← Table of contents
Bij ons in Noord-Holland

VI. HET HEERSCHAP.

Reading edition

I.

Wij wonen, laat ik maar zeggen, in De Schermer. Ik noem De Schermer maar, omdat deze lang en breed is. In De Schermer zijn molens en boerenhuizen en kleine dorpen. Maar boomen zijn er zoo goed als niet.

Er leven uittermate zeer veel ganzen in De Schermer.

Ons huis wordt gevormd door vier rechthoekige vierhoeken van baksteenen, waarboven vier gelijkbeenige driehoeken van dakpannen. Onder de drie- en tusschen de vierhoeken ademen met vader en moeder zoowel de runderen als ook wij, hun eigen vleesch en bloed.

Als gij vader soms spreken moet, komt dan niet op Vrijdagochtend en niet op Zondagmiddag. Elken Vrijdagochtend is vader naar de Alkmaarsche kaasmarkt. En elken Zondagmiddag is hij, althans bij eenigszins gunstig weer, in de dorpsstraat van Groot-Schermer aan het knikkeren.

Want dit heeft Groot-Schermer in onderscheiding van het overige aardrijk, dat het knikkervermaak er de uitspanning is, niet vooral der knapen, maar in het bizonder der waardige huisheeren en gezinsvaderen. En het verschaft elken Zondag een schouwspel, niet minder aandoenlijk dan eenig, de welgedane familiehoofden van Groot-Schermer en omgeving, in schuldeloos geneugt, de knikkertraditie van hun voorgeslacht te zien handhaven.

Vader weet niet, of er in de kerk van Groot-Schermer een orgel is, heeft hij laatst geantwoord aan den schapenkoopman, die ernaar vroeg. Want als vader des Zondagsmiddags in het dorp komt knikkeren, zijn de kerkdeuren al gesloten, en de kerkvensters zijn te hoog om erdoor te kunnen zien. En dat de jongste van ons gedoopt werd, is nu al negentien jaren geleden. Bovendien herinnert vader zich niet zeker meer, of deze plechtigheid te Groot-Schermer dan wel te Stompetoren geschied is.

Vader heeft verleden week aan den nieuwen ondermeester, tot diens niet kleine voldoening, te kennen gegeven, dat hij van vooruitstrevende gevoelens is. Zoo vooruitstrevend mogelijk. De meester mocht gerust zeggen: tegen rood aan. Maar niet geheelenal rood. Want dat is onze knecht. En dan zou er geen onderscheid meer zijn tusschen dezen en den baas.

Vader betaalt per jaar veertien-en-een-half-honderd gulden pacht voor de boerderij aan het heerschap. Het heerschap is rijk. Het heerschap woont te Amsterdam op de Keizersgracht.

II.

Het heerschap is de aardsche god van den Noord-Hollandschen huurboer.

Groot is zijn naam! „Heerskip,” aldus spreken wij dien naam uit.

Het optreden van den Noord-Hollandschen boer tegenover hooger dan hij geplaatsten is over het algemeen onberispelijk fatsoenlijk, maar vol besef van eigenwaarde. Alleen in de verhouding tot het heerschap werpt hij, in diep afhankelijkheidsbewustzijn en onderdanigheidsgevoel, tot het laatste spoor van eigenwaarde overboord. Hij betracht jegens den burgemeester en den dominee, den notaris en den dokter de meest tegemoetkomende beleefdheid. Een beleefdheid intusschen, die onveranderlijk doormengd is met zekere even onmiskenbare als onnavolgbare leukheid, door welke hij zegt zonder woorden: ik behoef niet beleefd jegens u te zijn, als ik niet wil; stelt u echter gerust, want ik ben veel te fatsoenlijk, om dat ooit ofte immer niet te willen. Doch deze leukheid verdwijnt geheel en ten volle uit zijn beleefdheidsbetoon in het aangezicht van zijn landheer. Tegenover het heerschap is de Noord-Hollandsche pachtboer als was in de hand des boetseerders.

En daarop valt niets aan te merken. Want hij moet het van het heerschap hebben, terwijl de burgemeester, de notaris, de dokter, de dominee, goed uitgerekend, het van hem hebben moeten.

Onder „het” te verstaan: de dagelijksche boterham!

Groot is dies de Noord-Hollandsche landpachter in zijn fier zelfgevoel al de andere dagen des jaars, maar klein dien éénen dag tegen Kerstmis, op welken hij, zijn pachtpenningen in de hand, het heerschap van aangezicht tot aangezicht heeft te ontmoeten in diens vorstelijk woonverblijf.

Op dien dag liggen voor hem heil en rampspoed tegenover elkander in de weegschaal.

Heil of rampspoed, vertegenwoordigd in den uitslag, zóó of anders, zijner jaarlijksche vermurwingsaanvallen op het heerschappelijke gemoed, ter verovering van gunsten in zake pachtvoorwaarden, staltoestanden, mestbelangen...... Ach, de vraag van bekrompen, maar tevreden voortleven, dan wel van langzamen hongerdood eens huisvaders met zijn gezin, legt de pachter op dien gewichtvollen dag omstreeks Kerstmis met plechtigheid voor het geweten van het „heerskip” terneer.

III.

De postbode heeft aan vader een briefkaart gebracht. „Gij krijgt het „heerskip”", zeide de postbode bedenkelijk en gewichtig tot vader.

De inhoud der briefkaart bevestigde de voorbereidende mededeeling van den postbode. Vaders gezicht ging onder het lezen nog wel zoo gewichtig en bedenkelijk staan als dat van den besteller.

Toen vader de briefkaart van het heerschap uit had, heeft moeder haar gelezen. Daarna hebben wij, zoons en dochters des huizes, haar elk op onze beurt mogen lezen.

Vader heeft de briefkaart dubbel gevouwen, en haar in zijn tabaksdoos geborgen.

Des avonds hebben wij, bij het licht der stallantaarn, de greppels achter de koeien uitgeschrobd. Wij hebben op de stalpaden zand gestrooid.

Den volgenden dag is het heerschap gekomen. Vader en hij kenden elkander natuurlijk van de jaarlijksche ontmoetingen omtrent Kerstmis. Moeder en wij hebben thans voor het eerst gezien, dat het heerschap oud, klein en mager is, en witte bakkebaardjes heeft.

Vader is naar het rijtuig, waarmee het heerschap kwam, geloopen, met de pet onder den arm. En moeder met de stoof in de handen, die altijd gebruikt wordt om haar tot trede te dienen bij het uitstappen uit onzen tentwagen. Maar de stoof was niet noodig. Want het rijtuig van het heerschap was zelf voorzien van een gemakkelijken uitstap.

Vader heeft dien dag zijn zondagsche pet geheelenal tusschen de handen verfrommeld. Moeder heeft aldoor haar zijden schort met de vingertoppen gladgestreken. Het heerschap is vriendelijk.

Vader heeft het heerschap verzekerd, dat hij van het ouderwetsche houdt, omdat dit degelijk is; maar dat hij van het nieuwerwetsche in geen enkel opzicht gediend is, dewijl dit winderig is, en ook vol van ongepaste leeringen voor de lagere standen ten aanzien van de hoogere. Het heerschap heeft over deze gevoelens van vader zijn goedkeuring betuigd.

Vader heeft het heerschap door den koestal geleid. Daar heeft het heerschap naar het welvaren van den veestand geïnformeerd. Vader heeft geantwoord, dat het miltvuur zware verliezen had teweeggebracht, en dat deswege de dag der pachtbetaling een toekomstbeeld vol schrik voor den veeman was. Vader bedoelde den veehouder in het algemeen, daar het miltvuur onzen runderstapel, gelukkig, in het geheel niet heeft aangetast. Maar omdat vader onder het spreken zoo droevig hoofdschuddend zijn eigen stal rondzag, meende het heerschap, dat vader zelf zoo geteisterd was in zijn koebeesten. Toen vader bemerkte, dat het heerschap dit meende, heeft hij het heerschap niet willen tegenspreken. Vader spreekt nooit het heerschap tegen.

Het heerschap is godsdienstig. Toen vader hem over het erf rondvoerde, vroeg hij, naar het verre torentje van Groot-Schermer wijzende, of dat de toren van vaders kerk was. Vader zeide van ja.

„En is uw leeraar een goed predikant, mijn vriend?” vroeg het heerschap.

„„'n Bovenste best”, mijnheer”, antwoordde vader.

„Zoo, zoo”, zei de oude heer. „Dat doet mij genoegen, waarlijk genoegen. Zoo, zoo”. Onze knecht, die in de buurt stond, kan precies nadoen, hoe het heerschap dit zeide.

Het heerschap is nederig. Hij heeft onzen knecht ook toegesproken.

Het heerschap heeft tot onzen knecht gezegd: „Dit zijn waarlijk eenden van buitengewone proportie, mijn jongen. Waarlijk van buitengewone proportie. Zij getuigen van uw goede zorgen, mijn jongen.”

„Eenden! Het zijn ganzen”, antwoordde de knecht onbehouwen.

Vader heeft driftig den knecht naar den stal gejaagd. Vader heeft het heerschap vergeving gevraagd. Vader heeft geweeklaagd over den nieuwerwetschen geest, omdat deze de tegenwoordige menschen vervreemdt van den eerbied jegens hen, wien zij eerbied schuldig zijn.

Het heerschap heeft vader wegens diens inzichten opnieuw zeer geprezen, en de brutaliteit van den knecht vergeven.

Het heerschap is medelijdend. Hij zeide, toen hij tot vertrek weder in zijn rijtuig zat, dat vader de toekomst toch niet al te donker moest inzien met het oog op de pacht. Vader heeft het heerschap beloofd, dat hij dit niet doen zou.

Ten laatste wees het heerschap, meenende, dat hij ginds weer den dorpstoren van Groot-Schermer vóór zich had, op den toren van West-Graftdijk, zeggende: „Zoo, zoo, dus dat is uw kerk. Zoo, zoo.”

„Ja, mijnheer,” heeft vader geantwoord.

„En uw leeraar?”

„„'n Bovenste best”, mijnheer”, heeft vader nogeens verzekerd.

Nadat het heerschap vertrokken was, heeft vader onzen knecht met toornige woorden, waaronder zelfs bedreigingen met opzegging van de huur, overladen, omdat hij het heerschap heeft tegengesproken.

IV.

De schapenkoopman weet iemand, die zijn prachtige merrie wil ruilen voor onzen hit, mits een paar honderd gulden op den hit toe. Maar de hit voldoet zóó aan onze behoefte, dat de inruiling tegen de merrie overdaad, om niet te zeggen verkwisting, zou zijn. Dit heeft vader, eenige reizen nu reeds, den schapenkoopman onder het oog gebracht.

Vader is met Kersttijd de pacht aan het heerschap gaan brengen.

Vader heeft voor twaalfhonderd gulden bankpapier in zijn linkerborstzak, en voor tweehonderdenvijftig gulden bankbiljetten in zijn rechterborstzak geborgen.

Voordat vader vertrok, heeft hij tot moeder gezegd: „Als het goed gaat, gaat enkel dit”—hij sloeg op de linkerborst—„eruit, en blijft dit”—hij klapte op de rechterborst—„erin”.

En toen vader terugkeerde van het heerschap, sprak hij: „Het is goed gegaan.”

Vader zegt, dat wij de twee-en-een-half-honderd gulden afslag van de pacht verdiend hebben op den dag, toen het heerschap ons bezocht. Want vader heeft aan de wijze, waarop het heerschap in den afslag berustte, kunnen bemerken, hoe de verliezen, door het miltvuur teweeggebracht, zoowel als de gevoelens, maatschappelijk en kerkelijk, die hij in vader ontwaard heeft, hem blijvend hadden geroerd.

Vader zegt, dat menschen zooals het heerschap edele personen zijn.

Vader is naar den schapenkoopman gegaan, om hem op te dragen, den eigenaar van de merrie met vaders geneigdheid tot den ruil in kennis te stellen.

decoratieve illustratie
decoratieve illustratie
HOOFDSTUK VII.
HOOFDSTUK VII.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings