← Table of contents
Wandelingen door Elzas-Lotharingen

XX

Reading edition

Een ander maal zullen wij het gedeelte van den Rijn tusschen Straatsburg en Lauterburg bevaren. Wij moeten nu eerst den stroom weer opvaren en onze wandeling voortzetten door de Sundgau en het Hartwald. Maar alvorens daarheen te gaan, kan ik den lust niet bedwingen, nog weer eens om te dolen op de eilanden in de oude rivier: laat het zijn om te teekenen en, lukt het, ook te jagen. Wie op de manier van onze moderne toeristen door een land heenvliegt, leert het immers nooit kennen; en onze schoone Elzas is het inderdaad wel waard, goed bezien en gekend te worden.

Goudzoekers aan den Rijn. (Blz. 394).
Goudzoekers aan den Rijn. (Blz. 394).

Goudzoekers aan den Rijn. (Blz. 394).

In den vroegen morgen van den 24sten September ging ik met den schilder Lix op weg naar Plobsheim, om daar onzen gemeenschappelijken vriend Louis Schutzenberger op te zoeken, die op zoo menige schilderij de natuur en het leven langs de boorden en op de eilanden van den Rijn met treffende waarheid en diep gevoel heeft weergegeven. De kunstenaar, die naar buiten was gegaan om te jagen, had voor het oogenblik zijn intrek genomen bij de villa Finck. De villa Finck, wel bekend bij alle jachtliefhebbers in Straatsburg, is eene eenvoudige visschershut, verbonden met eene tapperij. De huurders der omringende jachtterreinen hebben daarnaast een witgepleisterd huisje gebouwd, waarin ieder van de gasten, naar eigen lust en smaak, zijn nachtlogies inricht, hetzij in een hangmat, hetzij op eene eenvoudige matras. Als de regen lang aanhoudt, of als het te koud wordt, kan men zich bij het vuur warmen. Moeder Finck, de kookvrouw, heeft in haar kelder een zekeren witten wijn, waarvan de goede oude vrouw zelve wel wat druk proeft. Over het eten behoeft men zich niet bekommerd te maken: de stille wateren van de voormalige Rijntakken wemelen van visch, en het wild van allerlei soort is niet minder overvloedig. Zelfs de minst geoefende jagers kunnen zooveel wilde zwijnen en reeën, hazen, otters, dassen, eenden, kievitten, patrijzen en fazanten, snippen en pluvieren schieten, als zij maar verkiezen.

Wellicht kunnen niet al mijne lezers zich eene duidelijke voorstelling maken van de villa Finck, ook al deel ik hun mede, dat zij op vijftien mijlen afstands van Straatsburg ligt, in de gemeente Plobsheim, op een eiland in den Rijn. Welnu, verbeeld u een open plek in het bosch, ter uitgestrektheid van een bunder, aan den eenen kant besproeid door een voormaligen arm der rivier, aan de andere zijde ingenomen door het jachthuis en de visschershut; rondom die woningen een moestuin met vruchtboomen en een op latwerk rustende wingerd, waaraan donkerblauwe druiven hangen. Tegen den muur van het huis hangen een aantal fuiken; terwijl aan den waterkant een groot, op palen uitgespannen kruisnet hangt te drogen. Eenige blondharige kinderen, flink en gezond van uitzicht, barrevoets, spelen met een troepje tamme eenden, die zich voor de deur hebben verzameld, maar zoo straks weder te water zullen gaan. Een gedeelte van dit terrein behoort aan den visscher Finck, die hier woont met zijne zonen en kleinkinderen; het overige wordt bebouwd door boeren uit het naburige dorp. Een koel en lommerrijk pad voert, midden door het eikenbosch, naar Plobsheim. Hier en daar worden de eiken afgewisseld door populieren, elzen en wilgen, als ook door de heesters en struiken, die gemeenlijk op lage vochtige plaatsen groeien.

