Maar die menschheid is op dat oogenblik de uitvinding nog niet waardig; zij is voor de weldaad, welke deze in staat is aan te brengen, nog niet rijp. Zij beschouwt die uitvinding als een aardig denkbeeld, een zonderbaren inval, een grap, indien maar niet, zooals met den eersten uitvinder van het stoomgebruik het geval geweest is, als een gewrocht van onzinnige hersenen! Eeuwen of, in ons geval (wij leven in deze onze 19de eeuw zoo snel) tientallen van jaren moeten verloopen, eer een tweede genie opstaat, gelukkiger dan het eerste, om de uitvinding te herhalen of weder aan den dag te brengen, en nu alles gereed te vinden om haar op te nemen en haar een heilrijk succes te doen te beurt vallen. En terwijl de wereld vervuld is van het gedruisch dat zij bij deze hare tweede verschijning maakt, en schatten en eereteekenen hun toevloeien die het geluk mogen smaken haar metterdaad in werking te brengen, ligt de eerste vader (de grootvader!) van het vruchtbare denkbeeld reeds sedert lang te vermolmen in een vergeten graf, of brengt, als gij, mijn beste Rietheuvel! onder den titel van emeritus-veerschipper, het overschot zijner dagen, met een allerkarigst pensioentje, in een buurt als het Levendaal door, en heeft niemand die hem op de rijke denkbeelden van zijnen eertijds zoo machtigen geest en hunne gelukkige verwezenlijking door anderen, opmerkzaam maakt, dan zijnen hem altijd in liefde gedenkenden vriend
Dec. 1865. Hildebrand.
P.S. Vóór het sluiten dezes verneem ik nog, dat ook reeds de Pruisische hoofdstad Berlijn van een Schietblaasbalg voorzien is.