← Table of contents
Camera Obscura

De Familie Kegge.1 (continued 2)

Reading edition

Om een uur of half acht kwam er een groote ketel anijsmelk binnen, die door al de dames “déli” gevonden werd. Daarna kwam de schepper en boetseerder van al de koeken kunstgewrochten, die wij zaten op te luisteren, even uit de bakkerij opdagen, en keek eens of men wat vorderde. Het was een ordentelijke, goedhartige, vroolijke man, die er heel veel pleizier in had, toen Bartje Blom hem knipoogend vertelde, dat Toosje en Truitje Opper vast wel voor zeven gulden gebroken en opgegeten hadden, waarop Toosje aanmerkte dat zij, Bartje, wel zwijgen mocht, daar zij zelve een heel oorlogschip in haar zak had gesmokkeld; waarop de koekebakker dreigde, dat geen van de dames de deur uit zoude komen, voor hij zelf haar zak had geïnspecteerd. Toen verhief zich de vroolijkheid tot uitgelatenheid. De Groot stopte een klein houten pijpje, dat hij in de hand had, en daalde weder ter bakkerije.

Met slaan van negenen kwamen er drie stevige, opgeschoten knapen, goedige bollebuizen, met hun besten rok aan, en boorden tot over de ooren. De een was een broer van Pietje Hupstra en schreef op ’t stadhuis; de ander was een broer van de juffrouwen Opper en voor ’t kastemaken bestemd; en de derde, een broer van Keetje de Riet, ondermeester op een Hollandsche school; het doel van hunne verschijning was geen ander dan hunne zusters en al wie zich verder aan hunne bescherming zoude willen toevertrouwen af te halen en thuis te brengen.

Nu zei juffrouw De Groot dat men maar uit zou scheiden, want dat het toch altijd gekheid werd “als de heeren er bijkwamen,” en er werd besloten dat men nog gauw een pandspelletje doen zou. Men koos daartoe, nadat het geheele verguld-atelier als zoodanig was opgeredderd, “alle vogels vliegen,” en ik heb nooit zooveel onschuldige vreugde bij malkaar gezien als toen de oude juffrouw De Groot een dromedaris wilde laten vliegen. Bartje Blom werd met “den vogel struis” verstrikt, en er ontstond verschil over de vleermuis, van welke de ondermeester De Riet beweerde “dat hij niet vloog, maar fladderde”. Hoe dit zij, hij verbeurde pand, en al de heeren verbeurden pand, en Saartje verbeurde pand, en wij verbeurden allemaal pand.

Toen werd Grietje van Buren verkoren om al de panden te doen lossen, en werden de bloedkoralen armbanden en de bloedkoralen speld van Mietje Dekker, met en benevens het tissuutje van Keetje de Riet, en een “lodereindoosje” van haarzelve, en een vingerling van de oude juffrouw De Groot, en een pennemes van den ondermeester De Riet, en een ménagère van Bartje Blom, en een horlogesleutel van den kastemaker Opper, en een huissleutel van den klerk Hupstra, en een beurs van mijzelven, en al wat verder ter tafel was gebracht, in HEd. maagdelijken schoot geworpen; daarover werd een zakdoek gespreid, en nu begon het roepen van: wat zal diegene doen, van wien ik dit pand in de hand heb?

Ik spreek niet van de moeielijke en wonderspreukige dingen, die wij tot het terugbekomen onzer kleinoodiën moesten ten uitvoer brengen; als met vier pooten tegen den muur oploopen, een spiegel stuk trappen, den zolder zoenen, en dergelijke; noch van zoete penitentiën, als daar waren: hangen en verlangen, de diligence, de put, de klok, het bijenkorfje, en andere, waarbij machtig veel gekust en evenveel gegild werd. Ik schilder u de uitgelatenheid des geheelen gezelschaps niet, toen Toosje Opper iets heel moeielijks had opgegeven, in de stellige overtuiging dat Bartje Bloms pand voor den dag zou komen, en het waarlijk haar eigen naaldekoker bleek te zijn; of toen de heer Hupstra, in het spaansch speksnijden, dat hij nooit te voren gedaan had, met zekere verliefdheid de mooie juffrouw Noiret had gekozen, en per slot niets te kussen kreeg dan den harden muur, terwijl den jongen Opper het lot te beurt viel haar den zoen te geven!—in één woord, het was aller-aller-prettigst, de vreugd was op ieders aangezicht te lezen, en ik vermaakte mij duizendmaal meer onder deze goede blijhartige menschen, dan ik gedaan zou hebben, indien ik ware thuisgebleven onder de sublieme piano van juffrouw Kegge en de charmante viool van den charmanten Van der Hoogen.

De dames, die nu allen kleuren hadden als boeien, werden onder de heeren verdeeld, en ik nam op mij juffrouw Noiret, die mij groot belang inboezemde, thuis te brengen. De juffers namen van elkander en van ons een hartelijk afscheid; de drie bollebuizen drukten mij allen zeer voelbaar de hand; en ik was zeer tevreden met de vriendschap die ik zoo onverwachts had aangeknoopt.

Juffrouw Noiret was er mede verlegen dat ik de moeite nam haar thuis te brengen. “Het was zoo ver!”

Ik antwoordde zooals betaamde, dat hoe langer ik haar bijzijn genoot, het mij des te aangenamer zijn zou.

“Ach!” zeide zij, “mijn bijzijn, mijnheer, is toch anders niet heel aangenaam. Ik schaamde mij onder al die vroolijke menschen. Zat ik er niet treurig bij?”

“Gij waart zeker niet zoo luidruchtig als de overige. Maar toch …”

“Neen, zeg het niet! zeg niet dat ik vroolijk was!” viel zij mij in de rede. “Het zou mij spijten. Ik hield mij zoo goed als mogelijk; maar mijn hart was ergens anders … Mijn hart was bij mijn moeder,” voegde zij er haastig bij.

“Is uw moeder ziek, of …”

“Zij is oud, mijnheer! heel oud. Was zij niet wèl geweest, u zou mij daar niet gevonden hebben. Maar wie kan zich bij vriendelijke menschen, die u gaarne zien, verontschuldigen, altijd weer daarmee verontschuldigen, dat zij eene oude moeder heeft? Ook had zij van avond iemand die haar gezelschap hield, en wilde zij volstrekt dat ik gaan zou.”

Suzette zuchtte.

“Is uw moeder zoo heel oud?” vroeg ik. “Gij zijt, dunkt mij, nog zoo heel jong.”

“Ik ben drieëntwintig, mijnheer!” antwoordde zij met openhartigheid “en mijn moeder is vijfenzestig. Maar zij heeft veel ongelukken gehad. Mijn vader stierf voordat ik geboren werd. Zij had toen negen kinderen; sedert twaalf jaar ben ik haar eenigste, en nu kan zij niet wel zonder mij … en ik niet wel zonder haar.”

“En uw vader …”

“Mijn vader was de zoon van een Zwitsersch predikant, mijnheer! Maar zijn vader had hem niet kunnen laten studeeren. Hij had maar een kleinen post bij het accijnskantoor, en moest mijne moeder in behoeftige omstandigheden achterlaten. Maar wij werken beide. Nu heeft zij sedert drie jaren het hofje, en dat is een groot geluk. En toch …”

“Ik geloof,” zeide ik, “dat wij voor de poort van het hofje staan. Klopt men hier aan, of moet men aan dien langen schel trekken!”

“Helaas, geen van beiden,” zei Suzette, op een allerdroevigsten toon van stem, die een klank had als of haar een traan in de oogen schoot: “geen van beiden. Mijne moeder woont wel op het hofje, maar ik niet.”

“Waarom niet?” vroeg ik.

“Op het hofje woont niemand onder de zestig jaar,” ging Suzette voort: “ik kom er ’s morgens heel vroeg, zoodra de poort opengezet wordt, en blijf er den heelen dag bij mijn moeder; maar slapen mag ik er niet. Vóór tienen moet ik er vandaan, en’s avonds na zevenen mag ik er zelfs niet meer op. O, wat zou ik geven als ik mijn moeder nu nog maar eens even mocht goenacht zeggen!…”

En zij zag naar de geslotene poorte om.

“Mijn moeder slaapt daar nu moederziel alleen in haar huisje,” ging zij voort; “haar naaste buurvrouw is onbeschreeuwbaar doof; en als haar eens iets overkwam—! Dat, dat is mijn grootste zorg; dat pijnigt en vervolgt mij altijd en overal!…”

“Maar als uw moeder ziek wordt, dan moogt ge toch wel …”

“Als zij ernstig ziek wordt, dan schrijft de dokter van’t hofje een verklaring dat zij niet alleen kan blijven, en dan mag ik in haar huisje slapen. Maar ach, het ligt mij op de leden dat mijn lieve moeder er eens onverwachts uit zal zijn, en als dat eens bij nacht was! O, ik bid God alle dagen dat het bij dag moge zijn … Ik zou het niet overleven!”

Wij gingen zwijgend verder.

“Hier woon ik, mijnheer!” zei juffrouw Noiret, hare schoone oogen afvegende, als wij voor een kleinen koomenijswinkel stonden; “ik dank u voor uw vriendelijkheid.”

“Ik hoop,” zeide ik, “dat gij uwe moeder nog lang zult hebben, en zonder angsten.”

Zij reikte mij stilzwijgend de hand, en als het licht uit den kleinen winkel op haar gelaat viel, zag ik hoe bleek en hoe bedroefd zij was. Wij scheidden.

Ik vond de familie Kegge reeds bijna aan het souper. Van der Hoogen deelde er in, en maakte op walgelijke wijze het hof aan Henriette, die al de aantrekkings- en afstootingskunsten eener handige coquette (het is een aangeboren gave) in werking bracht. Men vermeed in ’t bijzijn van ZHWG. van “de De Grooten” te spreken, en eerst toen hij vertrokken was, vroeg men hoe ik mij geamuseerd had. Ik gaf een gunstig antwoord, maar trad in geene bijzonderheden, omdat ik voor geen geld ter wereld de onschuldige vreugde der De Grooten, De Rieten, Dekkers, Hupstra’s en zoo voorts, door eene juffrouw Henriette Kegge wilde hooren bespotten.

De Grootmoeder.

Toen ik den volgenden morgen na het ontbijt de bibliotheek binnentrad, zat daar de oude dame in een ruimen lagen leunstoel met roodlederen zitting en rug, die waarschijnlijk tot de stoffeering van haar eigen kamer behoorde, bij het vuur. Eene kleine tafel was daarbij aangeschoven, en daarop lag een Engelsche octavo Bijbel, waarin zij ijverig las. Zij hield daarenboven een breiwerk in de hand.

De schoone lange-hond zat weder naast haar stoel en keek oplettend tot haar op. Werkelijk volgde hij met zijne goedige oogen iedere beweging van haar hoofd en hand, als zij van den Bijbel naar haar breiwerk keek om de steken te tellen, of een blad omsloeg.

Van alle personen, die het huisgezin uitmaakten, kende ik deze het minst, daar zij nooit dan bij het middagmaal verscheen en na afloop daarvan onmiddellijk weer vertrok. Was het alleen dáárdoor dat zij mijne belangstelling prikkelde, of was het ook door haar deftig, stil, en ingetrokken voorkomen, de weinige, korte, verstandige, maar dikwijls wel wat harde woorden, die zij sprak, en de verknochtheid van haren schoonen langen-hond? Hoe het zij, ik hoopte hartelijk, dat zij een gesprek met mij zou aanknoopen.

Zij scheen mijn binnenkomen niet bemerkt te hebben, en terwijl ik mij nederzette en mijne boeken opensloeg, hoorde ik haar half overluid de schoone plaats van Paulus oplezen: “For we are saved by hope: but hope that is seen is not hope: for what a man seeth, why doth he yet hope for? But if we hope for that we see not, then do we with patience wait for it” (Rom. VIII. 24, 25).

Zij schoof den Bijbel een weinig vooruit, en leunde met den rug in haar stoel, als om daarover na te denken; zachtjes herhaalde zij de woorden “then do we with patience wait for it”.

Plotseling bemerkte zij dat ik mij in het vertrek bevond.

“Gij zult mij vandaag moeten dulden, mijnheer!” dus begon zij; “mijn kamer wordt schoongemaakt, en dan ben ik gewoonlijk hier.”

“Gij leeft een zeer eenzaam leven, mevrouw!” antwoordde ik; “drukte zal u misschien hinderen.”

“O neen!” hernam zij, met een luide stem; “ik ben sterk genoeg. Mijn hoofd is zéér sterk; ons menschengeslacht is zoo zwak niet. Maar ik ben niet meer geschikt voor gezelschap; ik ben te somber, te ernstig geworden. Ik zou hinderen; ik zou vervelend zijn. Dit boek,” zeide zij, op haren Bijbel wijzende, “dit boek is mijn gezelschap.”

Zij zweeg eenige oogenblikken, en streelde den kop van haar hond met de bruine hand. Daarop hief zij zich weder een weinig in haar stoel op.

“Gij zijt hier nu reeds een paar dagen, mijnheer Hildebrand,” hernam zij; “en de aanleiding tot uwe kennismaking met de familie is van dien aard dat … Zeg mij eens, heeft men al eens met u over den lieven William gesproken?”

