← Table of contents
Wandelingen door Elzas-Lotharingen

XVI

Reading edition

Wij hebben lang in het museum van Colmar getoefd, misschien wel te lang naar de meening van sommigen onder onze lezers, die van niets zoozeer overtuigd zijn als van de waarheid, dat de mensch van kunstgenot alleen niet leven kan. Daarom, hoe gaarne wij ook verder de zeer ingewikkelde vraag zouden wenschen te bespreken, van welken meester de voornaamste schilderijen in de galerij van Unterlinden zijn, wij mogen hier niet langer toeven. Maar toch zou ik achten, aan mijn plicht te kort te hebben gedaan, indien ik mijn lezers niet op de hoogte bracht van het weinige, dat ons omtrent het leven van den beroemden schilder-graveur Martin Schöngauer, het hoofd der school van Colmar, bekend is. Tot dusver zijn de geleerden het ten eenemale oneens, zoowel omtrent den tijd waarin hij geleefd heeft, als omtrent den juisten vorm van zijn naam en omtrent de waarde van zijne kunstwerken.—Over zijne werken hebben wij reeds in alle bescheidenheid onze meening gezegd. Ten aanzien van zijn sterfdag houden wij ons aan eene geschreven aanteekening in het register der jaargetijden, die in de parochiale kerk van Sint-Maarten waren gesticht. Dit register, door den heer Hugot ontdekt, wordt in het stedelijk archief bewaard. Op bladz. 29 van dit register leest men de volgende aanteekening in het latijn: “Martin Schöngauer, de roem der schilders, vermaakte vijf stuivers voor zijn jaargetijde en voegde er negentien stuivers en zeven penningen bij voor het jaargetijde van zijn vader, waarvoor hij verkreeg een jaargetijde zonder vigiliën. Hij stierf op Maria-Zuivering, in het jaar 1488.”—Een opschrift op het portret van Schöngauer in de Pinakotheek van Munchen, afkomstig van de hand van Hans Burgkmaier, noemt den tweeden Februari 1499 als den sterfdag van den ouden meester. “Mayster Martin Schongawer, Maler, genent Hipsch Martin von wegen seiner Kunst, geboren zu Kolmar, aber von seinen Aeltern ein Augsburger Bu(rger) des Geschlechts vo Her Casparn, und is (gest)orben zu Kolmar anno 1499 auf den 2t(en tag) Hornings, dem Got Genad.—Ich sein Junger Hans Burgkmair im Jar 1488”.—Deze twee aanteekeningen, waaruit in ieder geval blijkt dat Martin Schöngauer of Schöngouwer te Colmar werd geboren en in de laatste jaren der vijftiende eeuw aldaar is gestorven, zijn eigenlijk alles wat wij omtrent den kunstenaar weten: de bijzonderheden van zijn leven zijn ons onbekend.

De plaatselijke overleveringen maken melding van het huis Zum Schwanen, in de kleine Augustijnerstraat, achter de Sint-Maartenskerk, als zijnde het eigendom van Schöngauer. Door hetgeen nog van de voormalige versiering van deuren en vensters over is, geeft dit huis ons nog een staaltje van de burgerlijke bouwkunst der vijftiende eeuw te Colmar; ongelukkig is ook dit huis misvormd en geschonden, om aan de eischen van den modernen smaak te voldoen. Te oordeelen naar zijn portret in de Pinakotheek van Munchen, dat het jaartal 1453 draagt, was Schöngauer toen een man van ongeveer dertig jaar; hij zou dus omstreeks het jaar 1420 geboren zijn. Albrecht Dürer, die in 1492 te Colmar kwam om in het atelier van Schöngauer te studeeren, vond hem, volgens de verklaring van Christian Scheurl in zijn Vita Antonie Kressen, in 1515 gedrukt, niet meer in leven. Schöngauer zelf was een leerling van Rogier Van der Weyde. Met Albrecht Dürer een der scheppers van de duitsche kunst, heeft hij door zijne talrijke leerlingen en navolgers de beginselen en de techniek der vlaamsche school in Duitschland ingevoerd en bekend gemaakt. Geen enkel duitsch schilder voor hem heeft in dezelfde mate het talent bezeten om de schoonheid van het menschelijk gelaat weer te geven. Zijne schilderijen, vooral in de steden langs den Boven-Rijn verspreid, vonden grooten aftrek in Italië en Frankrijk, in Engeland en Spanje. Onder de werken, die aan hem worden toegeschreven, zag ik er een in het museum te Madrid: een altaarstuk, door gothische bogen in drie vakken of nissen verdeeld, voorstellende den Zaligmaker, de Madonna en Sint-Jan; in de galerij van het paleis Sciarra Colonna te Rome, de Dood van Onze-Lieve-Vrouwe; in de Pinakotheek te Munchen, de Intocht van David in Jerusalem met het hoofd van Goliath; in de National Gallery te Londen, nogmaals de Dood van Onze-Lieve-Vrouwe, van veel kleiner afmetingen dan onze schilderijen te Colmar, maar met eene fijnheid van uitdrukking, een diepte van gevoel en een meesterschap van bewerking, die Schöngauer anders slechts in zijne gravuren toont te bezitten.

