Note 3 — VI.
Reading edition
Toen zij des anderen daags hunne soep uit de keuken haalden, moesten zij de hut van Johannes voorbij en stond deze in de post van de deur. Bij hunne nadering maakte hij, evenwel zonder een woord te spreken, plaats, maar met een gebaar, alsof hij hen wilde uitnoodigen binnen te treden. Zij schoven naar binnen, zetten hunne gamellen op den grond en namen plaats op een bank aan de tafel. Die tafel was vrij goed voorzien. Behalve de soep, die Johannes ook uit de keuken gehaald en in een zindelijk bord overgegoten had, prijkten daar nog op een schotel met dampende tafelrijst, helder wit en droog van korrel gekookt, een kom „pindang ikan” en een kom „sajoran lodèh,”3 het alles omgeven door ettelijke schoteltjes met „sambal oelik”, „sambal goreng” en „sambal oedang”4. Ook ontbraken er de vleeschspijzen niet. Eenige borden met „dengdeng”, met „troeboek”, „telor-assin” met „sateh” oesi-oesi,5 waartusschen een gebraden eend in een smakelijke saus te zwemmen lag, die onze Zwitsers watertanden deed, vulden het geheel aan.