IV. LANDELIJKE LIJKSTATIE.
Reading edition
Zwart is het in den kuil. Boven den kuil is het grauw van den mist.
De grafteekens, op wat wijdsch „de begraafplaats” heet geschaard om de twee zijmuren en den achtermuur der kerk heen, doen zich in den dichten nevel voor als grillig gevormde dwergschaduwen.
De vochtige damp dempt het klokgebom, dat uit den kerktoren klinkt. Een barst in de luidbel mengt onder het gebom een regelmatig terugkeerenden wanklank, die aan een knarsenden wanhoopskreet doet denken.
Tegen den kerkmuur opkruipend, hult de mist den toren in onzichtbaarheid. Het begrafenisgebengel wordt over den omtrek uitgestrooid als uit een geheimzinnige hoogte.
Naast den kuil staat de doodgraver. Hij steunt met de rechterhand op zijn spade. De linkerhand houdt hij boven de oogen, om, zoover de nevel toelaat, den weg af te turen. Hij ziet uit, of men nog niet in aantocht is met den inhoud voor de ruimte, die hij gespit heeft in de moederaarde. De doodgraver huivert in de kille vochtigheid. Hij verbeidt den inhoud voor zijn kuil met ongeduld.
Grauw is het ook op den weg, dien de doodgraver aftuurt. En grauw over het weiland, dat zich nevens den weg schijnbaar eindeloos uitstrekt. Niets dan heel een wereld van doffe grauwheid. Slechts de vaart langs den weg trekt door al het grauw een spoor van zwart. Daar boven de vaart is het zwart en hier in den kuil is het zwart. En al het andere is grauw.
In de verte komt door den donkeren mist heen een nog donkerder nevel over den weg aankronkelen.
Hij nadert traag.
De aankronkelende wolk scheidt zich langzaam in afzonderlijke figuren. Een groote, massieve figuur vooraan; daarachter in een rij smalle, lange nevelgestalten.
Dichtbij het kerkhof nemen de nevelgedaanten stoffelijkheid aan. Aan haar hoofd acht mannen, die, vier achter vier, tusschen zich in op de schouders een last dragen, welke bedekt is met een zwart laken. In het gevolg andere mannen, twee in het gelid, die met sloffenden tred en gekromden rug den vooruitgedragen last achterna wandelen.
De natte mist heeft de wenkbrauwen en de baarden der mannen met glinsterende parels versierd.
Het hoofd van ieder hunner is gedekt met den hoogen begrafenishoed, elke dier hoeden op zichzelf en al die hoeden tezamen een zwijgende verkondiging van het voorbijgaan op dit ondermaansche. Want elk der op elkander gevolgde tijdperken van een menschengeslacht wordt door één of meer der hoeden vertegenwoordigd. Bovendien verzinnebeeldt menige plaatselijke kaalte op onderscheidene der hoofddeksels treffend „den tand des tijds.” Tevens doen vele der hoeden in hun afwisselenden stand, de eene tot over het voorhoofd, de andere slechts op de kruin des dragers, de indrukwekkende prediking verstaan, welke tot thema heeft: „geleend goed”. Zoover dus misschien niet al de lijkvolgers de toepassing van hun plechtige taak dezes oogenbliks in het hart mochten dragen, dragen toch meerdere hunner haar althans beteekenisvol op het hoofd.
Zwaar sleept zich de optocht door de kerkhof-poort naar den kuil.
Daar laten de vooraangaanden behoedzaam hun last van de schouders glijden, en zetten met een onderdrukten zucht van verlichting de baar neer naast het graf. Nu houden vier van het achttal twee kabeltouwen in een zwakke bocht dwars over de breedte van den kuil. De vier anderen plaatsen de doodkist, ontdaan van het lijklaken en afgelicht van de baar, in de dubbele bocht.
De glanzende kist en het nikkel der schroeven en handvatsels slaan dof aan van den mist.
De touwen worden gevierd. Men hoort ze schuren door de lederharde handpalmen der vier mannen aan weerszijden op den grafrand.
Statig zinkt de kist het ondoorzichtelijke zwart in.
De doodgraver laat een ijzeren haak aan langen stok in den kuil dalen, om de kist een weinig op te lichten van den bodem. Een snerpen als van een lang aangehouden r klinkt uit de donkere diepte op: de touwen worden onder de kist door uit den kuil gesjord.
Ook trekt de doodgraver zijn haak terug.
Het stof binnen de planken woning ligt thans in de roerlooze rust der afwachting van den eeuwigen dag.
De taak der dienstdoeners is af; zij treden terug van de groeve.
De lijkvolgers sloffen één voor één naar het graf, werpen over den kant een blik in den nacht daar omlaag, en keeren weer tot hun vroegere plaatsen rondom den grafkuil.
Iemand in een deftige jas en met een welwillend gezicht neemt, zich naast den kuil opstellend, den hoed in de hand. Allen ontblooten het hoofd.
Omhoog sterft het klokgebom met den wanhoopskreet weg.
De klokluider komt in den deurpost van het kerkportaal staan.
Die nevens den kuil vangt een rede aan. Hij begint met te zeggen, dat de ter aarde bestelde altoos ongerept van deugd geweest is, en onverpoosd zijn plicht heeft gedaan. Nog verdere zeer hartelijke uitspraken omtrent den begravene voegt de redenaar hierbij.
Eén der mannen rondom den kuil laat instemmend het hoofd op- en neergaan. Eén drukt de punt van een gekleurden zakdoek om beurte in elken der beide ooghoeken. Drie lezen de namen en datums op de aangrenzende graven. Twee ademen zich den binnenkant der handen warm. Eén strijkt een ruwte van zijn hoofddeksel glad. Eén tracht met vruchtelooze volharding uit het zijne een deuk weg te drukken. Drie nemen met peinzend opwaarts geslagen blikken het kerkdak waar.
De spreker besluit met de mededeeling, dat de ziel des begravenen thans een engel in den hemel is, hieraan nog de bizonderheid toevoegende, dat het in den hemel nimmer mist, doch dat aldaar steeds de zon schijnt.
Na dit gezegd te hebben, dekt hij zich weder het hoofd. Aldus doen ook de overigen. De rouwdragers herstellen hun stoet. Ieder op de plaats zijner volgorde, schuifelen zij weg van den doodenhof.
De klokluider zegt tot den doodgraver, juist op tijd om nog door den grafredenaar verstaan te worden, dat de dominee het weer „mooi gemaakt” heeft.
De doodgraver antwoordt, juist op tijd om niet meer door den dominee te worden verstaan, dat hij niets gehoord heeft over de menschelijke verdorvenheid door de zonde, en van het oordeel Gods, en omtrent Christus. De doodgraver is „van den stijvigen kant.”
De klokluider herneemt, dat hij niet zooveel verstand heeft als de doodgraver, en gaat nog eenige laatste rukken aan het klokketouw doen.
De terugwandelende begrafenisstoet schemert ginds weg in de mist-grauwte.
De klokluider sluit, terwijl de torenbel langzaam uitbengelt, de kerkdeuren, en verlaat het terrein der handeling.
Boven het open graf verschijnt een zachte lichtgloed, die een mat aureool in den zwaren mist uitstraalt. De doodgraver heeft een lucifer aangestreken, om zijn pijpje in brand te puffen, voordat hij zich aan het werk der demping van den grafkuil begeeft. De doodgraver blaast tegen den lucifer, en de effen grauwheid keert terug boven het graf.
Bij de laatste dagschemering werpt de doodgraver den laatsten schop aarde in den kuil. Tot slot klopt hij zijn uitgebrand pijpje leeg op het graf. Nu trekt hij, zijn spade onder den arm, henen, en schuift vanbuiten den grendel voor het kerkhof-hek.
Achter den rug van den doodgraver sluipt de vroeg komende nacht het kerkhof op. De nacht spreidt over alles éen in-zwart rouwlaken.
In den zwarten nacht gaat de mist over in dichten, vetten motregen.
De nachtelijke uren schrijden voort; maar de motregen blijft.
Uit een lek in de kerkdak-goot ploft een allengs aangezwollen regendruppel eindelijk neer op het versch-gesloten graf.
Een zwarte kat gluipt, opgeschrikt, van het graf weg, en verdwijnt in den nacht.
Onder het lek in de goot vormt zich een plas op het graf. De druppels, die regelmatig in den plas vallen, verbreken met eentonig getik de nachtelijke kerkhof-stilte.
Daarbeneden ligt de begraven man zoo strak-onbewegelijk, dat gij, zoo gij het vermocht te zien en bijgeloovig waart, kondt denken, dat hij ingespannen naar het tikken luisterde en de vallende druppels telde.
Verder is er niets van te zeggen.
Gestorven is gestorven, en begraven is begraven. En het lekken uit de dakgoot zal wel eindigen, wanneer de motregen ophoudt.