En nu, na dit kunstpraatje, begeven wij ons tot lager sfeer en dalen wij af naar de keuken, van welke het niet valt tegen te spreken, dat zij in ons leven nog meer plaats inneemt dan de schilder- of beeldhouwkunst. En door dit te erkennen, willen wij allerminst geacht worden, de materieele behoeften en begeerten te verheffen boven de geestelijke goederen en den smaak voor het schoone; noch ook op eenige wijze afbreuk te doen aan de rechten der gedachte en van het ideaal op de leiding en het bestuur des levens. Maar, wat ik u bidden mag, deftige heeren, ernstige lieden uit elken stand, gij die hoegenaamd geen prijs stelt op een goed diner, die uitsluitend leeft in hoogere, ideale sfeer en nimmer bezweken zijt voor do verlokkingen van een keurige tafel;—wat ik u bidden mag, weest niet te haastig met uw anathema! Vergunt mij, aan mijne vrienden, die belang stellen in alles wat ons mooi en goed vaderland, onzen Elzas, betreft, ook eens te vertellen, hoe en wat men er alzoo eet. Toen ik mij voorstelde als uw gids, om u al het merkwaardige en belangwekkende, al het schoone en loffelijke van ons land te toonen, heb ik mij zelven de dure verplichting opgelegd om niets dan de waarheid te zeggen. En nu is het eene onbetwistbare waarheid, dat de wijze van voeding altijd eene vrij belangrijke rol heeft gespeeld in de zeden en gewoonten, in de geheele manier van leven ook der Elzassers van vroeger en later tijd. Arbeidzaam, verstandig, moedig als het noodig is, trouw in zijne liefde, gehecht aan zijne voorvaderlijke godsdienst, bereid tot ieder offer ten behoeve van zijn geloof, zijn vaderland en zijne eer, is het goede volk van den Elzas ook gansch niet onverschillig voor de genietingen en voorrechten van hetgeen men een goed leven noemt.

Bij een vrij zacht klimaat laat de grond van den Elzas de kultuur toe van alle planten der gematigde luchtstreek. Zijne rijke golvende korenakkers zijn sinds ouden tijd beroemd; zijn moestuinen en boomgaarden zijn de rijkste en schoonste van geheel Duitschland geweest; zijn bekende wijnbergen hebben het edele druivensap geleverd, dat tot in de best voorziene kelders van Engeland en Zweden wordt bewaard. Reeds de oude schrijvers prijzen om strijd de aangenaamheden en voorrechten van deze gezegende streek, die zij den wijnkelder, de korenschuur, de voorraadkamer der omliggende landen noemen, en waarvan zij de vruchtbaarheid met die van Touraine en Lombardije vergelijken. Weinig landen, zegt de Géographie française van Duval, leveren zoo veel gemakken en aangenaamheden voor het leven op. Wild en visch van allerlei soort dragen rijkelijk bij tot de voeding der menschen.—Het is geen wonder, dat Duitschland nooit heeft opgehouden, naar de herovering van dit door de natuur zoo rijk gezegende land te trachten.