Toen wij aankwamen scheen het mooi weer. Bij ons vertrek van Straatsburg, omstreeks zes uren in den morgen, hing er een dikke nevel over de weilanden en over het water. Nu schijnt de zon helder en warm, en ondanks eenige min of meer verdachte wolken, zal de zon ook den geheelen dag blijven schijnen:—althans naar de verzekering van vader Finck, die ons zeer hartelijk ontvangen heeft en dien ik u nog moet voorstellen. Vader Finck is visscher van beroep, maar oefent daarnevens, als de gelegenheid gunstig is, ook het bedrijf van strooper uit. Hij is altijd op den uitkijk: geen schepsel kan zich boven, op, of in de wateren onder de aarde bewegen, of hij merkt het op met zijn scherpen, doordringenden, loerenden valkenblik, die altijd naar eene prooi schijnt te speuren. Naar men ons verhaalde, had die brave man eertijds een bijzonder zwak voor het wild op den badenschen oever. De hemel mag weten, hoeveel reeën en fazanten hij, zonder jachtakte of vergunning, aan den overkant van den Rijn gevangen heeft! Geen wonder dat hij nu en dan in botsing kwam met de jachtopzieners en veldwachters, die op hem loerden. Op zekeren dag of in zekeren nacht—de kroniek vermeldt niet of het feit bij zon- of bij maanlicht plaats greep,—keerde de visscher-strooper naar huis terug met een portie ganzenhagel in zeker lichaamsdeel. Zoo iets vergeet men niet licht, vooral omdat Finck wist welke jachtopziener hem die poets gebakken had. Eenigen tijd daarna lag onze vriend, wiens wonden waren geheeld, maar die even onbekeerlijk was gebleven, op de loer in de biezen. Hij zag den jachtopziener, die hem zoo goed geraakt had, zijn geweer op een zonnig plekje in het gras nederleggen, vervolgens zijne kleederen uittrekken en bij zijn geweer leggen, en eindelijk in het water afdalen. Nauwelijks was de jachtopziener in het bad, of de strooper sprong uit zijn schuilhoek te voorschijn, en maakte zich in een oogwenk meester van de kleederen en ook van het geladen geweer. Toen riep hij op spottenden toon den onthutsten jachtopziener toe, dat hij hem de keus liet, waar hij den kogel, dien hij, Finck, hem nog schuldig was, wilde ontvangen, in zijn hoofd of ergens anders. De badensche jachtopziener, die bij ondervinding wist dat de strooper nooit zijn doel miste, stond daar, ter dood verschrikt... “Kom aan, neen!” voer Finck voort, “ik zal u niet dooden. Maar vergeet niet dat ik uw leven in mijne hand heb gehad.”—En zonder de dankbetuiging van den opziener af te wachten, verwijderde de strooper zich. Later zijn beiden goede vrienden geworden: volgens booze tongen zelfs zoo goed, dat zij voor gezamenlijke rekening stroopten.

Al was ons bezoek bij Schutzenberger onverwacht, de ontvangst was er niet minder hartelijk om. De jagers lagen nog in bed; terwijl zij zich gereed maakten om op te staan, namen wij een kijkje voor het venster. O ramp! het is eensklaps gedaan met het mooie weer: de lucht is geheel betrokken. Terwijl onze vrienden zich aankleeden, regent het reeds vrij hard. En nog geen uur geleden, verzekerde vader Finck ons dat de zon den geheelen dag schijnen zou! Wij vertrouwden op zijn woord en rekenden op zijne weerkennis. Immers, een inboorling van de eilanden in den Rijn, die zijn leven lang in de buitenlucht heeft verkeerd, die vijftig jaren achtereen het beroep van visscher en strooper heeft uitgeoefend, zoo iemand dient toch de voorteekenen van goed of slecht weer te kunnen onderscheiden! Nu, als ware hij een almanak, antwoordt hij, dat het best mogelijk den geheelen dag kan regenen. Natuurlijk, als het geen mooi weer is, zal het wel regenen! Maar, als om den spot te drijven met den profeet, keert de wind en de regen houdt op. Na verloop van eenige oogenblikken schijnt de zon weer zoo helder als ooit. Na een landelijk ontbijt gebruikt te hebben, gaan Schutzenberger en de andere heeren op de patrijzenjacht, om voor het diner te zorgen. Lix en ik gaan met den zoon van Finck een watertochtje op den rivierarm maken, vooral met het doel om te teekenen en te schetsen.

Hoe heerlijk is toch zulk een watertochtje, onder den lommer der overhangende takken. Op dezen grillig kronkelenden voormaligen arm van den Rijn behoeven wij niet eens de riemen te gebruiken; met een eenvoudigen boom kan onze schipper aan de boot de gewenschte richting en beweging geven. Bij de villa Finck verheft zich de oever ter hoogte van drie el boven het kristalheldere water, rustig kabbelend over eene bedding van fijn kiezelzand. Verscheidene bootjes liggen hier aan den oever, voorzien van teenen korven, waarin de visch geborgen wordt. Langs den oever staan oude knoestige wilgen naast kleine knotwilgen, beiden nog prijkende in den dos hunner grijsachtig zilveren bladeren. Op den achtergrond breiden krachtvolle eiken hunne zware takken over het kreupelhout uit. Het hooge geboomte en het lage hout, doornstruiken en heesters, het heldere water, de weilanden en akkers—wat bieden ze een rijkdom van telkens afwisselende gezichten. Voeg daarbij de volmaakte kalmte, de vredige stilte en rust, een zeker geheimzinnig iets, dat onwillekeurig tot ernst stemt en zoo weldadig aandoet.—De Rijn is voor het oogenblik laag. In den vroegeren arm der rivier, waarop wij zachtkens voortglijden tusschen beurtelings kale en boschrijke oevers, nu eens in den vollen zonneschijn, dan wegduikende in den half doorzichtigen lommer, is de stroom vrij zwak. Somwijlen nemen riet en biezen de plaats in der boomen: hun vezelige wortels bedekken de hellingen en zweven boven het gedaalde water.

Na een half uur gevaren te hebben komen wij aan de uitmonding van dezen arm, die nog niet geheel van den genormaliseerden Rijn is afgesloten. Dit is op meer plaatsen het geval, maar die openingen verminderen van jaar tot jaar, en binnen een niet al te langen tijd zal de geheele Rijn ter wederzijde met eene bijna onafgebroken doorloopende kaai of oeverbekleeding zijn voorzien.—Terwijl mijn vriend Lix eene schets maakt van de dijk- en oeverwerken, ga ik bij de hoeve van Altenheim, tegenover het nieuwe fort, aan wal. Men is daar bezig eene nieuwe dijkwachterswoning te bouwen. Daar de stand van den Rijn op dit oogenblik vrij laag is, zijn hier en daar de kiezelplaten ook weder zichtbaar. Op een dezer platen is een geheele zwerm van kievitten, minstens vijftig in getal, neergestreken: zij verzamelen zich daar voor de verhuizing naar zuidelijker klimaat, warrelen door elkaar en zwieren nu en dan boven de rivier. Een andermaal hoop ik over de fauna van de Rijnoevers te spreken.

De zon steekt vinnig, als broeide er een onweder; ik beklim den bandijk, die hier dicht langs den genormaliseerden oever loopt en dicht bij het fort Altenheim wordt afgebroken door een breed kanaal, dat door eene sluis met den Rijn in gemeenschap staat. Te midden van het groen teekenen zich hier en daar de witte muren van eenige verspreide boerenwoningen. Aan den oever teruggekeerd, vind ik Lix, die zijne schets voltooid heeft, waarna wij weder in de boot plaats nemen.

De hemel, die eenige uren helder is geweest, is op nieuw met wolken overdekt: het dondert reeds in de verte, en weldra valt de regen bij stroomen neder. Doornat nemen wij afscheid van Schutzenberger, ten einde over Breisach naar den Rijn terug te keeren.—De volgende morgen vindt ons dan ook in een char-à-bancs op den grooten weg tusschen Neu-Breisach en Geiswasser. Overal langs den weg zijn nog de sporen zichtbaar van den geweldigen orkaan, die den 16den Juli van het vorige jaar hier heeft gewoed. Een aantal boomen liggen tegen den grond, hetzij ontworteld, hetzij halverwege den stam afgebroken. Zoo groot was de kracht van den wind, dat het te veld staande koren letterlijk werd gedorscht en het graan uit de halmen weggedreven. Daken werden weggeslagen, en eene geduchte hoos vernielde op haar weg alle gewassen en een goed deel van den oogst.

Niet ver van Ober-Saasheim wordt onze aandacht getrokken door een afgebranden molen naast een uitgedroogd kanaal. De voortgaande verdieping van het bed van den Rijn, tengevolge van de verbeteringswerken, is oorzaak dat gaandeweg de toevoerkanalen naar de molens droog loopen, waardoor de molenaars hunne broodwinning verliezen. Dit is eene zeer ernstige schaduwzijde van een overigens zoo nuttig werk, waardoor het algemeen belang ongetwijfeld gebaat wordt. Achter den afgebranden en verlaten molen verrijst het prachtige bosch met zijn hoogstammig geboomte en rijk geschakeerden groenen dos. Midden door het bosch brengt een zijpad ons in weinige oogenblikken naar Geiswasser.—Daar bevinden wij ons weer binnen de grenzen van het gebied der eilanden.—Geiswasser is in het najaar een allerbevalligst dorp, wegschuilende tusschen het groen, zonder eigenlijke straten, dicht bij den Rijn, en toch door den bandijk tegen overstrooming beveiligd. De huisjes staan in schilderachtige wanorde overal verspreid: ieder bouwt zich zijne woning waar en zoo als hij verkiest, zonder zich in het minst om regelmaat of rooilijn te bekommeren. De meesten zijn omringd van een boomgaard met een schat van vruchtboomen, door groenende hagen omsloten. De dorpelingen bebouwen hun akkers, visschen in de oude rivierarmen of werken aan de dijken, wanneer die herstelling behoeven. In het voorbijgaan werpen wij door een openstaand venster een blik in een dier eenvoudige, echt landelijke woningen: de familie staat gereed aan tafel te gaan, en naar vroom gebruik spreekt de eerwaardige vader des gezins het Benedicite, het gebed voor het eten.

Stadhuis te Eusisheim.
Stadhuis te Eusisheim.

Stadhuis te Eusisheim.

Wij slaan al wandelend de onophoudelijke afwisselingen in het landschap gade. Straks dwaalden onze blikken over de ruime, wijde vlakte, aan den horizon begrensd door eene lijn van bosschen, waarboven zich in de verte de schemerende top van den Kayserstuhl verhief.—Merk nu op dit breede water, nog altijd eene vertakking van den vroegeren Rijn, op sommige plaatsen zeer diep, terwijl ge het op andere punten met baggerlaarzen aan kunt doorwaden. Hier en daar verdwijnt het water schier geheel onder riet en biezen; elders vloeit het met nauw hoorbaar murmelen over fijn kiezelzand, terwijl van achter de boomen op naburige eilandjes, het plechtstatig ruischen van den koninklijken stroom ons in de ooren klinkt. Het water is buitengewoon doorschijnend, helder als kristal: nu althans, nu de Rijn laag is. Witte kiezelplaten, hier en daar uit het water oprijzende, steken scherp af tegen het donkergroen der boomen, waarboven zich weder de schemerende omtrekken van den Kayserstuhl teekenen. De boomen op de aan overstrooming blootgestelde uiterwaarden zijn voornamelijk wilgen, olmen, elzen, die met doornstruiken en lage heesters vermengd een schier ondoordringbaar kreupelbosch vormen, waarin de wilde zwijnen hun leger hebben. Bij den oever ziet men sierlijke groepen van populieren, afgewisseld met eiken en ahornboomen. Om de hoogste stammen slingeren zich verschillende woekerplanten, zoo als de wilde hop en anderen, die met haar grillige slingers en bloemen de takken omranken. In het diepe gedeelte van de kil liggen twee schuiten aan den oever gemeerd: eene schilderachtige stoffage te midden van dit herfstlandschap, beschenen door het kalme, stemmige licht van de dalende najaarszon.

Landlieden van de Rijnoevers.
Landlieden van de Rijnoevers.

Landlieden van de Rijnoevers.

Even als in de geheele eilandenstreek, vindt men ook hier enkele verstrooide boerenwoningen, die elk een eigen naam dragen.—Niet verre van Geiswasser ligt, midden in het lommer, een dorpje met den dichterlijken naam van Vogelgrün, waarvan de aardige huisjes wegkruipertje schijnen te spelen tusschen tuinen en boomgaarden. De minste huisjes veroorloven zich de weelde van eene bovenverdieping; maar allen hebben een eigen tuin, door eene bloeiende haag of soms ook door een muur van groote roode keien omringd. Te Biesheim, een grooter dorp voorbij Neu-Breisach, op den weg naar den Rijn, wonen een aantal Joden, die handel drijven in vee en in allerlei andere zaken, ook in huizen en land. Eene buurt van dit dorp ligt aan de Giessen, een ouden arm van den Rijn, die nog vrij diep is en beroemd om zijn smakelijke visch en zijne kreeften. Even voor dat ge te Biesheim komt, ziet ge op een kruispunt van den weg het monument ter eere van den generaal Beaupuy. Het is een cenotaphium, in antieken stijl, maar tamelijk plomp, evenals het monument van Desaix, bij de brug van Kehl. De generaal de Beauchartie de Beaupuy werd den 19den October 1796, nabij Emmendingen, op badensch grondgebied, gedood, bij de verdediging van den bergpas van het Höllenthal, tijdens den terugtocht van Moreau. Op dit gedeelte van den weg heeft men een allerschilderachtigst gezicht op Alt-Breisach, zoo schoon gelegen op zijn dubbelen vulkanischen heuvel, waarvan de eene zijde geheel met wijnbergen is bekleed, terwijl op den hoogsten top de oude eerwaardige kerk troont.

Wij zouden nog lang kunnen ronddwalen op deze eilanden en uiterwaarden, die vooral in dezen tijd des jaars, nu de herfst het landschap met zijne rijke kleuren en tinten begint te tooien, eene zoo eigenaardige schoonheid en bekoorlijkheid bezitten; maar wij mogen hier niet langer toeven. Den wandelstaf ter hand genomen, naar elders heen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings