← Table of contents
Wandelingen door Elzas-Lotharingen

XIII

Reading edition

Colmar is eene open stad, met eene schilderachtige, schoone ligging, halverwege tusschen Basel en Straatsburg, aan de oevers van de Ill, en met een mooi uitzicht op de Vogesen. Om haar oude monumenten, haar historische herinneringen, haar fraaie wandelingen, verdient zij wel dat de reiziger hier ophoude, waar ik hem durf verzekeren dat hij eenige aangename dagen slijten kan. In de vorige eeuw had het hoogste regeeringscollege van den Elzas hier zijn zetel, en ook na de inlijving bij het Duitsche rijk heeft Colmar het hooggerechtshof van het nieuwe rijksland behouden. Met haar bevolking van zes-en-twintigduizend-tweehonderd inwoners, waaronder een aantal magistraatspersonen en rechterlijke ambtenaren, is Colmar juist zulk een rustig, kalm, gezellig stedeke, als men zich ten verblijve zou kunnen wenschen. Een deel der bevolking leeft van den landbouw; de meer rumoerige fabriekarbeiders wonen bijna allen in de voorsteden en langs het kanaal van Logelbach: de stad zelve bleef tot dusver van de plaag der fabrieken verschoond. Haar ligging aan het spoorwegnet, die haar in rechtstreeksche verbinding brengt met Zwitserland en Frankrijk en ook met het Schwarzwald, aan de overzijde van den Rijn, heeft op de ontwikkeling van haar handel en nijverheid zeer gunstig gewerkt.

Maar deze ontwikkeling heeft ook tengevolge gehad, dat Colmar zich beklemd begon te gevoelen in haar gordel van oude muren, en dat zij dien muur stuk voor stuk is gaan afbreken, om zich ruimte te maken en versche lucht te scheppen. Gaandeweg ondergaat de stad eene herschepping. In plaats van de drie oude poorten, waarop weleer de wegen naar Basel, Breisach en Rufach uitliepen, ziet ge overal nieuwe straten, die u naar buiten voeren. De huizen, waarvan de bovenverdiepingen soms zoo schilderachtig in de straat plachten uit te steken, trekken zich terug en zwichten voor de onverbiddelijke rooilijn. De sloopingskoorts dreigt ook de overgebleven gedeelte van de oude wallen, zonder eenige noodzaak, omver te halen; zelfs de boomen dier wallen loopen ernstig gevaar. De verfoeilijke speculatiewoede, voor wie niets heilig of eerbiedwaardig is, die zelfs met euvele hand in schandelijken overmoed Rome vernielt en schendt, is ook tot hier doorgedrongen. Men zegt, dat al deze veranderingen en verbouwingen in het belang der hygiëne zijn: de hygiëne speelt in deze onze dagen eene zeer gewichtige rol en in haren naam worden vele onzinnigheden, vele gruwelen zelfs gepleegd; ik weet niet, of zij ook inderdaad bij deze gedaanteverwisseling van Colmar is betrokken. Maar zooveel is ontwijfelbaar zeker, dat het pittoreske, dat de esthetica er zeer onder lijdt. Als de laatste gracht zal zijn gedempt met het puin van den laatsten muur; als alle toegangen naar de stad in breede, vlakke, rechte wegen zullen zijn herschapen; als alle huizen zooveel mogelijk naar hetzelfde model zullen zijn gebouwd en alle straten met de liniaal getrokken:—dan zal Colmar misschien, onder sommige opzichten, iets gewonnen hebben en beantwoorden aan de eischen eener moderne stad, maar dan zal het ook even eentonig, even karakterloos zijn, dan zal het alle oorspronkelijkheid, alle individualiteit hebben ingeboet, volmaakt onbeduidend zijn, plat, vulgair en vervelend in de hoogste mate.

Maar—wat de toekomst moge brengen—thans is het, Goddank! nog zoover niet. Laat ons hopen, dat eene verstandige regeering een middel zal weten te vinden om aan de eischen en behoeften van den nieuwen tijd te voldoen, zonder te kort te komen in den eerbied, aan de monumenten van vroeger eeuw verschuldigd. Ondanks de pogingen van haar sloopers en verwoesters, biedt de goede stad Colmar nog genoeg merkwaardigs, om een belangstellend bezoeker te boeien. Wie met den spoorweg of langs den weg van Logelbach in de stad komt, wordt aanstonds getroffen door de prachtige boomgroepen, perken en standbeelden van het zoogenoemde Marsfeld, dat vroeger een deel uitmaakte van den stadswal en zijn krijgshaftigen naam ontleent aan de omstandigheid dat hier vroeger de militairen exerceerden. Op het midden van het plein prijkt het standbeeld van generaal Rapp. Een ander standbeeld, dat van admiraal Bruat, verrijst midden in de groote allée, die van het plein naar het Gouvernementshuis voert, een statig indrukwekkend gebouw, dat menig vorstelijk paleis in de schaduw stelt. In de Meimaand verspreiden de oude linden van het Marsfeld een verkwikkelijken lommer en vermengen den zoeten geur van hun bloesems met het doordringend parfum der bloeiende jasmijnen. Hoe vele uren heb ik, als gymnasiast, daar met mijne kameraden van buiten doorgebracht, aan den voet van het standbeeld van Bruat allerlei plannen besprekende van verre reizen, aan gene zijde van den oceaan. Wij kwamen daar samen op het etensuur, en gaven er ons middagmaal aan, tevreden met een stuk droog brood, waardoor wij vier stuivers uitspaarden: welke stuivers dan werden gebruikt voor het aankoopen van reisverhalen.

Iederen morgen en iederen avond gingen wij te voet van Colmar naar Turckheim, met onzen tasch op den rug, onverschillig voor koude of warmte, regen of zonneschijn. Waar zijn die vroolijke gelukkige dagen, zoo vol zoete illusiën, gebleven!

Aan het Marsfeld grenzen de met linden en kastanjes beplante wallen, die de stad omringen en door den muur worden omzoomd. Feitelijk vindt men die boomen nog slechts tusschen de Rufacher- en de Baselerpoort, of, om juister te spreken, tusschen de plaatsen waar die poorten hebben gestaan. Want alle oude poorten zijn verdwenen. Vroeger waren die poorten groote, zware, vierkante torens, gelijk aan die, welke nog te Turckheim in stand zijn gebleven. Bij de uitlegging van den muur werden die oude poorten afgebroken; in het begin van deze eeuw werden zij vervangen door ijzeren hekken, waarvan het laatste thans terecht is gekomen voor den ingang van het ziekenhuis. Aan alle kanten breidt de stad zich tegenwoordig buiten de oude wallen uit; het nieuwe aristokratische kwartier, met zijn door tuinen omgeven villa’s, ligt achter, het Gouvernementsgebouw, langs den weg naar Rufach. De oude muur, die in 1682 werd gebouwd, ter vervanging van de in 1673 gesloopte vestingwerken, is nog hier en daar staande gebleven, met name langs de Lauch; en die oude vervallen brokken maken een zeer schilderachtig effekt. Aardig en karakteristiek bij uitnemendheid is het gezicht, waar de Lauch—eene beek, die in de Ill uitloopt—de stad binnentreedt en bij de Vischmarkt een der takken van het kanaal van Logelbach ontmoet. Gij zoudt u bijna in Venetië verplaatst kunnen wanen: de huizen met hunne hooge spitse daken rijzen rechtstreeks uit het water op, afgewisseld door kleine smalle tuintjes, waar de vruchtboomen buigen onder den overvloedigen oogst en de wingerd zijne ranken uitspreidt langs de grauwe muren. Hoog geladen groenteschuiten glijden langzaam door het water; onder het boomen wisselen de schuitevoerders een groet met de vrouwen en meisjes, die langs den kant haar goed spoelen. Het water ziet er uit als chocolade en schijnt, ondanks den snellen stroom, dik en drabbig.

De voornaamste straten van Colmar, breed genoeg voor de behoeften van het verkeer, volgen evenwel niet de rechte lijn, althans niet voor langen tijd. Een van de aardigste stadgezichten biedt de Lange-Gasse, van de protestantsche kerk tot het Hof van appèl. Een aantal oude huizen prijken hier nog met hunne torentjes en erkers. Na de openbare gebouwen en monumenten, zooals de Sint-Maartenskerk, het voormalige klooster Unterlinden, de Korenhal, het Kaufhaus, het Gouvernementsgebouw, wijden de vreemdelingen, meer dan de inwoners zelven, hunne aandacht aan deze oude huizen. Daaronder verdient in de eerste plaats vermelding het zoogenoemde Kopfhaus (Huis met de hoofden), met zijn puntgevel en zijn hoektorentje van gehouwen steen, met grijnzende koppen versierd; voorts het huis Pfister, dat met zijn uitstekenden traptoren, zijn erker, zijn houten balkon, zijn onlangs gerestaureerde freskoos, met recht de parel der burgerhuizen van het oude Colmar mag worden genoemd. De Schädelgasse, waarin dit huis uitkomt, smal, ter wederzijde omzoomd door huizen, waarvan de bovenverdiepingen uitspringen, was, naar men zegt, in de middeleeuwen de hoofdstraat der stad. Aan het einde der straat, naar den kant van de Lange-Gasse, ziet men nog een ander oud huis met een zwaren hoektoren, en in het voorportaal een opschrift in oud-duitsch, vermeldende dat dit huis, tot straf voor een oproer, moest worden gesloopt.

“In het jaar toen men schreef na Gods geboorte dertienhonderd-acht-en-vijftig, des maandags na Sinte-Agnietedag, was de doorluchtige vorst, hertog Rudolf van Oostenrijk, stadhouder des rijks in den geheelen Elzas, en sprak vonnis ter zake van het oproer tegen den landvoogd, den burgemeester en den raad van Colmar, en beval deswege dat dit huis zou worden gebroken en nimmermeer opgebouwd worden, tot eene eeuwige gedachtenis.”

In spijt van ’s hertogs vonnis, werd het toch weder opgebouwd; en als ten spot van zulke beslissingen voor de eeuwigheid, heeft men de vorstelijke uitspraak in steen gebeiteld en in den muur geplaatst van het huis zelf, waarvan hij de oprichting verboden had! Een aantal andere huizen prijken, behalve met beeldwerken en versieringen boven de deur, met vrome spreuken en opschriften, getuigen van den degelijken, godsdienstigen zin der voorgeslachten. Meestal beveelt de eigenaar zijne woning aan de hoede van God: Deus dedit incrementum, zegt een dezer opschriften; Deus quoque custodiet. Elders geldt het zoowel het huis als het gezin: Accrescat domui res simul et decus! “Moge dit huis groeien in kracht en in eere!” Juist, zoo behoort het. Eer zonder kracht of welvaart is eene halve zegen; welvaart zonder eer is, en was toen eene schande. Daarom res et decus: voorspoed en eere. Een ander huis richt zich tot de voorbijgangers: “Gij bewondert, zoo luidt het opschrift, mij en degenen, die mij gemaakt hebben: doe meer voor mij dan zij hebben kunnen doen: bid God dat hij mij beware.”—De bede is tot hiertoe verhoord. Hoe vele huizen, niet minder rijk aan beeld- en schilderwerken en opschriften, zijn sedert gevallen onder den hamer der sloopers! Het tegenwoordige geslacht, naar eigen smaak en op eigene wijze willende wonen, haalt de woningen van het voorgeslacht omver, om ze te vervangen door anderen, die gemakkelijker en doelmatiger zijn ingericht, die warmer en beter verlicht zijn. Die meerdere gemakken zijn niet te versmaden; maar in vele gevallen zouden zij ook in de bestaande oude huizen zijn aan te brengen, die althans dit ééne hebben wat de nieuwerwetsche woningen ten eenemale missen, namelijk karakter en stijl.

Wie zich op een mooien avond, als de maan haar fantastisch schijnsel over de stad werpt en licht en schaduw zoo tooverachtig verdeelt, op den hoek plaatst van de oude Schädelgasse, tegenover de Groenmarkt, tusschen het Kaufhaus en het gebouw van het Hof van appèl, die kan zich gemakkelijk verbeelden eenige eeuwen terug te zijn gegaan. Voor zich ziet hij een huis met een puntgevel in renaissancestijl, versierd met gegroefde pilasters; en links daarnaast verrijst, met hare zware steenen leuning en haar koepelvormig dak, de buitentrap van het Kaufhaus, waarvan de smaakvolle balustrade zich tegen den hemel afteekent. Op de Groenmarkt zelve, ter rechterhand, beurt het Edelhof zijn hoogen trapgevel ten hemel, waarvan elke trede met een pinnakel is versierd. Links stuit de blik tegen den gelijksoortigen gevel van het huis met den zuilengang, waarvan de slanke achtkantige torentjes, met hun arabesken en spitse daken, door hun bevalligen vorm en schoone evenredigheden zoo te recht de bewondering opwekken.—Het Kaufhaus, dat vier eeuwen oud is, is meermalen in den loop der tijden van bestemming veranderd. In 1480 gebouwd, diende het aanvankelijk als entrepôt voor de wijnen, het graan en de verschillende koopwaren, waarvan de stad Colmar, krachtens octrooi van de Keizers Lodewijk van Beieren en Karel IV, belasting mocht heffen. Later vestigde de magistraat er zijn zetel; de tegenwoordige gymnastiekzaal in de benedenverdieping werd toen als folterkamer gebruikt; de bovenverdieping dient thans voor de vergaderingen van de Kamer van koophandel.

De voormalige groentenmarkt, die weleer op het plein voor het Kaufhaus gehouden werd, is thans overgebracht naar eene overdekte markt, waar wij de fontein van den Wijnboer gaan bewonderen, die wel de aandacht verdient. Het voornaamste sieraad van die fontein is het beeld van een jongen wijnboer of arbeider, uitrustende van zijn werk. De warmte heeft hem zijne kleederen voor het grootste deel doen afwerpen; met zijne krachtige armen tilt hij een kleinen emmer omhoog, die bij de wijnboeren in den Elzas in gebruik is. Naast hem zit zijn trouwe metgezel, zijn hond. Dit fraai bewerkte bronzen beeld, een geschenk van de fransche regeering, is het werk van den heer Auguste Bartholdi, van Colmar geboortig, die ook de monumenten voor generaal Rapp en admiraal Bruat vervaardigd heeft. Dit laatste standbeeld, insgelijks van brons, versiert mede eene fontein; toen het in 1863 te Parijs werd tentoongesteld, droeg het de algemeene goedkeuring weg. In de lommerrijke lindenlaan, waarin het nu is geplaatst,—die laan waar ik mijne eerste lessen in de aardrijkskunde leerde;—staat het beeld van den admiraal in fiere rustige houding op een prachtig zandsteenen voetstuk, uitmuntende door zijne smaakvolle proportiën en door de vier groote allegorische figuren, vier werelddeelen voorstellende.

Rapp en Bruat zijn beiden van Colmar geboortig, even als Pfeffel en Schöngauer, wier gedenkteekenen wij in het museum Unterlinden zullen zien. Rapp, tijdens het eerste keizerrijk opperbevelhebber van het Rijnleger, sedert pair van Frankrijk, bekend door zijne heldhaftige verdediging van Dantzig, aanschouwde op den 21sten April 1771 het levenslicht in het Kaufhaus, waarvan zijn vader portier was. Op zestienjarigen leeftijd als vrijwilliger bij een regiment kavalerie in dienst getreden, nam hij een werkzaam aandeel aan de eerste veldtochten van Napoleon, die hem na den slag bij Marengo tot zijn adjudant benoemde. Geen andere generaal van het keizerrijk kan in persoonlijken moed en vooral in onafhankelijkheid van karakter met hem op eene lijn worden gesteld. Hij vervulde verschillende belangrijke zendingen en ontving op het slagveld twee-en-twintig wonden.—De admiraal Bruat, die jonger was dan generaal Kapp, trad in 1811 in dienst; hij stierf als opperbevelhebber van de fransche vloot in het Oosten, na de inneming van Sebastopol. Zijne onverschrokkenheid en vermetele moed verzekeren hem voor immer eene schitterende plaats in de geschiedboeken der fransche marine. Hij nam deel aan den slag van Navarino en vertoonde de fransche vlag zoowel in de Levant als in de Antilles en in de Stille-zee; aan hem dankt Frankrijk het protektoraat over, dat wil zeggen het bezit van de Taïti- of Sandwich eilanden; hij bestuurde de met zoo schitterenden uitslag bekroonde expedities in de zee van Azof, gedurende den Krim-oorlog. Even als Rapp onderscheidde ook admiraal Bruat zich als diplomaat en bekwaam administrateur.

De Wijngaardenier (Blz. 195.)
De Wijngaardenier (Blz. 195.)

De Wijngaardenier (Blz. 195.)

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings