Note 9 — VI.
Reading edition
Met dat al moesten zij nog volle veertien dagen wachten, alvorens hun voornemen ten uitvoer te brengen. Binnen weinige dagen zou het volle maan zijn en het trof juist toevallig, dat twee dagen later de vloed omstreeks middernacht zijn hoogste punt zou bereiken.9 Wanneer dat zoo samenviel, dat de waterstand gedurende die heldere nachten zijn hoogste punt verkreeg, dan waren het steeds dagen van pret voor het garnizoen van Kwala Kapoeas. De soldaten toch hadden al gauw van de Dajaks afgekeken, dat dezen tegen dien tijd bij eb, die dan ook haar laagsten stand bereikt, alle bochten en kreken zoowel langs de rivier als langs de zee met „kabiendai hempang” een vlechtwerk van bamboelatjes, zoodanig afsluiten, dat bij vloed het water zoo omstreeks een voet over dat staketsel heenstroomt, maar bij eb eene strook van den oever daarachter droog valt. De visschen schijnen nu bij maanlicht in groote scharen te trekken en op en langs de overstroomde oevers hun voedsel te zoeken, waardoor er een groote menigte achter die bamboelatjes gevangen worden. De grachten rondom het fort, waarin eenige spruitjes uitwaterden, en die zoowel in de Kleine Dajak rivier als in de Kapoeas Moeroeng uitmonden, boden voor zulk een vischvangst een uitmuntende gelegenheid aan. Bij vloed stond gewoonlijk zes à zeven voet water in de grachten; maar bij eb vielen zij gedeeltelijk droog of bleef er maar een halve voet water op den zachten modder staan. De beide mondingen werden dan met kabiendai hempang naar eisch afgesloten en bij het aanbreken van den dag sprongen de soldaten, ook hunne vrouwen, zelfs hunne kinderen, met platte manden gewapend, in die grachten en hadden het maar voor het opscheppen. Verbazend groot was dan het getal visschen en groote garnalen10 en krabben die daar gevangen werden. Het was een koddig gezicht, die mannen, vrouwen en kinderen, slechts half gekleed, in dien zachten modder te zien door elkander loopen, springen, zich bukken, om den buit te bemachtigen, soms vallen en in ’t slijk wentelen. Gegil, geschreeuw en gekibbel was daarbij aan de orde en vreugdekreten verhieven zich, wanneer een groote „baoeng”11 te voorschijn werd gehaald. Soms gebeurde het wel, dat een groote schildpad of een jonge kaaiman in de dikke brij verrast werden, waarbij vooral de laatste zich door ontzagwekkende sprongen ruim baan trachtte te maken. Dan stoof de menschendrom met een gegil van angst uit elkander voor een oogenblik; maar spoedig waren eenige lansen gegrepen en dan begon een andere soort van jacht, die, niet altijd zonder gevaar, met den dood van het monster eindigde. De vischvangst werd vervolgens hervat, waarbij zelfs de kleinste „ikan soloang” niet werd versmaad.12 De buit werd eindelijk verdeeld, waarna de vrouwen zich aan het sissen, poffen en braden zetten, en den belusten ontijdig het water in den mond brachten.