De uitbreiding van den landbouw, de ontwikkeling der industrie, in het algemeen de voortgang der beschaving is van nadeeligen invloed geweest op den wildstand en op de vischrijkheid der wateren. Wij zullen nader gelegenheid hebben om van de uitgestorven soorten te spreken en de nog levende te bestudeeren. Daarentegen was het land nooit zoo rijk als tegenwoordig aan huisdieren, noch bezat het immer daarvan zoo voortreffelijke exemplaren.—De meeste groenten, die wij nog heden, naargelang der verschillende jaargetijden, op de spijskaarten vermeld vinden, worden reeds in de capitulariën van Karel den Groote genoemd. Als nu, bracht toen de lente spinazie, bieten, bernagie, ossetong, boerekool, zuring, chicorei, berenklauw, paardebloemen (molsla), waarvan de bladeren, evenals die van de papaver en de winterbonen, gegeten werden. Een in de middeleeuwen zeer geliefde spijs, die bij ons in onbruik is geraakt, leverden de bladeren van de maartsche viooltjes, vermengd met jonge brandnetels, wilde latuw en de eerste uitspruitsels van wilde hop, die echter minder hoog stonden aangeschreven dan rapousjes en sperges. Met den zomer kwamen pieterselie, worteltjes, suikerwortels, radijs, peulen, doperwten, snijbonen, rogge en spelt, waarvan men de onrijpe korrels als groente at. De herfst bracht op zijn beurt witte kool, bonen, komkommers, pompoenen, waarbij zich sedert het laatst der zeventiende eeuw de aardappel voegde, die het brood der armen geworden is; vervolgens bloemkool, artisjokken, tomaten en meloenen. De winter voorzag nog de tafel van ingemaakte groenten, zoo als erwten, snijbonen, linzen en andere, de onvermijdelijke zuurkool vooral niet te vergeten. Behoudens enkele uitzonderingen, maken al deze groenten ook tegenwoordig nog deel uit van de volksvoeding. Sommige grovere soorten zijn in onbruik geraakt, andere fijnere groenten vallen thans binnen ieders bereik.

Vraag eens het oordeel van onze lekkerbekken in den Elzas en Lotharingen. De fijnste kenners, zij die door het gansche land aan de beste tafels hebben aangezeten, zullen u dan wel, in vertrouwen, enkele bevoorrechte plekjes noemen, beroemd hetzij door de voortreffelijkheid der keuken in het algemeen, hetzij door de ongeëvenaarde wijze, waarop men sommige schotels weet te bereiden. Ondanks het stelsel van verplicht onderwijs, ondanks de algemeene bekendheid der recepten van den Bon Cuisinier français, ondanks de sneltreinen, die ons de weelde vergunnen, gebakken schol uit de Noordzee of ingelegde groenten uit Amerika op onze tafel te zien verschijnen; ondanks dat alles, kennen wij toch, hier en daar verspreid, sommige huizen, waar zekere uitgezochte spijzen beter dan ergens elders worden toebereid en beter smaken ook. Niet zonder innige ontroering gewagen onze gastronomen van de wonderen van Vader Jundt, in zijn restaurant de Poêle-des-Vignerons te Straatsburg, en van de weleer, ten tijde van Rieffenach, zoo beroemde Deux-Clefs te Colmar. In deze beide huizen, waar de moderne weelde geen toegang had en nieuwigheden niet spoedig werden ingevoerd, wijdde de meester in eigen persoon al zijne zorg en aandacht aan de keuken en wist men van de nieuwere ontdekkingen partij te trekken, zonder met de goede oude traditie te breken. Nergens at men zoo goed, nergens vond men eene zoo keurige tafel en zoo voortreffelijken wijn; nergens voelde men zich zoo volkomen op zijn gemak. Tijdens de restauratie, vóór het noodlottige jaar 1830, was het Hotel des Deux-Clefs te Colmar, juist om zijne uitmuntende tafel, een van de vereenigingspunten der elzasser oppositie. De generaal Foy, Benjamin Constant, Marcel Barthe, Voyer d’Argenson, als gasten van den toekomstigen pair van Frankrijk Hartmann, hebben daar mede de vierschaar gespannen van het fransche liberalisme. Ach, waarom hebben zij niet liever al hunne aandacht gewijd aan de pasteitjes van ganzelever en aan de uitgelezen merken der elzasser wijnen, in plaats van Frankrijk te helpen storten in de roekelooze omwenteling van Juli 1830! Hoe geheel anders zou de loop der geschiedenis voor het ongelukkige land zijn geweest, hadde men deze onvergefelijke domheid niet begaan.... Maar wij zouden vergeten, dat wij nog aan tafel zitten.

