← Table of contents
Borneo van Zuid naar Noord

VI.

Reading edition

Een nachtelijk gefluister.—Lucullus voor een dier aangezien.—Het komplot.—Plannen van Johannes.—Een dankbare opiumsmokkelaar.—Johannes geeft bewijzen van zijn aardrijkskundige kennis.—Een mirakuleuse vischvangst.—La Cueille’s belofte.—Drinkwater.—Verdere maatregelen.—Het vertrek.

„Stilte in dien hoek! de tamboer heeft licht-uit geslagen. Wat hebt jullie toch nog zoo laat te mompelen? Is de dag niet lang genoeg om te kletsen? Thans is het tijd om te slapen.”

Zoo klonk op een avond de bevelende stem van een korporaal in de kazerne te Kwala Kapoeas. De man had gelijk en deed zijn plicht. Het grootste gedeelte van het detachement had dien dag een vermoeienden marsch gemaakt en had nu rust noodig. De laatste roffel op de trom had weerklonken; op een klein oliepitje na, waren alle lichten uitgedoofd. De reglementen schreven voor, dat de landsverdedigers moesten slapen en zij zouden slapen. Waartoe dienden anders de korporaals?

De stilte hield lang aan, zoo lang zelfs, dat het bevel van den meerdere opgevolgd scheen en men meenen kon, dat allen in slaap gedompeld waren. Toch was dat het geval niet; want in den hoek, waarheen de korporaal straks zijne stem gericht had, begon eindelijk weer een zacht gefluister.

Het waren Wienersdorf en Schlickeisen, die het gestoorde gesprek met gedempte stem vervolgden:

„Ik herhaal het,” sprak de eerste, „ik houd het niet meer uit. Er moet uitkomst komen.”

„St! wind je zoo niet op,” fluisterde de andere, „geduld nog wat, we mogen ons niet overijlen.”

„Geduld! geduld! dat woord ligt in je mond bestorven. We zijn al twee maanden hier en zijn nog even ver als den eersten dag.”

„Wat er aan te doen? zeg. We kunnen geen ijzer met handen breken. Het geldt een onderneming, waarbij ons leven op ’t spel staat.”

„Juist! zeer juist; want als het talmen nog lang duurt, spring ik in de rivier.”

„Een lekker hapje voor den kaaiman, maar een vreemd middel om zijn vrijheid te herwinnen. Tenzij je den dood als oppersten bevrijder huldigt. Ga dan je gang.”

„Ja, liever dood dan nog langer in die ballingschap te zitten.”

„Och, dood is dood. Ik beken ronduit, dat ik liever nog wat „sambal naar genoegen” slik, dan dat ik …”

Schlickeisen kon niet voleindigen. Eene gedaante was onmerkbaar tusschen hunne beide bedsteden gekropen en richtte zich nu op; terwijl zij op de schouders van de beide fluisteraars een hand legde, die hen met eenige kracht dwong in horizontale houding te blijven. Beide Zwitsers waren nog al verschrikt.

„Voor mijn part, mag hij ons gesprek gehoord hebben,” pruttelde Wienersdorf.

„Maak dat je zuster wijs, maar mij niet,” hernam de gedaante zoo zacht mogelijk. „Als de luitenant maar het tiende gedeelte verneemt van ’t geen hier afgekletst is, dan is zeker een van de twee morgen, voor dat de zon nog heel hoog aan den hemel staat, op weg naar Kahajan. De kommandant speelt er niet mee.”

„Och kom, dat zou zoo’n vaart niet loopen. Maar wie ben jij? misschien nog een haartje erger dan korporaal Dungelhof. Een luistervink is nimmer te vertrouwen,” sprak Schlickeisen hoewel zacht op dreigenden toon.

„Maak je maar niet dik; ik zal jullie niet verraden. Mijn naam doet er van avond niets toe. Maar kijk, kijk, die korporaal den hals eens rekken.”

En werkelijk klonk het andermaal barsch:

„Stilte in dien hoek! ’k herhaal het niet weer. Die niet wil hooren, zal maar moeten voelen.”

Wienersdorf en Schlickeisen hielden hun adem in. Allen hielden zich een wijl doodstil. Plotseling boog zich de geheimzinnige gedaante, die tusschen de kribben gedoken was, over hen heen en fluisterde zoo zacht, dat het slechts een ademtocht geleek:

„Komt morgen na het soepeten in de hut van Johannes, dan zullen we samen praten.”

