XVII
Reading edition
Als wij Colmar verlaten, strekt zich de vlakte voor ons uit, de vlakte van de Ill, effen en vlak en bij uitnemendheid vruchtbaar; de groote vlakte van den Elzas, die ten westen door de fraaie bergketen der Vogesen, ten oosten door de snelvlietende wateren van den Rijn wordt begrensd. Elzas beteekent eigenlijk het land van de Ill: door de aanspoelingen van de Ill en den Rijn werd het land zelf gevormd. De alluviaalgronden van den Rijn zijn echter veel minder vruchtbaar dan die van de Ill, langs wier boorden zich een vette kleigrond uitstrekt, waarop alle granen en andere produkten uitmuntend gedijen. Op de meer steenachtige gronden, door de aanspoelingen van den Rijn gevormd, ziet men bosschen en boomgroepen overal waar de noodige vochtigheid voor weilanden of korenakkers ontbreekt. De streken langs de Ill zijn dan ook tweemaal zoo sterk bevolkt als die langs den Rijn, hoewel in beiden de landbouw de hoofdbron van het bestaan is. Noch hier, noch daar heeft de industrie bijzonder veel te beteekenen. Mülhausen reikt met haar fabrieken niet verder dan de grenzen der vlakte en der heuvels van de Sundgau. Buiten de industriëele middelpunten, in en aan den uitgang van de valleien, neemt het aantal inwoners af naarmate de grond armer wordt. Toch biedt deze vlakte geen wijduitgestrekte vergezichten: overal, tusschen de dorpen en langs de beken en wateringen, verheffen zich boschjes en boomgroepen, die de eentonigheid van het landschap breken.
Maar eer wij langs de stoffige wegen onzen wandeltocht voortzetten, willen wij een overzicht nemen van het land, dat zich voor ons uitbreidt. Wij zeiden reeds dat de vlakte vden Elzas begrensd wordt door de keten der Vogesen en door den Rijn, die beiden van het zuidwesten naar het noordoosten loopen. De vlakte zet zich voort aan de overzijde der rivier, waar zij door de bergen van het Schwarzwald wordt begrensd. De Ill, op de grenzen van Zwitserland, in de Jura ontsproten, vervolgt haar kronkelenden loop tusschen de heuvelen en de golvende vlakte der Sundgau, om van Mülhausen tot Straatsburg evenwijdig met den Rijn te vloeien. De geheele lengte der rivier bedraagt honderd-tachtig kilometer, waarvan honderd-twintig voor het gedeelte van Mülhausen tot de samenvloeiing met den Rijn. Haar verval, van haar oorsprong tot haar uitmonding, bedraagt omstreeks vierhonderd el. Mülhausen ligt tweehonderd-veertig el boven de zee, Straatsburg honderd-veertig, Colmar honderd-negentig, Altkirch driehonderd-drie-en-twintig. Te Altkirch neemt de Ill de Largue op, even als zij uit de Jura afkomstig; vervolgens ontvangt zij achtereenvolgens de Doller, de Thur, de Lauch, de Fecht, de Liepvrette, de Giesen, de Bruch en nog andere rivierkens, die allen uit de valleien van de Vogesen afstroomen. Terwijl de Vogesen hun hoogste punt bereiken in den Gebweiler Belchen (1426 el), ligt de bedding van den Rijn, die langs den geheelen Elzas eene totale lengte heeft van tweehonderd kilometers, nabij Basel op tweehonderd-veertig meters boven de zee en te Lauterburg op honderd-vier. De totale oppervlakte van den Elzas bedraagt achtduizend-tweehonderd-zes-en-tachtig vierkante mijlen of acht-en-twintig-duizend-zeshonderd-zeven-en-zestig hektaren. Tusschen Sennheim en Ottmarheim, waar zij het breedst is, beslaat de vlakte van den Elzas acht-en-twintig kilometers, tegen twintig op de hoogte van Colmar of Straatsburg.
Hetzij men van Colmar over Ensisheim naar het Hartwald gaat, hetzij men over Horburg en Breisach den weg naar den Rijn volgt, steeds vertoont de vlakte hetzelfde eigenaardige karakter. Ons oog ontmoet geen grootsche, majestueuse landschappen, zoo als de bergen en valleien der Vogesen ze in zoo ruimen overvloed aanbieden, en evenmin belangrijke monumenten; maar ter rechter- en ter linkerhand breidt zich het vruchtbare land uit, waarop altijd menschen aan den arbeid zijn en dat ons verheugt door het beeld van den gezegenden overvloed. Het eerste dorp, dat wij op den weg naar het Hartwald ontmoeten, is Heiligkreuz, dat achthonderd inwoners telt en zich in de veilige en weldadige schaduw van een voormalig nonnenklooster heeft gevormd. Dan volgt, tien mijlen verder, Meienheim, waar de weg over eene fraaie steenen brug naar den anderen oever van de Ill overgaat. Niederhergheim, Oberhergheim, Biltzheim, Niederentzen en Oberentzen beuren ter linkerhand langs de murmelende rivier hun fijne kerkspitsen ten hoogen. Dan ziet men, aan den anderen oever van de Ill, Regisheim en Ensisheim. Voor den tijd der spoorwegen werden deze dorpen, waar de paarden moesten drinken of verwisselen, dagelijks bezocht door twaalf of vijftien diligences, ongerekend de talrijke voertuigen en wagens. Tegenwoordig is de vroeger zoo drukke en levendige weg eenzaam en verlaten en wordt alleen nog maar gebruikt door boerekarren. Gelukkig heeft de vermindering van het verkeer geen afbreuk gedaan aan de welvaart der bevolking, dank zij de buitengewone vruchtbaarheid van den vetten kleigrond. Men ziet weinig boomen, hetgeen aan het landschap iets eentonigs en plats geeft. Bij de jongste normalisering van den loop der Ill heeft men hier en daar jonge wilgen en acacia’s geplant. Voor deze normalisering, waarmede nu omstreeks tien jaren geleden begonnen werd, veranderde de rivier dikwijls van bedding en wijzigde haar onregelmatigen loop na iederen was, tot groote schade van het bebouwde land.
Horburg mag welhaast eene voorstad van Colmar worden genoemd, even als Logelbach. Even boven de prachtige steenen brug van Horburg neemt de Ill de Thur op, en even benedenwaarts de Lauch: twee rivierkens, uit de valleien van Thann en Gebweiler afkomstig, en wier vereeniging met de Ill deze laatste, beneden den Ladhof bevaarbaar maakt. Deze Ladhof diende gedurende de middeleeuwen der stad tot haven: de scheepvaart op de Ill was toen, bij gemis van andere gemeenschapswegen, veel drukker dan tegenwoordig. Het dorp Horburg met eene bevolking van achttienhonderd-vijf-en-tachtig inwoners, behoort tot het kanton Andelsheim, met achttien andere gemeenten, die uitsluitend van landbouw leven, en die tusschen den weg langs den Rijn en de Ill verspreid liggen. De bevolking van het geheele kanton bedroeg in 1880 twaalfduizend-zes-honderd-twee-en-veertig zielen, omstreeks duizend minder dan twintig jaar vroeger. Die vermindering der bevolking van het platte land is een zeer ongunstig verschijnsel, maar dat zich overal voordoet waar geen industrie of fabrieken zijn. Toch bezitten alle gemeenten langs de Ill uitmuntende bouwgronden, waarvan de vruchtbaarheid door geen andere overtroffen wordt. Hoewel de opbrengst van den grond in kwantiteit toeneemt, vermindert het aantal personen, die van den landbouw leven: de reden hiervan ligt zoowel in de steeds klimmende eischen der arbeiders, als in het toenemend gebruik van werktuigen.

Drijfjacht op hazen.
