← Table of contents
Borneo van Zuid naar Noord

XXIV.

Reading edition

Belofte maakt schuld.—Een Dajaksche ijzersmelterij.—Een blaasbalg.—De sarok boelau wreekt zich.—Harimaoung Boekit heeft de koorts.—Wienersdorf dokter.—Johannes bezweerder.—Een antoeën.—Een Dajaksche legende.—Wedervaren van een vrouwelijk antoeën.—Het ombrengen van een antoeën.

Des avonds zaten de vier vrienden nog laat bij elkander en gelukkig was eindelijk het gesprek van het goudzoeken afgedwaald. La Cueille, die hoegenaamd geen slaap, maar daarentegen een goed geheugen had, herinnerde Johannes er aan, dat hij hun de belofte gedaan had, iets van een Dajaksche ijzersmelterij te vertellen.

„„Belofte maakt schuld,” is een Hollandsch spreekwoord, dat ik als Waal je niet in herinnering behoef te brengen.”

„Mij wel; we kunnen daarmede even goed een uurtje dooden, als met die goudzoekerij, die ons voorloopig maar onnoodig opwindt. Als gijlieden evenwel meent iets te zullen hooren van hoogovens en ijzersmelterijen zooals die in Europa bestaan, waarin men schildknapen stookt om Duitsche dichters gelegenheid te geven heel aardige verzen te fabriceeren die door Nederlandsche poëten heel aardig nageaapt worden, dan hebt ge ’t gloeiend mis. Zulk een Dajaksche smelterij is meer primitief, en er zou geen plaats in zijn, om een Fridolin in te stoppen, tenzij men hem eerst wilde opvouwen, alsof men hem in een linnenkast zou opbergen. Ziet hier de geheele inrichting zooals ik die bij het maken eener patrouille bevonden heb:

„Op een kleine natuurlijke of kunstmatige hoogte, in de nabijheid der plaats waar het erts opgedolven werd, hadden de Dajaksche ijzersmelters onder een zeer hoog dakwerk een bak van plastische klei vervaardigd, die, wat de buitenafmeting betreft, nagenoeg den vorm van een kubieken meter had. De wanden van dien teerling.…”

„Zou je ons eerst niet iets van het erts vertellen en van de plaats waar die aangetroffen wordt?” vroeg La Cueille.

„Zoo als je wilt. Het erts, waaruit het ijzer gewonnen wordt, is steeds bijna in de nabijheid der steenkolenformatie te vinden. Schier altijd worden beide mineralogische voortbrengselen bij elkander aangetroffen, de eene laag de andere dekkende; zeer zeldzaam is het dat, waar het eene aanwezig is, het andere ontbreekt.”

„Donders! dat is buitengemeen gelukkig,” juichte de Waal.

„Het kan zijn; maar laat me nu voortgaan. De lagen, die het ijzererts bevatten, zijn langs de rivier doorsneden en gewoonlijk reeds bij middelbaren waterstand in de diepe beddingen zichtbaar. De Dajaks benutten de gelegenheid in den drogen tijd, om den noodigen voorraad erts te bemachtigen. Dit erts, in den regel met water doortrokken, is op het gevoel weekachtig. Het wordt eerst gedroogd in de zon, daarna in stukken ter grootte van een okkernoot geklopt en verder in de nabijheid onder een licht afdak opgeschuurd, tot den tijd, dat het gebruikt zal worden. Dat erts bestaat uit een mengsel van grootere of kleinere stukken van doffen ook wel glinsterenden bruin-ijzersteen en is een soort van ijzer-oxyde-hydraat met geelachtig bruine streek, voorts uit bruinen ijzer-oker, gevormd door de ontleding van het eerstgenoemde mineraal en eindelijk uit vrij harden zandsteen waarin het erts afgezet schijnt te zijn. Op 100 gram erts komen 34,6 gram zuiver ijzer voor. Dat is al wat ik er van weet en dat heb ik nog uit de rapporten gestolen.”

„Dank je voor de toelichting,” sprak de Waal, „je bent knapper beslagen dan ik wel dacht; ga nu maar voort. Je waart aan de beschrijving van dien bak van klei, die den vorm van een teerling had.”

„De wanden van dien teerling,” ging Johannes voort, „hadden van boven een dikte van ongeveer een dM., maar namen naar beneden loopende dermate in dikte toe, dat het grondvlak van de binnenruimte van den bak slechts 9 vierkante dM. mat. Deze bak was de eigenlijke smelttoren en werd „laboerang” geheeten. Zoo als mij verhaald werd, was die oven gedurende een veertiental dagen in de zon gedroogd, waarna men beneden, zoo wat twee dM. boven het grondvlak der binnenruimte een gat geboord had om de pijp van den blaasbalg binnen te leiden, terwijl aan de tegenovergestelde zijde een ander gat gemaakt was „alier” geheeten, dat dienen moest, om gedurende de smelting de slakken te kunnen verwijderen en later het verkregen ijzer uit den oven te halen. We kwamen met onze patrouille juist aan, toen men den oven begon te laden. Hij was vooraf met hoepels van rottan en bamboe omwoeld om het barsten en splijten te voorkomen. Eerst werd op het grondvlak van de „laboerang” een dikke laag zeer fijn houtskoolpoeder gestrooid. In die laag werd een vierkante uitholling, „kakat” genaamd, uitgespaard, waarin het vloeibare ijzer zich later zou verzamelen.

Boven die kakat werd in het daarvoor bestemde gat de buis van den blaasbalg gebracht. Die buis „boetoeng” geheeten, was van klei gebakken en reikte tot ver over het midden van de kakat. Vervolgens werd de oven, zoo wat op ¾ van zijn hoogte met houtskolen gevuld, waarop het erts gestort werd, dat vooraf in groote houtvuren geroost was, totdat het een menieachtig roode kleur had gekregen. Daarna werd de houtskool boven de kakat aangestoken en de alier met een laag natte klei gesloten. Vervolgens werd de bamboebuis van den blaasbalg in de boetoeng gebracht en het vuur eerst langzaam aangeblazen en daarna tot zijn grootste hitte gestookt.”

„Je spreekt daar van een bamboebuis; die blaasbalg zal toch wel van Europeesch maaksel geweest zijn?” vroeg La Cueille. „Zoo iets kunnen de inlanders niet vervaardigen.”

„Daar heb je weer zoo’n oordeelvelling van een Europeaan!” sprak Johannes met eene zweem van bitterheid in zijn stem. „Neen, die blaasbalg was niet van Europeesch maaksel. Luister; ’k zal je op de hoogte brengen. In een rechtstandigen houten cylinder, gewoonlijk een uitgeholden boomstam, een middellijn hebbende van ongeveer drie dM. bij een lengte van twee meter, bewoog zich een „kewoes” (zuiger), waarvan de schijf, ter bevordering van de luchtafsluiting, door middel van „djampol”, een soort van mastik van olie en hars, met donzige kippenveeren beplakt was. Onder aan den cylinder was de gemelde bamboebuis, „passiong” geheeten, bevestigd; door deze werd de lucht in de boetoeng en verder in de laboerang geperst. De zuigerstang, zes à acht meter lang, was boven aan een horizontaal geplaatste, veerkrachtige lange bamboe bevestigd, waardoor de arbeid van het op en neerhalen van dien zuiger aanmerkelijk verlicht werd. Die blaasbalg werd „bapoetang” genoemd en de arbeiders deden daarmede, tot het verkrijgen van de noodige hitte, veertig tot vijftig slagen in de minuut.”

„Drommels, dat is mooi!” betuigde de Waal.

