Note 5 — XXIV.
Reading edition
„Maar ziet, op een avond hoorden de buren zekere luidruchtigheid in de woning van Moeèi en toen men luisterde, was hij bezig zijn huisgenooten toeak te schenken en hen tot drinken aan te sporen. Dat wekte argwaan; want Moeèi was een erge gierigaard, die niet dan om geldige redenen tot zulken overdaad oversloeg. Dien nacht trok mijn vader niet op post in het bedoelde wachthuisje; maar verborg zich achter een struik, die dicht bij Moeèi’s woning stond en van waar hij goed kon waarnemen, wie in- of uitging. Hij zal daar zoo omstreeks drie „krassa krapi”5 in het stof gelegen hebben, toen hij de deur zachtjes zag opengaan en een gedaante verschijnen, die als een pijl recht toe recht aan de lucht invloog en naar den kant van het oosten in het duister verdween. Er was evenwel niet veel te onderscheiden geweest en te beweren, dat, wat hij gezien had, een menschenhoofd was, dat kon mijn vader niet; want hij verklaarde later, dat het wel iets van een „bangamat” (vliegende hond) had. In het onzekere wachtte hij stil af om te zien, of de gedaante zou wederkeeren. En jawel, in het oosten begon zich reeds een grauwe lichtband te vertoonen, toen hij een geklepper in de lucht vernam, dat snel naderde. Hij sprong op en greep toe op het oogenblik, dat de gedaante door de reet der deur wilde binnen sluipen. Een worsteling volgde nu. Hevig schudde de antoeën zijn afhangende darmen, om den bespringer te doen loslaten en toen dat niet lukte verhief hij zich in de lucht. En waarachtig, toen mijn vader den grond onder zijn voeten voelde begeven, kon hij die glibberige darmen niet houden, door zijn zwaarte schoten hem die door de handen en plofte hij onzacht op den grond neer. Op het geschreeuw mijns vaders schoten een paar buren toe. Met hun drieën drongen zij in Moeèi’s woning en vonden dien nog bezig met zich het hoofd op den romp te plaatsen.”