Wanneer ik u de spijskaart van de table d’hôte in de Deux-Clefs voorlegde, dan zoudt ge moeten toestemmen, dat men daar, voor den in het minst niet buitensporigen prijs van twee marken en tachtig pfenningen, een uitmuntend diner kan krijgen, met inbegrip van een halve flesch wijn. In de herberg van het Stubengeselschaft van Schlettstadt, overeenkomende met den Waagkeller te Colmar, betaalden de klanten, in 1520, zeven of acht penningen voor een goeden maaltijd, met inbegrip van wijn. Dit verhaalt ons de eerzame kroniekschrijver Hieronymus Gebweiler, die er bijvoegt dat de wijn voortreffelijk, en de spijzen overvloedig en heerlijk klaar gemaakt waren; hij deelt ons echter het menu niet mede. Ten gevalle van liefhebbers van oude menus, nemen wij er een over uit de Edelsassische Chronick, in het jaar 1592 door Herzog te Straatsburg gedrukt. Het geldt de beschrijving van een feestmaal, op dinsdag vóór Sint-Valentijn, in 1439 gegeven, ter gelegenheid van de blijde inkomste van den bisschop Robrecht van Beieren. Het feestmaal, waaraan meer dan driehonderd geestelijken deelnamen, bestond uit drie reeksen van gerechten, ieder van vijf schotels. Eerste gerecht: 1º kool; 2º gekookt ossevleesch; 3º ragout van kippen met zoete amandelen; 4º visch in zwarte gelei; 5º vlapastei. Tweede gerecht: 1º ragout van wilde zwijnevleesch; 2º hertepastei; 3º gruttepap met gerstsuiker; 4º gebak; 5º blanc-manger. Derde gerecht: 1º rijst met suiker; 2º kapoenen, kippen en gebraden speenvarkentjes; 3º gelei van gevogelte en kalfsvleesch met saus; 4º gebak in den vorm van peren; 5º compote van pruimen. Onder de versierde schotels, die op de tafel van den bisschop werden geplaatst, wordt een kasteel genoemd van fijn gebak, waaruit een zwerm levende vogeltjes fladderde, met een vijvertje waarin kleine vischjes zwommen. Nog twee andere prachtschotels verdienen vermelding: een gebraden speenvarkentje, aan de eene zijde verguld en aan de andere verzilverd, en een gebraden pauw in zijn vollen vederdos.—Van een diner, den 19 November 1705, op het stadhuis van Mülhausen gegeven door een dertigtal burgers, aan wie pas het stedelijk burgerrecht was toegekend, is ons het volgende menu bewaard gebleven: 1º kippesoep, gekookt rundvleesch, kippenpastei, een kalkoen, niet genoemde groente, bloemkool; 2º gebraden kalfsschijf, gebraden haas, ragout van hertevleesch, kapoen, duiven, snippen, zwaluwen, ganzen, eenden, compote van peren en pruimen; 3º twee schotels met beignets, taarten, gebak, confituren, enz. Aan dezen maaltijd namen vijf-en-zestig gasten deel; de nieuw opgenomen burgers, die de kosten betaalden, hadden met den waard van den Wildeman eene overeenkomst gesloten tegen acht pfundstäbler—zegge, tien pond veertig stuivers—per hoofd, waaronder veertig pfundstäbler voor wijn.

Vertrek naar het jachtveld.
Vertrek naar het jachtveld.

Vertrek naar het jachtveld.

Vreemde gasten en bezoekers zoowel als inheemsche schrijvers en moralisten zijn eenstemmig in hunne getuigenis omtrent den sterk ontwikkelden zin voor gezelligheid en feesten, onder alle klassen der bevolking in den Elzas. In vroeger tijd, meer nog dan tegenwoordig, werd de aangeboren smaak voor tafelgenot voortdurend geprikkeld en onderhouden, vooral ook omdat men ruimschoots over de middelen kon beschikken om aan die begeerte te voldoen. Elke eenigszins merkwaardige omstandigheid in het huiselijk leven, elk feest, hetzij van kerkelijken, burgerlijken of militairen aard, dat de menschen met elkaar in aanraking brengt, werd en wordt nog steeds onveranderlijk gevierd met een overvloedigen maaltijd. Wordt een kind ten doop gedragen, dan mag het vroolijke doopmaal, de welkomstgroete van den jonggeborene in het leven, niet achterblijven. Ter gelegenheid van een huwelijk is een enkel feestmaal natuurlijk niet voldoende: de beide familiën, vrienden en bekenden geven een reeks van feesten ter eere van het jeugdige paar. Maar ook bij het overlijden van een bloedverwant of vriend wordt nog steeds de overoude gewoonte van het begrafenismaal in eere gehouden. Geen congres of vergadering van welken kring ook is denkbaar zonder een banket—dat niet zelden het beste is van al wat er gedaan wordt. Wanneer een hooggeplaatst persoon, een bisschop of een prefect, eene stad bezoekt, wordt hem een maaltijd aangeboden. Doet een nieuwe pastoor of een nieuwe dominé zijn intrede, dan moet de gemeente hem toch behoorlijk ontvangen; aanvaardt een nieuwe burgemeester het bestuur, dan vraagt hij de leden van den raad en andere notabelen ten eten, om op de aangenaamste wijze kennis met hen te maken. Vandaag is het de dag van den patroon der plaats, morgen is het schuttersfeest; nu moet er een nieuwe klok worden gedoopt of een nieuw orgel ingewijd; dan weer moet de gemeentelijke rekening worden opgenomen, of wordt eene publieke verkooping gehouden, of is er een gouden of een zilveren bruiloft, of wel worden de maaiers onthaald, of het einde van den wijnoogst gevierd. Dat alles kan niet naar eisch geschieden, zonder dat er bij gegeten en gedronken wordt. Maar wij zijn nog niet aan het einde: vergeet Sint-Maarten niet met zijn gans, en den heerlijken Kerstboom, en Sint-Sylvester, en Drie-Koningen met zijn taart, en Vastenavond, en den Meidag, en Sint-Jan met zijn vuur, en de maaltijden bij vischpartijtjes, en de drukke slacht in de sombere Novemberdagen: al die gelegenheden geven van zelf aanleiding tot partijtjes en maaltijden, waarvan boeren en burgers evenzeer houden, waarbij kapitaal gegeten en flink gedronken, luid gelachen en met volle borst gezongen wordt, en waarbij het ook aan vroolijke, hartige, soms wel wat gepeperde scherts niet ontbreekt.

Op eilanden in den Rijn.
Op eilanden in den Rijn.

Op eilanden in den Rijn.

Een satiricus van de zestiende eeuw, Johann Fischart, de straatsburgsche Rabelais, die eene soort van duitschen of elzasser Gargantua geteekend heeft, geeft ons eene opsomming van de huiselijke en openbare feesten, die met maaltijden werden gevierd. Het in zijn boek geschetste tafereel vertoont ons een zeer sprekend beeld van de zeden en gebruiken des lands in zijn tijd. Hij telt niet minder dan drie-en-vijftig verschillende gelegenheden op, die voor onze feestlievende vaderen aanleiding gaven tot pret maken. Gérard neemt de lange lijst van Fischart over en voegt er zijne scherpe, bijtende aanmerkingen bij.—Was het om aan wezenlijke of voorgewende misbruiken een einde te maken, dan wel om het heilzaam onderscheid tusschen de standen te bewaren, gedachtig aan de wijze spreuk der oudheid: Quod licet Jovi, non licet bovi;—was het daarom dat wettelijke bepalingen tegen weelde en overdaad in het leven werden geroepen? De verzameling der politieverordeningen of keuren van de oude vrije rijkssteden in den Elzas geeft ons in ieder geval een aardig kijkje op de buitensporigheden van den vroegeren tijd en getuigt ook van den oprechten ijver om die misbruiken tegen te gaan. Te Straatsburg werd in 1628, onder de regeering van den stadtmeister Böckling von Böcklingshausen, bij keur verboden om ter gelegenheid van een bruiloft meer dan twintig personen, behalve de familieleden, uit te noodigen. “Om de misbruiken te weren van de verderfelijke weelde en overdaad, die overal is doorgedrongen en zelfs bij lieden van lagen stand,” was het aan personen uit de burgerklasse verboden om meer dan acht schotels op tafel te doen brengen; ook mochten de feesten niet langer dan twee dagen duren.

Het uitvaardigen van verbodsbepalingen tegen overmatige tafelweelde is op zichzelve nog geen bewijs, dat de geheele bevolking des lands in overvloed leeft of van alle goederen der aarde genieten kan. Tijdens den bouw der kerk van Sint-Legerius te Gebweiler, ontvingen de werklieden als voedsel gedurende de geheele week “knoflook en brood zoo veel zij verlangden; maar des zondags hadden zij vleesch en alle andere zaken in overvloed.” Knoflook met roggebrood, gedurende de geheele week—dat mocht in waarheid geen overvloed heeten, vooral niet in een tijd, dien de kroniekschrijver van het jaar 1182, bij uitnemendheid een goeden tijd noemt. Nog in de achttiende eeuw aten de bergbewoners van Ban-de-la-Roche brood van boekweit, en was roggebrood voor hen eene lekkernij, waarvan de arbeiders slechts nu en dan konden genieten. Op het platteland eten de arbeiders thans voor het minst masteluinbrood, de werklieden in de stad, wit tarwebrood. Bij beider middagmaal ontbreekt maar zelden rund- of varkensvleesch. Een elzasser boer gebruikt geregeld per dag zijn vier maaltijden in den zomer en drie in den winter: ontbijt ten zeven uren ’s morgens, middagmaal tusschen elf en twaalf uur, vesperbrood ten vier uren, en avondmaal na zeven uren. Het middagmaal ten elf of twaalf uur is meestal de voornaamste maaltijd van den dag. Op de tafel der burgers verschijnen elke week, in regelmatige volgorde, ongeveer dezelfde spijzen, verschillend naar gelang van de saizoenen, en natuurlijk behoudens afwijkingen naar smaak of goedvinden. Voor de invoering van de aardappelen, at men te Straatsburg, ’s maandags, schnitze; dinsdags, koolrapen; woensdags, erwten of bonen; donderdags, rijst of gerst; vrijdags, spinazie of snijboonen; zaterdags, linzen; zondags zuurkool. Nog voor korten tijd was het te Colmar algemeen gebruik, ’s maandags aardappelen te eten; dinsdags zuurkool; woendags, peen, rapen of kool; donderdags, ingemaakte groente, rijst of gerst; vrijdags, meelspijs; zaterdags koolrapen; zondags zuurkool, waarvan het overschot dinsdags weer op tafel verscheen.

Nu zijt ge vrij wel op de hoogte, hoe men in den Elzas eet. Ter wille der volledigheid zou ik nu nog het een en ander moeten zeggen over sommige spijzen, die meer bepaald aan het land eigen zijn. Maar wie kent niet, bij ervaring of bij gerucht, de zuurkool, de noedels en meelspijzen, de schnitze van gedroogde appelen of peren, de verschillende soorten van pannekoeken, de rijstenbrij en gortepap, de brij van ingemaakte groenten, de ganzeleverpasteitjes, de leberknöpfle of balletjes van kalfslever, de karpfenkröplin of balletjes van karpers, de velerhande gebakjes, taarten en koeken? Reeds in de vijftiende eeuw heeft Anna Keller, huisvrouw van Wecker, geneesheer te Colmar, een boek over de kookkunst uitgegeven, dat aan de prinses van Oranje was opgedragen en waarin de beste wijze werd omschreven voor het toebereiden der meest gebruikelijke spijzen. Een ander gastronomisch handboek, in 1671 te Molsheim verschenen onder den titel van Kochbuch so für geistliche als auch weltliche Haushaltungen, heeft niemand minder tot schrijver dan Bernardijn Buchinger, bij zijn leven abt van Lützel, kerkelijk ridder in den souvereinen raad van den Elzas, een geleerd en ernstig man, die het toch niet beneden zich achtte, een kookboek te schrijven voor geestelijke en wereldlijke keukens.

En nu genoeg van de keuken en hetgeen daarmede in verband staat. Wij eindigen met den hartelijken wensch, dat de aloude zin voor gezelligheid in deze verre van opwekkende, aangename tijden niet moge verkoelen; dat de lange reeks der voorvaderlijke feestdagen, dagen van maaltijden en van hartelijke verkwikkende vroolijkheid, niet worde ingekrompen, hetzij dan omdat de middelen het volgen der overgeleverde gewoonte niet meer toelaten, wat treurig is; hetzij, wat nog veel treuriger en bedenkelijker is, omdat de rechte stemming tot feestvieren meer en meer gaat ontbreken, omdat de naïeve gulle, kinderlijke vroolijkheid, desnoods overslaande tot uitgelatenheid, meer en meer eene vreemdelinge dreigt te worden in onze eeuw, waarin het leven, ook nog in anderen dan bloot materieelen zin, voor duizenden bij duizenden in toenemende mate zoo zwaar en moeilijk wordt, en de koortsige opwinding van alle krachten en vermogens den glimlach wegvaagt van de lippen en het harte doet verdorren reeds in den opgang der jeugd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings