II. PER HONDENKAR.
Reading edition
Dat wij met dankbaar gemoed den lof verheffen van de hondenkar!
Op den vreemdeling, die ons groene land bezoekt, maakt vooral indruk de stoffage, die aan onze wijde vlakte verleend wordt door de molens, welke er hun lange wieken boven zwaaien, of ook wel door de schepen, welke hun uitgespannen zeilen over onze vaarten laten scheren. Maar ik zeg u, de hondenkar stoffeert ons landschap veel karakteristieker.
Een Noord-Hollandsche polderweg is in de allereerste plaats: een weg, waarlangs een hondenkar schommelt, en een Noord-Hollandsche dijk bovenal: een dijk, op welks kruin zich de silhouette van een hondenwagen afteekent. In vergelijking van dit kenmerk zijn alle andere eigenschappen slechts bijkomstige factoren, om van een weg een Noord-Hollandschen weg en van een dijk een Noord-Hollandschen dijk te maken.
Gelijk bij ons het leven binnenshuis zich concentreert in de koffiekan, zoo wordt ons verkeersleven buiten de huiselijke muren beheerscht door de hondenkar. Het rijwiel, dat zich indringt, slaagt er hoogstens in een tweede plaats te overmeesteren, en tegenover den auto handhaaft onze hondenkar haar heerschappij tot op den huidigen dag toe als een uitsluitende. Ja, de rechtgeaarde hondenkar-bestuurder onderwerpt zich zelfs rijwiel en auto tot zijn hondenwagen-rit dienende machten. Zij strekken hem tot wit, waarachter en waarop hij zijn voorthijgenden trekhond aanhitst, zoodoende vol verwonderlijk-practischen zin deze nieuwere vindingen van snelvervoer nuttig makend aan de opvoering van het snelheidsvermogen van zijn aloud en voorvaderlijk vervoermiddel.
Maar ook zelfs zonder behulp van zulke gangmaking door auto of rijwiel is het voertuig, dat onze Noord-Hollandsche buitenwegen kenmerkt, in staat, een snelheid te ontwikkelen, die aan onze hondenkar minstens een plaats van gelijkwaardigheid verschaft nevens de modernste middelen van spoedvervoer dezes vooruitstrevenden tijds. O, gij, die ten deze nog ondeskundig mocht wezen, moge het in den schoot uws lots voor u zijn weggelegd, nog eenmaal deel te hebben aan een echten hondenwagen-rit! Dat zal u voor het eerst in uw leven geven te ondervinden, wat waarlijk emotie is. In suizelende en duizelende vaart snijdt gij de lucht. Tegelijk daarmede is uw lichaamsbeweging een wispelturig-zigzagsche dwars over, en een wild-op-en-nederwaartsche hoog boven den weg. Een zenuwen-oefening, ik verzeker het u, die u later—mocht ook deze bestemming u beschoren zijn—met de hooghartigste door-de-wol-geverfdheid in een vliegmachine zal doen klimmen! Ik spreek hier, gij begrijpt het, van een rit per eerste-klas-hondenkar en per eerste-klas-trekhonden.
Want er bestaat onder onze hondenwagens een aristocratie en een plebs. Of gij onzen venter met schuurzand tegenkomt op zijn wrakke vehikel, waaronder een behaard geraamte voortkruipt, dan wel onzen slager op zijn geel-geschilderden en glimmend-gelakten char-à-bancs, met het glanzende driespan ervoor, daar is verschil tusschen. De slager maakt 's Zondags dan ook met zijn fraai uitgedoste vrouw en kinderen pleizierritten op den hondenwagen. Doch de schuurzand-koopman zit zich elken weekdag op zijn waggelenden bok te bekommeren met de vraag, wat van langeren duur zal zijn: de tijd, dien zijn uit- en thuisreis nog vordert, of de levensadem, die aan het veege wezen onder de kar nog is toegerekend. Maar trots dat verschil tusschen hondenwagen en hondenwagen, betaamt het ons, den hondenwagen in het algemeen, dat ons zoo nuttige en voordeelige dagelijksche gebruiksvoorwerp, te prijzen en te loven.
Of ook onze honden mede-instemmen in dien lof en prijs, is natuurlijk een onzinnige vraag. Wij zouden ook den wielrijder voor verbijsterd van verstand verklaren, die zich ophield met de overdenking, of zijn gummi-banden het prettig vinden, door de straatkiezels te worden gejudast, en of zijn fietsketting erin juicht, door de vinnige raderpunten te worden geknauwd.
Buiten dat hebben wij toch nog dikwijls gelegenheid, over den fiets-mensch ons gemoed vroolijk te maken, terwijl wij langs hem voortsnellen op onzen hondenwagen. Nietwaar, zelden heeft iemand onzer een half uur lang de hondenkar bereden, zonder tenminste één vertwijfeld rijwiel-mensch te zijn gepasseerd, die op den wegkant zat te wurmen aan zijn defect geworden voertuig. Hoe witjes lacht de voorbijsnorrende hondenkar-ruiter dien ongelukkige toe! Laat de trekhond eens defect raken gedurende den rit! Zeker, het kan en het gebeurt, dat hem het vermogen tot voortjakkeren begeeft op het midden zijns weegs. Maar het defect aan den trekhond is heelwat sneller en eenvoudiger verholpen dan dat aan het rijwiel. Sijmen, de hondenkar-voerman, vult een zijner klompen met water uit de vaart, en laat het omgevallen beest den klomp leeglekken. De reparatie wordt voltooid door een lustigen slag met den geledigden klomp op de hondeschonken, en... Heisa, Sijmen rijdt weer! Een defect aan het hondenspan herstelt men in zestig seconden.
Voorts is het een voortreffelijkheid van den trekhond boven het rijwiel, dat de trekhond er individueel belang bij heeft, ons thuis te brengen, en het rijwiel niet. Het eigenbelang, dat de trekhond daarbij heeft, is er voor hem een van den allereersten rang. Het is het belang van zijn maag, mijn vrienden. Want vele zijn de hoedanigheden, waaraan een viervoetig scheppingsvoortbrengsel eerst beantwoorden moet, voordat het is wat onder een trekhond verstaan wordt. Doch geenszins de laatste onder die hoedanigheden zijn deze beide: eerstelijk, dat het een scheppingsding zij, 't welk een maag heeft; en daarna volgend, dat de maag, die het heeft, een ledige maag zij. Ziethier tot uw aller nuttige onderrichting dan ook artikel één uit het leerboek der waarachtige trekhonden-techniek neergeschreven: „De trekhond ontvangt geen voedsel dan alleen bij zijn thuiskomst van den rit; voor 't overige bestaat een deskundige verzorging in het waken voor een doorloopenden hongerstaat, waarin dezelve zich heeft te bevinden.” Toelichting van dit artikel één: „Op deze wijze werkt het tehuis van den hondenkar-rijder op den trekhond zooals de magneet werkt op het staal; tengevolge van dien: een onwederstandelijke neiging in den hond vóór de kar, om met zijn nasleep thuis te komen, en tevens om zoo gezwind mogelijk thuis te komen.” Ik schrijf dit hongervoorschrift uit de „Handleiding voor Honden-trekkracht” enkel af voor de ter zake nog onbedrevenen. De vakmensch kent dezen waardenvollen regel (hoewel ik de eenige bezitter ter wereld van de bovenvermelde „Handleiding” ben) en brengt hem in bekwame beoefening.
In het algemeen kan gezegd worden, dat een Noord-Hollandsche hond is een trekhond. Wij, die over het geheel geen landjonkers zijn, zoodat wij er jachthonden, noch renteniers, zoodat wij er een weeldehond, noch dames, zoodat wij er een schoothond op na zouden houden, wij zouden voor ons geweten geen rechtvaardiging weten te vinden van de kosten, die hondenbelasting en hondenonderhoud vergen, indien niet deze rechtvaardiging: de hond trekt mij, o, mijn teergevoelig geweten! Was het niet de goedige poëet Van Alphen, die de hondendankbaarheid heeft bezongen, en was het niet de evenzeer goedige dichter Tollens, die gekweeld heeft van de hondentrouw? Nu, dat bewijst boven alwat het bewijzen mag dit, dat noch dichter Tollens noch dichter Van Alphen was van Noord-Hollandsch bloed. Waar wij belang in stellen, omdat wij er belang bij hebben, is evenmin de hondendankbaarheid als de hondentrouw, maar de hondensnelheid en de hondenkracht. En wie over de hondensnelheid en -kracht misschien nogeens in verheven verzen rijmt, liefst met het refrein: „Hopsasa, hopsasa!”, hij zal kans hebben, dat langs Noord-Hollands wegen en paden van menigen voermans-bok zijn hondenzang wordt geneuried of gefloten. Want zal in ons verstandig Noord-Hollandsche gemoed iets ingang vinden, zoo moet dat iets zijn, waaraan wij wat hebben. En waaraan wij wat hebben, het is à propos van den hond niet zijn trouw—wat wint ge daarmee?—en niet zijn dankbaarheid—wat trekt ge daaruit?—, maar de kracht en snelheid des honds, onwaardeerbare behulpsels bij ons dagelijksche zaken drijven.
Dat een iegelijk dan met ons de waanwijsheid en de bemoeizucht brandmerke, die in zeker kortelings verschenen proza, genaamd de „Trekhonden-wet”, onze voorouderlijke vrijheid in het gebruik van den hond tot krachts- en snelheidswerktuig aan beperkingen onderwerpt! In naam van den nooit volprezen vooruitgang: dat heeft geen wet ons te zeggen, maar leert elke hond zelf ons wel, of het beest, dat wij vóór of onder den wagen vastbinden, in staat en bij machte is datgene uit te voeren, waartoe wij het bestemmen. Verricht de hond het werk, welnu, zoo is hij er blijkbaar toe in staat. Is hij er niet toe in staat, welnu, zoo verricht hij het vanzelf niet. Ei, ziet, hoe, zonder oog voor deze toch slechts kinderlijke levenswijsheid, hoogerhand daar een veel-artikelige wet maakt met bepalingen op het gebruik van den trekhond! Gij ontwaart hier weer, gelijk menigmaal, hoe de verstandswaan der zoogenaamde regeerkunst het oog blind maakt voor den eenvoud der nuchtere redeneerkunst. En daarvan wordt de rustige hondenkar-koetsier tot slachtoffer gemaakt.
Er heeft toch niemand in den baard gelachen over deze bezwering: „in naam van den vooruitgang”, temidden van ons pleidooi voor de onbegrensde vrijheid des hondenkar-verkeers? Die wete: Noord-Holland is wel degelijk voor den vooruitgang. Wij zijn, spijt wien ook, voor den vooruitgang. En dat niet ondanks, maar juist blijkens onze hondenkar-zeden en karhond-gewoonten. IJlt niet onze hondenwagen daar voort zonder stuur of roer, en onze trekhond zonder teugel of toom, zinnebeeld van de meest volkomen richting-vrijheid? En wedijveren wij in onze vrije-richting-vaart niet met de snelste vindingen van voorwaartsbeweging der nieuwere beschaving? O, makkers en gezellen op het hondenkar-pad, de hondenwagen past bij den Noord-Hollandschen geest! Ook die geest een geest van vooruitgang, maar van vooruitgang op eigen hand en op eigen manier, en van vrije richting, zóó vrij, dat er noch stuur in te ontdekken noch berekening op te bouwen valt! Dit is de symboliek van de hondenkar. En bedenkt, hoe beslist Noord-Hollandsch deze hondenkar-symboliek is, teneinde ook daardoor tot de erkenning te komen, dat de hondenwagen inderdaad onscheidbaar bij ons Noord-Holland behoort.
Deze lofrede op onze hondenkar moge besloten worden met de volgende korte beschouwing meer in het bizonder over de honden, welke ervóór draven.
Al de karhonden van Nieuwediep tot Nieuwendam zijn met elkander saamverbonden door een opmerkelijk solidariteits-bewustzijn. Wanneer twee hondenwagens elkaar tegenkomen, groeten de berijders elkander in het voorbijgaan soms wel en soms niet. Maar de wederzijdsche trekhonden zullen zelden nalaten elkander te groeten, hetzij luidruchtig, door een doordringenden blaftoon te wisselen, hetzij stilzwijgend, door in het voorbijsnellen even de koppen naar elkaar om te wenden. In dien uitgeblaften groet der hondekelen hoor ik een korte mededeeling der zwoegers aan elkander van eenzelfde in hen wonende hondenwanhoop, en in dien zwijgenden groet der hondenoogen zie ik hun klanklooze wederkeerige klacht over eenzelfde door hen gedragen hondenleed.
Midden in den doodstillen nacht begint op het stikdonkere huiserf een vastgeketende karhond met langgerekte tonen te huilen. Dra antwoorden hem al de andere honden in verren omtrek met instemmend gehuil. Dan kunnen de menschen, op hun legersteden uitgestrekt, niet slapen. En op hun nachtelijke sponden verwenschen zij de honden.
Ik kan ook niet slapen. Maar ik verwensch het jammerende dierenkoor niet. Want ik verbeeld mij te weten, waarom in den stillen nacht de trekhonden huilen.
* * *
SAMENSPRAAK MET JAN RECHTENGOED.
Toen ik het handschrift van bovenstaand vertoog eenigen tijd onbeheerd had laten liggen, bevond ik bij mijn terugkeer tot mijn schrijftafel, dat mijn vriend Jan Rechtengoed, die op mijn thuiskomst zat te wachten, zich den tijd gekort had met de regelen door te lezen.
„Zijn de Noord-Hollandsche trekhond-houders zoo?” vroeg hij gekrenkt, bij mijn binnenkomen de papieren met ontevreden gezicht uit zijn hand werpend.
„O, neen, gelukkig niet!” gaf ik ten antwoord.
„Welnu, wat beduidt dit dan?” vraagde hij, wijzend op het handschrift.
Ik deed de wedervraag: „Jan Rechtengoed, zijn er Noord-Hollandsche trekhond-houders zoo?”
„Ach, ja, ongelukkig wel!” zuchtte hij.
„Welnu, dat beduidt het”, aldus ik weer.

