Note 1 — De Familie Stastok.
Reading edition
Behalve de achterkamer met het hooge licht, die om het huis van den buurman heensprong en waarachter de keuken lag, was er aan het huis van Petrus Stastok Senior nòg een achterkamer, waarin ik u nader denk binnen te leiden, naar een kleinen tuin, waarop zij uitzag, niet oneigenaardig de tuinkamer geheeten. Als men de plaatsdeur uittrad, had men eerst een soort van trottoir van gele klinkers, van omstreeks drie passen breed, en als men dan over eene hooge rollaag van blauwe klinkers1 heenstapte, waarvóór aan de overzijde drie voetschrabbers waren geplaatst, was men eensklaps in het kleine elyseum van mijn tante. Men zag er een grooten appelboom, waaraan soms meer dan een dozijn reinetten groen werden, verscheidene rozeperken, waaromheen in ’t voorjaar een kring gele krokussen bloeien moest, meer dan één seringeboom, twee goudenregens, een dubbelen kers en, tegen den muur aan den eenen kant een wingerd, en aan den anderen een moerbeiboom. De paden waren niet met gewoon gras, maar met roode en witte madelieven en z.g. zeegras omzoomd. Omtrent dezen tijd stonden er verscheidene potten met asters en twee of drie dahlia’s in bloei; en achterin was een groen geschilderd priëeltje met vijfblad, kamperfoelie, rupsen en spinnen. Daaraan belendde de fabriek, waaraan, tegenover ’t priëel, eene kleine loods was uitgebouwd met een klein plaatsje, waarop Keesje zijn huiswerk verrichtte, en daaromheen een klein hekje.