III. DE MYSTIEKE KNOBBEL.
Reading edition
De leergrage knaap sprak: „Meester, wat is mystiek?”
De meester: „Geen vraag voor kinderen!”
De leergrage knaap: „Meester, vader vraagt het ook.”
De meester: „Mystiek is een zelfstandig naamwoord; het is ook een bijvoegelijk naamwoord.”
De leergrage knaap: „Meester, wat is het?”
De meester: „Mystiek is Fransch.”
De leergrage knaap: „Meester, wat beteekent het?”
De meester: „Morgenochtend nogeens vragen!”
De leergrage knaap, den anderen ochtend: „Meester, wat is mystiek?”
De meester: „Mystiek is Grieksch. Het woord beteekent zooveel als: „geheimzinnig.” Mystiek is: het zich bewegen met het gemoedsleven in geestelijke verborgenheden. Daartoe aanleg en neiging hebben is: mystiek zijn.”
De leergrage knaap: „Meester, ben ik mystiek?”
De meester: „Neen.”
De leergrage knaap: „Meester, is vader mystiek?”
De meester: „Neen, hier bij ons zijn de menschen niet mystiek.”
De leergrage knaap: „Meester, waar dan?”
De meester: „Aan den anderen kant van het Noordzee-Kanaal.”
Deze onderwijzer van de jeugd had in alwat hij zeide gelijk, zooals zulks plegen die van dit ambt zijn. Behalve in de laatste dingen, die de meester zei. Het Noordzee-Kanaal namelijk neemt volstrekt niet die plaats in de mystiek in, welke de meester eraan toekende.
Ook de bewoner van het deeltje wereld benoorden het Noordzee-Kanaal is geenszins verstoken van den mystieken knobbel. Men moet den Noord-Hollander—dat is waar—met vrij fijn ontwikkelden tastzin bevoelen, om dien knobbel te constateeren. Hij staat daar door de gangbare meening nu eenmaal gestempeld als stof-mensch van onvermengden bloede. En het is een iegelijk bekend, dat „de gangbare meening” als een zeer statige, maar ook zeer stijfhoofdige jonkvrouwe in ons midden rondwandelt. Voorts ook, dat deze jonkvrouw met de gansch niet onjonkvrouwelijke eigenschap der oppervlakkigheid mildelijk is begiftigd. Welnu, de Noord-Hollander, bij algemeene overeenkomst tot louter in het uiterlijke en stoffelijke levend wezen verklaard, is van deze oppervlakkigheid der gangbare meening het zeer verongelijkte slachtoffer!
Slachtoffer, intusschen, door eigen toedoen, ja, eigen wil.
Want onder hen, die de vlakke velden boven het Y tot bizonder gebied van het materialisme proclameeren, staat de bewoner daarvan zelf vooraan. Alleenlijk, dit oordeel, dat op de lippen aller anderen misprijzen beduidt, spreekt hij uit met zelfbehagen. De Noord-Hollander in diens bewustzijn van glorie en victorie is: de Noord-Hollander, met breeden lach uitgalmend, dat hij zich houdt aan de „natuur,” en op alwat niet „natuurlijk” is „een kijkje heeft.” Aldus onze burger- of boerenman onder zijn kornuiten. In aanwezigheid van dezen of dien „geleerden heer” met bovenzinnelijke aspiraties is hij gewikst genoeg, zich wat minder bloot te geven, en—min luidruchtig, schoon niet min welsprekend,—door enkel een scheeven mond te trekken te getuigen van zijn welverzekerdheid, dat alles hetzij klinkklare „natuur,” hetzij klinkklare onzin is.
En dus, gij zoudt een onbillijk mensch moeten zijn, om er de buitenstaanders hard over te vallen, dat zij den Noord-Hollander beschouwen zooals hij immers zelf beschouwd worden wil. Maar desalniettemin, de Noord-Hollander moge dan in den regel zelf roem dragen op zijn uitsluitend stoffelijkheidsgeloof, zeker geestelijk leven, hij heeft het en hij leeft het nochtans. En zoo hij doet, alsof dit niet aldus ware, het is, omdat hij zich dit innerlijke leven schaamt.
En ik zal niet zeggen, dat hij geen reden heeft, het zich te schamen. Indien hij het angstvallig verborgen houdt, heeft hij daartoe inderdaad ongeveer denzelfden grond als degene, die, bijvoorbeeld, een krom en verdraaid gegroeiden vinger voor de blikken van anderen zooveel mogelijk wegstopt.
Derhalve, laat het onder ons blijven, wat ik u influister, wilt ge? Onder dit beding zij u toevertrouwd, dat wij bij ons voortreffelijk het adres van de waarzegster weten. Dit is een connectie, die daarom nu niet juist aan de groote klok behoeft te worden gehangen. Maar zoo is een mensch niet, of hij heeft toch weleens behoefte aan voorlichting. En als in zulke omstandigheden moeder dan eens op beraad met de wijze juffrouw in de stad uitgaat, ziet, zoo keert zij menigmaal met een schat van vertroosting en bemoediging voor al de haren terug in den schoot des gezins. En daarna kunnen wij dan weder uit verruimde borst jubelen, dat wij ons houden aan de „natuur,” en van wat niet uit de „natuur” te verklaren is niets moeten hebben. Laatst nog is peet Duurtje om helderheid bij de waarzegster geweest, toen de pacht van de boerderij ten einde liep, en oom Ab met het heerschap niet tot overeenstemming was kunnen komen omtrent vernieuwing van de huur. En gij weet toch, hoe schaarsch tegenwoordig de pachtplaatsen zijn, en hoe duur. Oom Ab had dus alle reden, om peet Duurtje eens op overleg met de waarzegster uit te zenden aangaande de vraag, wat de naaste toekomst hun en den hunnen baren zou. Moet ge hooren, met welk verblijdend bescheid peet in den huiselijken kring mocht wederkeeren! De waarzegster had, in de doorzichtigheid van haar koffiedik, aan een driesprong een ijzeren draaihek gezien, dat tot den oprit naar een kapitale boerenwoning toegang gaf. En door hetzelve draaihek had zij oom Ab en peet Duur en de kinderen, alsmede de melkmeid, uit- en ingaande aanschouwd. Oom en peet mochten dus onbezorgd zijn; aan een nieuwe plaats zou het hun, na het vertrek van de oude, geenszins ontbreken. Zoo is het geschied ook. Wel niet dat van den driesprong—hun nieuwe huurplaats stond in het geheel aan geen sprong—; ook niet zoozeer dat van het ijzeren draaihek—zij kwamen te wonen en te boeren onder aan een polderdijk—; maar dat doet er niet toe. Oom Ab en peet Duur hadden bijtijds een andere boerderij, naar het woord der waarzegster, hetwelk deze tot peet gesproken had. Met zulke voorbeelden voor oogen, wie zou nu nog aan allerlei onredelijke godsdienst-femelarij hechten, en zich niet bepalen tot de loutere en simpele „natuur”?
Tenminste... behoudens den verholen mystieken knobbel!
Over dien knobbel heb ik onzen dokter ondervraagd. De dokter heeft mij van de mystieke vereering van het „fleschje goed” verhaald.
De dokter vond, dat hij reden had, om jaloersch te zijn op zijn fleschjes medicijn. „Dat schijnt u raar,” zei de geneesmeester.
Ik gaf toe, dat het mij zoo scheen.
Maar het was niet raar. Want in menig ziekvertrek is het fleschje medicijn, in plaats van des dokters instrument, des dokters concurrent. De dokter wordt onontbeerlijk gevonden, om het „fleschje goed” tot aanzijn te doen komen; maar waar het „fleschje goed” slechts op den schoorsteenmantel troont, wordt de dokter verder vrij ontbeerlijk geacht. Gerustelijk beperke de lichaamsarts zijn bezoeken; doch dat het „fleschje goed,” al ware het voor nog zoo korten tijd, afwezig is, zietdaar iets onduldbaars. Niet in het beleid des heelmeesters, maar in de geheimzinnige werking van het „fleschje goed” is des kranken heil. De flesch met gekleurd vocht—kleurlooze medicijndrank lijdt onder geringschatting—staat daar in de ziekenkamer als de fetisch in den heidentempel; de blik, daarop geslagen, is voor den patient en voor die hem omringen van wonderbare vertroosting. En de ijlbode van het ziekbed, die aan des dokters deur komt bellen, wordt in veel meer gevallen dan om des geneesheers persoon om diens „fleschje goed” haastiglijk tot hem uitgezonden.
Nadat de dokter mij hierover en over nog meer dergelijks een poos leerrijk en aangenaam had bezig gehouden, heb ik omtrent den knobbel, waarover wij hier handelen, tot onzen dominee een ondervraging gericht. Die vertelde mij van zijn bidden bij stervenden.
Hij zeide, dat hij in dit deel zijner ambtsuitoefening wel het minst had te klagen over gebrek aan opprijsstelling. Ook in den onverschilligsten kring rondom de sponde eens zieltogenden oogst hij er meermalen dankbaarheid door in. Met het gebed van den dominee bij het sterfbed acht men thans alles ten aanzien van den uitgang des ontslapenden geregeld. Met het gebed van den dominee... Legt op „dominee,” verzoek ik u, den nadruk! Het gebed van een ander zou „fijnigheid” zijn, waarvan men in dezen kring niet gediend ware, „niks niet ook niet.” Bevoorrecht evenwel de doode—waarom bevoorrecht, zietdaar een der dingen, die zwaar zijn om uit te spreken,—voor wien „dominee nog gebid heeft!” Want waaraan wij bij een sterfbed schier allen nog gelooven, is: niet de kracht des gebeds, maar: de kracht des dominees.
Zoo koutte onze dominee; daarenboven zei hij nog: „Helaas!”
Dit laatste zeide ik toen ook. Daarna heb ik al de dingen, welke gij gelezen hebt, opgeschreven.
Ik weet op het oogenblik niet, wie het gezegd heeft, zelfs eigenlijk niet zeker, of wel iemand het heeft gezegd: dat de mystiek de liefste dochter is van den godsdienst. Bij ons in Noord-Holland laat zich echter ruimschoots het verschijnsel genieten, dat de lieve dochter het stellen kan, en ook stelt, zonder den vader, al komt dit weinig ten goede aan de eigenschap van degelijkheid in haar karakter en aan die van fijnheid in haar vormen, zoomin als aan alwat daar verder te noemen valt als vrucht van ouderlijke leiding.