Horburg, dat met zijn prachtige linden en zijne brug over de Ill geene onaardige vertooning maakt, is beroemd om zijn sperges, waarin hier een belangrijke handel gedreven wordt, en die onze boeren uit de vlakte van de Ill, naar het zeggen der kenners, uitnemend weten klaar te maken. Gedurende zeven of acht eeuwen was Horburg een graafschap, dat onder de vorsten van Wurtemberg stond. Zijn sterke burcht werd herhaalde malen verwoest en weder opgebouwd. Opgravingen hier ter plaatse hebben de overblijfselen aan het licht gebracht van een romeinsch castrum, benevens verschillende andere voorwerpen uit dien tijd. Beatus Rhenanus en andere geschiedschrijvers van den Elzas zoeken hier de plaats van het oude Argentovaria, waar de legioenen van keizer Gratianus de Allemannen versloegen, na de schitterende overwinning, waarvan Ammianus Marcellinus ons een zoo treffend verhaal heeft gegeven. De commissie van de op last van keizer Napoleon III vervaardigde historische kaart van Gallië plaatst daarentegen Argentovaria bij het tegenwoordige Grusenheim, terwijl d’Anville en Walckenaar het te Atzenheim zoeken. Er is een geruime tijd verloopen sedert het jaar 377 of 384, waarin de groote slachting plaats had, aan welke nauwelijks een tiende gedeelte van het leger der Allemannen ontkwam. Bij gebreke van afdoende bewijzen en bij mijne volkomen onbekwaamheid in het oplossen van etymologische raadseltjes, moet ik mij van een oordeel omtrent de verschillende aanwijzingen der archeologen onthouden. Trouwens, Artzenheim, Grusenheim en Horburg kunnen als de punten van een driehoek beschouwd worden, waarvan de oppervlakte niet grooter is dan die van het slagveld van Froschweiler-Wörth-Reichshofen, op 6 Augustus 1870. De afstand tusschen Horburg en Artzenheim, zoowel als tusschen Horburg en Grusenheim bedraagt in rechte lijn niet meer dan tien kilometers. Daar het germaansche leger, dat door Gratianus verslagen werd, op zestigduizend man wordt begroot, en dat der Romeinen op een derde of de helft, kunnen de beide legers zeer wel een terrein hebben ingenomen van zoodanige uitgestrektheid, dat de naam van Argentovaria op elk der drie genoemde dorpen kan worden toegepast. De verschillende meeningen omtrent de juiste ligging der plaats kunnen inderdaad vrij wat gemakkelijker met elkander in overeenstemming worden gebracht, dan die omtrent de etymologie van den naam Argentovaria en omtrent de wijze waarop daaruit de duitsche naam Horburg zou zijn gevormd of afgeleid. Beatus Rhenanus schreef in de zestiende eeuw, dat de Duitschers de laatste lettergrepen van Argentovaria hadden geschrapt, en aan de overblijvende syllabe ar hun burg hadden toegevoegd; even als zij, op omgekeerde manier, van Argentoractem eerst Storatiburgum hadden gemaakt, en wel door weglating van de eerste lettergrepen; vervolgens hadden zij door het schrappen der klinkers o en i, Stratburgum verkregen, waaruit dan ten slotte Straatsburg was gegroeid! Volgens Schöpflin is Argentovaria aan het keltisch ontleend en beteekent zooveel als gesloten plaats des lands; hij geeft echter dadelijk toe, dat het ook kan beteekenen, stad op den doortocht door het land. Pater Bach, een geleerde Jezuïet, vertaalt Argentovaria, Argontarat, als doortocht of verblijf der ganzen; want in het keltisch wil rat zeggen doortocht, ari verblijf, en de Galliërs noemden de wilde ganzen gantae, gantes. Willen wij het bij deze aardigheden maar laten?

Zalmvisscherij in den Rijn.
Wat er ook zij van deze etymologische raadseltjes, zooveel is zeker dat nog heden ten dage, in iederen herfst de wilde ganzen in den Elzas verschijnen, vermoedelijk zonder zich het hoofd er mede te breken, of zij haar naam hebben gegeven aan eene keltisch-romeinsche nederzetting. In al de dorpen der vlakte van de Ill houden de bewoners ook tamme ganzen in groote menigte. De laatsten moeten haar lever offeren voor de beroemde pasteitjes; op de eersten wordt jacht gemaakt. Zij die de plaats bezoeken, waar de slag van Argentovaria geleverd werd, doen dit voor verreweg het meerendeel meer ter wille van de jacht, dan om archeologische studiën te maken.
