V. LENTE IN DE WEI.
Reading edition
Wie de wei liefhebben, moeten nu luisteren. Want wat hier komt, is: van de weideheerlijkheid.
Thans moet niemand spreken van morgens en bunders en roeden. Hetgeen in morgens en bunders en roeden wordt weergegeven, is de echte wei niet.
De echte wei is die, welke geen met het oog omvatbare grenzen heeft.
De echte wei breidt zich van den noorder-Y-oever af uit tot het Texelsche Gat. Wat zich daar ontrolt, zijn niet bunders, maar is onmetelijkheid van smaragden majesteit.
Hier is zeker op den scheppingsmorgen de hand van den Alvader in een liefkoozende streeling over de aarde gegaan. Want er is geen plooi of kreuk in heel het onafzienbare groene aardlaken; in gladde strakgestrekenheid ligt het gespreid, zoover de blik reikt. En de zegen des Heeren blinkt erop in lichtsparkelende weelde.
In verhouding tot deze weidewijdheid komt niet in tel wat weinigs er is van duin en dreef, van bosch en bouw tusschen Y- en Texelstroom. Hier is het volstrekt gebied der wei, der groote wei van Nederland.
Dit is de grond, dien de lente liefheeft. Deze bodem, die geen bergbarricaden opwerpt tegen haar zoelte en geen boomkruinen opsteekt tegen haar licht. De lente, als zij komt, betreedt hier haar onbetwist koninkrijk. Geen belemmering, waardoor zij wordt gestuit op haar leven en vroolijkheid brengende schreden.
Als de lente haar weide-koninkrijk bezoekt, het is geen grootschheid, die haar begroet, maar àl blijheid, welke haar omjubelt; geen praal, welke haar hulde doet, maar àl lieflijkheid, die haar de hand kust. Het glanst, het glimt, het glundert al en al over het oneindig grastapijt, als weerschijn van den lichtlach der binnenhuppelende lentekoningin.
Zelfs de ongure waterratten, in het riet aan den kant, spelen met elkaar een lustig duikelspel. En opgejaagd door de beweging, die de rattenvroolijkheid in het riet verwekt, schieten scholen stekelbaarzen als zilvergeschitter weg van den oever, de doorzichtige poldervaart in.
De jonge lammeren maken met de ongeproportionneerde pooten hun houterige sprongen over de greppels. Telkens over de greppels, en dan weer terug naar het moederschaap, dat in wijsgeerige bespiegeling den wonderen invloed der lente op de vruchten haars schoots gadeslaat en overpeinst.
Hillie van den boer, met haar twintig jaar en blij meisjeshart, weet van geen bespiegeling en van geen wijsbegeerte. Zij lacht met ver klinkenden lach om de oolijke springprestaties der schapekinderen. En als gij niet zaagt, dat het Hillie is, die aan komt trippen, kondt ge denken, dat ergens een misklokje begon te bengelen, want daarnaar gelijkt haar heldere lach. Hillie, met haar zonneblonde krullokken, met haar madelieven-oogen, met haar appelbloesem-wangen, zou best de lentefee kunnen zijn, de lentefee op gele klompjes.
Maar dat is zij toch niet. Zij is eigenlijk ook een schapemoeder. Zij oefent de moederzorg uit over het lammetje, dat door zijn echte moeder verstooten is. Hoe kan zoo'n schaapmoeder nu zoo'n teer lammerkind verstooten! Hillie steekt aan haar potlam, dat op zijn menschmoedertje komt afspringen, de gevulde melkflesch met de zuigspeen toe. Dat zabbert nu aan de speen met vooruitgestoken lipjes en ingetrokken kaakjes, en de melk borrelt in de flesch en klokklokt door het lammer-keelgat.
Lente in de wei! In Neerlands wijde wei, die de uren bij uren lange zilverstreep van het Kanaal in tweeën deelt! Het Groot Noord-Hollandsch Kanaal! De Pison, de Gihon, de Hiddekel en de Frath van het Noord-Hollandsche weideparadijs, deze vier in één bedding!
Wel wat nuchter, het rechtgelijnde en scherpgehoekte Kanaal! Een wel wat bonkige en knokige remplaçant van de lenige en soepele riviernymfen, die in andere natuur-edens het landschap beheerschen! Maar zooals het is, zoo behoort het bij het volk, dat leeft aan zijn boorden. Ook dat volk recht en rechthoekig van levensopvatting en levenswijs, en nuchter gelijk een waterpaslijn van vlakheid en rechtuitheid.
Door alle poëzie moet naar onze behoefte een streep proza loopen. De prozastreep hebben wij noodig, om ons daardoor temidden der poëzie-onberekenbaarheden steeds aan de werkelijkheid te kunnen blijven orienteeren. Want de werkelijkheid is dan toch de werkelijkheid; en wat mooi is, zooals de poëzie, is.... Toch maar mooiïgheid! Zóó voelen wij het in Noord-Holland. Welnu, voor onze onontbeerlijke prozastreep door der weide lentepoëzie heen zorgt op allergelukkigste wijze, en als treffend afbeeldsel van onzen gemoedsaard, ons rechtgelijnde en scherpgehoekte Groot Noord-Hollandsch Kanaal.
De spreeuwen zijn onze lenteboden.
Zij komen ons de voorjaarskonde toepiepen, met minder omhaal en uithaal, doch niet minder duidelijk, dan elders de leeuweriken haar vermelden. Zij doorspikkelen, met legioenen neergestreken in de lentewei, het schitterend groene vlak van schitterend zwarte noppen, als duizend en duizend gitkralen, wijd uitgestrooid door een gebroken reuzinne-halssnoer.
Tusschen de spreeuwenlegioenen zijn de musschen, met de drukte van straatgepeupel, en de merels, met de gemaaktheid van artisten, aan het sleepen voor haar nesten. En Hillie, die haar moederplicht jegens het lammerkind volbracht heeft, ziet het, voordat zij den terugweg aanvaardt, een tijdlang aan. De musschen en de merels brengen Hillie op de gedachte, dat het eigen nestje te bouwen een gepast en bekoorlijk werk is in de lente. Hillie wendt de oogen van de musschen en de merels af naar heel in de verte, waar een zwart iets zich gestadig op- en neerbeweegt. Zij weet, dat het Maarten is, die ginds, op wel meer dan een kwartier afstands, met de spade molshoopen platslaat. Ook daar, waar Maarten staat, zijn de musschen en de merels aan het sleepen, en zij hebben aan hem, terwijl hij de molshoopen slecht, al gelijksoortige gedachten als aan Hillie in het hoofd gejaagd. En dan heeft hij, op zijn beurt, reeds menigen keer uitgetuurd naar den kant, waar hij weet, dat Hillie het potlam voedt. Dat komt er ook van, als het lente is in de wei.
Ons voorjaarslandschap, zietdaar wél schoonheid. Niet de schoonheid der ontroerende pracht, maar de schoonheid der schaterlachende vreugde.
Menig ander oord heeft schoons, dat wij in Noord-Holland derven. Doch dit hebben wij: te ademen in het land van licht en ruimte.
Is het wonder, dat licht en ruimte hun merk hebben gezet ook op de geaardheid en gezindheden der bewoners van Noord-Hollands stralende wei-oneindigheid? In het rond àl licht en ruimte, hoe zou daarmee nu kunnen samenwonen dompigheid en engheid in het binnenste?
Neen, gelijk overal, zoo weerspiegelt zich ook in Noord-Holland de natuur in den gemoedsaard harer kinderen. Wijd en breed als de Noord-Hollandsche horizon is ook de Noord-Hollandsche geestesblik. Het begrensde en peuterige, het benepene en bekrompene op geestelijk gebied is den Noord-Hollander vreemder dan eenig ding, en ge wint hem daar niet voor, wat gij ook moogt in het werk stellen van drijfziek dwepen of dweepziek drijven. De Noord-Hollander ziet u aan, hoort u aan, weerspreekt u niet, maar verstaat u ook niet. Zij, die, gewichtig doend met nesterijen, elkander deswege aanbrieschen en plukharen in staat of kerk, ontlokken hem zelden een oordeel, vóór zoomin als tegen, doch in den regel enkel een kostelijke gezichtsvertrekking van trage verbazing. En tracht haarkloverige dialectiek zich uit alle macht aan hem op te dringen, hij laat zich niet opwinden, hetzij tot een geestdriftvol „ja” knikken, hetzij tot een verontwaardigd „neen” schudden, maar geeuwt, met, o, welk een grooten en, o, welk een gezonden geeuw. Het is vertwijfelingswerk, het pogen, hem mee te krijgen in welke futiele en knutselige geestesstrooming ook. Hij mist het orgaan voor de bevatting van het mokkerige en hokkerige. En hij kan dat niet helpen, hij, het kind van het licht en de ruimte der wei.
Wees ermee gefeliciteerd, duizendmalen, gij, Noord-Hollands breedvoelend weidevolk! Zoo verknocht aan licht en ruimte, aldus zijn de Noord-Hollandsche harten voorbeschikt tot groei- en bloeiplaatsen voor het evangelie van des Vaders groote liefde: dat evangelie een blijmaar van licht en ruimte bovenal.
Aan dit evangelie, het schaduwloos lichte en grenzenloos ruime, schept Noord-Hollands licht- en ruimtemin het hoopvolst vooruitzicht. De boodschap van de liefde in Christus heeft slechts noodig, aan het Noord-Hollandsche volk als waarlijk licht en ruimte bewust te worden, om het wat het naar voorbeschiktheid is ook te doen worden in werkelijkheid: een volk van wijdhartige kinderen Gods.
Dan wordt het groot-lente in de wei.
Dan staart buurman Bastiaan niet meer met hetzelfde oog als nu uit over het groene veld. Thans hangt hij met bei zijn ellebogen over het koehek, en terwijl het lichtgespeel der voorjaarszon het blauw van zijn kiel tint alsof een stuk van den blauwen lentehemel over zijn schouders ware gevallen, verkeeren zijn gepeinzen daarentegen heel laag op de aarde. Bas-buur rekent rekensommen uit; daaraan blijft u geen twijfel over bij een blik op zijn zeer sluw aanschijn. Bas-buur bouwt op de lentebeloften, die door de lucht ruischen, gedachte-kasteelen van hoog opgestapeld hooi en verbeeldingsvoorspiegelingen omtrent golvende zeeën van melk. Dat is de gemoedsinwerking, welke buur Bastiaan van het stralend tafereel der lente in de wei ondervindt, en, met hem, menige andere buurman, die, als hij, op een lentedag met de ellebogen over een koehek hangt.
En wie heeft daar nu iets tegen? Rekensommen uitrekenen is, voorwaar, een zeer nut bedrijf voor den mensch in diens leven.
Maar als het nu groot-lente des evangelies wordt in Noord-Hollands weidedreven, dan zullen Bas-buur en al de verdere buren hun uitrekeningen óók gronden op de beloften, die deze lente hun toefluistert, en het totaal dier berekeningen in den hemel geschreven zien staan.
Die berekeningen zijn nog veel meer waard, om er een sluw gezicht bij te zetten, o, buurman Bastiaan!