“Het spijt mij, mevrouw! dat ik u ontkennend moet antwoorden. Neen! men heeft met mij nog geen woord over William gewisseld.”

“Heb ik het niet gedacht!” riep zij uit, hare handen in elkander slaande en een diepen zucht loozende, die in een droevigen glimlach overging: “ik wist het wel; ach, ik wist het wel!”

Zij zag treurig haar hond aan, die, als verstond hij hare klachten, zijn voorpooten op haar schoot legde en zijn kop tot haar aangezicht ophief, om haar te streelen.

“En toch is hij nog geen drie jaar dood, Diaan!” zeide zij, den poot van den hond aanvattende: “de lieve Bill is nog geen drie jaar dood. Ik wil wedden,” voegde zij er met nadruk bij, “dat de hond hem nog niet vergeten heeft.”

Eenige oogenblikken zat zij in een gepeins, waar ik haar niet in durfde storen.

“Hij was mijn oogappel!” barstte zij uit, “mijn lieveling, mijn uitverkorene, mijn schat!”—En toen bedaarder: “hij was een lieve jongen; niet waar, mijnheer Hildebrand?”

“Dat was hij,” zeide Ik.

“En toen hij wegging,” ging de grootmoeder voort, “was het alsof het mij werd ingefluisterd dat ik hem niet weer zou zien; en Diaan hield hem bij zijn mantel terug. Niet waar, Diaan? Bill had niet moeten weggaan. Hij had moeten blijven, moeten oud worden in plaats van de vrouw.—En als hij dan volstrekt had moeten sterven, dan had ten minste zijn grootmoeder hem de oogen moeten toedrukken. Wie heeft het nu gedaan?…”

Wat deed het mij goed aan het hart, haar te kunnen zeggen, dat ik het zelf was geweest!

“Inderdaad?” vroeg zij met een zachten lach. “Ik benijd u.” En zij zag mij aan met een langen en strakken blik.

“Dezen zakdoek,” ging zij na eenige oogenblikken zwijgens voort, op den foulard wijzende, dien zij om den hals droeg, “liet hij bij het afscheid liggen. Hij ging de deur uit, maar kwam nog weer terug om hem te halen. De arme jongen had hem wel noodig, want ik kon hem in zijn tranen wasschen. Ik wischte zijn oogen af en wilde den doek behouden. Die doek en deze brieven zijn mijn eenige troost!”

Zij sloeg haar Bijbel op verschillende plaatsen op, en toonde mij de brieven, die zij van William ontvangen had en in dat boek bewaarde. Zij nam er eenen op en tuurde een poosje op het adres.

“Hij schreef een mooie hand; deed hij niet?” zeide zij, en reikte mij den brief toe.

Ik las het adres. Het luidde: “Aan Mevrouw E. Marrison.”—“E.M.” Dat waren de voorletters die op den ring gegraveerd stonden, dien hij mij op zijn sterfbed gegeven had. E.M.! Ik had aan dien ring een ganschen roman geknoopt; in die letters den naam van een lief, jeugdig meisje gelezen, dat haar jong hart reeds vroeg voor William geopend had! Maar hoeveel aandoenlijker was dit pand eener eenvoudige genegenheid tusschen grootmoeder en kleinkind! Schoon ik anders den ring niet droeg, had ik hem toch dezer dagen aangetrokken. Ik nam hem van mijn vinger.

“Deze gedachtenis,” zeide ik, “gaf hij mij op zijn sterfbed. Hij beval ze mij aan als iets dat hem heel dierbaar was.”

Het gelaat der oude vrouw helderde op; en nu voor het eerst schoten er tranen in die oogen, die tot nog toe zoo strak gestaard hadden.

“Mijn eigen ring!” riep zij uit. “Ja! ik gaf hem dien voor den neusdoek; heeft hij hem altijd gedragen?”

“Tot weinige uren voor zijn dood!”

“En zeide hij, dat hij hem heel dierbaar was? De lieveling! Heeft hij zijn laatste krachten nog gebruikt om dat te zeggen? En waren zijne laatste gedachten ook bij zijn grootmoeder?—Zie je wel, Diaan!” zeide zij tot den hond; “het is het ringetje van de vrouw, dat de lieve Bill gedragen heeft. Hij heeft ons niet vergeten, Diaan! en wij hem niet—ofschoon dan ook …. Ach mijnheer!” ging zij voort, “mijne dochter was in ’t eerst zoo hevig bedroefd; maar zij gevoelt niet diep; zij was de laatste, de eenige overgeblevene, maar niet de gevoeligste van mijn kinderen. Ook had zij zoo veel kinderen over. Maar ik, ik had mijn hart op William gezet. Hij droeg den naam van zijn grootvader, mijn eigen braven William! Hij was altijd zoo eenvoudig, zoo lief, zoo teer, zoo aanhalig voor mij. Het was een lieve jongen! Wat doen wij hier zonder hem, Diaan?”

Weder volgde een korte pauze.

“Kegge is een goed mensch!” ging zij voort. “Hij is goed, hij is hartelijk, hij is week. Maar hij is vol valsche schaamte; hij wil nooit met een traan gezien worden. Hij verdrijft zijn beter gevoel door luidruchtigheid. Toen hij Hanna trouwde, was zij een speelsch kind, die met zes jonge honden door de plantage liep. Hij heeft haar niet ontwikkeld, niet geleid; zij ziet hem naar de oogen, zij richt in alles zich naar hem; onder zijn invloed durft zij niet anders zijn dan hij zich voordoet. Somtijds ben ik hard tegen Kegge, en daarom leef ik liever alleen. Hij verstaat mij niet. En dan! dat er nooit, nooit een woord over den lieven William gesproken wordt!—Maar wij spreken van hem, niet waar Diaan?” en zij streelde hem zachtkens over den kop: “wij spreken van hem. Hij was zoo goed voor den hond, en de hond had al zoo vroeg met hem gespeeld. Als ik lang naar den hond kijk, is het als zag ik den kleinen Bill nòg met hem spelen …”

Zij nam den ring weder op.

“Ik zal hem u weergeven, als gij weggaat,” zeide zij; “maar laat mij hem nog een paar dagen houden.”

“Houd hem uw geheele leven, mevrouw!” riep ik haar toe. “Gij hebt er de grootste en teederder rechten op dan ik.”

En ik reikte haar de hand.

“Mijn geheele leven!” antwoordde zij: “ik wenschte wel dat dat niet lang ware. Ik ben niet geschikt voor dit land. Mijn vader was een Engelschman, maar mijne moeder een Westindische van ouder tot ouder, eene inboorlinge. De lucht is mij hier te laf, de zon te flauw. Zoo gij wist wat het mij gekost had de West te verlaten! Maar mijn eenig kind, en het graf van mijn kleinkind trokken mij hierheen. Ook wilde men mij niet alleen achterlaten. Ik mocht niet blijven in het huis, waar ik William vóór mij had gezien; ik moest afscheid nemen van de plekjes, waar ik hem had zien spelen, waar hij op zijn klein paardje voor mijne oogen had rondgereden. Ik zou zijn graf wel eens willen zien. Ik verlang om naast hem te slapen in den vreemden grond …”

Diaan, die zijn kop weder weemoedig in haar schoot gelegd had, hief dien langzaam op, en zag haar droevig aan. Er lag een vraag in zijne oogen:

“En wat zal er dan van Diaan worden?”

Een Concert.

De belangrijke dag, waarop (zoo als de charmante gezegd had) al wat in de stad smaak had, en ik voeg er bij, lid was van het concert Melodia, stond verrukt te worden door het spel van mejuffrouw Henriette Kegge, de mooie dochter van den rijken West-Indiër, was gekomen.

De piano was vroeg in den morgen ter concertzale gebracht om te acclimateeren, en de heer Van der Hoogen was er zelf heengegaan om haar te ontvangen; ja, hij was zelfs eenigszins martelaar van die gedienstigheid geworden, daar de kastemakersgezellen, die het stuk hadden overgebracht, bij het strijken, een der pooten op ’s mans likdoren hadden doen neerkomen, dat hem “alleraffreust!” zeer had gedaan.

Papa had aan het diné zich een paar malen onderwonden op te merken dat zijn dochter toch wel wat bleek werd, als er van het concert werd gesproken, iets hetwelk trouwens maar zeer weinig het geval niet was; maar zij wilde ’t volstrekt niet bekennen en zou er eindelijk zelfs boos om geworden zijn.

Na den eten begon men dadelijk toilet te maken, en tegen half zeven kwam de schoone Henriette beneden. Zij droeg een zeer lage japon van gros-de-naples, van een zeer licht bruinachtig geel, en had een snoer volkomen gelijke kleine paarlen door haar lokken gevlochten; verder droeg zij geene versierselen hoegenaamd.

Mama Kegge was veel schitterender. Haar klein hoofd zwoegde onder eene groote toque met een paradijsvogel. Een gouden halsketting, die het dubbel kon wegen van dengenen dien zij altijd droeg en waarmede zij, geloof ik, ook sliep, hing over hare schouders, en haar japon was vooral niet minder dan vuurrood.

De kleine Hanna was gelukkig in ’t wit, maar lag ook al aan een gouden ketting. De beide jongens zagen er uit als gewoonlijk; maar dat zij ieder een cylinderuurwerk op zak hadden, dat zij geen van beiden konden opwinden, en waar slechts een van beiden zoo wat half en half op kijken kon hoe laat het was, scheen mij toe niet overnoodzakelijk te wezen. Trouwens, indien zij er maar gelukkig mee geweest waren, ik had hun die uurwerken, als speelgoed, gaarne gegund. Maar zij waren reeds volkomen blasé op het punt van dat moois.

“Ben je er niet héél blij mee!” vroeg ik aan den oudste.

“Wel neen we!” antwoordde de jongste.

Mijnheer Kegge wilde volstrekt met slaan van zevenen vertrekken, maar Henriette stond er op dat men niet gaan zou voor kwart óver zevenen.

De charmante kwam nog eens aangedraafd en was charmanter dan ooit. De mouwtjes van den bruinen rok, dien hij droeg, waren nog korter dan van zijn groenen; de overgeslagen manchetten nog polieter en nog meer gesteven; zijne handschoenen nog geler; zijn vest vertoonde in rood en zwart een schitterend dessin op een reusachtige schaal; hij zette zijn lorgnet in den hoek van het oog, om een overzicht van Henriette te nemen.

“Om voor te knielen!” riep hij uit. “Allercharmantst! Mevrouw Van Kegge, je hebt eer van je dochter!”

En daarop huppelde hij weder heen om de familie in de zaal op te wachten en te zorgen dat de plaatsen niet in bezit genomen werden “want het zou criant vol zijn”!

Henriette liep heen en weer door de kamer en sprak nu en dan met den kakatoe om hare gerustheid te toonen, welke gerustheid niettemin eenigszins werd tegengesproken door een herhaald en ten laatste wel wat overtollig kijken op de pendule, die eindelijk op kwartier over zevenen stond. Het rijtuig wachtte, en wij reden ter muziekzaal.

De charmante stond in den gang ons op te wachten en bood zijn arm aan mevrouw Kegge aan; ik volgde met Henriette, en het luid gezwatel van stemmen, dat den stormwind der muziek voorafgaat, liet zich hooren. De komst van de familie Kegge maakte eenige opschudding onder de jonge heeren, die achter in de zaal stonden en die door den heer Kegge, naarmate hij hen passeerde, zeer luidkeels begroet werden. Over ’t algemeen sprak ZEd. een toon of wat te hoog en te bar voor een publieke plaats.

“Van der Hoogen! waar moeten de dames zitten? Ik hoop wat vooraan. Henriette moet zoo’n lange wandeling niet maken, als ze spelen zal. Hier, dunkt me. Op deze drie stoelen. Henriette op den hoek; mama in ’t midden; en de kleine kleuters dáár.”

Toen keek hij triomfantelijk rond om te zien welk een uitwerking deze onafhankelijke taal op de groote hanzen en adellijke heeren, die rondom stonden, maken zouden.

Men zat. Een aantal lorgnetten geraakte in beweging om de mooie juffrouw Kegge; een aantal hoofdjes van dames, die in een zeer druk gesprek gewikkeld waren, draaiden zich van tijd tot tijd naar haar om, zonder evenwel den schijn te willen hebben er werk van te maken haar gade te slaan. Sommige keken verbaasd van de toque van mevrouw; andere lachten in haar geborduurden zakdoek om de drukte van mijnheer; een paar stieten elkander aan wegens de charmantheid van den charmanten.

“Is freule Nagel hier óók?” vroeg hem Henriette, haar donkere boa een weinigje latende zakken. In de laatste dagen had zij veel aan de hooggeborene gedacht.

“Nog niet,” antwoordde hij, het lorgnet uit zijn oog latende vallen alsof het een groote traan geweest ware; “nog niet, maar zij komt ongetwijfeld. Gisteren nog maakte ik een visite bij den baron. Van der Hoogen, zei ze, ik languisseer naar morgenavond! Ei zie, daar komt ze juist. Zij zal hier in de buurt komen; charmant! charmant!”

De dame, die hij hierop als de freule Constance uitduidde, werd binnengeleid door een oudachtig edelman, met een bijna kaal hoofd, maar dat aan de slapen nog versierd werd door eenige dunne spierwitte krullen, die aan zijn kleurig gelaat een zeer belangwekkend voorkomen bijzetten. Zij zelve was eene schoone jonge vrouw van omstreeks zes- of zevenentwintig jaren. Nooit zag ik edeler voorkomen. Heur haar was van een donker kastanjebruin en op de allereenvoudigste wijze gekruld en gevlochten. Haar hoog voorhoofd ging over in een eenigszins gebogen neus en maakte daarmee de schoonst mogelijke lijn. Groote lichtkleurige oogen werden door lange zwarte pinkers, die er iets buitengewoon zachts en ernstigs aan gaven, omzoomd en de zuiverheid harer donkere wenkbrauwen was benijdenswaardig. Haar mond zou iets stroefs gehad hebben, indien niet de vrindelijkheid van haar doordringend oog dit had weggenomen. Zij was middelmatig groot en hield zich volkomen recht, behalve dat zij niet den hals, maar het hoofd misschien een weinig gebukt hield. Haar kleed was van een lichtgrijze kleur, en een kleine mantille van zware witte zijde met zwanedonzen rand rustte met veel kieschheid op hare lage en netgevormde schouders. Waarlijk, dit was het gelaat, het oog, de houding, noch het gewaad van eene jonkvrouw, die gezegd werd ziek te zijn naar de maraboes van juffrouw Kegge en te smachten naar een concertavond.

Zij koos haar plaats een paar rijen vóór de zitplaatsen van onze dames, en hoewel de heer Van der Hoogen deze omstandigheid in ’t vooruitzicht charmant genoemd had, geloof ik dat zij hem toch min of meer gênant voorkwam; immers hoe gaarne hij die ook zou hebben willen ten toon spreiden, toen hij de freule Van Nagel (en hij moest wel!) zijn compliment ging maken, bleek ons weinig of niets van die gemeenzaamheid waar hij zoo hoog van had opgegeven. De freule beantwoordde zijn diepe buiging met een stijven groet, die hem op een allerakeligsten afstand hielden, voor zoo ver ik bemerken konde, kwam er in de weinige woorden die zij hem ten antwoord gaf, veel van mijnheer, maar niets van Van der Hoogen, noch van languisseeren of iets dergelijks. Het was duidelijk dat de charmante haar eerbiedelijk op Henriette opmerkzaam maakte, maar zij was te beleefd om bepaald om te kijken, en eerst veel later, toen de heer Van der Hoogen was heengegaan om zijn viool te stemmen, want hij was werkend lid, wendde zij haar schoon hoofd even om en wierp een blik op Henriette, die mij juist influisterde dat die freule Nagel zeker wel een jaar of dertig tellen moest. De kleine Hanna had ook reeds hare aanmerkingen op de aanwezigen, en was bijzonder geestig op het punt eener bejaarde dame, die zij vond “dat er dol uitzag; met die bayadère van gitten.”

Nu werden er een paar slagen op de pauken gehoord, en daarna trad, pratende en lachende, en zulks te meer naarmate zij met die opkomst eenigszins verlegen waren, dat mengsel van virtuozen en dilettanten op, hetwelk gewoonlijk op een dames-concert zijne krachten samenspant om aller harten te betooveren, plaatste zich achter de respectieve lessenaren, en begon die vervaarlijke, snerpende, krassende kattemuziek uit te voeren, welke aan ieder muzikaal genot noodzakelijk schijnt vooraf te moeten gaan. Het gedruisch in de zaal hield op; ieder schikte zich op zijn gemak. De heeren, en daaronder ik, deinsden meestal, op een enkel jong mensch na, die zich op ’t poseeren en fixeeren toelei (daar waren onweerstaanbare oogen en alles veroverende tailles!), naar den achtergrond der zaal terug, en alles was doodstil. Daarop verhief de orkestmeester zijn ebbenhouten stafje, en de symphonie begon. Natuurlijk de zooveelste van Beethoven.

Ondertusschen zou ik Goethe tegen moeten spreken, indien hij beweerde dat de zin des gezichts volstrekt niets met de muziek te maken heeft; want ik moet mijnen lezeren de gewichtige bekentenis doen dat ik de muziek, in het afgetrokkene, waarlijk zie; en ik twijfel niet of zijzelve zullen met eenige opmerkzaamheid op hunne gewaarwordingen en inspanning van ziel hetzelfde ontdekken. Er zijn tonen en samenkoppelingen van tonen, die zich aan mijn oog voordoen als spattende vonken, dikke en dunne strepen, kromme spelden, slangen en kurketrekkers; als bliksemschichten, liefdestrikken, krakelingen, varkensstaarten, waterstralen en ziegezagen, en ik zie de mogelijkheid om een geheel muziekstuk, voor mijn gevoel bevredigend, in figuren op te schrijven. Die dit niet begrijpt, verzoek ik te beseffen dat hij in eene eeuw leeft waarin hij al zulke dingen behoort te begrijpen; en indien hij kerkhistorie heeft gestudeerd, gedenke hij aan de Hesuchasten, die zoo lang op hun maag staarden, tot zij haar van een geheimzinnig licht omschenen zagen.

Drie der gewone onderdeelen van de symphonie waren afgespeeld, toen ik mij zachtkens op den schouder voelde tikken. Ik zag om en bemerkte den arm en het gelaat van den goeden koekebakker, die van zijn introductiekaartje gebruik had gemaakt, maar te verstandig was bij deze gelegenheid zijn neefschap te laten gelden, en dus geen notitie van de familie nam. Rijke familiën met arme bloedverwanten! och of alle neven zoo bescheiden waren! Maar de meesten gillen, hun neefschap luidkeels uit, en laten zich door niets afkoopen.

“Moet nu nicht Kegge er niet aan?” fluisterde hij mij met een vergenoegd gezicht in ’t oor.

“Wel neen!” antwoordde ik, “nog in lang niet.”

“Ik verzeker u van wel!” hernam hij: “of dat rooie papiertje moet jokken. Kijk, ze staat de vierde, en we hebben al drie stukken gehad.”

De goede De Groot had een der onderdeelen van de symphonie voor een obligaat op den hoorn genomen.

Ik onderrichtte hem omtrent die dwaling, en hij betuigde dan ook al gedacht te hebben: “Wat merk ik dien hoorn weinig!”

De man met den hoorn verscheen op zijn beurt, geheel in ’t zwart en met lange haarlokken, blinkende van pommade. Hij maakte een stroeve buiging en zette een gezicht als of hij ons allen verachtte. Dit stond hem evenwel leelijk, want hij verdiende dien avond een goede handvol geld, en schoon ik weet dat de kunst onbetaalbaar is, zoo ben ik toch van oordeel dat men voor geld en een goede ontvangst ten minste een beleefd gezicht zou kunnen overhebben. Nu staken de kenners het hoofd op, en legden de hand aan de oorschelp, en riepen Ssss … Sst, als de jonge dames fluisterden, die daarop haar zakdoek aan den mond brachten, waarop de oude dames boos omkeken. Vooral de heer Kegge was in dit Sst-roepen zeer overvloedig en men kon het op zijn aangezicht lezen dat hij zich in dezen volmaakt onafhankelijk gevoelde, ook van alle mogelijke “groote hanzinnen en adellijke dames.”

De hoornist blies zijn wangen op, zijn oogen uit, en zijn hoorn vol, tot algemeene verrukking der aanwezigen die van een hoorn hielden, ofschoon er verscheidene waren die met een wijs en veelbeduidend aangezicht beweerden dat het Potdevin niet was, eene blijkbaarheid die ook door het programma voldingend werd uitgewezen. Het schoonste van ’s mans spel scheen daarin te bestaan, dat het geluid van zijn hoorn op alle geluiden geleek, die gewoonlijk uit andere instrumenten komen. Nu eens knorde hij als een jichtige fagot, dan weder had hij al het rochelende van een vetten waldhoren, dan weder het door den neus pratende van een intriganten hautbois, of het uitgelatene van een opgewonden trompet, ja zelfs nu en dan iets van het gillende eener hysterische dwarsfluit; zelden maar geleek hij op hetgeen hij waarlijk was, een klephoorn; en eenmaal was het geluid zoo zacht en zoo verfijnd, dat ik, zoo ik niet de rijkgeringde vingers van den virtuoos had zien bewegen, waarlijk zoo gezworen hebben, dat er niets gebeurde. In zoo verre was het maar weer goed, dat de muzikant zichtbaar was. Ik vermaakte mij gedurende het spel machtig met het gadeslaan van een dik heer achter op het orkest, die den duizendkunstenaar had geëngageerd en allerliefste knipoogjes aan alle de leden rondzond, die tegelijkertijd moesten beduiden hoe heerlijk hij het vond, en vragen of zij het ook niet heerlijk vonden; en van een lang jong mensch dicht bij mij, met zwarte haren en bleeke wangen, die zijne oogen aandachtig toedeed onder het spel en de maat met zijn teenen sloeg, en dan weer een “hoe-is-het-mogelijk!”-gezicht zette en een schrikkelijken nood had om aan iedereen te vertellen hoe familiaar hij dien duizendkunstenaar kende, en hoe goed die duizendkunstenaar biljartte, en hoe ’n aangenaam mensch en van welk een goede familie die duizendkunstenaar was, en hoe die duizendkunstenaar enkel speelde omdat hij ’t niet laten kon, en welk een duizendwondertje van een mooi snuifdoosje die duizendkunstenaar van een prinses had gekregen, en hoe hij zelf in eigen persoon op de repetitie van dien duizendkunstenaar geweest was, en hoe de duizendkunstenaar hem verhaald had, dat die eigen hoorn, daar hij op speelde, hem duizend gulden had gekost.

Nu had er een machtige beweging op het orkest plaats. Ik weet niet hoeveel lessenaars werden achteruitgeschoven. De kastelein van de concertzaal bracht met een gewichtig gelaat twee waskaarsen op de piano, en de heer Van der Hoogen maakte haar open, plaatste de muziek er op, en schoof de tabouret er onder van daan. Al de heeren verlieten het orkest—uitgenomen de contrabassist, een oud man, die zijn bril op zijn voorhoofd schoof, en de paukenslager, die zijn handen in de zij plaatste—en kwamen achter ons in de zaal dringen. Daarop daalde de heer Van der Hoogen af, om door Henriette af te halen voorloopig aan zijne bestemming te voldoen. Zij zag zeer bleek, en ik verdacht haar van aan het obligaat op den hoorn juist niet veel gehad te hebben. De heer Van der Hoogen nam haar bij den pink en leidde haar op. Zij maakte een compliment, zeer gracieus voor een liefhebster, zonder evenwel tot het diepe nijgen en het verleidelijk gezicht van een tooneelspeelster te komen, en nam daarop, onder een luid handgeklap en onstuimig voorwaarts dringen van de heeren, plaats aan het instrument; trok hare handschoenen uit, en de lieve handen zweefden over de toetsen.

De eerste maten hadden den indruk van de onrustige beweging van haar pols, maar langzamerhand herstelde zij zich; haar natuurlijke kleur kwam weder, en zij speelde alsof zij thuis was, met de haar eigene verwonderlijke vlugheid.

“Inderdaad, het was wonderlijk dat menschevingers dat doen konden!” fluisterde De Groot mij in, nadat hij een weinigje van den schrik bekomen was, die het optreden van Henriette den goeden man gekost had. “’t Is alsof zij aan draadjes zitten. Alles leeft wat er aan is. Kijk hier, ze gooit haar armen over mekaar, of ’t zoo niets was. En ze slaat er goed op, ook!—Dat’s verraderlijk,” zeide hij, als zij, na lang met beide handen in de lage tonen te hebben gewerkt, zonder om te zien, plotseling de toetsen van den hoogsten octaaf een fikschen tik gaf. “Drommels nou! dat gaat per post; ’t is als of je een goot hoort loopen.”

De heer Van der Hoogen stond, met een hoek van ten hoogsten honderd en dertig graden, naar de piano gebogen en maakte zich verdienstelijk met het omslaan der bladen; maar toen hij aan de laatste bladzijde was, nam hij voor goed eene hartvervoerende houding aan, met de eene hand op de piano leunende en de andere in de zijde zettende, terwijl hij zijne leelijke oogen verlokkend door de zaal liet weiden, of ze ook nog in ’t voorbijgaan een hart of tien veroveren mochten!

Het stuk was uit. Henriette stond op, en dankte met een stuursch gezicht voor het daverend handgeklap. De charmante bracht haar weer tot hare plaats en deelde in haar triomf. De oude Kegge had tranen in de oogen, en de charmante drukte hem de hand. “Het was onbegrijpelijk charmant geweest!” Henriette liet zich door mevrouw Kegge de boa weder om den hals werpen, en speelde met het einde daarvan; daarop begon zij een gesprek met de kleine Hanna, zoodat de geheele wereld verbaasd stond over eene jonge dame, “die zoo voortreffelijk speelde, en zoo lief was met haar zusje”.

De drukke finale der symphonie, waarin machtig veel gepaukt en machtig veel gebazuind werd, besloot de eerste afdeeling van het zooveelste damesconcert van het gezelschap Melodia, en de pauze begon.

Dat is niet het minst belangrijk gedeelte van een concert, als het dissoneerend vocaal het harmonisch instrumentaal voor een half uur afwisselt. De dames hebben dan ook altijd liever een nommer minder op het programma dan een korte pauze, en zulks is niet te verwonderen, wanneer men bedenkt hoe veel praatziekte, hoe veel verliefdheden, hoe veel kunstgedienstigheid, hoe veel eerzucht, praalzucht en behaagzucht hier bijeenzijn.

De heer van der Hoogen stond naar de piano gebogen.
De heer van der Hoogen stond naar de piano gebogen.

De heer van der Hoogen stond naar de piano gebogen.

Indien men eene wage had, op welker eene schaal men alle deze vergaderde ziekten en zuchten kon stapelen, en men lei daartegenover op de andere het muzikaal gevoel—ja, leg er het muzikaal gehoor maar bij!—deze laatste zou ongetwijfeld omhoog gaan.

En gewichtig voorzeker was dat oogenblik, waarop deze koopbeurs van beleefdheden en praatjes aanging en het hoffelijk gedrang begon; als de blonde en bruine hoofden, de veders en de bloemen zich ophieven, de sterren op de voorhoofden haren loop begonnen; en de eerst zoo regelmatige rijen van schoonen en moeders van schoonen, van “matribus pulcris filiae pulcriores” en omgekeerd, zich tot bevallige groepen schikten, waaruit vonkelende oogen straalden en vroolijke lachjes opgingen; als de dwarling van jonge heeren een aanvang nam, waarvan ieder zijn prima donna, zijne reine du bal zocht, de een met een glimlach, de ander met een sentimenteel gezicht, de derde met een kloppend hart, en de vierde met een opgestreken kuif; waarvan de een boos, de ander onnoozel en de derde kippig keek uit verlegenheid; waarvan de een, om te beginnen, zijn netten spreidde over al wat mooi was, en de ander in het wilde scheen rond te fladderen, maar om toch wat meer eklektisch te werk te gaan; terwijl de toovermacht van dezen moest berusten in een nauw vest, en gene een philtrum meende te bezitten in de gedaante van pommade à l’oeillet; daar de talisman van een derde in zijne handschoenen berustte; terwijl een enkele begreep, dat hij het meest zoude interesseeren door met een knorrig gezicht en een medelijdenden glimlach op al het gedraai en geworm neder te zien.

Ik deed mijn best om Henriette te genaken, die in een kring van heeren stond, welke zij ten deele kende, ten deele nimmer geluid had hooren geven, maar die allen van deze gelegenheid gebruik maakten om haar iets aangenaams te zeggen. Iedereen was even verrukt, en de charmante week niet van hare zijde. Ik maakte haar mede mijn compliment, en liet mij daarop van hoeken tot kanten dringen, waarbij ik het voordeel had veel te zien en te hooren, dat mij voor dien avond belangrijk voorkwam.

“Ze zullen die juffrouw Kegge, hiet ze zoo niet? het hoofd wel op hol maken!” merkte een mevrouw van een zekeren leeftijd, met eene zwarte gazen toque, aan. “’t Is niet goed voor zoo’n jong ding.”

En zij sloot haren mond zoo dicht, zoo dicht, alsof zij er van afzag den geheelen verderen avond iets meer in het midden te brengen.

“O, ik vind dat ze er allerinteressantst uit kan zien,” sprak een jonge dame, in antwoord op het zeggen van een heer van middelbare jaren, dat juffrouw Kegge heel mooi was; “maar van avond, dunkt mij, heeft zij haar beau jour niet.”

“Kent u die familie Kegge?” vroeg een andere aan een jongen heer, en zij legde duizend pond nadruk op den naam.

“Vraag excuus!” was het antwoord, “ik weet niet anders dan dat de menschen rijk zijn …. Maar,” ging hij zachter voort, “ze zijn volstrekt niets. Haar grootvader was hier ter stede een kruidenier of zoo wat, en haar vader …., die heeft fortuin gemaakt in de West.”

“Ik vind ook wèl, dat men haar dat aan kan zien,” sprak een derde, die dit gesprek had gehoord, schoon zij er met den rug naar toe had gestaan, zelve een gelaat vertoonende, dat alles behalve ongemeen was.

“Ik hou niet van dat soort van oogen,” hoorde ik aan eenen anderen kant, uit de mond van een jong meisje van dertig, die zeer flets uit haar eigene keek.

De freule Van Nagel scheen zeer tevreden over het spel, maar liet zich over de speelster volstrekt niet uit.

Ik bewonderde onder de menigte van schoone vrouwen van middelbaren leeftijd eene die, met een allerbevalligst voorkomen en zeer innemende manieren, het voorwerp der algemeene belangstelling scheen te zijn. Al de heeren kwamen voor haar buigen, en al hunne vrouwen lieten zich, de eene voor, de andere na, bij haar brengen. De jonge dames deden hun best om haar te naderen, of wenkten haar met het daarbij behoorend lachend gezicht toe, dat het onmogelijk was. Zij gaf een soort van pleeggehoor. Meermalen poogde zij te gaan zitten, maar juist op het oogenblik dat zij er toe besloot, verscheen er weder altijd iemand om haar zijne beleefdheid te bewijzen; en ik bewonderde in stilte de goede gratie, waarmede zij zich terstond weder tot den nieuwaangekomene wendde en de onbeduidende gezegden, die vrij wel met de door al zijne voorgangers gehoudene gesprekken overeenkwamen, met verschen moed beantwoordde. Hare dochter, een meisje dat nog geen zestien jaren mocht hebben bereikt, was aan hare zijde, en scheen deze minzame bevalligheid reeds in hare mate te hebben overgenomen. Wat beider beleefdheid het aangenaamst maakte, was het eenvoudige en ongedwongene, het volkomen vrindelijke en opgewekte, dat haar eigen was en niet anders voortkomen kon dan uit eene lieve harmonische stemming des gemoeds en eene heldere tevredenheid des harten. Voor mij was het een waar genoegen haar gade te slaan, en ik kon niet nalaten met minachting te denken aan de valsche redeneering van een aantal zich noemende menschenkenners, die hoffelijkheid altijd voor willen doen komen als laagheid, en welwillendheid als huichelarij. Waarlijk, die echte humaniteit, die goede toon, die beleefde innemendheid, welke de blijken dragen van in overeenstemming te zijn met den geheelen persoon, die ze aan den dag legt, is te gelijk eene gave en eene verdienste, en ik wenschte wel, dat men algemeen gevoelde, hoe men de wetten der welwillendheid met de wetten der fijnste zedelijkheid en het meest kiesche gevoel in verband kan brengen. Al het misbruik, dat van haar gemaakt is door intriganten en hypocrieten, neemt niet weg, dat zij een der schoonste sieraden van het menschdom is, en een der verhevenste onderscheidingen boven het dierengeslacht doet uitkomen.

Ik vernam later dat deze bevallige vrouw eene dame was, wier huis bekend stond voor eene plaats, waar men zich nimmer verveelde, die niet slechts veel menschen zag, maar haar gezelschap altijd geheel bezielde en doordrong van de liefelijkheid haar aangeboren.

Den stroom volgende, werd ik nog voorbij vele paartjes gesleept, die werk van elkander maakten; ook langs schuchtere jongelingen, die zich verstoutten hun geheel onbekende dames noodelooze diensten te bewijzen, als daar zijn: boa’s op te rapen, die nog niet gevallen waren, en sjaals over haar stoel te hangen, die ze nog niet noodig hadden; alsmede langs vele ophoopingen van jonge meisjes, die iedereen uitlachten. Hier en daar zat of stond eene oude dame stokstijf voor haar stoel, te midden van een jong geslachte, “inmobilis in mobili”; en herinnerde zich de dagen, dat ook zij mobieler was, of verbeeldde zich dat zij ook nu nog mobieler zijn konde, indien zij maar wilde; of verheugde zich, dat nu haar kinderen waren zoo als zij geweest was; of verklaarde dat de pauze nu eenmaal lang genoeg geduurd had.

Zoo kwam ik tot aan de deur, en nu bezocht ik ook de koffiekamer. Hier waren de standen meer dooreengemengd, en vooral onder de werkende leden vond men van alles. De muziek, het ijsvermaak, en het tabakrooken nemen allen aanzien des persoons weg. Hier werd hevig gerookt door allerlei soort van rookers. Er waren er die pijpen, er waren er die sigaren, er waren er die baai rookten; sommigen hadden al lang naar hun rooktoestel gesmacht, andere deden het alleen, omdat de rook der overige hun dan minder hinderde. Er waren er die het niet laten konden, en er waren er die het doen en laten konden allebei, en het daarom zoo veel mogelijk deden; verslaafden, en vrijwillige dienstknechten; en de kleine Keggetjes drongen door de menigte heen, en hadden waarlijk ook ieder een sigaartje in den mond, ter zake waarvan hun vader lachte dat hij schaterde.

“Die juffrouw Kegge speelt admirabel, niet waar?” zei een beschaafd heer, zijn viool weer uit de vioolkas nemende, om zich voor de tweede afdeeling gereed te maken, en omziende naar een groot liefhebber, een dik persoon, met een lomp uiterlijk, dien ik in ’t orkest met een waldhoren gezien had.

“Ze speelt verdraaid vlug!” antwoordde die van den waldhoren.

“Veel smaak, veel smaak!” riep een wijs burgerheer, die een dwarsfluit blies.

“Smaak?” riep een klein heertje, dat zich juist aan een heet glas punch brandde, met een pieperig stemmetje, “smaak? geen zier smaak! al den duivel vlugheid, kunstjes, brille.”

“Een mooie piano, niet waar?” hoorde ik in een anderen hoek, uit den mond van een werkend lid.

“Ja, en een weergasche mooie meid ook,” antwoordde een honorair lid.

“Foei, oude snoeper, waar kijk je na?” zei de eerste spreker.

Zoo gaat het, wanneer gij op concerten speelt. Waarom laat gij het niet liever?

De tweede afdeeling bood niets bijzonder opmerkenswaardigs aan. Een welgemaakt officier der zware ruiterij trad in burgerkleeding met een wit vest op en zong een paar coquette romances, die beurtelings zeer laag en zeer hoog liepen en met een afwisselend kwaadaardig en snoeperig lachend gezicht gezongen werden, maar waarvan de toon en de inhoud zoomin overeenkwamen met zijn zware knevels als met de op-en-neder-gesten, die hij met het tusschen zijn beide handen uitgespannen blad papiers maakte. Voorts hadden wij nog een obligaat op de violoncel van een Duitscher met een plat hoofd en een gouden bril; en het concert eindigde, zooals een deugdzaam concert behoort te eindigen, met eene ouverture.

De zaaldeur werd opengezet, en de geparfumeerde dampkring door een gevoeligen tocht gezuiverd. De boa’s en pelerines werden opgehaald. De cephaliden werden om die kopjes, die er lief mee uitzagen, vastgestrikt, of anders in de hand gereed gehouden, en de jonge heeren, die het er op gezet hadden de eene of andere schoone naar het rijtuig te geleiden met het stellige voornemen om dien nacht van dat geluk te droomen, zochten zich van stonden aan van een gunstig standpunt te verzekeren. De heeren, die vrouwen hadden, waren boos dat hunne rijtuigen zoo laat kwamen, en de heeren, die paarden hadden, maakten zich ongerust dat het hunne misschien lang zou moeten wachten; den jongen meisjes speet het, dat het hare zoo vroeg kwam; en enkele opgewonden jonge heeren spraken er van, dat het aardig zou wezen de concertzaal in een balzaal te veranderen, en hingen eene verleidelijke schilderij van deze gelukzaligheid op.

Van der Hoogen was weder in ons midden en stond zoo dicht mogelijk tegen den linkerarm van Henriette aangedrongen. Zij was allerliefst jegens hem, en schertste en lachte; maar toen de knecht met groot misbaar “de koets van mijnheer Kegge!” aankondigde, draaide zij zich eensklaps om en greep in een aanval van behaagzieke speelschheid mijn arm. Van dien oogenblik aan haatte mij de charmante. Zegevierend zag Henriette om. Mijnheer Kegge, die haast maakte, volgde met mevrouw; Van der Hoogen moest zich dus met de kleine Hanna behelpen, naar welke hij zich heelemaal scheef moest overbuigen, tot groot genoegen van de dubbele rij van heeren en dames, tusschen welke wij bij het verlaten der zaal doortogen. Een charmante spitsroede.

Wij kwamen thuis. Er werd een buitengewoon souper aangericht. Tegen het dessert dook de heer Kegge zelf in zijn wijnkelder en bracht zulk een menigte van allerlei merken boven, dat het hart mij van angst in de keel begon te kloppen. De charmante, die van de partij was, stelde een toost op de schoone pianiste in, en las daarbij een fransch extemporeetje van zijn eigen maaksel voor, waarin hij op eene charmante wijze over alle regelen der taal had gezegevierd. Hoofdzakelijk zeide hij, dat Henriette een mooi meisje met bruine oogen, een engel, en eene godin der muziek was, en daarbij kwamen eenige opmerkingen omtrent uitgetrokken harten en op tonen drijvende zielen. Wij waren allen geheel bewondering, en mevrouw Kegge niet het minst, hetgeen ongetwijfeld veel voor de zaakrijkheid van het gedicht pleitte, daar HEd. van de zes woorden er maar drie verstaan had. Mijnheer Kegge dronk den dichter, en de dichter dronk den heer Kegge; en de heer Kegge liet de kurken van champagneflesschen tegen den zolder springen; en de heer Van der Hoogen sloeg met de platte hand op champagneglazen dat de wijn op nieuw begon te schuimen; en dit alles was ter eere van juffrouw Henriette Kegge.

Ochtendbezoek en Avondwandeling.

Des anderen daags vóór den middag werd de goede De Groot aangediend en trad de kamer binnen verzelschapt van zijn lieve dochter, die een groote gunstelinge van den heer Kegge was en in zijn huishouden goede diensten bewees. Dien middag zou zij met ons dineeren, en haar vader bracht haar zelf, omdat hij meteen zijne dankbaarheid wilde komen betuigen voor het introductiekaartje. Hij sprak met de grootste opgewondenheid over den avond van gisteren.

“Nooit in zijn leven had hij zoo iets moois gezien of gehoord. Dat was een rijkdom! Dat waren stukken muziek! Hij wist niet hoe het mogelijk was, dat een mensch zoo vlug op ’t klavier wezen kon als nicht Henriette; en toen hij haar zoo had zien zitten, misschien was het zonde geweest, maar hij had gedacht, dat zij zoo mooi was als een engel uit den hemel.”

Henriette glimlachte en vergat, om het streelende der vergelijking, dat zij die voor ditmaal uit den mond vernam van een koekebakker. Zij begon daarop zeer vriendelijk naar juffrouw De Groot te vragen en haar spijt te betuigen dat zij niet op de verguldpartij had kunnen komen; zij zou juffrouw De Groot nog eens in persoon haar excuses komen maken.

“Neen maar, juffrouw … ik wil zeggen, nicht Henriette!” zei de goede man, “dat behoeft in’t geheel niet. Uw bezoek zal haar welkom zijn, maar excuses! och, dat behoeft niet; dat weet neef Kegge wel. Mijn vrouw heeft het ook volstrekt niet kwalijk genomen; dat moet u toch vooral niet denken!”

“Nu, neef De Groot”… zei Henriette vriendelijk … en wie weet hoe lief zij zou geweest zijn? maar het woord bestierf haar op de lippen, want de charmante trad binnen en maakte wat ik zijn “compliments de coutume” noemde.

“Wel, juffrouw Henriette! Is de nachtrust goed geweest, na de fatigue van gisteren? Ik heb geen oog toe kunnen doen; ik was nog zoo geënthusiasmeerd van de muziek. Het was een charmante avond; de geheele wereld had zich dan ook perfect geamuseerd. De stad is van u vervuld!”

“Vleier!” zei Henriette, “maar ik weet,” liet zij er op goedigen toon op volgen, “ik weet dat gij het goed meent.”

En zij reikte hem de hand.

Hij nam die met vervoering aan en trok haar naar de vensterbank.

“Wie is die man?” vroeg hij, den goeden De Groot van het hoofd tot de voeten opnemende.

“De vader van Saartje,” antwoordde Henriette bedeesd.

“o Ho!” zei de heer Van der Hoogen, die dat ook zeer wel wist hem den rug toedraaiende. En zijn lorgnet in het oog klevende bezag hij den ruiker bloemen, die in een sierlijke porseleinen vaas op een guéridon voor het raam stond.

“Wat een mooi bouquet, zoo laat in ’t jaar!” merkte hij aan.

“Papa is zoo lief geweest het mij mee te brengen. Het heeft zijn beste dagen al gehad.”

“Reiken de stelen allemaal wel goed aan ’t water?” vroeg de charmante.

Hij stak, om zich daarvan te overtuigen, zijn hand diep in den ruiker, en toen hij die weder terugtrok, was het als of er iets violetkleurigs in achterbleef, dat naar de punten van een klein biljet zweemde.

De heer Kegge was ondertusschen druk bezig met neef De Groot, die echter niet op zijn gemak was, aangezien Azor en Mimi het hem verbazend lastig maakten; en hoewel mevrouw Kegge hem gedurig verzekerde dat het de liefste diertjes van de wereld waren, die nooit iemand leed deden, bevielen hem de steeds luider uitvallen en het gestadig pronken met hunne witte tanden zeer weinig. Zijn bezoek was slechts kort; hij groette mijnheer en mevrouw Kegge allerhartelijkst, “juffrouw, ik wil zeggen nicht Henriette” zeer eerbiedig, en maakte ook een buiging Voor Van der Hoogen, die hem met een hooghartig “goeden dag” betaalde.

Van der Hoogen ging daarop mijnheer en mevrouw Kegge bezighouden, en Henriette trad op den bloemruiker toe, haalde er het biljet uit en borg het in haar ceinture, evenwel zoo handig niet of ik bemerkte het volkomen; zij vermoedde dit, en kreeg een kleur. De kaketoe werd daarop haar toeverlaat. Zij hield hem een stukje beschuit voor.

“Wat zegt Coco dan tegen de vrouw?”

“Pas op, pas op!” riep de kaketoe, die blijkbaar in de war was. Van der Hoogen vertrok spoedig daarop, en de dag had vooreerst weinig merkwaardigs meer. Grootmama liet naar Saartje vragen; zij bleef een uurtje boven, en kwam daarna met roode oogen beneden.

“Gij hebt de lieve oude vrouw wat gelukkig gemaakt!” fluisterde zij mij in.

Ik had gelegenheid in den loop van den namiddag de lieve blonde eens zoo goed als alleen te spreken, en spoedig maakte ik daarvan gebruik om het gesprek op haar vriendin Noiret te brengen.

Zij verhaalde mij van Suzettes onvergelijkelijke gehechtheid aan haar moeder, van hare voorbeeldelooze werkzaamheid, waardoor zij zooveel mogelijk in de behoeften van deze voorzag, van haar eigen schamel kamertje, en van alles wat haar om den wil harer moeder zoo zeer bekommerde. Ook deelde zij mij mede, dat er een knappe jongen in de stad was, een schrijver op een der stadsbureaux, die een dollen zin in Suzette had, en dat zij geloofde, dat hij Suzette ook niet ten eenenmale onverschillig liet; maar dat zij het voor zichzelve niet wilde bekennen, omdat zij meende dat de inwilliging van een dergelijk gevoel eene misdaad was tegen hare moeder; dat zij daarom dien jongeling altijd op een afstand hield en hem soms wel wat erg behandeld had, wat zeker tegen haar eigen hart was; en dat zij zich dat dezer dagen bijzonder verweet, nu zij vernomen had, dat hij, er aan wanhopende ooit hare genegenheid te zullen verwerven en toch ook vooreerst geen mogelijkheid ziende om haar een onafhankelijk bestaan te verzekeren, het plan had opgevat om zijn geluk in de West te gaan beproeven.

“O, dat maakt haar tegenwoordig zoo ongelukkig,” voegde Saartje er bij, met een traan in de mooie oogen, “en dan verwijt zij zich weer dat hare gedachten een oogenblik aan iemand anders behooren dan aan hare moeder.”

Henriette was dien geheelen dag bijzonder aangenaam en lieftallig jegens mij; zij had allerlei zoete oplettendheden aan tafel, prees mij verscheidene malen in het aangezicht, en gaf mij zelfs bij het doorbladeren van hare teekenportefeuille, uit een open reden, een allerliefste teekening op rijstpapier ten geschenke.

In het schemeruur bracht ik Saartje thuis; en het lustte mij, daarna een kleine stadswandeling te maken, in dat bij uitstek drukke uur, waarin de werklieden en schoolkinderen naar huis gaan en de dienstmaagden hare boodschappen beginnen, hare minnaren toevallig tegenkomen, of elkander gewichtige mededeelingen doen omtrent de verschillende karakters van haar heer, haar mevrouw, den oudsten jongeheer, en de oudste juffrouw, bij welke gelegenheid de heer er altijd beter afkomt dan de mevrouw, en de mevrouw beter dan de oudste juffrouw, terwijl de jongeheer een van tweeën, òf een “akelig stuursch minsch”, òf “een heertje” is. Ik heb dit uit mijn vroege jeugd overgehouden, dat ik gaarne de lichten in de winkels zie opsteken, en ook ditmaal stond ik nu eens stil bij een in het donker vooral zoo plechtig smidsvuur, waaruit de gloeiende bouten schitterend te voorschijn kwamen, om onder de slagen van den voorhamer eene horizontale fontein van vuur uit te spreiden, waarbij het zwarte gelaat van den smid fantastisch verlicht werd; dan weder boeide mij het wreedaardig schouwspel eener slachterij, waar de knechts, in hunne bloederige wollen kousen tot over de knieën reikende en met een ouden hoed over hunne blauwe slaapmutsen, zichzelven bijlichtten met een brandend smeerkaarsjen op gemelden hoed vastgekleefd, dat een tooverachtig licht in de opengehouwen koebeesten wierp, wier inwendige belangen zij verzorgden. De straatlantaarns waren nog niet opgestoken en zouden eerst twee uren later aanlichten, omdat het onmogelijk is dat een vreemdeling op een stikdonkere gracht in het water loopt, als het nog niet langer dan anderhalf uur stikdonker geweest is.

Het gebeurde dat ik, op zulk een donkere gracht, voortschrijdende zonder precies te weten waar ik mij bevond, op eenigen afstand twee personen ontwaarde, waarvan de een evenveel neiging toonde om den anderen te ontloopen, als de andere gezind scheen de eerste terug te houden. Naderbij komende zag ik dat gemelde personen tot verschillende kunnen behoorden, en daarop hoorde ik eene zachte vrouwestem, maar schor van zenuwachtigheid, duidelijk zeggen: “laat me los, mijnheer! of ik schreeuw”.

Het leek mij toe, dat de mijnheer, tot wien deze bedreiging gericht was, en die een langen mantel droeg, van nature een vijand van schreeuwen was. Althans hij liet de persoon die gesproken had oogenblikkelijk los en verdween in een zijstraat. Ik had de stem herkend.

“Zijt gij het juffrouw Noiret? “Wie durft u aanraken? Laat ik u thuis brengen,” sprak ik haar toe.

Het arme meisje kon niet antwoorden; zij beefde van het hoofd tot de voeten, en ik had moeite haar op de been te houden.

“Het is verschrikkelijk,” snikte zij: “o indien gij zoo goed wilt wezen; het is ijselijk ….”

Meer kwam er niet uit. Ik geleidde haar zwijgend tot naar den kleinen koomenijswinkel, waar zij haar kamertje had. In het voorhuis zonk zij op een bank neder. Het was er donker, want op de geringe nering kon geen licht overschieten. De vrouw uit den koomenijswinkel kwam naar voren loopen, met een baklamp in de hand.

“Och lieve help! wat scheelt de juffrouw? wat ziet ze bleek. Is de juffrouw verschoten? Ga gauw in ’t kantoortje, juffrouw! Ik ga de kaars opsteken.”

Zij ging heen om den blaker van juffrouw Noiret te halen, en ik bracht die in een klein, van ’t voorhuis afgeschoten kamertje dat zij mij als ’t kantoortje had aangewezen en dat dien naam met recht verdiende, daar er niets te vinden was dan eene kleine hangoortafel, vier matten tabouretten, en een leelijk gezicht in een lijstjen aan den wand, voorstellende den held Van Speyk!

Ik liet haar een glas water halen.
Ik liet haar een glas water halen.

Ik liet haar een glas water halen.

“Maar me lieve gunst, wat scheelt er dan toch an!” riep de koomenijsvrouw uit, toen zij den blaker van Suzette aangestoken en haar eigen lamp, daar er geen twee lichten noodig waren, onmiddellijk daarop uitgeblazen had.

Ik liet haar een glas water halen. Suzette dronk er een teugje van, en het glas klapperde tusschen hare tanden. Nog kon zij niet spreken. Het klamme zweet stond haar op het aangezicht.

“Maar me lieve gunst,” begon de bezorgde, maar nog meer nieuwsgierige, hospita alweer, “dat’s nou toch wel een raar geval. De juffrouw het ’et disperaat op ’er zenuwgestel. Wil ik naar de apteek loopen en een rooie schrikpoeier halen?”

“De juffrouw is aangerand,” zei ik, “er loopt kwaad volk. Ik was er bijtijds bij; men wilde haar afzetten.”

“Angerand!” riep de hospita uit; “ofzetten! Ja, ’t is een ijselijkheid dat er geen werk is. En mijn Kobus is ook nog bij de weg, die kennen ze dan ook nog wel anranden en ofzetten, ofschoon ie juist niet meer bij’em het dan zen zuiver orlozie, en daar is een stevige kopere kast om; da’s één geluk. Ja, ik heb al lang gedocht dat het niet pruisisch was hier in de stad. Der is nog reis een winter geweest dat ’et zoo erg was. Et was in de tijd dat ik op alle dag liep van me derde. Maar toen braken ze in bij de lui en kwammen voor de lui der bed staan, met een armpie van een ongeboren kind. Daar zel meheer wel van gehoord hebben. En dan stakken ze zoo’n armpie in brand, en ze draaiden ’t driemaal over de lui der hoofd om, en dan zeien ze, ja wat zeien ze ook? dan zeien ze: die waakt, die waakt, die slaapt, die slaapt! en in die omstandigheid, wil ik maar zeggen, daar je dan in verkeerde, daar bleef je ook in. Anranden! ’t is wat moois in een kristenland! Gelukkig nog, juffrouw, dat ze je die japon niet of-hebben angerand; dat zou een leelijkerd wezen!”

En zij nam Suzette een toegespeld pak af, dat deze nog altijd stijf onder den arm hield, en lei het voorzichtig op een der matten tabouretten.

“Breng het boven, moedertje,” zei ik, “en laat ons even alleen, want ik hoop dat de juffrouw mij den persoon zal kunnen beschrijven; dan zal ik hem bij de politie aangeven.”

“Beskrijven! Ja, dat gaat zoover as ’t voeten het,” antwoordde de klapper; “en weet je wat Kobus zeit? ze krijgen er de verkeerde deur te pakken. Laatstleden varkemart hebben ze nog ’en jong gezel, een die hier, zel ik maar zeggen vreemd was, opgepakt. Der komt ommers altijd, op de varkemart hier zoo’n poffertjeskraam? Nou, hij mocht zoo bij die poffertjeskraam staan te kijken na die groote kopere schuttels en zoo; daar komt er een diender na ’em toe; die leest op ’en pampiertje, en toen kijkt ie ’em an. Nou; de jonge wist van de prins geen kwaad. Maar de diender zeit teugen ’em: jonge, zeit ie, ga jij reis effen mee. Ik dankje vrindelijk, man, zeit den ander. Maar het holp niet, want de diender zei: maatje, zeidie, kijk reis effen wat ik hier onder me jas heb. Nou, dat waren nies anders as van die duimskroefies, as meheer wel reis zel gezien hebben, daar ze een minsch mee vastskroeven, zel ik maar zeggen, dat ie geen vin verroeren kan. Nou, die mocht die man niet, dat ie mijn slacht. Zoo gezeid, zoo gedaan; daar holp geen lievemoederen an; hij most en hij zou mee. Maar toen ie vijf dagen had zitten brommen—hij was toch maar al die tijd uit zen werk, zie je—daar komt die zelfde diender, in zen hok, zel ik maar zeggen, of waar dat ie dan zat, en zeit dat ie maar stilletjes vort zou gaan. Maar hij zei, neen, zeidie, dat gaat zoo niet. Want hij wou der verhaal op hebben, zie je meheer! Maar dat weten we wel; dat gaat zoo ver as ’t voeten het. Zoodat ik maar zeggen wil, dat beskrijven niet veul ofdoet. Maar daarom zei Kobus altijd, in die winter toen ’t nog reis zoo erg was: as ik er eentje te pakken kreeg, ik zou ’em teekenen, dat ik ’em voor goed zou kennen …”

Ik herhaalde mijn wensch om met juffrouw Noiret alleen te blijven. Zoodra de babbelachtige vrouw gegaan was, borst zij in tranen uit.

“Dit heeft hij mij in de hand gestopt!” riep zij uit; “verbrand het in de kaars.”

En zij wierp een violetkleurig briefjen op de tafel, dat zij in hare zenuwachtige spanning geheel verfronseld had. Daarop zeide zij met eenen innigen afschuw:

“Foei, mijnheer Van der Hoogen!”

Ik nam het briefjen op.

“Mag ik het bewaren?” vroeg ik haar. “Het kan mij te pas komen.” Ik herstelde het in zijne vroegere gedaante, en stak in mijn portefeuille.

Toen Suzette wat bedaard was, deelde zij mij mede, hoe zij sedert eenigen tijd overal door Van der Hoogen vervolgd werd. Hij was immer op haar weg. Bij het gaan van haar kamer naar het hofje, en bij het uitgaan der kerk; ja, in de laatste week had hij een paar malen het hofje zelf tot zijn namiddagwandeling gekozen, onbeschaamd bij haar moeder ingekeken, en tegen haar, Suzette, geglimlacht. Zoo erg als van avond had hij het evenwel nog nooit gemaakt. Zij was uitgegaan om freule Nagel een japon te passen, zonder hem nochtans te ontmoeten. De freule had haar bij het heengaan, met hare gewone vriendelijkheid, als Suzette zei, de bescherming van haar lakei aangeboden; maar zij had het afgeslagen, daar zij niet had gedacht dat het buiten al zoo donker was. Ondertusschen was de avond op eens gevallen, en zij was nog geen twintig schreden van het huis van den heer Van Nagel, of zij hoorde reeds den stap van Van der Hoogen achter haar, terwijl hij haar door zonderlinge geluiden op zijne nabijheid opmerkzaam maakte. Zonder op of om te zien had zij hare schreden versneld; in haren angst had zij gemeend hem te zullen ontvlieden door een zijstraat in te slaan; hij was haar ook daar gevolgd. Toen zij op de donkere gracht was gekomen, had hij haar om de middel gegrepen en haar eenige woorden toegesproken, die zij evenwel door den schrik niet verstaan had. Hij had haar daarop het briefjen in de hand gedrukt, dat zij zich, zeker werktuigelijk, had laten welgevallen. Daarop had hij haar willen kussen, en had zij de woorden uitgesproken die ik gehoord had.

Na deze mededeeling, en nadat zij geheel van den schrik zeide bekomen te zijn, ofschoon zij nog altoos bleekzag, verzocht zij mij dat ik haar verlaten zoude. Zij wilde zich door een der kinderen van haar hospita naar haar moeder laten brengen, die van niets weten moest.

Ik vertrok.

Op straat verdiepte ik mij in ernstige overleggingen hoe mij na dit alles te gedragen. Van der Hoogen had mij sedert onze eerste ontmoeting niet willen bevallen, en ik had, op gelaat en manieren af, weinig gunstige vermoedens van hem opgevat. Dat hij het hof aan Henriette maakte had ik terstond gemerkt en met leede oogen aangezien. Ik vreesde dat, indien niet louter haar geld, dan misschien haar geld, vermeerderd met haar schoon, den fat aanlokten, dien ik daarenboven voor een slecht sujet hield, dat haar ongelukkig zoude maken. Ondanks alle hare kuren, was Henriette hiertoe te goed, en in gedachten had ik haar een man toegezegd, die haar door meerderheid in verstand verbeteren en eenmaal tot eene lieve vrouw maken zoude, tot welker vereischten zij toch waarlijk vele bestanddeelen bezat. Van der Hoogen had mij, zooals de lezer zich herinneren zal, met een woord gezegd dat hij ook te Leiden had “geresideerd”, en daar ik het geluk had in de Sleutelstad menschen van allerlei stand te kennen, had ik al spoedig omtrent ZEd. eenige berichten ingewonnen. Deze waren niet gunstig voor den charmanten uitgevallen en pleitten evenmin voor zijn gedrag als mensch, als voor zijne beginselen als ambtenaar.

Ondertusschen was hij dagelijks voortgegaan met de jeugdige te bestormen, die hem waarschijnlijk wel niet liefhad, maar jong en onervaren zich aan hare behaagzucht overgaf en aan den prikkel van het romaneske, waartoe zij eenige neiging toonde. Daarenboven kon men aan Van der Hoogen eenige uiterlijke voorrechten niet ontzeggen. Het was nu tusschen hen beiden een stille liefdeshistorie geworden, dat wil zeggen, zoo gevaarlijk als eene liefdeshistorie zijn kan. Het biljet in den ruiker had dit voor mij boven allen twijfel verheven. Ondertusschen had de charmante zich in het gebeurde met juffrouw Noiret aan mij vertoond als een lage dubbelhartige bedrieger en avontuurlijke lichtmis, die het op het geluk en de onschuld van onervarenen en weerloozen toelegde, en ik verachtte hem in het diepst van mijn ziel. Ik begreep dat het mijn plicht was juffrouw Noiret tegen alle verdere lagen te beschermen, en Henriette, om een versleten leenspreuk te gebruiken, van den afgrond terug te leiden, op welks rand zij in zulk slecht gezelschap omdoolde.

Waar ik eindelijk toe besloot zal het volgende hoofdstuk leeren.

Een hoofdstuk waarmee de auteur ijselijk verlegen is, omdat hij er zelf de mooie rol in speelt; iets dat hij wel weet dat hem in ’t geheel niet past, maar dat hij toch voor ditmaal niet helpen kan.

Hildebrand, die door een samenloop van omstandigheden bestemd was om in deze geschiedenis een handelend persoon te worden, stond den volgenden morgen een half uur vroeger dan de vorige dagen op en liep met een gewichtig gelaat en groote stappen de kamer op en neer, eene beweging, die hij altijd aanneemt als hij over iets belangrijks of als hij over niets denken wil. Nu eens blikte hij veelbeduidend op naar de giftige pijlen aan den wand, dan weder overzag hij zijne heldhaftige houding in den spiegel, en eindelijk wijdde hij een groot gedeelte zijner aandacht aan de musschen, die in den tuin af en aan vlogen en elkander niet zelden onaangenaamheden toevoegden omtrent zekere kruimels en kleine korstjes brood, die reeds in dit vroege morgenuur hare hartstochten in beweging brachten.

Hij kwam daarop geheel gekleed aan het ontbijt, eene omstandigheid die niemand bevreemdde, daar het zondag was, ofschoon er op dien bijzonderen zondagmorgen juist niemand naar de kerk ging dan de oude mevrouw. Mijnheer verklaarde “veel van den godsdienst te houden, want wat zou er zonder godsdienst van de maatschappij worden!” maar hij kon “het geteem van de dominé’s in deze stad niet aanhooren”; voor mevrouw “tochtte het in de kerk al te verschrikkelijk”; en wat Henriette betrof, zij ging wel, maar “zag er geen noodzaak in er sleurwerk van te maken”.

Hildebrand nam den schijn aan van naar de kerk te zullen gaan, en had evenwel voorgenomen het niet te doen. Hij herinnerde zich, niet zonder ingenomenheid met de hooge roeping die hij in zich gevoelde, het zeggen van Fenelon, in het treurspel van dien naam:

“Dit is mijn eerste plicht. Men dien’ de menschlijkheid,

En zing, daarná, den lof der Hemelmajesteit!”

Hij had zich den vorigen avond laten onderrichten waar de kamers van den heer Van der Hoogen te vinden waren en moest ze in een der middelbare straten van de stad, boven een beddewinkel, zoeken. De heer Hildebrand stapte er heen in de vaste overtuiging den heer Van der Hoogen thuis te zullen vinden.

Daar hij zich evenwel tebinnenbracht dat de heer Van der Hoogen, die een post aan het bureau der registratie had, dagelijks reeds om tien uren in den morgen aan dat bureau verschijnen moest en dan nog wel tot twee uren na den middag druk werk had, kwam het hem niet onwaarschijnlijk voor, dat gemelde heer Van der Hoogen des zondags een weinigje zou moeten uitslapen en dus hoogstdenkelijk nog op zijn bed zou liggen. Daarbij voegde zich misschien heimelijk een weinig innerlijke neiging om de onaangename boodschap, die het “dienen der menschlijkheid” in dezen medebracht, nog een oogenblikje uit te stellen.

Nu gebeurde het dat Hildebrand, op zijn weg naar den beddewinkel in de middelbare straat, een plein over moest, waarop een kerk stond, waaruit het gezang der geloovigen krachtig opsteeg; en hij gevoelde lust om ten minste nog een gedeelte van de godsdienstoefening bij te wonen.

Hildebrand is geen voorstander van het laat verschijnen in het huis des Heeren. Hij begrijpt dat Gods Woord er geenszins voor niet wordt voorgelezen, en veel minder om als een demper te dienen op het gedrang om plaatsen en het geschuifel met stoven; maar wel moet hij bekennen dat het iets bijzonder plechtigs en indrukmakends heeft, zich op eenmaal van de stille straat in een hoofdkerk te verplaatsen, waar een groote schare reeds met ongedekten hoofde ter nederzit en, onder het statig intoneeren van het orgel, zijn lofzang als uit ééner harte opheft. De aanblik eener gemeente, vereenigd, ten minste uiterlijk vereenigd, in den dienst van God, heeft reeds op zich zelf eene ontroerende stichtelijkheid; en wij zijn er, geloof ik, zoo menigen goeden en christelijken indruk aan verplicht, dat het, al was het alleen daarom, de moeite waard is de les van den apostel te betrachten: “Laat ons onze onderlinge bijeenkomste niet nalaten”.

’t Hijgend hert,

zoo zong de saamgevloeide schare met de woorden van den Tweeënveertigsten Psalm:

’t Hijgend hert, der jacht ontkomen

Schreeuwt niet sterker naar ’t genot

Van de frissche waterstroomen,

Dan mijn ziel verlangt naar God.

o Gij, die meent dat tehuis een “goede” preek te lezen—gij leest gewis altijd goede preeken, en krijgt niet dan slechte te hooren?—o Gij, die meent dat tehuis een goede preek te lezen, en des noods een psalm er bij, even stichtelijk is als de openbare samenkomst; die het gebod des Zaligmakers om in de binnenkamer te bidden, tegen het bidden met de gemeente overstelt, hebt gij dan nimmer het hartverheffende gevoeld, dat het gezicht van zoovele menschenkinderen, uit alle standen, die met en rondom u hetzelfde lied aanheffen, hetzelfde woord van vertroosting aanhooren, en denzelfden Vader in de hemelen, in naam van denzelfden Verlosser, aanroepen, teweegbrengen kan?

Jammer dat de organist de kracht van den roep der gemeente tot God in een laf naspel liet verloren gaan.

Een eenvoudig man van hooge jaren stond op den predikstoel en sprak de gemeente naar aanleiding der opgezongen woorden opwekkelijk toe. Hij deed daarop een eenvoudig, ootmoedig, en recht biddend gebed. “Een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel”, zegt Jacobus. Toen noodigde hij de gemeente andermaal tot een gezang; en nu werd er uit den Eersten Psalm aangeheven:

De Heer toch slaat der menschen wegen ga,

En wendt alom het oog van zijn gena

Op zulken, die, oprecht en rein van zeden,

Met vasten gang het pad der deugd betreden;

God kent hun weg, die eeuwig zal bestaan;

Maar ’t heilloos spoor der boozen zal vergaan.

Dit waren ook de tekstwoorden van den grijzen evangeliedienaar: “De Heer kent den weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddeloozen zal vergaan.” En met dit woord in het hart spoedde Hildebrand zich naar Van der Hoogen.

“Op de voorkamer!” riep de vrouw uit den beddewinkel, haar hoofd uit een achterkamer stekende; “de trap op; de eerste deur aan uw linkerhand!”

Hildebrand volgde die aanwijzing. De deur van de voorkamer stond halfopen, en hij bevond zich op het grondgebied van den charmanten. Deze echter was er niet.

De kamer was niet bijzonder charmant; zij was slecht gestoffeerd en alles behalve net. Een gemakkelijke leuningstoel was het beste meubel. Aan den muur hingen een paar prenten met Robert Macaire, en eenige vrouwenbeelden van de hand van kunstenaars, die zich bijzonder op het naakt schenen te hebben toegelegd. Boven den schoorsteen een schermmasker, schermhandschoenen en floretten, en de staart van een fazantehaan, dien Van der Hoogen moest verbeelden eenmaal geschoten of gegeten te hebben. In den rand van den spiegel staken eene menigte invitatiekaarten, waaronder sommige van reeds zeer ouden datum. Op tafel stond een groote flacon met reukwater en lag een deeltje van Paul de Kock opgeslagen. Er brandde een vuur in den haard, dat echter in het laatste halfuur slecht scheen onderhouden te zijn. Een onaangeroerd ontbijt stond op, en van de kook geraakt theewater onder de tafel. Dit beteekende dat de heer Van der Hoogen waarschijnlijk nog in zijn slaapvertrek was. Hildebrand hoopte dat de hospita hem zou aandienen.

Weldra kwam er ook waarlijk iemand de trap oploopen, maar het kon de hospita niet wezen, want Hildebrand hoorde degelijke manslaarzen kraken. De boven komende persoon scheen een kleinen overloop over te gaan, en hij hoorde hem een andere deur opendoen. Daarop vernam hij eene stem, die uit de dekens scheen te komen en “wie daar?” riep.

“Bout,” was het antwoord van den binnengekomene. “Lui beest, legje nog al op je bed?”

“Hei, hei wat,” antwoordde Van der Hoogen, “’t is pas dag. Je moet bedenken dat ik zes dagen van de week voor dag en dauw op moet. Dat verhaal ik op den rustdag, man! D … rs, ik heb koppijn, hoor! Die wijn op de sociëteit is slecht.”

Er volgde een gesprek daar ik niet alles van verstond, maar wel merkte ik, dat het op het laatst over iemand liep, die zij, “het zwartje” noemden; en spoedig daarop werd het Hildebrand duidelijk, dat Van der Hoogen zijn wedervaren met juffrouw Noiret vertelde, waarvan de herinnering hem zoo veel genoegen scheen te verschaffen, dat hij in een geweldig lachen uitborst.

“Alles goed en wel!” zei daarop de persoon, dien Hildebrand met den naam van Bout had hooren benoemen, en die een zeer rauw en onaangenaam geluid sloeg, “alles goed en wel! maar je bent toch een handjegauw. Waarom nu niet nog een beetje gewacht, totdat de jongen goed en wel in de West is?”

“Boutje!” antwoordde Van der Hoogen, die in dit gezelschap zijn lievelingsterm charmant voor een minder onschuldigen scheen te moeten verwisselen, “het zwartje is zoo verd …. mooi.”

“Kinderachtig!” hernam de ander; “een reden te meer om geduld te hebben. Ik heb uit louter vriendschap voor jou een halfjaar geijverd om den schimmelbek zin in de West te doen krijgen, en nu het eindelijk lukken zal, ga je niet je eigen drieguldens je glazen ingooien. Als de meid het immers vertelt, hebje gedaan.”

“Geen nood!” antwoordde Van der Hoogen; “jongens kerel! ik heb haar zoo’n char …” (daar had hij zich haast versproken!) “verd … mooi briefje geschreven; er komt van wanhoop in, en van eene eeuwige teederheid. Je moest het lezen, kerel. En zóó was ze niet, of ze heeft dat wel stilletjes aangenomen. En was die verd … kerel niet gekomen …. Maar zeg reis, gaat hij stellig naar de West?”

“Hij is er zoo verliefd op, als hij eerst wanhopig was, ’k ben d ….rs,” zei Bout; “hij leeft in de stellige overtuiging dat hij, binnen zes jaar, op zijn minst half zoo rijk weerom komt als mijnheer Kegge. Hoe maakt de dochter van dien blaaskaak het? Henriet; hiet ze zoo niet?”

“Patent, kerel, patent! Mooier dan ooit, en verliefd tot over de ooren. Weetje wat? zet terwijl reis thee voor me; ik kom zoo dadelijk bij je.”

De heer Bout kwam daarop naar voren, en Hildebrand zag een gelaat, dat de uitdrukking van de grootste onbeschaamdheid aan die der hatelijkste geveinsdheid paarde. Zijne oogen hadden dien doordringenden, zinnelijken blik, die eerzame harten zoo bijzonder pleegt te stuiten. Hij was een buikig man van vier-, vijfendertig jaar, dragende een dichtgeknoopte blauwe jas, een glimmend geborstelden hoed, en gewapend met een dikken bamboesrotting. Hij stond verbaasd iemand in de voorkamer te ontmoeten. Hildebrand maakte zich bekend, en verklaarde dat hij gekomen was om den heer Van der Hoogen te spreken.

“En hebje al lang gewacht, mijnheer?” vroeg Bout met gemaakte vriendelijkheid.

“Ik kom zoo op het oogenblik,” antwoordde Hildebrand.

De waardige vriend schelde en bestelde ander theewater. De juffrouw gromde “dat het geen manier van doen was”, en ging de trappen af met den theeketel. Eer zij nog terug was, verscheen Van der Hoogen.

Hij zag er alles behalve aantrekkelijk uit, met zijne lange haren ongekruld en woest over zijn bleek gezicht hangende, in een verschoten kamerjapon, op wollen kousen en versleten pantoffels.

“Gij hier, mijnheer Hildebrand?” zeide hij bij het inkomen.

“Ik had een boodschap aan u,” antwoordde de toegesprokene.

“Charmant, charmant!”

“Mijnheer zal u misschien alleen willen spreken”, merkte de waardige Bout aan; “dan ga ik nog een kerkje knappen; de kerk zal toch wel al aan zijn?”

Van der Hoogen lachte schreeuwend om deze geestigheid.

Maar kan er ook iets grappigers bedacht worden dan met de kerk te spotten?

Bout vertrok.

“Je moet me eerst wat laten besterven,” zei Van der Hoogen geeuwende en een ei slurpende; “het is gisteren wat laat geworden op de sociëteit, en mijn keel is wat rauw van den chambertin.”

“Ik heb niet veel te zeggen, mijnheer Van der Hoogen!” zeide Hildebrand, vast besloten om maar in vredes naam met de deur in huis te vallen, en vooral niet rouwig wegens het vertrek van den achtenswaardigen Bout.

“Het moet u niet verwonderen, mijnheer! als het huis van de familie Kegge u eerstdaags wordt ontzegd …”

De charmante werd, van bleek, vaal en zag Hildebrand verbaasd aan. Hij wist volstrekt niet hoe hij het met hem had.

Hildebrand maakte van deze gelegenheid gebruik om in éénen adem voort te gaan: “De heer Kegge zal eerstdaags weten, wie gij zijt, mijnheer! Uw dubbelzinnig gedrag zal hem bekend worden. Hij zal kennis dragen van de lagen, die gij aan de onschuld legt, terwijl gij zijn dochter het hof maakt.”

De heer Van der Hoogen wist zijne verlegenheid niet beter te verbergen, dan door in lachen uit te barsten. Hij begon daarop aan zijn. derde eitje, en antwoordde op een onverschilligen toon:

“Wie zegt dat ik aan zijn dochter het hof maak?”

“Ik!” antwoordde Hildebrand zonder te aarzelen; “ik, mijnheer! ik, die u deze gansche week bespied heb; ik, die weet dat gij violette briefjes in haar bloemruikers stopt; ik, die ook weet dat gij bij donkeren avond met violette briefjes over straat loopt, om ze argeloozen meisjes in de hand te wringen; ik, mijnheer! die ook weet welke slachtoffers de heer Van der Hoogen elders heeft gemaakt, en die zorgen zal, zooveel in mij is, een dergelijk lot af te keeren van menschen daar ik belang in stel.”

Van der Hoogen.
Van der Hoogen.

Van der Hoogen.

De heer Van der Hoogen deed zijn best om nog luider te lachen, wipte met zijn stoel achterover, en riep uit:

“Een charmante klucht! En mijnheer Hildebrand is alzoo dénonciateur van dit alles?”

“Hij kan het worden,” ging Hildebrand voort, die nu eenmaal op gang was; “als ik de stad verlaat zal ik den heer Kegge waarschuwen. Maar eerst wilde ik uzelf dit komen aanzeggen. Ik wilde met open kaart spelen, opdat gij weten zoudt uit welken hoek het u aankwam, als men u bij den heer Kegge met stugheid ontving, of misschien wel de deur wees!”

“De heer Kegge zal laster van waarheid kunnen onderscheiden,” zeide de heer Van der Hoogen met een geveinsde bedaardheid.

“Daarvoor heb ik dit bewijsstuk,” antwoordde Hildebrand, het briefje aan juffrouw Noiret toonende; “men kent uw hand; een biljet vol van de schandelijkste propositiën aan een eerbaar meisje, dat als zij ze gelezen had, reeds meenen zou onteerd te zijn. Het zou mij niet moeilijk vallen uit uwe vroegere ‘residentie’ meer dergelijke briefjes op te dagen. Maar dit eene is genoeg.”

Hildebrand stak het paarse papiertje weder met bedaardheid in den rokzak.

De heer Van der Hoogen stond op. “En wie zijt gij, mijnheer?” voer hij uit, maar lang niet op den toon, die bij zulk eene vraag gepast had: “En wie zijt gij, mijnheer! om mij op mijne eigene kamer de les te komen lezen? Ik houd u voor een ….”

“Geene beleedigingen!” zei Hildebrand, insgelijks oprijzende, en hij voegde er bij: “Uw opstaan verschrikt mij evenmin als deze floretten.”

De heer Van der Hoogen ging weer zitten.

“Gij spreekt van de les lezen!” ging Hildebrand voort. “Uw naam en faam, uw positie in de stad, het is alles in mijne hand. Ik ken uw afkomst, mijnheer Van der Hoogen, weinig strookende met de airs, die gij u geeft; ik ken uw vroeger gedrag, uw gedrag in deze plaats; ook uw gedrag als ambtenaar, en uwe nieuwste machinatiën om personen te verwijderen, die u in den weg staan. Neem u in acht!”

“Gij wilt mij ongelukkig maken,” gromde de heer Van der Hoogen tusschen de tanden.

“Ik wil uwe beteren voor ongelukken behoeden,” hernam de ander. “Hoor hier: ik verklaar mij in de eerste plaats voor den beschermer van juffrouw Noiret. Naar haar zult gij geen vinger meer uitsteken. Haar zult gij nooit, niet één enkel woord, meer toespreken, zelfs niet groeten. Indien ik ooit verneem dat gij haar tot eenigen den minsten overlast zijt, zal de geheele stad weten wie gij zijt, van den baron Van Nagel af tot uwe hospita toe. Voorts zult gij uwe bezoeken bij den heer Kegge verminderen en er van afzien eenigen invloed op zijne dochter te willen oefenen. Zoo ras ik iets verneem dat daarmede strijdt, komt dit biljet onder de oogen van mijnheer Kegge. Nu zal ik alles laten zoo als het is. Deze twee dingen, mijnheer Van der Hoogen! Denk er om!”

“Het is wèl!” zeide hij binnensmonds; en, alsof deze ’t helpen konden, stiet hij de ledige eierdoppen op zijn bord aan duizend gruizelementen.

Hildebrand vertrok, en was duizend pond lichter dan toen hij de trap opkwam.

Het hofje. De heer van der Hoogen af.

Het was heerlijk weer, en ik had niet veel lust mij terstond naar huis te begeven; ik verkoos liever nog eerst een stadssingel langs te wandelen. Wanneer men te Leiden studeert, heeft men eene zekere voorliefde voor stadssingels. Verfrischt door de heldere lucht en den koelen wind, kwam ik de poort weder binnen, en begaf mij naar huis.

Het ongeluk scheen Suzette Noiret te vervolgen.

Niet ver van den Zoeten Inval kwam ik Saartje tegen. Zij liep zeer haastig en met gebukten hoofde; en naderkomende, zag ik dat zij er uiterst verschrikt en ontdaan uitzag en bitter weende.

“Wat scheelt er aan, Saartje?”

“Ach!” riep zij uit, “laat mij schielijk voortgaan. Juffrouw Noiret ligt op sterven!”

“Wat?” zeide ik, hevig ontzet met haar voortstappende en aan Suzette denkende, “en ik heb haar gisteren nog gesproken!”

“Dat kan ook wel zijn,” antwoordde zij; “gisteren was zij nog heel wel. Maar vandaag heeft ze plotseling een overval gekregen. Ik was in de kerk, en moeder was thuis bij de kleintjes. Suzette heeft oogenblikkelijk om moeder gezonden; en nu kom ik, gelukkig en wel, uit de kerk, en daar hoor ik dat de goede juffrouw Noiret misschien nu al dood is; zij is gelaten, zegt vader, en er is geen bloed gekomen, en de dokter heeft haar opgegeven. Wat zal de arme Suzette beginnen?”

Zij snikte luid.

Ik ging met haar naar het hofje.

De zoogenaamde Moeder van die inrichting, een deftige gewezen keukenmeid, met een zeer laag jak en grooten witten halsdoek, stond in de poort met eene oude vrouw te praten, die een zwarten schoudermantel droeg, en duidelijk hoorde ik de woorden: “Zoodat ik je nou maar raai er dadelijk werk van te maken, want anders is een ander je alweer vóór; je gaat nou maar in-mediaat naar de heeren, en zegt: compliment, en dat nommer negen fikant is …”

“En dan?” vroeg de vrouw met den zwarten schoudermantel.

“Dan mot je je beurt afwachten,” zei de moeder.

Die van den zwarten schoudermantel strompelde heen.

“Hoe is ’t met juffrouw Noiret?” vroeg ik aan de moeder, alsof ik van dit gesprek niets begrepen had.

“Afgeloopen!” zei de moeder, haar hoofd schuddende. “Och ja, ze heeft het daar zoo passies afgelegd; ’t zel nou net een klein ketiertje geleden zijn. ’t Is een heele omstandigheid: zóó gezond, en zóó dood. Gisteren ging ik haar deur nog voorbij, en ze knikte nog teugen me, ik loof zelf dat ik nog an haar raam getikt heb, en nog gevraagd hoe ze voer. Ja wel! want ze zei nog teugen me: Heel wel, moeder! Neen, tòch niet, dat was bij Trijntje. Och ja, dat zeg ik, een mensen kan der gauw uit wezen!”

Wij gingen voort. Een der bestjes die op het hofje woonden, stond met een zwart duifjeskiepje bij de pomp; zij zag naar ons om, toen wij haar voorbijgingen, haalde de schouders op, en schudde het hoofd.

“Ze is uit den tijd!” zei de oude best, schudde nogmaals het hoofd, en ging voort met water op haar aardappeltjes te pompen.

Wij traden het huisje van juffrouw Noiret binnen. Door een klein portaaltje, met platte roode steenen geplaveid, kwamen wij in het eenige vertrek, dat hare woning, en die van eene lange reeks van oude vrouwtjes vóór haar, had uitgemaakt. Het was een klein kamertje, met matten belegd, en waarin een schoorsteen was, waaronder zij tegelijk haar potje kookte en zich verwarmde. De meubelen bestonden in eene voor het vertrek zeer groote hangoortafel, een matten stoel of vier, en een groot bureau, waarop in het midden een geel theeservies met roode landschapjes stond geschikt, geflankeerd door een rond en een vierkant verlakt presenteertrommeltje, op hun kant gelegd. In een hoek van dit vertrekje stond de ladder, waarmee men naar het zoldertje opklom, waarop de bedeeling turf en hout gestapeld was, die des winters aan de hofjesvrouwtjes werd uitgereikt en, benevens eene wekelijksche uitdeeling van aardappelen en een potje boter, dit hofje tot het voordeeligste maakte van de vele hofjes waarop de stad zich beroemde. Aan den witten muur hingen een paar silhouetten, waarvan het eene dat van een predikant scheen te zijn, en verder eenig huisraad, dat geene andere plaats hebben kon. Op tafel lag een kwarto bijbel, en een fransch gezangboek; in welk laatste de goede vrouw nog dien eigen ochtend had zitten lezen; haar bril lag tusschen de bladen tot een blijk waar zij gebleven was. Voorts was die tafel nu overdekt met allerlei glazen, lepels, kopjes en zoo voorts, die men in het oogenblik van ontsteltenis gebruikt had. Een sterke geur van Hofmansdruppels kwam ons tegen. Op den stoel, waarop juffrouw Noiret het laatst had gezeten, lag nu haar witte poes, in een gemakkelijke kringvormige houding, op het groene saaien kussen te sluimeren.

Aan het hoofdeneinde der bedstede, waar de gordijnen van waren toegeschoven, zat Suzette, doodsbleek, en met het hoofd in de hand. De goede juffrouw De Groot stond vóór haar, met een vol glas water, en poogde haar te bewegen nog eens te drinken.

Suzette hief het hoofd treurig op, greep het glas aan, en nam werktuigelijk eene kleine teuge. Toen zag zij ons strak aan. Zij reikte mij de hand:

“Ik heb mijn wensch,” zeide zij: “het was bij dag.”

Saartje hield zich schuw op een afstand en was geheel van haar stuk. Zij snikte hevig en viel op een stoel bij de tafel neer. Juffrouw De Groot poogde vruchteloos haar iets te doen gebruiken.

Toen zij eindelijk wat bedaarde, wilde zij de doode zien. Suzette schoof het gordijn half open, en ik zag een mooie oude vrouw in hare kalme ruste. Het heldere zonlicht dat door het venster binnendrong, wierp een schuinschen straal op een aangezicht, dat meer en meer van den doodsnik begon te bekomen. De oogen waren gesloten en ingezonken; eenige weinige grijze haren kwamen onder het mutsjen uit, en glinsterden als zilver in den zonneschijn. Hare dorre handen lagen plechtig saamgevouwen op haar borst. Saartje knielde bij haar bed; blozende jeugd bij het beeld des doods. Zij legde haar lief handjen op de hand der overledene, maar schrikte van de koude. Ze had nog nooit een lijk gezien. Toch vermande zij zich weer, en streek met hare zachte vingers langs het gerimpeld voorhoofd. Daarop barstte zij in een hevig jammeren los!

“O! Dat ik ook naar de kerk moest wezen! Had ik u nog maar één oogenblikje levend gezien, lieve juffrouw Noiret, een enkel woordje van u gehoord!”

“Dat hebben wij geen van allen, lief kind!” zei haar moeder, hare oogen met haar voorschoot afvegende.

“Neen,” zei Suzette met een hartdoordringende stem; “geen van allen.”

Saartje schoof het gordijn weer toe.

“Arme Suzette!” riep zij uit, haar om den hals vallende, “wat zult gij beginnen!” En zij snikte zoo luide, dat haar moeder haar tot zich nam en zeide dat zij zich een weinig matigen moest, want dat zij Suzette “nog naarder maken zou”.

“Ik wenschte dat ik zoo schreien kon, juffrouw De Groot!” zei de ongelukkige bedaard; en weder nam zij hare vorige houding aan, met het hoofd in de hand.

De doove buurvrouw kwam binnen. Het was een lange, schrale vrouw, die het bovenlijf met een grooten hoek voorover droeg. Zij had mede een zwart kiepjen op, droeg een zeer lang sitsen jak, een groot wit schort, en een kalminken rok. Zij zette een klein schoteltje, met een hord toegedekt, op de tafel.

“Is buurvrouw ziek?” vroeg zij op dien kennelijken doffen toon aan dooven eigen.

“Ja!” zei juffrouw De Groot, luid sprekende, “buurvrouw is heel erg.”

Juffrouw De Groot had echter niet luid genoeg gesproken.

“Dan mot ze maar wat eten,” hernam de oude, en het schoteltje opnemende, ging zij naar het bed. “Je mot wat gebruiken, buur; kijk, hier heb ik wat gestoofde peertjes voor je.” En zij wilde het gordijn openschuiven.

Juffrouw De Groot hield haar bij den kalminken rok terug.

“Neen!” schreeuwde zij zoo hard zij kon, “buurvrouw zal niet meer eten. Buurvrouw is overleden.”

“Zoo!” zei de doove, het hoofd op en neder bewegende, alsof zij het volmaakt verstaan had, “slaapt buurvrouw? Zoo, zoo; dat is goed! dat wist ik niet.—Ik zag den dokter binnengaan,” vervolgde zij tot mij, “en ik docht, daar is zeker wat an de hand. Wat schort buurvrouw eindelijk?”

Ik slaagde er in haar aan ’t verstand te brengen, dat buurvrouw niets meer schortte.

“Dat is de derde buurvrouw,” zei juffrouw Samei, want zoo heette de doove, “die ik verlies, en altijd aan dezelfde kant, in dut huisje. De eerste was Engeltje Bovenis; die was drieënzeuventig, en potdoof; ik ben ook wel wat hardhoorend, weet u. De andere was juffrouw De Ruiter, die de koffiekan over der been liet vallen, zoodat ze der nooit van opëkomen is; en dut is nou de derde; ’t was een goeie vrouw, een beste vrouw; maar wel een beetje eenzelverig. Och heer! is ze dood; ik docht nog zoo: kom an, een gestoofd peertje, daar placht ze anders nog wel van te houën.”

De klink van de deur werd weder opgelicht, en binnen kwam een vrouwelijk wezen, wier oogen, gelaat, en geheele houding de innigste, de hartelijkste deelneming vertoonden; het was freule Constance.

Er zijn schepselen in de wereld, die de bestemming om ongelukkigen te troosten daarin hebben medegebracht, en opdat men ze kennen zou, heeft de natuur het vermogen tot troosten in onmiskenbare trekken op hun gelaat uitgedrukt. Tot deze wezens behoorde de freule Constance.

Met eene niet in het minst hardvochtige, maar beminnelijke kalmte, trad zij binnen en groette ons. Zij ontdeed zich daarop terstond van haar hoed en bont, en het gaf iets veel vertrouwelijkers haar in deze sobere woning zonder dien tooi te zien. Toen trad zij op Suzette toe, die altijd even stroef het hoofd op de rechterhand deed rusten. De jonkvrouw greep haar bij de linker.

“Ik heb van uw ongeluk gehoord, lieve juffrouw Noiret!” begon zij, met een zachte en hartdoordringende stem: “Ik kom eens met u schreien; gij weet dat ik ook geen moeder meer heb.”

Het valt lichter van eene weldadige ontroering, dan van eene groote en verpletterende smart te weenen. Suzette barstte in tranen uit, en kuste de handen der freule. Ook aan de lange zwarte pinkers van deze hingen heldere droppels. Saartje drong zich tegen de beide vrouwen aan, en in haar oogen blonken, door de tranen heen, de innigste toeneiging, en de diepste eerbied voor de troosteres.

Dat was eene lieve, eene hartontroerende groep. Lijden, medelijden, en lijdenstroost, in een zachte en liefdevolle omhelzing vereenigd. Ik noodig onze schilders uit, daar hunne krachten eens aan te beproeven, als zij een oogenblikje willen uitrusten van mannen die pijpen rooken, en vrouwen die groente hebben gekocht.

“Een engel van een mensch!” fluisterde juffrouw De Groot, en een traan viel op de tang, waarmede zij, op den in de verwarring half uitgedoofden haard het vuur poogde te herstellen.

“Wie is die dame?” vroeg de doove op haar gewonen luiden toon.

Ik poogde het haar te beduiden; maar het was mij niet mogelijk.

“Ik kan je niet verstaan!” zei ze; “maar dat weet ik wel, dat het lang duren zal, eer de rijkdom bij Pleuntje Samei’s laatste leger komt om te huilen;—maar ik heb ook wel hooren zeggen, dat juffrouw Noiret van geen lage kom-of was.”

Dit gezegd hebbende stond de oude op, en begaf zich naar haar eigen cel.

De dokter kwam om naar Suzette te zien en voor haar te zorgen, nu de eerste schok voorbij was. Zijn gelaat luisterde op als hij freule Constance zag.

“De freule reeds hier?” zeide hij; “het kon niet beter. Gij moet onmiddellijk gegaan zijn, freule Nagel!—Ik beveel u deze patiënte aan,” voegde hij er bij; “voor bedroefden zijt gij de beste dokter die ik ken.”

Hij schreef een ontspannenden drank voor, en verliet ons, om wie weet welke andere ellende te gaan aanschouwen!

Het is opmerkelijk hoe gretig de mindere klasse is om met een lijk te sollen. Het is een stuk van liefhebberij. Al is iemand zijnen betrekkingen ook nog zoo lief: nauwelijks heeft hij den adem uitgeblazen, ja, somtijds zijn er niet dan zeer bedriegelijke proeven genomen omtrent het werkelijk doodzijn van den dierbare, of het lijk moet van top tot teen ontkleed en in het doodsgewaad gehuld worden, en het “heerlijke” bed weggehaald, om daarvoor den harden stroozak in plaats te geven. En ik heb bij lijken gestaan, die aldus waren afgelegd, van personen die men nog geen uur te voren dood op hun stoel had gevonden.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings