X. BARTJE EN IK, ALSOOK HET SCHAAP.
Reading edition
Ik antwoordde haar: „Neen, Bartje, gij weet er niets van.”
Zij stond met de handen in de zijde op den drempel van haar huisje. Ik zat aan haar voeten neergehurkt. Ik melkte haar schaap. Ik deed weleens meer iets voor haar, omdat zij oud was, en ik niet.
Zij was afkomstig uit Weesperkarspel, en dankte voor dat voorrecht elken dag den Heer.
Achter mijn rug stond zij, terwijl ik haar schaap melkte, rusteloos te keuvelen. Ik hoorde achter mij haar oude kaken tegen elkander klapperen, en zag naast mij de schaduw van haar lange kin snel op- en neergaan.
„Het is hier in Noord-Holland een schande”, klapperden de kaken, en de smalle kin-schaduw ging heen en weer over den grond als een dreigende vinger. „Het is hetzelfde, waar gij komt in Noord-Holland. Ik heb gewoond in Bovenkarspel, in Haringkarspel en in Sijbekarspel, eerst als dienstbode, later met mijn nu overleden man. Voor God en zijn gebod is geen ontzag; hierin is in Noord-Holland de eene plaats al gelijk aan de andere. Dat was in Weesperkarspel anders.....”
„Weesperkarspel is ook Noord-Holland”, zei ik, ik geloof, ietwat kregel.
„Heelemaal niet!” riep Bartje uit. „In Weesperkarspel was nog wel vreeze des Heeren. Weesperkarspel is volstrekt niet Noord-Holland”.
Voorts sprak Bartje: „De Noord-Hollanders zijn wereldlingen. Op de kermissen zijn zij thuis. Zij leven van de eene kermis op de andere. En in de tusschentijden is het ook nog één jagen naar pret en pleizier. Komedies en danspartijen en kaartpartijen en eetpartijen en bruiloftspartijen is het hoogste, waarvan zij droomen. Ik zeg: wereldlingen. En is het waar of niet?”
Ik sprak: „Ja, Bartje, het is waar. De Noord-Hollanders zijn wereldlingen.”
„Zij zijn onverschilligen,” ging Bartje voort. „Zij bemoeien zich met geen bijbel en met geen bidden, met geen kerk en met geen geloof. Arijan van hiernaast timmert of schildert aan zijn kippenhokken, terwijl de dominee in een leege kerk staat te preeken. En de overigen zijn meestal niet anders dan Arijan. De mannen gebruiken den Zondagochtend om gras voor de konijnen te snijden, en de vrouwen om de wasch in het water te zetten. Onverschilligen! Is het zoo of niet?”
Ik zeide: „Ja, Bartje, het is zoo. De Noord-Hollanders zijn onverschilligen”.
Opnieuw zette Bartje stoom op. „Zij leven als de dieren”, decreteerde het oude mensch. „Enkel om te eten en te drinken. Zij denken ook waarlijk, dat zij niet anders zijn dan de dieren. Zij denken, dat met den dood alles voor hen uit is. Zij halen de schouders op over de eeuwigheid. Arijan van hiernaast zegt, dat ieder zijn eigen duivel en zijn eigen god is. Zoo denken duizenden in Noord-Holland erover. Leven zij als de dieren of niet als de dieren?”
Ik erkende: „Ja Bartje, gij zegt het wel. Zij leven als de dieren.”
„Slecht volk in Noord-Holland!” riep Bartje uit. En ik zag aan haar schaduw, dat zij de handen uit de zij nam, en de lange, gerimpelde armen naarboven uitstrekte. „Slecht volk!”
Toen antwoordde ik haar: „Neen, Bartje, gij weet er niets van.”
Verder zeide ik nog: „Hier is de melk. Niet veel en dun.”
* * *
Ik zag Arijan. Hij zat op de wegschoeiïng, en zijn beenen bengelden boven de sloot. Hij had een hengel in de hand; de dobber lag onbewegelijk in het kroos.
Ik ging naast Arijan zitten, en liet mijn beenen nevens de zijne boven het water bengelen. Hij zag niet naar mij en sprak niet tot mij. Hij keek naar den dobber; ik keek ook naar den dobber. Vier minuten lang slingerden onze vier beenen naast elkander heen en weer.
Na verloop daarvan murmelde Arijan binnensmonds: „Ik hengel een beetje.”
„Ja”, antwoordde ik, „gij hengelt een beetje.”
Thans zag hij voor het eerst op. Er was achterdocht in den blik, dien hij op mij sloeg, zooals van iemand, die zich afvraagt, of er met hem gespot wordt.
„Beter dan kwaaddoen,” zeide hij. Zijn toon was ietwat uitdagend; daarin klonk iets van: weerspreek dat nu eens, indien gij soms iets op mijn hengelen tegen hebt.
Maar ik had niets op zijn hengelen tegen, en weersprak het dus niet.
„Een ander gaat naar de herberg, als zijn werk af is,” vervolgde Arijan, „maar ik hengel een beetje.”
„Veel beter,” oordeelde ik. „Trouwens, de herberg heeft het zoo in het gewone dagelijksche verloop hier niet druk met klandisie.”
„Hier niet, en nergens in onze streken,” antwoordde Arijan. Hij trok het hengelsnoer op, en legde zijn vischtuig naast zich neer op den weg. Daarna haalde hij zijn beenen omhoog, sloeg er zijn armen om, legde zijn kin op zijn knieën, en hield deze rede: „Wij zijn nog de kwaadsten niet hier in Noord-Holland. Naar de kerk vliegen en met den bijbel onder den arm loopen? Het is beter, goed voor vrouw en kinderen te zijn, en aan ieder te geven wat hem toekomt. Dat vindt gij, waar gij ook komt, in Noord-Holland. En ons verstand gebruiken is heelwat godsdienstiger dan aan allerlei wonderen gelooven. En de beste godsdienst is de menschlievendheid; nu, iets overhebben voor arme en ongelukkige medemenschen is bij ons in Noord-Holland ook niets vreemds. Wij zijn hier oppassende menschen, mag gezegd worden. Ik, als mijn werk af is, hengel een beetje; zoo doet de één dit, de ander dat. Maar alles gebeurt bij ons met oppassendheid. Den dommen tijd, toen er nog aan den hemel geloofd werd, zijn wij, gelukkig, teboven gegroeid; de hemel is hier, en ieder maakt hem voor zichzelf. Maar als die ouderwetsche hemel bestond, weet ik niet, waarom menschen zooals wij er niet in zouden komen. Waar of niet? Daarvoor zou het toch ook aankomen op oppassendheid. Waarop anders?”....
„Ik ga naar huis”, viel ik Arijan in de rede, en ik stond op.
Hij nam zijn hengel weer ter hand, en terwijl hij den dobber over het water liet scheren, riep hij mij na: „Goed volk bij ons in Noord-Holland, goed volk!”
Ik keerde, mij verwijderende, nogeens het hoofd om, en riep terug: „Neen, Arijan, gij weet er niets van.”
* * *
„Hier is de melk”, zeide ik den anderen dag tot Bartje. „Weinig en schraal.”
„Gij behoeft niet altijd op de melk te smalen”, sprak de oude moeder spijtig. Zij was heden kribbig gestemd. Zij had ditmaal ook het melken van haar schaap niet met haar tegenwoordigheid opgeluisterd. Ik bracht de melk binnen in haar poovere vertrekje.
„De melk is zooals het schaap is,” ging het booze oudje door. „Een schraal gevoerd schaap kan geen overvloedige en vette melk geven. En ik heb niet meer en beter voer voor het dier.”
„O, ja, moeder Bartje”, bracht ik in het midden, „slecht voer maakt slechte melk. Ik verwijt het schaap dan ook niets. Waarom zijt gij boos?”
„Ik houd niet van dubbeltongige menschen”, snibde zij. „Ik houd niet van menschen, die bij den een goed noemen wat zij slecht noemen bij den ander. Nu zult ge mij wel begrijpen, denk ik, enne... Gij behoeft nooit meer aan mijn schaap te komen. Dank voor de genoten hulp.”
Ik zeide tot Bartje, dat ik haar juist in het geheel niet begreep.
Toen kwam zij los: „Arijan van hiernaast zal er zeker toch niet om liegen, dat gij de menschen hier voor slecht hebt verklaard, toen hij vond, dat de Noord-Hollanders zoo goed volk waren. En toen ik een oogenblik tevoren zeide, dat zij slecht volk waren, vondt gij hen juist goed. Ik geef er niet om, wat gij vindt. Maar dat is draaierij. En daar houd ik niet van.”
Ik tot Bartje: „Waarde en geachte Bartje! Waarom is wat uw schaap voortbrengt aan melk niet veel en slecht? Dewijl ook datgene, waarmede het gevoed wordt, niet veel en slecht is. Indien het nu alzoo bij het schaap is, zou het dan, o, hooggeëerd grootje, niet evenzoo met den Noord-Hollander zijn? Als de geestelijke spijs, waarmede hij sinds zoolang reeds, jaar in jaar uit, ja, geslacht in geslacht uit, gevoed is, arm moet heeten, hoe zou het geestelijk leven, dat hij thans ontplooit, rijk kunnen wezen? Daarom, mijn wel-gewaardeerde vriendin, hoe zullen wij onze wereldsche, onverschillige, stofverheerlijkende Noord-Hollanders veroordeelen, zelfs dan, als wij hen nochtans veroordeelen? Waar het schapenvoer slecht is, is ook de schapenmelk slecht, en toch tegelijk zoo, dat het onredelijk is, betere schapenmelk te verwachten.”
Nadat ik deze woorden geëindigd had, maakte ik mij een onderkin, teneinde de gewichtigheid van mijn uitgesproken rede zooveel mogelijk te ondersteunen door de gewichtigheid van mijn voorkomen.
Bartje echter voer uit: „Ik weet niet, waar gij al zulke deftige taal vandaan haalt, daar gij slechts een heel gewoon boerenmensch zijt, evenals ik. Maar door alle wijsheid der wereld laat ik er mij niet afbrengen: goed is goed, en slecht is slecht. En goed en slecht tegelijk bestaat niet. Zoo heb ik het van jongsaf geleerd in Weesperkarspel.”
Vervolgens herhaalde zij nog driemaal, in een stijgende toonladder: „Wat slecht is, is niet tegelijk goed; wat goed is, is niet tegelijk slecht!” Daarop keerde zij mij haar rug toe. Desgelijks deed ik jegens haar met mijn rug, en ik vertrok.
* * *
Bartjes schaap was dood. Langzaam aan verkwijnd van ellende, tengevolge van het al te sobere onderhoud, dat de arme, oude stumperd slechts in staat was het te verschaffen.
Ik vond Bartje in veel tranen over haar verlies.
„Ach, Bartje”, zeide ik medelijdend, „is het nu wel zóó erg? De melk was weinig en mager. Het was maar een slecht schaap.”
Maar tusschen de snikken door schokte het uit Bartjes keel: „Het was een slecht schaap. Maar het was wat het wezen kon en gaf wat het geven kon, mijn goed schaap.”