„St! laat me voortgaan. Toen de oven geladen was, werd het vuur tot de grootst mogelijke hitte aangeblazen; en naarmate de inhoud door de verbranding zakte, werd er nieuw erts van boven ingeworpen. Om echter de laboerang steeds van de noodige brandstof te voorzien, werd toen op een deel erts tien deel houtskolen gevoegd. Om het uur werd de alier geopend, om de slakken te verwijderen, maar daarna onmiddellijk weer met natte klei gesloten.

Deze grinnikte en antwoordde bij wijze van dank:

„’k Zal nu ten minste kunnen slapen, goeden nacht! Maar ja, hoe heet ijzer in het Dajaksch?”

„„Sanaman” en de ijzererts „batoe sanaman.””

„Dank je, goeden nacht.”

Die wensch, hoe hartelijk ook gedaan, zoude evenwel blijken ijdel te wezen. Niet lang na het middernachtsuur, werd Wienersdorf gewekt, door een Dajak, die hem zachtkens aan een zijner groote toonen krieuwelde en bij zijn ontwaken tot zich wenkte. Toen de Zwitser buiten kwam, vernam hij dat zijn Hamadoe hem wenschte te spreken. Hij spoedde zich naar haar woning, uitermate nieuwsgierig, wat zij in dit nachtelijk uur van hem kon verlangen. Een te goede meening koesterde hij omtrent de zedelijkheid van het meisje, om ook maar een enkele onedele gedachte ingang te doen vinden. Hij vond haar in tranen badende. Zoodra zij hem zag, sprong zij op en hem bij de hand nemende, geleidde zij hem bij de slaapplaats van Harimaoung Boekit, haar broeder, die op zijn matje, door een hevige koorts bevangen, te ijlen lag. In dikke droppels parelde het zweet op het voorhoofd des kranken, zijn ademhaling was heet en hijgend en in zijn wartaal had hij het er maar steeds over, dat Johannes gedreigd had, hem de koorts te huis te sturen. Dat verhaal, hetwelk hij al verscheidene malen opgedischt had, begon indruk op de metgezellen van den Poenan, die rondom zijn legerstede geschaard stonden, te maken, en een gemompel van ontevredenheid uitte zich en zelfs werden enkele bedreigingen gehoord. Met het bijgeloof van zulk een oorspronkelijk volk is het niet goed den spot te drijven.

„Er valt niet te lachen,” meende de Zwitser, „de toestand is ernstig. Geloof vrij, dat ik menige bedreiging tegen je gehoord heb. En zelf moet je bekennen, dat het een raar volkje is.”

„Kom, kom; wel heb ik spijt, dat ik dat malle gezegde uitgeslagen heb; maar voor het overige zal het wel losloopen. Maak je maar niet ongerust. Als ze je weer in je kwaliteit van dokter komen halen, roep me maar, dan ga ik mee en zal alles weer goed maken.”

Een paar uren nadat de dag aangebroken was, werd Dohong weer geroepen en deze trad al spoedig daarop, van Johannes vergezeld, het ziekenvertrek binnen en vond daar alle aanwezenden bezig alles klaar te zetten, om door middel der Balians genezing van de Sangiangs, die hulpvaardige wezens af te smeeken.

„Om Godswil niet!” riep Dohong, „dat getrommel, dat gezang en dat gejoel zullen den zieke nog zieker maken.”

Deze laatste zette een donker gezicht, toen hij Johannes gewaar werd en verweet hem, dat bij zich zoo ondankbaar getoond had.

„Ik vergeef het je,” sprak hij eenigszins weekhartig, „ter wille van Dohong. Maar die ondankbaarheid heb je te Bandjermasin van de blanken geleerd, niet waar? Wat heb ik je gedaan, om me zoo te behandelen?”

„Kom, kom,” sprak Johannes, „’t is niet anders dan een vergissing. Toen ik gisteren die woorden sprak, was dat gekscherende, dat heb je wel kunnen merken. Ik ben niet bang voor de koorts. Toen zij heden nacht bij mij kwam, was ik slaapdronken—’k had gisteren avond wat toeak geproefd.—’k Wilde haar naar den kommandant te Kwala Kapoeas zenden en het schijnt, dat ik mij alstoen ergerlijk vergist en uw naam genoemd heb. Maar heb ik de macht om iemand de koorts op het lijf te jagen, ik heb die ook om ze weg te nemen. Je zult zien.”

En meteen een handvol ongepelde rijst uit een klapperdop, dien hij medegebracht had, grijpende, strooide hij de korrels rondom de sponde van den zieke, terwijl hij met luider stemme opdreunde:

„Baboho tawor tawèh balei Sangiang, lalento etan boelau madja balei Sangiang.”

„O! gestrooide korrels gaat gezamenlijk in het huis der Sangiangs; treedt met geruisch o! mijn gouden korrels het huis der Sangiangs binnen.”

Daarna den zieke over het voorhoofd strijkende, waarbij hij met de hand een beweging maakte, alsof hij iets wegwierp:

„Zie zoo,” sprak hij, „dat is klaar. Over een uur heeft de kommandant van Kwala Kapoeas de koorts zoo hard, als gij ze gehad hebt. Blijf nu maar stil liggen; drink de „obat” (medicijn), die Dohong u geven zal. Wellicht zult ge over een half uur zware suizingen in de ooren hebben; dat moet u niet ongerust maken. Dat is het teeken, dat de koorts aftrekt en naar Kwala Kapoeas verhuist.”

Met een plechtigen stap verliet hij het vertrek. Wienersdorf haalde een fleschje te voorschijn, waarin Johannes 24 grein sulphas chinicus in citroenzuur opgelost had en liet dat den Poenan drinken. Deze zwelgde zonder een spier te vertrekken het bittere goed naar binnen, veegde zich den mond met den rug zijner hand af, maar betuigde, dat hij meer vertrouwen had in het tooverformulier van Johannes, dan in alle bittere drankjes ter wereld. Een kwartiertje later lag bij gerust te slapen.

Die sulphas chinicus had Johannes uit de verbandkist van den dokter van Kwala Kapoeas bij een van diens talrijke tochten weten meester te worden. Hij was een man van voorzorg en de toen gepleegde ontvreemding kwam hem nu goed te stade. Het was eigenlijk een uitkomst, want Dalim waarschuwde de deserteurs ernstig, zich van dergelijke aardigheden, als Johannes’ zich veroorloofd had, te onthouden.

„Nu,” zeide hij, „hebben reeds bedreigingen weerklonken en zijn allerlei vermoedens geuit. Er waren er, die beweerden, dat het gevaarlijk is, zulke onbekende vreemdelingen zoo maar in de kotta’s te ontvangen. Alles bepaalde zich evenwel tot gemompel; maar wanneer eenmaal het woord „antoeën” ware uitgesproken geworden, dan zouden al de mandauw’s als van zelven uit hun scheeden gevlogen zijn en dan laagt ge al lang in uw bloed te wentelen en prijkte uw kop in de vuist van een Poenan.”

„Mille tonnerres!” riep La Cueille, „nu is het mijn beurt eens om je toe te roepen: „pas op je kop.””

„Antoeën, wat beteekent dat woord?” vroeg Schlickeisen.

„Antoeën beteekent: iemand die zich in een boozen geest kan veranderen, om de zielen der menschen te ontrooven en hen zoo ziek te maken,” antwoordde Dalim.

„Ik dacht dat iemands ziel te doen verhuizen, iemand dooden is?”

„Ja, als de ziel lang afwezig blijft, heeft dat den dood ten gevolge. Voor den Dajak is iedere ziekte slechts een tijdelijke afwezigheid der ziel, en genezing is alleen het kunstje om die ziel op haar tijd en dan om te blijven, terug te voeren, ’t geen onze Balians behendig weten te bewerkstelligen.”

„Daar zal wel een legende aan verbonden zijn, hé?” vroeg de nieuwsgierige Zwitser.

„Ja zeker, als je wilt, zal ik ze je vertellen.”

De vier Europeanen stopten hun pijpen en schaarden zich om den Dajak, die aldus begon:

„Maar hoe openbaart een antoeën zich, of hoe gaat hij te werk om iemands ziel te ontrooven?”

„Dat zal ik u vertellen. Wil een antoeën een mensch onheil berokkenen, dan rijt hij zich zelf des nachts het hoofd van den romp. Deze handeling heet bij de Dajaks: „baroewoet takoeloke” (kop afscheuren). Met de daaraan hangende spieren en ingewanden vliegt die afgescheurde kop weg naar het huis van hem, dien hij kwellen wil. Daar verandert hij zich in een nachtvogel, rat of muis en dringt zoo de woning binnen. Hij wacht daar, in een hoekje verborgen, tot zijn slachtoffer slaapt, ontfutselt hem zijn ziel of steekt hem een houtsplinter of een vischgraat onder de huid.”

„Hoe lapt hij hem dat?” vroeg La Cueille.

„De ziel van een slapend mensch slaapt eigenlijk niet, maar is toch slaapdronken en daarbij zeer onrustig. Zij volgt dan gaarne ieder, die haar roept.”

„En het splinters insteken, dat moet toch pijn doen?”

„Maar daar voelt de slapende toch niets van. Dat alles moet evenwel voor het aanbreken van den dag geschied zijn; want wordt het licht vóór dat de kop van den antoeën zijn lichaam weer opgezocht heeft, dan moet hij tot den volgenden nacht wachten, alvorens hij er zich weer mee vereenigen kan. Middelerwijl evenwel is het lichaam onder den invloed van de over dag heerschende warmte reeds begonnen tot ontbinding over te gaan, zoodat de antoeën dan ook sterven moet. Komt echter de kop nog bijtijds bij zijn lichaam terug, dan zet de antoeën zich dien eenvoudig weer op den romp en herneemt alzoo zijn menschelijke natuur.”

„Hoe geschiedt dat kopafscheuren en dat kopweeropzetten?” vroeg La Cueille steeds nieuwsgierig.

„Dat weet ik niet; ik ben nimmer een antoeën geweest,” was het leuke antwoord van den Dajak.

„Verduiveld, dat is jammer; ik had dat kunstje wel willen leeren,” lachte de Waal. „Maar stelen de antoeëns slechts zielen, en stoppen zij iemand alleen maar houtsplinters en vischgraten in het lijf? Dat is een vrij onschuldige grappenmakerij. Van den splinter of graat krijg je eenvoudig een steenpuist; en je ziel vraag je aan een mooie Balian terug.”

Allen lachten om den kwinkslag, zelfs Dalim deed mee.

„Ja, maar,” ging hij voort, „het gebeurt ook wel eens, dat zulk een antoeën zijn slachtoffer tot den laatsten droppel bloed uitzuigt en niets dan een lijk achterlaat. Eens evenwel.…”

„Nu ga voort,” sprak Johannes, bij de aarzeling van den spreker, „waarom talm je, durf je niet?”

„Och, ’t is maar een sprookje, jullie blanken gelooft er toch niet aan.”

„Kom, vooruit maar; ’k zie aan je neus, dat je brandt van verlangen, om ons dat sprookje op te disschen.”

„’t Is eens gebeurd, dat zulk een antoeën zijn of beter haar wandeling bijna zeer slecht bekomen was, maar toch nog bijtijds gered werd en toen de haar verleende hulp zeer dankbaar beloonde. Het was een jeugdige en zeer schoone vrouw, die het treurige voorrecht genoot, antoeën te zijn. Zij had een braaf echtgenoot, die in de verste verte niet bevroedde, welk kostbaar wijfje hij bezat. Iederen avond haalde zij hem over een duchtigen teug toeak of arak te nuttigen en, wanneer dan manlief zijn roes uitsliep, dan had het vrouwtje vrij baan.

„Kom hier,” sprak een stem, „gij kunt mij een grooten dienst bewijzen en ik zal niet ondankbaar zijn.”

Angstig vroeg de vrouw, wat van haar verwacht werd.

„Zet mij in uw „boetah” (draagmandje) en breng mij tot aan het gindsche huis. Stoor u aan de menschen niet, die gij daar mocht ontmoeten; maar ga door het middenvak van het huis en stoot de laatste deur aan uw rechterhand open. Zijt ge daar binnen, sluit dan de deur goed achter u dicht, open de „djangkoet” (bedgordijnen) en leg mij daar stil neder. Nogmaals, ik zal u niet ondankbaar behandelen. Gij zijt pandeling; ik zal al uwe schulden betalen; gij zult vrij zijn en ik zal u daarenboven nog veertig realen geven.”

„Hoe zeer de arme slavin ook voor de akelige gedaante teruggedeinsd was, zoo waren toch de beloften te schoon, om ze van de hand te wijzen. Zij zette haar draagmandje op den grond, greep het hoofd bij de haren, tilde het uit het kippennest en stopte het met darmen en spieren in de boetah en begaf zich naar het aangeduide huis. Daar aangekomen, ontmoette zij werkelijk een paar huisgenooten, die haar bij het binnentreden vroegen: „kasen ikau manalih ikei?” (wat komt gij bij ons doen?) Zij antwoordde evenwel niet of slechts geheel ontwijkend, maar drong het huis in, begaf zich naar het aangeduide vertrek en trad dat binnen. Na de deur achter zich gegrendeld te hebben, sloeg zij de bedgordijnen open en zag daar den man des huizes, die nog in een zwaren slaap gedompeld lag. Zij zette haar boetah naast den slapende neer, sloeg de gordijnen dicht en spoedde de kamer uit, terwijl zij zich het angstzweet van het voorhoofd wischte. Na verloop van een uur kwamen man en vrouw te voorschijn; beiden gaven voor, dat zij zich verslapen hadden, maar de huisgenooten merkten op, dat de jonge vrouw zeer bleek en uitgeput uitzag. Nog denzelfden dag werd de oude pandelinge uit haar dienstbaarheid verlost en haar, behalve de toegezegde som van veertig realen, nog een fraai snoer van „lameang’s” (agaatsteenen) overhandigd.”

„En gelooft ge aan dien nonsens van dat kop aftrekken, enz.?” vroeg La Cueille, toen het verhaal uit was.

„Dacht ik het niet!” riep Dalim uit, „dat mijn verhaal geene geloovige ooren zou ontmoeten. Ja, ik geloof er aan.”

„Hebt ge dan ooit zoo’n antoeën in zijn bedrijvigheid ontmoet?” vroeg de Waal met deftige wijsheid in zijn stem.

„Neen; maar mijn vader wel, en dat is een man, die nimmer een leugen uitgesproken heeft.”

„Te donder Dalim, dat is kras! een Dajak, die nooit gelogen heeft,” lachte Johannes; „dat is net zoo sterk als een Chinees, die nooit geschacherd zou hebben. Maar sta je er op, dat we je gelooven, dan vooruit met de ontmoeting van je vader met dien antoeën.”

„Och maar, hij daar,” zeide Dalim, terwijl hij naar den Waal wees, „zal me toch niet gelooven.”

„Ja zeker, dat zal hij net zoo wel, als hij gelooft, dat in zijn land oude vrouwen zich in een zwarte kat kunnen veranderen of op een bezemstok door de lucht kunnen rijden.”

„Dat kunnen ze ook!” viel de Waal driftig in.

„Daar zou je ook niet mee moeten spotten in de dalen van Grauwbunderland, van Valtellino of Tessino,” voegde Wienersdorf er ernstig bij.

„Zie je wel? daar heb je ’t al. Vooruit maar, je zult nog meer geloof vinden, dan je kunt vermoeden,” grinnikte de Indo-Europeaan.

„In de nabijheid van het huis mijns vaders, dat te Kwala Kapoeas langs de soengei Basiri stond, woonde een man, Moeèi genaamd, die sedert eenigen tijd in verdenking stond, antoeën te zijn. In de onmiddellijke omgeving gebeurden wel geen gevallen van bloedafzuiging, van zielontrooving of van houtsplinter- of vischgraat-goochelarij; maar in de naburige kampongs kwamen die des te menigvuldiger voor. Er ging bijna geen nacht voorbij, dat niet het een of andere schelmstuk van dien aard uitgevoerd was. Men paste op, men loerde, maar steeds zonder eenig gevolg. Wel waren er, die beweerden, dat de antoeën zich steeds in de richting van soengei Basiri verwijderde; maar dat kon een list zijn. Toen evenwel andermaal een jonge vrouw, moeder van vijf kinderen, bloedeloos en dood op haar legerstede gevonden werd, toen besloot de geheele negorij de handen in elkander te slaan en een stipte waakzaamheid in acht te nemen. Ook de mannen, in soengei Basiri wonende, werden daartoe uitgenoodigd. Zoo trok mijn vader om den anderen nacht op post en bezette dan met twee andere kampongbewoners een wachthuisje, dat aan de monding der soengei geplaatst, een ruim uitzicht opleverde. Maar was de antoeën op zijn hoede, of wel was men op een verkeerd spoor? Genoeg, al dat waken bleek ijdel en leidde tot niets, hoewel er bijgevoegd moet worden, dat gedurende een geruimen tijd geen ongeval zich voordeed.

„Hoe deed hij dat?” was andermaal de nieuwsgierige vraag van La Cueille, „nu moet je ’t weten; je vader was er bij.”

„Toch weet ik het niet; wellicht met zijn tanden,” was het ontwijkende antwoord van den Dajak.

„Nog was het drietal van hun verbijstering niet bekomen, toen Moeèi met zijn arbeid klaar was en hen lachend te gemoet trad, alsof er niets gebeurd was. Hij greep een bamboekoker, die in de nabijheid van zijn bed hing, schudde dien leeg en vertoonde den omstanders een stapeltje rijksdaalders, dat hij hun aanbood, als zij den mond wilden houden. Maar zij trokken hun mandauws en sloegen op den antoeën in en kapten en kerfden, zoolang maar een heel plekje van zijn huid te ontwaren was. Zij waren nog bezig, toen het kamponghoofd van soengei Basiri op het gerucht binnenkwam.”

„Te drommel ja,” riep Johannes, „die zaak herinner ik me. Ik maakte deel uit van de patrouille, die de moordenaars oppakte. Jongens, jongens, de bevolking wilde ons te lijf.”

„Wel zeker,” zeide Dalim, „wat had de kommandant zich daarmee te bemoeien. Een antoeën dooden is een verdienstelijk werk; tegen dat tuig kan hij ons met al zijn macht niet beschermen.”

„Ja, maar de kommandant geloofde zoo grif aan die antoeën-geschiedenis niet. Dat stapeltje gevonden rijksdaalders deed hem andere gedachten koesteren.”

„Toch ten onrechte, niet waar? mijn vader en zijn twee helpers zijn toch eindelijk op vrije voeten gesteld; dus de kommandant erkende hun onschuld.”

„Voor den duivelkater niet! De kommandant wilde geen verwikkelingen in het leven roepen met een bevolking, die hij pas met vele moeite tot onderwerping gebracht had. Maar ik heb hem wel eens hooren mompelen, dat die moordenaars hangen moesten.”

„Hij heeft ze niet gehangen,” lachte Dalim, „en wat wel het voornaamste was, toen mijn vader zijn vrijheid herkreeg, gaf hem het kampongvolk een fraaien mandauw ten geschenke als waardeering, dat hij hen van een gevaarlijken antoeën verlost had en bij de eerste de beste gelegenheid werd hij tot kamponghoofd van soengei Basiri verkozen.”

„Jawel, maar bij het vellen van een boom, kreeg hij een tak van den vallenden reus op het lijf, die hem de ruggegraat verbrijzelde.”

„Dat was de wraak van den boosaardigen antoeën.”

„Goed; maar waarmee de kommandant nog al in zijn schik was, omdat hij van de verplichting ontslagen werd, òf de benoeming tot hoofd van iemand, dien hij van moord verdacht hield, te bekrachtigen, òf die bekrachtiging te weigeren en weer nieuwe tweespalt met de bevolking te beginnen.”

„Neen, voor den drommel niet! dat zal ik niet meer doen,” zeide Johannes ernstig gestemd. „Maar kan dat nog kwade gevolgen hebben?”

„Neen, wanneer de Poenan vrij van koorts blijft. Dan is alle gevaar over. Want een bijzonderheid der antoeëns is, dat zij zelven nimmer het kwaad, dat zij berokkend hebben, kunnen herstellen.”

„Mijn waarde Helvetiër,” wendde zich Johannes tot Wienersdorf, terwijl hij hem een papiertje in den vorm van een poeder in de hand stopte, „hier heb je nog een twintig grein chinine, laat die je schoonbroeder nog slikken; want, verduiveld! nu heb ik een voornaam belang te meer bij zijn genezing.”

Maar die tweede dosis was niet meer noodig. Na flink en rustig een gat in den dag geslapen te hebben, was de Poenan ontwaakt en, zich uiterst wel gevoelende, had hij zijn matje opgerold en dat buiten ’s huis in de schaduw van een zwaar gekroonden wariengienboom uitgespreid. Hij lag daar nu onder het genot van een sirihpruimpje de buitenlucht met forsche teugen in te ademen. Toen hij Wienersdorf en Johannes zag naderen schudde hij laatstgenoemden hartelijk de hand. Toch was een soort van eerbiedige vrees voor hem, die zoo maar ziekten kon te voorschijn roepen en doen verdwijnen, bij dat oorspronkelijke gemoed onmiskenbaar.

Notes in this chapter

Note 1 · Nagara is een landstreek met hoofdplaats van denzelfden naam in de Maleische districten van Borneo aan de Bahanrivier gelegen. Aldaar wordenNote 2 · Dit is de wortel van een slingerplant, die in de moerassige benedenlanden van Borneo veel aangetroffen wordt. Hij is nog het beste surrogaatNote 3 · Het eerste levend wezen, dat Mahatara volgens de Dajaksche genesis schiep, was een groote waterslang. Op deze verzamelde hij langzamerhand mNote 4 · Tantarah is een soort van boschhaan, die gewoonlijk op de uiterste spits van zeer hooge boomen gezeten, den glorenden dageraad meteen luid tNote 5 · Krassa krapi beteekent den tijd, die noodig is, om rijst gaar te koken. Een andere tijdverdeeling kent de Dajak niet. Het wordt ook wel gebrNote 6 · Zie over Radja ontong de noot op bladz. 22 van dit deel. ↑Note 7 · Dat stoken werd zoo den geheelen dag, van des morgens tot het vallen van den avond voortgezet; daarna werd de oven uitgedoofd, de alier geopNote 8 · Hamadoe, in haar bezorgdheid over den toestand van haar broeder, had het geraden gevonden haar Dohong te laten roepen; wellicht dat die als Note 9 · „Er was eens een Dajaksche familie, die bij het graven van een gat in den grond, om een stijl voor een te bouwen huis te plaatsen, een grootNote 10 · „Bij een harer nachtelijke omzwervingen langs de boorden der Kapoeas, had zij haar intrek genomen in de hut van een zeer knap jongeling, dieNote 11 · „Maar ziet, op een avond hoorden de buren zekere luidruchtigheid in de woning van Moeèi en toen men luisterde, was hij bezig zijn huisgenootNote 12 · „Naughe!” (het zij, hoe het zij) lachte Dalim als om het gesprek over dit onderwerp af te breken. „Maar,” vervolgde hij, „ik heb u nu twee g
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings