VII. DE GEBOORTEPLAATS.
Reading edition
Volgenderwijs kwam grootvader te sterven, zijnde eenenzeventig jaar en ruim twee weken oud.
Grootvader keerde terug van den barbier. En hoewel hij nog zeer welvarende was, toen wij hem het laatst in ongeschoren toestand gezien hadden, was hij, nu wij hem het eerst in geschoren staat terugzagen, hoogst ongesteld.
Grootvader trilde zoo, en deed zoo raar met de oogen.
Grootmoeder vroeg: „Grootvader, is er iets?”
Grootvader vertelde—maar grootmoeder moest, om hem te verstaan, haar oor haast op zijn mond leggen, zoo gedempt was grootvaders stem,—dat bij den barbier een vreemdeling, wiens knevel werd ingekort, inmiddels zwaar had zitten schimpen op het dorp. Het was „een nest” en „een gat”, had de vreemdeling gezegd. En ook nog andere verachtelijke dingen. Maar die wist grootvader niet alle meer. Grootvader was van het aanhooren zeer zenuwachtig geworden. Hij had het mes van den barbier even van zijn wang weggeduwd, om tot den vreemden zwetser te zeggen: „In deze plaats heb ik meer dan eenenzeventig jaar gewoond.” Maar de vreemde, die zijn knevel liet inkorten, had schamper gelachen, en uitgeroepen: „Nu, dan hebt ge meer dan eenenzeventig jaar gewoond in „een nest” en „een gat”!” Grootvader beefde hoe langer hoe heviger, terwijl hij dit aan grootmoeder vertelde. Het was aan het eind niet om aan te zien, hoe hij beefde. Vooral zijn beenen en zijn lippen.
Grootmoeder zeide: „Grootvader moet naar bed.”
Te middernacht hoorde grootmoeder grootvader nog eenmaal murmelen: „Een nest en een gat!” Toen trok zij grootvaders slaapmuts eens recht, en sluimerde aan zijn zijde weder in.
Maar den volgenden ochtend vond grootmoeder grootvader dood naast zich. En zijn mond stond scheef.
De dokter kwam, en zeide, dat grootvader gebleven was in een beroerte. En op de begrafenis stelden de aanwezigen eenparig vast, dat de vreemde man bij den barbier de moordenaar van grootvader was geweest. Maar zij vonden, dat grootvader een mooien dood was gestorven, daar hij gevallen was in de verdediging van zijn en hun aller geboorteplaats. Dat troostte zeer in het verlies. Te meer, daar grootvader aan elk zijner kleinkinderen een bankbiljet van veertig gulden naliet. Hiervoor kochten zij kippen. Behalve de jongste kleinzoon, het eenige nog ongehuwde kleinkind, die er twee gouden bellen voor kocht. En zijn meisje hing ze in haar ooren.
Hierin zijn wij allen, waar ook in Noord-Holland metterwoon, zeer te prijzen: niet slechts zijn wij tevreden met de plaats onzer inwoning, maar onze liefde en trouw zijn eraan verpand, tot dáártoe, dat ieder van ons, gelijk grootvader, loffelijker gedachtenis, den laatsten ademtocht, zoo het moet, willig in den dienst van de geboorteplaats zal slaken. In den zoeten naam van ons stedeken of ons dorp hooren wij als in één melodievollen toon samensmelten alwat er voortreffelijks is, alwat er aanminnigs is, alwat er onvergelijkelijks is. Van de eerste dagen der jeugd af dringt het zich krachtiglijk aan ons bewustzijn op, dat hier, waar onze voeten dagelijks wandelen, het middelpunt des wereldbelangs ligt. Waar de wettelijke grensregelaar de grens onzer burgerlijke gemeente heeft getrokken, aldaar heeft hij, zonder het te weten of te bedoelen, tegelijkertijd de grens getrokken van onzen waardeeringszin. Wat aan den anderen kant van die grens ligt, zien wij, zoolang het mogelijk is, door den grauwen nevel der geringschatting, en wordt dat een enkele maal beslist onmogelijk, dan door den gelen schijn des naijvers heen. En hetgeen nóg verder af ligt, geheel buitenslands, dat blinkt voor ons bovenal in het licht der belachelijkheid. Ondanks deze huiselijke eigenschap houdt een welgeaard Noord-Hollander er niet van, dat anderen hem kenmerken als iemand met beperkten blik. En als men weet, dat hij daarvan niet houdt, is het niet aardig, het te doen.
Teeuwis van den watermolen is een man, gezien en geëerd in heel het gehucht. Want alzoo moet Teeuwis openlijk in de gemeenteraads-vergadering hebben gesproken, terwijl er in zijn wezen iets kwam, tegelijk van den profeet en van den krijgsheld: „Wie aan onze plaats komt, komt aan mij.” Dies loven de medeburgers Teeuwis. Want de geboorteplaats boven elke plek in gewest, in land, ja, in de wereld, te schatten en te prijzen is vervulling van een genoegelijken plicht, doch brengt de lichte moeilijkheid mee, somwijlen tegenover sceptische lieden het „waarom?” van die hoogschatting te moeten beantwoorden. Maar Teeuwis heeft voor al zijn door die moeilijkheid bedreigde plaatsgenooten het verlossend woord gesproken. Thans antwoorden zij op elke schuchtere bedenking tegen hun plaatselijken roem, met Teeuwis: „Wie aan onze plaats komt, komt aan mij.” Dat doet ten zeerste af. Want dat een Noord-Hollandsch mensch zou moeten gehengen, dat aan hem wordt gekomen, is toch wel de onredelijkheid zelf. Aan hem komen zou insluiten, dat er op hem dus wat te zeggen viel. En in welken vermetele en verdwaasde rijst nu zulk een denkbeeld op?
Niettemin kan, nevens Teeuwis' weldoordacht systeem, onze argumentatie voor de weergalooze uitnemendheid der eigen woon- en geboorteplaats nog wel eenige aanvulling velen; wij zijn ruimhartig genoeg, dit te erkennen. De geestdrift is dan ook groot in Lutjebroek en elk ander „broek”, als de vereeniging „Broeksche Glorie” in een wedstrijd hier of ginds heeft gezegevierd over de club „Dam-bloem”, uit Ilpendam of eenig ander „dam”. Dan zegt niemand in Lutjebroek: „De vereeniging alhier heeft den prijs”; maar al de ingeborenen jubelen: „Lutjebroek heeft overwonnen”. De plaatselijke gemeenschap eischt voor zich de lauweren op, die behaald zijn door eenige uitnemende harer zonen, en deze leggen die lauweren met liefdevolle vereering aan de voeten van den localen genius neder.
Wat zegt u, mevrouw Hoog, te Amsterdam, en mijnheer Groot, te Rotterdam? „Benepen dorpschheid of kleinsteedschheid!”? Zooals ge het nemen wilt! Waar gij slechts klein-particularisme ziet, aldaar kunt gij evengoed groot-idealisme speuren. Dat hangt van uw eigen gemoedsstaat af, mijn hooggeachten.
Mag ik uw welwillend aangezicht even in de richting van dat idealisme draaien?
Ziet dan eens hier: er ligt in onzen Noord-Hollandschen cultus van de geboorteplaats een sterk-verzoenende kracht. Daarin worden de veeten tusschen burgers van eenzelfde steê opgeslurpt, zooals een zwarte inktstraal, voordat hij te groot onheil kan verspreiden, in een ijlings aangebrachte spons. „Leve het Zuideind!” begint op de jaarmarkt te Monnikendam een schaar opgewonden jongens te roepen. Natuurlijk is dat der jongelingschap, die Monnikendams ander, niet minder eerbiedwaardig, einde bewoont, te machtig. Uit haar rangen wordt geantwoord met een uitdagend: „Leve het Noordeind!” En de kermisvrijsters houden gezwind ieder haar feestridder omvat met om des dapperen midden geslagen maagdenarmen, en laten stillende taal stroomen uit haar zoetelijk vertrokken monden. Maar zonder het tusschentreden dezer vrede-engelen zouden vermoedelijk de reeds opgeheven handen uit Noordeind en Zuideind verderf brengend tegen elkander te keer zijn gegaan. Ware het niet schrikkelijk geweest: Monnikendammers tegen Monnikendammers? Doch later, als de vrede-engelen niet ter plaatse zullen zijn, om der jongelingen strijdvuur in te rekenen onder de assche harer lieve overreding? Geen nood voor later! Dan heeft reeds lang weder het rechtschapen gevoel zijn wettige plaats hernomen, dat alwat Edammer heet de vijand is, maar alwat Monnikendammer genaamd wordt, hetzij uit Noord- of uit Zuideind, de broeder, naar het heiligste natuur- en geboorterecht. Ai, ziet, hoe onze gezamenlijke verknochtheid aan de plaats onzes burgerschaps van een haat sussend en wrok bezwerend vermogen is! In den sterken eik van onzen plaatselijken trots vindt de zachte duive onzer plaatselijke eendracht haar welbeschutte woning.
Het is voor 't overige ook zoo begrijpelijk, dat onze geboorte- en woonplaats voor ieder onzer de plaats der plaatsen is op aarde......
„Dat begrijp ik nu juist niet,” zeide mijn verwaande neef in de hoofdstad, terwijl hij en ik samen uit zijn voordeur naarbuiten traden. „Het veelvuldige verkeer van een groot deel uwer Noord-Hollanders, ten behoeve van hun bedrijf, midden in het groote-stadsleven moest, zou men verwachten, toch hun oog openen voor het nesterig-onbeduidende dier hoogvereerde geboorteplaats.”
Op de stoep stond de melkboer, met deemoedig gebogen hoofd, een ratelende en rammelende schrobbeering van mijns neven zeer bespraakte dienstbode in ontvangst te nemen. Onder het boetvaardig aanhooren van de afstraffing vond de melkboer nog gelegenheid, eenige linksche beleefdheidsbewegingen uit te voeren, om den heer des huizes en mij te laten passeeren.
„Een mijner medeburgers”, sprak ik tot mijn neef, met een hoofdneiging den gebrutaliseerden melkboer aanduidend. „Zijn zwijgende ootmoed verbaast en ontroert mij”.
Maar mijn neef wees naar een anderen man met juk en melkemmers, die in belangstellende pose beneden aan de stoep stond. „Uw medeburger voelt, meer nog dan hij het ziet, zijn concurrent daar staan,” zeide hij. „Die ander snakt naar een brutaal wederwoord van den melkboer tot mijn brutale dienstbode, om dan haastiglijk met vleiende hoffelijkheid zichzelf in de gunst en leverantie te dringen”.
„Daarover beschikt toch mevrouw mijn nicht?”
„Neen, mejuffrouw mijn dienstbode”.
Dienzelfden dag des namiddags stond mijn neef in mijn dorpsche huiskamer naarbuiten te turen door het venster. Hij verwaardigde onze woonplaats in de wei met anderhalf etmaal zijner tegenwoordigheid. Tot dat doel had ik hem dien ochtend uit zijn voordeur en van zijn stoep getroond.
„Wie is dat?” vroeg hij opeens. En hij somde op: „Deukhoed, zwarte jas, gepoetste bottines!”
„Gij kent hem”, antwoordde ik.
Hij drukte het gezicht tegen de ruit. „Nooit gezien”, verklaarde hij.
„Gij kent hem”, herhaalde ik.
Hij greep zijn lorgnet, en hield het voor de oogen. „De melkboer!” riep hij.
„Vanochtend en ginds de melkboer”, verbeterde ik. „Thans en hier de wethouder. Hij begeeft zich ter raadszitting”.
De veldwachter liep den wethouder voorbij, en salueerde. Kort achter den wethouder de aanplakker, en hij salueerde. Het onderwijzend personeel kwam uit de juist afgeloopen school, en allen salueerden.
Mijn neef gesproken: „Op die manier is de voorkeur voor de geboorteplaats zoowaar te begrijpen.”
„O, begrijpt gij het nu?” vroeg ik knipoogend.
„Maar”, riep mijn gast uit na korten zelf-inkeer, „zij zijn toch niet allen wethouders!”
„Mijn waarde”, zoo sprak ik, „als zij dat niet zijn, zoo zijn zij nochtans ongeveer allen mederegeerders, hetzij in gemeentebestuur, hetzij in kerkeraad, hetzij in polderheerschappij, hetzij al ware het maar in veefonds- of begrafenisfonds-beheer. En indien, onwaarschijnlijkerwijs, in niets van dit alles mederegeerders, dan toch inzake dit alles tezamen medepraters, naar wier woord wordt geluisterd met al het daaraan toekomend respect en diep ontzag......”
„En dat is anders”, viel neef in, „dan zich op elke stoep, onder eerbiedig opzien, te moeten laten brutaliseeren door elke dienstmeid!”
„Begrepen?” vroeg ik, en nogmaals knipoogde ik.
„Begrepen!” bevestigde neef, en thans knipoogde ook hij.
En al Noord-Hollands toegewijde en liefhebbende kinderen van het stedeken of het dorp hunner inwoning knipoogen fijntjes mede.
Voorwaar, voorwaar, onze zielsverbondenheid aan de plaats, waar onze wieg stond en ons woonerf ligt, is innig en teeder! Bij mij in de straat hebben velen er zelfs op tegen, naar den hemel te gaan, en daarvoor hun huis met erf te verlaten.