En weg was de gedaante. Als een slang was zij onhoorbaar onder de slaapkribben doorgeschoven en in het donker verdwenen.

Een tijdlang lagen de twee Zwitsers stil en roerloos. Toen zij vermeenden dat de korporaal ingeslapen was, richtte een hunner zich op:

„Wie was dat?” mompelde hij.

„Zeker Johannes zelf.”

„Ja, ’t was een bruine huid met naakt bovenlijf, ’k Geloof zelfs dat de huid met klapperolie was ingesmeerd, zooals de Javanen doen als voorbehoedmiddel tegen de muskieten.”

„Is die vent te vertrouwen?”

„Wie zal dat kunnen bevestigen? Het beste zal zijn, morgen eens in zijn hut te gaan kijken, we zullen dan wel hooren, wat hij te vertellen heeft. Maar voorzichtig, denk er om, we spelen grof spel. Laat ons nu ook zwijgen, die korporaal Dungelhof is een ware luistervink.”

Beide mannen wikkelden zich in hunne sprei en waren weldra in diepen slaap gedompeld.

„Je bent een Lucullus,” begon Schlickeisen.

„Wat ’s dat voor een dier?” was de wedervraag van Johannes.

„Dat was geen dier, dat was een Romeinsche lekkerbek, die in jouw schaduw niet kon staan.”

„Spot, maar ga zitten,” parodieerde onwetend Johannes het gezegde van een groot man.

„Gaat zitten en tast toe,” vervolgde hij, „ge ziet, ik verwachtte jullie. Als het op is, kunnen we praten; men redeneert nooit zuiverder, dan wanneer de maag zich in een behaaglijke stemming bevindt.”

Dat was het woord van een wijsgeer. De Zwitsers lieten het zich geen tweemalen zeggen. De kompagnie’s menage was schraal en vooral zeer eentonig en daardoor zeer onsmakelijk. In gedachten merkten zij op, dat zoo’n inlandsch kind zich er toch beter op verstond om zijn keuken smakelijk te maken dan een Europeaan. Weldra zat ons drietal te smullen en te kluiven, dat het een aard had. Zij spraken geen woord, daartoe was geen tijd. Men vernam niets anders dan het gesmak der lippen, het gemaal der tanden en het geklingel van lepels, messen en vorken, ook van glazen; want Johannes had zich goed gehouden en ook een paar flesschen wijn en bier op de tafel gezet.

Toen de vleeschdeelen van het laatste eendenkluifje verdwenen waren en de smullenden zich de vette vingers met wellust afgelikt hadden, zette Johannes zijne gasten een kistje met tabak gevuld voor en, toen het drietal de pijpen gestopt en aangestoken hadden, begon hij het vuur:

„En nu vooruit met jullie „perkara” (zaak). Je wilt dus wegloopen?”

Schlickeisen en Wienersdorf keken elkander aan en eenigszins schuw in de rondte.

„We zijn hier alleen; niemand kan ons hooren, de bewoners der hutten rechts en links zijn op wacht. Kom, vooruit met de zaak! Jullie wilt weg, maar waarheen? Misschien kan ik helpen.”

„Maar we willen niet weg. Wie zegt dat?”

„Vertel dat nu maar aan mijn modelschoenen. We zullen kort zijn en open kaart spelen. Gisteren avond heb ik onder jullie kribben gelegen en, heeft Dungelhof zoo ’t schijnt niets gehoord, mij is geen woord ontsnapt. Maar je behoeft je niet ongerust te maken, ik ben geen verrader. Vertrouwt mij, ik herhaal het, misschien kan ik helpen.”

De beide Zwitsers wisselden een langen blik van verstandhouding. Zij begrepen, dat zij in de hand van dien man waren; zij meenden hem te kennen als een loszinnigen snaak, wanneer het vrouwen gold, maar die tot een verklikkerij niet in staat was. Toch aarzelden zij, om hun geheim te openbaren. Eindelijk vatte Wienersdorf het woord:

„Nu ja, we bespraken gisteren een plan van desertie; maar tusschen bespreken en handelen is het verschil groot.”

„Dat zou ik meenen. Maar laat hooren je plan.”

„Och, ’t waren nog slechts woorden. Van een plan kan eigenlijk nog geen sprake zijn. We zijn nog te kort hier, om met de toestanden van het land eenigszins bekend te zijn. Zonder die kennis is volgens mij iedere poging onmogelijk.”

