Note 3 — XXIV.
Reading edition
„Er was eens een Dajaksche familie, die bij het graven van een gat in den grond, om een stijl voor een te bouwen huis te plaatsen, een groote roode waterslang vond, die doodde en haar met smaak oppeuzelde. Maar die slang, Lendong genaamd, behoorde tot de familie der „Naga gallang petak”3 en was een bevoorrechte van Mahatara. Deze, vertoornd over zulk een handelwijze, maakte allen, die van die slang gegeten hadden tot antoeën. De huisvader van dat gezin werd het opperhoofd der antoeëns en ontving bij die gelegenheid den schrikwekkenden titel van „radja antoeën batoelang dohong” of „koning der antoeëns met beenderen als slagzwaarden”. Die geheele familie bleef antoeën en hun nakomelingen werden antoeën geboren.”