Het verdient wel opmerking, dat de Landesausschuss, die te Straatsburg zitting houdt, onlangs eene wet heeft uitgevaardigd, die den wildstand zeer ten goede komt en ten gevolge zal hebben dat het getal der hazen toeneemt, terwijl dat der plattelandsbewoners vermindert. De jagers en jachtliefhebbers zijn met deze wet zeer ingenomen; de boeren echter, meestal kleine grondbezitters, dwepen er minder mede. En niet geheel zonder reden. Veronderstel, gij bezit een kleinen tuin of akker, dien gij met kool hebt beplant, en nu komen de hazen de jonge groenten opeten. Staat u dit niet aan en slaat gij een dezer ongenoode gasten dood, dan maakt de jachtopziener proces-verbaal tegen u op en ge betaalt eene boete, behalve de beschadiging van uw eigendom. Slechts wanneer uw grond behoorlijk afgesloten is, of wel indien ge eigenaar zijt van een stuk land van minstens vijf-en-twintig hektaren, valt ge buiten de termen der wet. Het is den boeren niet gemakkelijk aan het verstand te brengen, dat zij eene onrechtmatige daad plegen, wanneer zij op hun eigen grond een stuk wild, dat aan niemand behoort en hun groenten vernielt, vangen of doodslaan.
Inmiddels vermenigvuldigen zich, in de vlakte van de Ill tot den Rijn, hazen en fazanten, reeën en patrijzen en kwartels naar hartelust, zoo zelfs dat periodieke drijfjachten moeten gehouden worden om, in het belang van den landbouw, eene al te sterke vermenigvuldiging tegen te gaan. Na zulk een drijfjacht keeren de jagers soms met drie of vier vol geladen wagens terug, met een buit van vierhonderd hazen, dertig reeën en tachtig fazanten, naar de heer Engelhard in zijn Souvenirs d’Alsace verhaalt.
In onzen tijd van sentimenteele dierenbescherming ontbreekt het natuurlijk ook niet aan strafpredikatiën tegen het jachtvermaak. En toch, hoe heerlijk is zulk eene jachtpartij, hoe rijk aan afwisseling en genot! Met het krieken van den dag verlaat ge uwe dompige woning, en wandelt in de frissche, heerlijke morgenlucht, met drie of vier vrienden, naar de aangewezen loopplaats. Allengs komen daar, van verschillende zijden, kleine groepen opdagen; het getal liefhebbers groeit; weldra is het gezelschap kompleet. Nu schaart ge u, met twintig of dertig andere jagers, langs een sloot of een hollen weg; wegschuilende achter boomen of golvingen van den grond. Tegenover u, op betamelijken afstand, heeft zich eene andere lijn gevormd van mannen en jongens, die nu met luid geroep en geschreeuw, en het slaan met stokken tegen steenen en boomen, het verschrikte wild opjagen en heendrijven in de richting waar gij u bevindt. Daar komen ze aansnellen, in ijlende vlucht, de hazen en reeën, onwetend den dood te gemoet. Daar knallen de schoten; daar buitelen de hazen en springen de reeën omhoog, om dan neer te vallen onder het knetteren der geweren, onder de luide bravo’s bij welgelukte schoten, onder het tergend gefluit bij mislukte. Voorzeker, ik kan het niet tegenspreken, daar is iets.... nu ja, iets onridderlijks in dat neerschieten van weerlooze dieren, waartoe niet de minste moed wordt vereischt, niets dan zekere bekwaamheid in het schieten. Maar toch, de rook, het schieten, de reuk van het kruit, het gezicht van het bloed, het gekerm der getroffen dieren, het tellen van den buit, de vroolijke gesprekken, het verhaal van werkelijke of half werkelijke jachtavonturen:—al die beweging, dat rumoer, die opwinding, ze doen u het bloed sneller vlieten door de aderen, ze ontrukken u aan het alledaagsche, ze doen u met dubbel genot gevoelen dat gij leeft. En dan, dat heerlijke gevoel van vrijheid; die beweging en oefening in de frissche vrije lucht; het genot der telkens afwisselende tooneelen en landschappen, naar gelang van den tijd des jaars, van het weer, van plaats en uur, bij zonneschijn of nevel, bij regen of felle vorst, in het dichte bosch of op een open, zonnige plek in het woud, of wel in de vlakte, op het open kale veld zich uitstrekkende tot den schemerenden gezichteinder. Kunt ge niet begrijpen, dat het jachtvermaak, eens in vollen omvang gesmaakt, welhaast een hartstocht wordt?
Een drijfjacht op hazen wordt doorgaans gehouden in eene vlakte van eene halve vierkante mijl. De jagers omsingelen het terrein, dat door de drijvers onder geleide van eenige jachtopzieners is afgezet. Bij de eerste geweerschoten trachten de meest achterdochtige hazen, opgeschrikt door het rumoer van de drijvers, die naar de jagers toe gaan, door den doodelijken cirkel heen te breken, en vallen als slachtoffers van hunne onvoorzichtigheid. Anderen zijn minder roekeloos en maken minder haast; zij gaan kalm op hun achterpooten zitten om den toestand te overzien. Zoo opzittende, zijn hunne voor- en achterpooten onophoudelijk in beweging, als trachtten zij in zenuwachtige spanning, onder de hen omsingelende vijanden de slechtste schutters uit te zoeken. Somwijlen raden zij goed, en gelukt het hun tusschen de nieuwelingen door te ontsnappen. Blijkt het dat zij zich vergissen, dan keeren zij terug, niet wetende waarheen zich te wenden, loopen heen en weer, gaan weer zitten, tot zij eindelijk meenen een vrijen uitgang, eene onbewaakte plek gevonden te hebben. Daar stormen zij dan op los: helaas, meestal om te vallen onder de kogels van dezen of genen rustenden jager. De schrik en de verbijstering van de arme dieren bereiken hun toppunt, wanneer de drijvers, die met hunne stokken zwaaien en luid schreeuwen, tot op eenige honderden schreden van de schutters genaderd zijn. Dan is het oogenblik gekomen van de groote slachting, het laatste oogenblik voor een honderdtal hazen, op eene kleine ruimte saamgedrongen. Zij kunnen niet teruggaan, zonder zich aan het gevaar bloot te stellen, dood geslagen te worden. Razend van schrik, overschrijden zij den noodlottigen cirkel, waarin de jagers, die zich nu saamgetrokken hebben en zonder tusschenpoozen hunne geweren laden, afvuren en weder laden, hen opsluiten. De meesten vallen dood op de plek of sterven, gewond, op eenigen afstand. Zoodra de gevallenen bijeen zijn verzameld, wordt de drijfjacht elders voortgezet.
Maar het gebeurt niet altijd, dat na afloop van zulk een jacht eenige honderden hazen als buit worden medegevoerd: somwijlen keeren de jagers platzak terug, zelfs in de vlakte van den Rijn. Dit is mij zelven overkomen bij de eerste drijfjacht, waaraan ik deel nam, te Widensohlen, waar het jachtveld toch als goed bekend is. Volgens het zeggen van mijne medejagers, hadden de hazen zich in het kreupelhout verscholen, en wij konden het bosch niet laten afloopen, omdat de bladeren nog aan de boomen zaten. Om mijn weitasch te vullen, moest ik op eene boeren hofstede een kalkoen doodschieten, natuurlijk tegen betaling van schadevergoeding aan den eigenaar.
Nog meer dan de vlakte, lokken de eilanden in den Rijn zoowel de jachtliefhebbers als de natuurkenners tot een bezoek uit. De machtige rivier, die de groote zwitsersche meren met de Noordzee verbindt, is eene door de natuur aangewezen heerbaan voor de tochten en verhuizingen der watervogels van allerlei pluimage. Platvoetige zwemmers, langbeenige steltloopers, breedgewiekte zeilers, allerlei soorten van vogels, grooten en kleinen, die de strenge winter van de noordpoolstreken naar zachter klimaat drijft, strijken vaak in dichte drommen neder op onzen Rijn. Daar is dan ook geen beter en gemakkelijker weg te bedenken voor de tallooze zwermen van eenden, wilde ganzen, raafeenden en talingen, uit de golf van Finland en van de klippen der IJszee afkomstig. Die weg wordt echter ook, maar zeldzamer, bezocht door den prachtigen zwarten zwaan, den noordschen vischarend, den kormoran: zeldzame, afgedwaalde bezoekers, die door stormen of heftige beroeringen in den dampkring uit hun baan zijn gedreven en het spoor bijster geraakt, maar die nu hun reis vervolgen in de richting der groenachtige wateren van het dal. De stilstaande wateren van voormalige rivierarmen, door de normaliseringswerken afgesneden en langzamerhand in dicht begroeide moerassen veranderd, bieden een uitgezocht verblijf voor de steltloopers: watersnippen, roerdompen, reigers, waterhoenders, en hoe ze verder heeten mogen, wier lange teenen hen in staat stellen over de weeke modder te loopen. Welwillend en gastvrij, deelen de steltloopers hun rijk met de plassers en ploeteraars, de zwempootigen, die in het water plompen en duiken. Als des avonds het zilveren vesperklokje luidt, verlaten de eenden de groote vijvers en kommen in de diepere gedeelten en in de overstroomde weilanden, waar zij zich veiligheidshalve overdag ophouden, en strijken onder luid gekwaak neder in de modderige poelen. De kievitten, van hun kant, vliegen des morgens en des avonds bij honderden heen en weer over de naastbijgelegen bebouwde akkers, maar koesteren zich, gedurende de warme uren van den dag, op de zandbanken en de kiezelsteenen in de oude bedding der rivier. De pluvieren, die in het naakte zand nestelen, zijn niet minder talrijk dan de spreeuwen in het riet. Twee of drie soorten van zeezwaluwen, die hier slechts tijdelijk toeven om haar jongen op te kweeken, beschrijven in het schoone jaargetijde, langs de oevers der rivier, haar bevallige lijnen en wendingen.

Schippersdeerne op den Rijn.
De Rijn was vroeger, ja eeuwen lang, zoo nukkig en grillig als een jong meisje, telkens van bedding veranderende, zich nu eens op dezen, dan op genen oever richtende, dan zich terugtrekkende van den Elzas om Baden te begunstigen, straks weer omgekeerd, zonder regel of naspeurlijke reden. Alt-Breisach, op zijn vulkanische rots tronende, lag nu eens op den rechter, dan weer op den linker oever van de veranderlijke, onstandvastige rivier, die haar luimen bot vierde. Om aan dien onhoudbaren toestand een einde te maken, zijn de regeeringen der oeverstaten in overleg getreden, en hebben den stroom eene kunstmatige bedding aangewezen, waarbuiten hij niet meer treden kan of mag. Vóór den aanvang der normaliseeringswerken, die nu langs den geheelen Elzas welhaast voltooid zijn, had de hoofdstroom, ter rechter en ter linker zijde, een groot aantal zijtakken of armen uitgezonden, die deels tot de rivier terugkeerden, deels zich in het land verloren. Deze nu afgesloten takken, die telkens meer aanslibben, deze onwettige kinderen van den Rijn, volgens de uitspraak van de moderne wetenschap, vormen nog een net van eilanden, de woon- en wijkplaats der bovengenoemde vogelen. Veroordeeld om te verdwijnen, naar gelang van de aanslibbing der afgedamde riviertakken, nemen deze eilanden van jaar tot jaar in omvang toe en naderen steeds meer tot elkander, tot groote ergernis van de toekomstige jagers. Sommige van deze eilanden zijn niet meer dan kiezelbanken, waarop niets groeit en die bij hoog water overstroomd worden. Anderen, van meer omvang, door breede en diepe wateren gescheiden, hebben hooge, zandige oevers, omzoomd met eeuwenoude wilgen, dichte bosschen van eikenopslag en hoog hout, weilanden, en op de hoogere gedeelten bebouwde akkers. Reeën zwerven bij troepjes om door het bosch en tusschen de hooge heesters en varens, waar de jonge boerinnetjes, uit het frissche bad gekomen, ze in den zomer beloeren. Het wilde zwijn kiest zich een leger in de lagere gedeelten, te midden van doornen en distelstruiken, waar de haas eene rust en veiligheid vindt, welke hij in de vlakte te vergeefs zou zoeken. In den herfst, wanneer elders, in de groote bosschen tusschen de Ill en den Rijn, vaak gebrek aan water is, wemelt het hier van fazanten, en zoekt de patrijs hier eene schuilplaats, waarin zij zich ongenaakbaar acht. Bij drijfjachten levert deze streek voor de jagers zeer groote moeilijkheden op, uithoofde van de zoo talrijke stroompjes en beken, die elkander in alle mogelijke richtingen kruisen. Wenscht gij u van het eene eiland naar het andere te laten overzetten, vertrouw u dan gerust aan een dier flinke deernen toe, die volkomen voor hare taak berekend zijn en met vaste hand het ranke bootje weten te besturen.

Straat te Neu-Breisach.