„Daarover hebben we een oogenblik gesproken. Men heeft ons verteld, dat jaarlijks zoo’n vaartuig hier aankomt. We spraken er over den Chineeschen kapitein over te halen ons aan boord te verbergen en ons naar China over te brengen?”

„Mooi! hebt jullie geld?”

„We zullen zoowat een vierhonderd gulden bij elkaar hebben.”

De oogen van Johannes glinsterden. Na een oogenblik van zichtbare ontroering hernam hij:

„Nou, spaart de moeite dan maar. Weet je wat gebeuren zou? Zoo’n Chinees zou bedaard die vierhonderd gulden opstrijken; hij zou jullie ook aan boord ontvangen en zorgvuldig verbergen. Maar bij het verlaten van Kwala Kapoeas, zou hij den kommandant een briefje in handen bezorgen, en nog vóór dat de wankang in zee zou zijn, zou haar een kruisboot achterop komen, die haar met een kanonschot bevel zou geven bij te draaien, waaraan zij stipt voldoen zou. Jullie zoudt dan van boord gehaald worden, maar dan waren ook de poppen aan ’t dansen.”

„Maar waarom zou zoo’n fielt dat doen?”

„Maar La Cueille is een dronkaard. Is dat de man wel, om in zoo’n onderneming te halen?”

„Op een klein beetje moet je niet kijken; hij is een flinke kerel, die voor geen klein gerucht vervaard is. Daarbij zullen we slechts weinig sterken drank medenemen en dien zal ik nog onder bewaring nemen. Wanneer hij nu niets krijgen kan, is hij de goedigste kerel van de wereld.”

„We dienen toch met je plannen bekend te worden. Maar hoe kom je er aan, je tot ons te wenden?”

„Dat’s eenvoudig. Al lang had ik jullie afzondering in de gaten. Steeds zit je in alle hoekjes te fluisteren, en zelfs des nachts kunt ge den snater niet houden. Ik trachtte jullie te bespieden en dat is mij uitstekend gelukt. Daarbij komt nog, dat ge geenerlei vertering maakt, ter nauwernood een pijp rookt en dus een spaarpotje moet hebben. Nu is geld de zenuw aller ondernemingen. Ik had dus gevonden wat ik zocht: een paar stevige kerels, die even als ik weg willen en daarenboven van splint voorzien zijn. Ik zal ook een groote honderd gulden in de mas bijbrengen. Toen ik ulieden van deserteeren hoorde spreken, sprong mij het hart van vreugde, want ik begreep, dat de dag van uitvoering aanstaande was. Zijt gij met dien uitleg tevreden?”

„Jawel, maar het plan nu?”

Onze drie komplotmakers stopten nog een versche pijp en met bij elkander gestoken hoofden luisterden de Zwitsers aandachtig, wat hun gastheer hun voorhield en wat op het volgende neerkwam.

Eens op een’ donkeren avond, dat Johannes bij de aanlegplaats buiten het fort als schildwacht stond, was de Chinees Baba Poetjieng hem ter zijde geslopen. Deze was begonnen een praatje met hem te maken, had hem een pakje manillasigaren aangeboden en was geëindigd met hem te vertellen, dat hij in een kreek in de benedenrivier een prauw had liggen, waarin voor een aardige waarde aan opium was geborgen, dat hij wenschte binnen te smokkelen. Hij was reeds geslaagd het vaartuig, trots kruisbooten en kustwachters de rivier binnen te brengen. Maar het moeielijkste kwam nu eerst aan. Hij moest het fort voorbij, doch hoopte dat sobat (vriend) Johannes hem zou helpen. De sluwe Chinees verzweeg voorzichtig, dat de eigenlijke lading der prauw, uit buskruit en zout, de beide voornaamste benoodigdheden der Bandjermasinsche opstandelingen, bestond. Hij stopte Johannes een paar rijksdaalders in de hand en deze sprak af, dat hij te middernacht weer op dezelfde plaats als schildwacht zou staan en dat hij het vaartuig dan zou laten voorbij varen. Maar de grootste stilte zoude moeten betracht worden, er mocht niet geroeid worden, het vaartuig moest slechts door den opkomenden vloed voortgestuwd worden. Roeien toch zou de aandacht van andere schildwachten kunnen wekken. Ook liet Johannes zich door den Chinees eenig opium geven; niet dat hij dat tuig gebruikte, maar het kon te pas komen.

Die smokkelpartij was zoo goed gelukt, dat onze Chinees verlekkerd, haar nog menigmaal op touw zette en het was om het garnizoen van Kwala Kapoeas gunstig te zijnen opzichte gestemd te houden, dat hij zoo goedkoop was bij het venten zijner koopwaren. Waarlijk, de man verloor bij dien handel, daarvan was de kommandant overtuigd; maar deze bevroedde niet, dat de sluwe zoon des Hemelschen Rijks hem in de luren legde en zijne zaakjes wonderwel bestuurde. Opmerkelijk was het, dat Johannes nimmer een aanzienlijke belooning wilde aannemen, hoezeer Baba Poetjieng daartoe bij hem aandrong. Nu en dan een paar rijksdaalders, was al wat de ontrouwe schildwacht aannam, maar dat was geen betaling in vergelijk van de enorme winsten, die de Chinees opstreek. Maar onze vriend had zijn plan, dat hij gewis ten uitvoer zou weten te brengen. De tijd daartoe was nu gekomen. Hij had den Chinees zijn voornemens bekend gemaakt en deze zou hem op een gegeven oogenblik een prauw bezorgen, van alles voorzien en bemand met drie Dajaks, booswichten van de ergste soort, van wie bekend was, dat zij medeplichtig waren aan de gruwelen op de steenkolenmijn te Kalangan gepleegd en die er dus alle belang bij hadden zich buiten bereik van den Nederlandschen arm te begeven. Al langzamerhand had Johannes zijne kleederen, die van La Cueille, tabak enz. in kleine pakjes verdeeld, die de Chinees bij elk bezoek dat hij met zijn koopmansprauw aan het fort bracht, zoo geheim mogelijk naar zijn huis overvoerde. Het gunstige oogenblik behoefde slechts afgewacht te worden en dat zou, nu de twee nieuwe bondgenooten aangeworven waren, omstreeks nieuwe maan zijn; men had de duisternis noodig om te slagen. Toen men die afspraak maakte, was het eenige dagen voor volle maan, de komplotmakers hadden dus nog ruim veertien dagen tijd om hunne laatste maatregelen te nemen.

„Wat denken de vrienden er van?” zoo besloot Johannes zijne mededeelingen.

Een oogenblik aarzelden de Zwitsers, toen sprak een hunner:

„Wat we er van denken? Het plan tot ontkomen is uitmuntend, daar heb je eer van. Maar me dunkt daarin ligt de grootste moeielijkheid niet. Weg zullen we wel komen, dat fort is geen betooverd kasteel; maar eenmaal op weg, waarheen? dat moet de hoofdvraag zijn.”

„Waarheen! waarheen! wel je doet me lachen. Daar kan geen twijfel over zijn. Stroomaf naar zee; daar ligt de weg. Eenmaal daar, zetten we koers westwaarts; we houden vooreerst het walletje en verbergen wegens de kruisers over dag de prauw in een der kreken die op de zuidkust zoo menigvuldig zijn. ’s Nachts roeien we er lustig op los. Hebben we eenmaal Tandjoeng Batoe Titi, Borneo’s zuid-westelijke punt bereikt, dan zal het veel van het weer afhangen, welken koers we zullen vervolgen. Hebben we goed weer en gestadigen wind, wat in dezen mousson wel te verwachten is, dan blijven we westwaarts sturen en loopen dan vrij spoedig het eiland Biliton in ’t gezicht. Dat varen we om, steken de Gaspar-straten over, loopen langs den noord-oost- en noordwal van het eiland Banka en zoeken weer onze toevlucht onder den Sumatra-wal. Eenmaal daar, is het zwaarste werk verricht. We blijven onder het dichte bosch tot dat we Tandjong Basso bereikt hebben; dan kunnen we ons tusschen de eilanden van den Riouw-archipel wagen en met een beetje voorspoed, komen we spoedig te Singapore aan.”

„Je bent goed op de hoogte, dat moet ik je zeggen. Waar heb je die bijzonderheden vandaan gehaald? Toch niet van Baba Poetjieng?”

„Neen.…. die vent is toch slimmer dan jullie wel denkt. Maar het geographisch en topographisch onderwijs aan de pupilleninrichting te Kedong-Kebo, alwaar ik gedrild ben, is niet slecht. Ik heb daarenboven een paar vrij goede zeekaarten, die dienst kunnen doen.”

„Maar hoe lang zal die reis duren, voor wij Singapore bereiken?”

„Op zijn minst drie of vier weken; komt er echter tegenspoed bij in het spel, dan is er geen rekening te maken.”

Den Zwitsers voer eene huivering langs de ruggegraat.

„Vier weken in een notendop op den Oceaan!” barstten zij beiden uit.

„Met je permissie! op de Javazee en een stukje op de Chineesche zee, heeft in dit seizoen niets te beteekenen. Maar als jullie bang zijt, heb ik me in je vergist. ’t Is voor het laten of voor het nemen,” was het flegmatieke antwoord.

„Neen, neen!” meenden de beide Zwitsers en staken hem de hand toe.

„Neen! we gaan mee, al voerde de weg naar de hel.”

De saamgezworenen staakten nu het gesprek en begaven zich naar het fort, om door een langer samenzijn geen achterdocht op te wekken. Zij spraken evenwel alvorens af, niet dan uiterst zeldzaam bij elkander te zijn, op alles acht te geven, wat voor hun plan belangrijk zou kunnen zijn en langzamerhand, zonder opzien te baren, alles in de hut van Johannes bij elkander te brengen, wat zij voor den tocht dienstig oordeelden. Zoo verzamelden zij zooveel mogelijk levensmiddelen, ook buskruit, ofschoon Baba Poetjieng hen daaraan wel helpen kon, maar vooral kogels door bij het schijfschieten het projectiel behendig weg te moffelen en hun schot met los buskruit af te geven. Wanneer dan een misschot aangewezen werd door den schijfwachter, lachten hen de kameraden dapper uit en zetten de onhandigen een onnoozel gezicht.

Zoo was ook op den bewusten dag de vangst belangrijk geweest, men had korven vol visch opgeschept. Maar in plaats dat er gepoft en gebraden werd, had er een andere vertooning plaats. Johannes namelijk kocht zooveel mogelijk al de gevangen visschen op, zelfs tegen zoo hooge prijzen, dat het de opmerkzaamheid van den kommandant trok. Op diens vraag, wat dat te beduiden had, antwoordde de opkooper beleefd, dat hij die visschen in de zon drogen wilde en hij er reeds een goeden prijs bij Baba Poetjieng voor bedongen had. De zoo gedroogde visch maakt ter zuidkust van Borneo een belangrijken tak van uitvoer uit en is in den handel zoo gewild, dat niet altijd ten volle aan de navraag kan worden voldaan. Het gegeven antwoord kon dus geen argwaan wekken. De slimmerd had echter andere oogmerken. De gedroogde visch moest den voorraad levensmiddelen der vluchtelingen aanvullen. Een ander nut der voorgegeven speculatie was, dat onder het voorwendsel van de gedroogde visch voor en na, zooals zij gereed kwam, te komen afhalen, Baba Poetjieng, zoo dikwijls hij verkoos, in de hut van Johannes kon verschijnen en van daar met zakken beladen kon vertrekken, zonder iemands achterdocht gaande te maken.

Johannes en La Cueille waren dan ook spoedig druk in de weer, die visschen van hunne ingewanden te ontdoen, ze te spouwen en tusschen gespleten bamboelatjes te bevestigen, om ze gemakkelijker aan droogrekken in de zon te kunnen ophangen. Schlickeisen en Wienersdorf deden aan dat werkje niet mede; zij bleven voortgaan met hunne opmetingen in den omtrek. Alleen wanneer zij des avonds thuis kwamen, gingen zij wel eens ongezocht naar den arbeid kijken. Was dan eenig ander militair in de buurt, dan bespotten zij de vischhandelaars dapper, die hun het antwoord niet schuldig bleven. Was het terrein vrij, dan had er al spoedig een ander gesprek plaats. De kennis met La Cueille, als bondgenoot in het desertiekomplot, was spoedig gemaakt. Zijne lotgenooten waarschuwden hem tegen het gebruik van sterken drank en noopten hem een belofte af te leggen, geen jenever te proeven, zoolang de reis niet aanvaard was.

„Dat wil ik wel beloven,” verzekerde de Waal, „ik zal geen droppel sterken drank over de lippen nemen, anders straffe mij God en de heilige Moeder Gods!”

„Amen,” zei Johannes met een glimlach.

„Je zult je belofte, om voor ons vertrek geen sterken drank meer te gebruiken, nakomen, niet waar?” vroeg Wienersdorf nog met nadruk, terwijl hij La Cueille de hand toestak.

„Dat zal ik, zoo waarlijk helpe mij Onze Lieve Vrouw van Scherpenheuvel!” sprak de Waal met ontroerde stem.

„Welkom dan in ons midden! De taak van ieder onzer moet nu zijn, alles bij te brengen om de onderneming te doen slagen. Ieder voor allen, moet onze leus voortaan zijn. Zeg Johannes, hoe staan we nu met onze toebereidselen?”

Deze antwoordde, dat hij reeds een vijftal zakken rijst bij Baba Poetjieng had, elk van een pikol of 62½ kilogram. Er was dus van dat hoofdvoedingsmiddel nagenoeg voor drie maanden aanwezig.

„Hoe maakt ge die rekening?” vroeg Schlickeisen, die Jantje sekuur van den troep was, „we mogen ons niet misrekenen.”

„Maar we zullen toch wel wat anders te eten krijgen dan droge rijst?” vroeg Schlickeisen verder.

„Stel je gerust,” glimlachte Johannes, „je ziet, ik zorg al voor gedroogde visch. De Chinees zal ook voor dengdeng, voor zout, peper, gedroogde lombokh en kerriekruiden zorgen. We zullen ook wel een vaatje gezouten vleesch in de prauw vinden. Je moet er je echter op voorbereiden, dat je ’t niet altijd zult hebben, als bij je moeder thuis; maar bepaald gebrek zullen we niet lijden. Wat me ’t meeste hoofdbrekens kost, is het drinkwater. Rekenen wij, dat met alles voor ieder man slechts twee liter per dag noodig is, dan geeft dat voor een maand reis ruim 400 liter of acht vaatjes van 50 kan. Die zullen ontzaglijk veel ruimte wegnemen en onze gemakken veel verminderen.”

„Maar we zullen toch geen water voor de geheele reis moeten innemen?”

„Voorzichtigheidshalve ware dat het beste; we zouden dan steeds voorzien zijn en geen moeite en tijd te verliezen hebben. Maar waarlijk, ’t zal onmogelijk zijn; we zouden ons in de prauw niet kunnen roeren. Daarin zal toch al zooveel gestopt moeten worden. We zullen dus maar twee vaatjes of honderd liter meenemen. Met overleg zal dat wel voldoende zijn om ons voor ergen dorst te bewaren.”

„Maar is dat nu weer niet veel te min? nog niet eens het kwart van wat we noodig hebben,” vroeg de voorzichtige Schlickeisen, „dat brengt ons rantsoen op een halven liter.”

„Luister. Zoolang we in de kleine Dajakrivier zullen zijn, hebben we onzen voorraad niet aan te spreken. Ook zullen we geen gebrek hebben, zoolang we ons op de kusten van Borneo zullen bevinden. Over dag moeten we ons schuil houden van wege de kruisers in den een of anderen inham of kreek. Er is misschien geen land ter wereld, dat op gelijke uitgestrektheid zooveel rivieren en beekjes naar zee zendt, als op de zuidkust van Borneo geschiedt. Daar heb je, de Kleine Dajak uitkomende en rechts omslaande, eerstens de Kahajan, een prachtige stroom, die bij volle eb op twee mijlen van zijn monding nog drinkbaar water aanbiedt, dan de Sebangouw, die wel zoo groot niet is, toch een aanzienlijke rivier genoemd mag worden. Verder de Mentawei, de Sampit, de Kotta Waringin en de Djelei, voorname waterstroomen, die benevens een menigte kleinere riviertjes en beekjes zich tusschen 114° 5′, waarop de monding der Kleine Dajak en 110° 15′ O.L. van Greenwich, waarop de zuidwestelijkste punt Tandjoeng Batoe Titi liggen, in de Javazee storten en ons rijkelijk gelegenheid zullen aanbieden, onze provisie zoet water aan te vullen. Maar van den Borneowal overstekende naar Biliton, zullen we zuinig moeten zijn; want dan zijn we nagenoeg in volle zee. Daarbij komt nog dat we op Biliton’s noordkust niet veel te verwachten hebben; de weinige riviertjes, die daar aangetroffen worden, bevatten allen brak water. Op de noordoost- en noordkust van Banka is het weer eenigszins beter; maar daar moeten we door de aanwezigheid van talrijke Nederlandsche nederzettingen zeer op onze hoede zijn en mogen op geen aanvulling rekenen. Maar op de oostkust van Sumatra zullen we weer overvloed hebben. Daar zijn stroomen als de Reteh en de Indragiri met hunne tallooze armen en vele andere kleinere rivieren, die zich in de Chineesche zee werpen, meer dan voldoende om onzen dorst te lesschen.”

„Je bent voor aardrijkskundige in de wieg gelegd, en ik neem mijn hoed af voor het onderwijs te Kedong Kebo,” complimenteerde Wienersdorf.

„Laat kijken je hoed,” lachte Johannes, „’k zie niets anders dan een smerige politiemuts. Laat kijken den hoed dien je wilt afnemen; ’k heb in geen jaren een vijfkop gezien.”

„Nou, dan nemen we onze ouwe politiemutsen af voor je prachtige uiteenzetting; maar.…” ging de weetgierige Schlickeisen voort, „’k wou die verhandeling nog wel wat aangevuld zien.”

„Hoe lang zal de overtocht van Borneo naar Sumatra duren?”

„Tandjoeng Batoe Titi ligt op 2° 55′ zuiderbreedte en op 110° 15′ oosterlengte, Tandjoeng Basso de oostelijkste kaap van het eiland Basso, een aanslibbing van de Indragiri-rivier, ligt op 0° 20′ Z.B. en 103° 44′ O.L. van Greenwich. Die afstand zal dus zoo wat in rechte lijn 105 geographische mijlen bedragen. Houden we tot in het gezicht van Banka den zuid-oost mousson, dan kunnen we op een vaart van twintig mijlen per etmaal rekenen. Maar dat zou te veel geluk zijn. Tot bij Biliton zal die mousson ons vrij constant bijblijven; maar dan zullen we waarschijnlijk stilte of wel noorden- of noord-oostenwind krijgen. Die winden zijn ook verre van ongunstig; maar zij zijn in dit seizoen gewoonlijk uiterst zwak. We moeten rekenen, dat we gemiddeld niet meer dan vijftien mijlen zullen maken en zal dus die overtocht zonder wederwaardigheden zeven dagen duren.”

„Dus 7 × 7 × 2 of 98 liter water, die op dat traject noodig zijn.”

„Dat is volgens Bartjens, juist 98 liter.”

„Jongens, dat ’s krapjes, dan is er niets over voor de wederwaardigheden.”

„En ook niet voor het morsen, dat is waar. Maar in Gods naam! we zullen ook misschien wel eens ergens kunnen aanleggen; is het niet op Banka, dan op het eiland Singkep, daar is water in overvloed. In de eerste plaats evenwel moeten we zuinig zijn. Twee kan per man zijn ook voor de omstandigheden ruim berekend en het zal voor een korten tijd ook wel met minder kunnen.”

Zoo verliep de tijd, dien zij nog wachten moesten, om hun plan te volvoeren. Den tweeden dag na nieuwe maan kwam Baba Poetjieng als gewoonlijk zijne waren aan de aanlegplaats bij het fort te koop aanbieden. Hij verkocht dien dag aan den dokter een schaakspel, in ivoor prachtig à jour gewerkt, voor een spotprijs en scheen overigens goede zaken te doen. Hij had onder anderen een factuur doelmatige Duitsche pijpen, die door de soldaten zeer gewild waren. Hij maakte van zijn aanwezen bij het fort gebruik, om nog een paar zakken gedroogde visch af te halen, waarmede die vischhandel afgesloten was, en waarvoor hij Johannes in tegenwoordigheid van verscheidene andere militairen een tiental rijksdaalders afbetaalde. In werkelijkheid gold het geheele bezoek van den Chinees slechts de laatste afspraken, die nog te maken en de laatste goederen, die nog over te brengen waren. Het oogenblik was gunstig. Er was een choleralijder in den kampong gestorven en niemand had zich opgedaan om het lijk te begraven, dan de drie Dajaks, die van de ontvluchtingspartij zouden zijn. Tot 10½ uur zou de vloed loopen, dan zou omstreeks een half uur stilstaand water zijn, waarna de eb met kracht zou intreden. Alle kansen waren dus gunstig. Bij het vallen van den avond slopen de vier verbondenen in de hut van Johannes, en hielden zich daar verborgen totdat de duisternis volkomen was. Toen slopen zij een voor een met hunne geweren gewapend, achter de struiken bukkende langs den rivieroever en bereikten ongezien den kampong, waar zij plaats namen in de prauw, die den overledene naar zijn laatste rustplaats moest overvoeren. Dat alles ging zonder eenige stoornis; de vrees voor de ziekte hield ieder nieuwsgierige op een afstand. Tegen 10 uur omstreeks werd de „Raoeng,” die den overledene bevatte in de prauw gebracht; omstreeks 11 uur kwam de prauw met de priesteressen, die achter het lijk hare gezangen moesten uitgillen. Bij die aankomst was de eb reeds ingetreden; beide prauwen staken dus van wal en weldra waren zij het fort gepasseerd, de lezer weet met welk gevolg.

Notes in this chapter

Note 1 · De Gekko is een groote hagedis, die gaarne in oude boomen en bouwvallen woont, maar ook niet schuwt de bewoonde huizen der menschen te deeleNote 2 · De beo is een fraaie vogel van de grootte eener kraai, waarmee hij in kleur en gedaante veel overeenkomst heeft. Hij heeft echter een paar rNote 3 · Piendang ikan en sajoran lodèh zijn een soort bouillon om bij de rijst te gebruiken. De eerstgenoemde wordt van visch gekookt; de andere vanNote 4 · Sambal oelik is spaansche peper fijn gewreven met wat zout. Sambal goreng is gebraden spaansche peper in wat klapperolie. Sambal oedang is sNote 5 · Dengdeng is in de zon gedroogd vleesch, gewoonlijk hertenvleesch. Troeboek is gezouten vischkuit. Telor-assin zijn gezouten eieren. Sateh ziNote 6 · Wankang is een chineesch vaartuig, geheel verschillend van vorm en van tuigage van onze koopvaardijschepen. ↑Note 7 · Minjakh poko is een chineesch middel tegen de hoofdpijn. Het komt voor in den handel als fijne kristallen of als een olieachtige zelfstandigNote 8 · Palita is een klein olielampje, waaraan de opiumschuiver het opium in de pijp ontbrandt, den rook inzwelgt, om na eenige oogenblikken hetzelNote 9 · Op de Zuidkust van Borneo bereikt de vloed twee dagen na volle maan zijn hoogste punt. Dan loopen de beide getijen in elkander en heeft men Note 10 · In Oost-Indië heeft men zoetwatergarnalen die in grootte onze rivierkreeften verre overtreffen. Ook de krabben zijn zeer groot en hebben somNote 11 · Baoeng is een zeer vette visch, die ongeveer vijf d.m. lang wordt en de dikte bereikt van een menschenbeen, aan het boveneind gemeten. ↑Note 12 · Soloang is een vischje, dat in grootte en vorm veel met onzen grondeling overeenkomt. Het is echter niet blank van kleur, maar meer bruinachNote 13 · Een katie is 1¼ pond. Een pikol is 100 katie’s of 125 ponden. Dertig pikols is een Kojang. ↑Note 14 · Op Borneo is een soort roodharige apen van de grootte van een knaap van een jaar oud, die een vrij welgevormden neus hebben van ongeveer zesNote 15 · De Dajaks gebruiken een rond eenigszins zakvormig net, dat wijd uitgespreid uitgeworpen wordt en veel overeenkomst heeft met het werpnet datNote 16 · Oogenblikkelijk was het stil in de kazerne, zeer stil zelfs. Niets liet zich hooren dan de regelmatige ademhalingen of het gesnurk van hen, Note 17 · „St!.…” fluisterde of beter siste de gedaante, „jullie praat als een paar „beo’s”2 en snatert maar door, zonder op te merken, dat korporaal Note 18 · Toen zij des anderen daags hunne soep uit de keuken haalden, moesten zij de hut van Johannes voorbij en stond deze in de post van de deur. BNote 19 · „Je spreekt als een geleerde, en die ben je ook, geloof ik. Als je evenwel wilt wachten tot je de noodige kennis omtrent dit land zult opgedNote 20 · „Eenvoudig om zonder veel omhaal uw vierhonderd pop op te kunnen steken. Ook om bij de Nederlandsche autoriteiten in een goed blaadje te staNote 21 · Het trof bijzonder goed. De wacht werd gekommandeerd door een Javaansch sergeant en bestond hoofdzakelijk uit soldaten van dien landaard. DeNote 22 · Met dat al moesten zij nog volle veertien dagen wachten, alvorens hun voornemen ten uitvoer te brengen. Binnen weinige dagen zou het volle mNote 23 · „Zes pikols maken 600 katie’s.13 Een gezond mensch heeft minstens daags ⅞ katie noodig, dat een dagelijksch verbruik van 6⅛ katie maakt. We Note 24 · „Ja, ’k weet het wel, je bent zoo nieuwsgierig als een neusaap.14 Maar ga je gang, wat wou je weten?”Note 25 · Zoodanig waren de gesprekken, die ons viertal hield, wanneer zij de ongezochte gelegenheid hadden bij elkander te zijn. Een andermaal deelde
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings