XVIII
Reading edition
Ondanks haar rang van vesting, is Neu-Breisach er erg aan toe: geene andere stad in den geheelen Elzas heeft misschien zooveel geleden door de inlijving bij Duitschland als zij. Hare bevolking, die in 1871 nog negentienhonderd-een-en-zeventig zielen bedroeg, was in 1885 tot op veertienhonderd-zeven gedaald; het garnizoen, vroeger zestienhonderd man sterk, telt thans niet meer dan ruim vierhonderd man. Van de tweehonderd-zeventig huizen van het stedeke staan er vijf-en-vijftig ledig, ten gevolge van het vertrek hunner eigenaars, zonder dat zich iemand opdoet om ze te koopen. Deze achteruitgang is het gevolg van geheel eigenaardige omstandigheden: Neu-Breisach is geene handeldrijvende, industrieele of landbouwende stad: zij is niets meer dan eene vesting, een groot fort. In de laatste jaren van de zeventiende eeuw werd deze vesting door Vauban gebouwd, tegenover de vesting Alt-Breisach, het oude Mons Brisacus, aan den anderen oever, dat krachtens den vrede van Rijswijk aan Duitschland gebleven was. De nieuwe stad moest dan ook bepaaldelijk dienen tot huisvesting van soldaten. Bij koninklijke brieven van September 1698 werden, ten einde inwoners te lokken, aan de gezinnen, die zich in Neu-Breisach vestigen zouden, zekere vrijdommen en voorrechten toegestaan. De burgerlijke bevolking leefde dan ook bijna uitsluitend van het garnizoen, en nu dit laatste zoo sterk verminderd is, zien de inwoners zich gedwongen, naar elders te vertrekken, willen zij niet van gebrek omkomen. Daar komt nog bij, dat de duitsche ambtenaren in den Elzas veelal de slechte gewoonte hebben, om hunne huishoudelijke benoodigdheden, voor zoo ver dit per post geschieden kan, uit hun geboorteland te laten komen. In de uitgestorven straten van Neu-Breisach tiert het gras dan ook zoo welig, dat men sommige buurten als weiland zou kunnen verpachten. Ja, men zou zich des noods midden op de straat kunnen verkleeden, zonder iemands aandacht te trekken of door de policie lastig te worden gevallen.
Op het midden van het plein staande, ziet de bezoeker te gelijk de vier poorten der vesting, die vlak tegenover elkander zijn gebouwd. De stad heeft de gedaante van een regelmatigen achthoek. Alle straten loopen lijnrecht, en de huizen vormen regelmatige vierkante blokken; zij zijn bovendien genoegzaam allen naar hetzelfde model gebouwd en hebben niet meer dan eene verdieping. Tijdens het bombardement van 1870 werd ongeveer een vierde gedeelte der bestaande woningen vernield. Na den oorlog werden de eigenaren schadeloos gesteld, onder voorwaarde dat zij hunne huizen zouden herbouwen, die nu voor een deel leeg staan. Het groote Paradeplein, in het midden der stad, is vierkant, en heeft eene oppervlakte van dertienduizend-vierhonderd-zes-en-vijftig vierkante ellen; het plein is omringd door eene driedubbele rij van lindeboomen, waarvan sommigen nog sporen van kogels vertoonen. Aan iederen hoek bevindt een diepe waterput; onder de boomen zijn van afstand tot afstand banken geplaatst. Op dit ruime plein kunnen tweeduizend man met gemak manoeuvreeren; tegenwoordig is het er doodstil; slechts des avonds ontmoet men er enkele eerzame oude-jongejuffrouwen, die met elkander een praatje komen houden. De vier kazernen van de vesting bevatten huisvesting voor meer dan tweeduizend man; in de partikuliere huizen kunnen nog vijfhonderd manschappen en honderd-twintig paarden worden geborgen, ongerekend de kasematten van de wallen, die nog vierduizend man konden bevatten, en de stallen van de kazernen, die ruimte hadden voor tweehonderd-veertig paarden. Behalve de tweehonderd-zeventig partikuliere huizen, vindt men te Neu-Breisach dertig woonhuizen, die aan den staat behooren en waarin de chefs van de militaire administratie waren gevestigd, benevens arsenalen. De kerk, hoewel netjes onderhouden, is een modern gebouw zonder eenig karakter. Het militaire hospitaal is thans gevestigd in de lokalen van een voormalig Kapucijnerklooster, dat tijdens de revolutie gesloten werd. De gemeente Neu-Breisach reikt niet verder dan de wallen der vesting; de grond, waarop de stad is gebouwd, werd door den staat van de gemeente Wolfganzen gekocht.
Voor de stichting van Neu-Breisach stond, op het toenmalige Stroo-eiland, dat thans met den vasten wal verbonden is, gedurende het laatste vierde der zeventiende eeuw, de kleine stad Saint-Louis, waar van 1681 tot 1698 de souvereine Raad van den Elzas zijn zetel hield. Van dit stadje is tegenwoordig geen spoor meer te vinden; de landlieden uit den omtrek noemden het Strohstadt, uit hoofde van de strooien daken der huizen. Zoo als men weet, was bij den vrede van Rijswijk bepaald, dat de tegenover Alt-Breisach gebouwde nieuwe stad moest worden gesloopt. Deze stad, die vlak aan den Rijn lag, werd ook inderdaad gesloopt, on daarmede aan de letter van traktaat voldaan; maar vlak daarnaast bouwde Vauban de vesting, die thans nog op eenige kilometers afstands van den genormaliseerden stroom ligt. Op de plaats van een bolwerk, dat vroeger den toegang verdedigde tot eene vaste brug over den Rijn, werd het fort Mortier gebouwd, vlak aan den oever der rivier. Tengevolge van de normaliseeringswerken, waarop wij straks terugkomen, werd het bed van den Rijn kunstmatig versmald en verlegd. Eene schipbrug is in de plaats gekomen van de oude houten brug uit de dertiende eeuw, die over een eiland was gelegd. Sedert 1875 is een weinig meer bovenwaarts een nieuwe ijzeren brug gebouwd ten behoeve van den spoorweg van Colmar naar Freiburg. Dicht bij de schipbrug, aan den kant van den Elzas, staat eene oude herberg, waar de liefhebbers altijd uitmuntenden visch kunnen vinden, benevens rivierkreeften uit de Giesen en smakelijk wildbraad, met witten wijn die niet te versmaden is.
Voor de vensters dezer herberg gezeten, kunt ge, in afwachting van uw vischmaal, van het uitzicht genieten op Alt-Breisach. Hoe geheel anders ziet die stad er nu uit, dan wij haar op prenten uit de zeventiende eeuw vinden afgebeeld! Verdwenen zijn de bolwerken en de driedubbele muren; verdwenen de hooge toren aan het einde van de brug, de zware gekanteelde slottoren, en de vroolijk zingende klokken van het Franciskaner- en het Dominikanerklooster, en ook de oude toren bij den waterput in de bovenstad. Slechts de statige, indrukwekkende Sint-Stefanuskerk verrijst nog in al hare majesteit op het hoogste punt van den vulkanischen heuvel, omringd door brokken muurs en geraamten van huizen: eene herinnering aan het bombardement van 1793, toen de vestingwerken der oude stad door het fransche geschut geheel werden vernield.
Tijdens de romeinsche heerschappij lag, volgens Beatus Rhenanus en Schöpflin, de Mons Brisacus of Alt-Breisach op den linker Rijnoever, hetgeen echter door Cluvier en Zeiler wordt tegengesproken. Onwaarschijnlijk is het evenwel niet. De jaarboeken der Dominikanen van Colmar berichten dat in 1295 de rivier, die sedert langen tijd de stad Breisach van den Elzas gescheiden had, hare bedding gedeeltelijk overbracht naar de andere zijde van den berg. Reeds in de tiende eeuw spreekt Luitprand van Breisach als van een eiland, terwijl de stad op de kaart van den Elzas, in 1576 door Daniel Speckle vervaardigd, door een tak van den Rijn wordt omringd. Voor den geoloog, die de gesteldheid van het terrein onderzoekt, is de aanwezigheid van voormalige bermen en geulen aan de oostzijde van den rotsheuvel waarop Alt-Breisach is gebouwd, een afdoend bewijs, dat de rivier vroeger daar haar loop had. Eene wet van Valentinianus, opgenomen in den codex van Theodosius, is gedagteekend van de romeinsche vesting Brisacus, den dertigsten Augustus 369. Tegenwoordig kunnen wij op het terrein zelf, veel duidelijker dan in charters en kronieken, het spoor volgen van de verschillende beddingen, die de rivier achtereenvolgens innam en weder verliet, naarmate de insnijdingen in den bodem der vallei dieper werden, terwijl de oevers trapsgewijze omhoog stegen. De wijde krommingen en bochten van de oude beddingen de gesteldheid van den bloot gekomen rivierbodem, nog kenbaar aan plassen en rietbosschen, waar de liefhebbers ter eendenjacht gaan; de ligging der kiezelbeddingen,—dit alles stelt ons in staat, het vermogen en de stroomsnelheid van den Rijn in verschillende tijdperken te berekenen en de langzamerhand toenemende versmalling van zijn bed na te gaan. In historische tijden lag, naar men bijna met zekerheid mag aannemen, het oude Mons Brisacus nu eens op den eenen, dan weder op den anderen oever der rivier, naar gelang deze, ten gevolge van sterken was, haar loop veranderde.
Wanneer wij met opmerkzaamheid de gesteldheid van de Rijnoevers in den Elzas en in Baden gadeslaan, kunnen wij nog de sporen ontdekken van drie groote takken of hoofdbeddingen, die betrekkelijk nog van jongen datum zijn en beurtelings door een net van zijarmen met elkander verbonden waren. Beneden Kembs liep de groote linkerarm van de rivier door de tegenwoordige vallei van de Ill tot aan Straatsburg. Naar het schijnt, zou de verzanding aan den bovenmond en de scheiding van den tegenwoordigen Rijn het gevolg zijn geweest van de natuurlijke werking der stroomingen, waarvan de sporen nog zichtbaar zijn in de aanspoelingen van keien, die van de Alpen zijn medegevoerd. Boven den Kaiserstuhl scheidde zich de rechterarm van den hoofdstroom af, liep om dien vulkanischen berg heen, en volgde dan den zoom van het Schwarzwald, waar de oude loop nog te herkennen is tot voorbij Ettlingen. Verzandingen in het bovenste gedeelte van dezen rivierarm en de voortgaande aanslibbing langs de verschillende beken en rivierkens, die van het Schwarzwald afdalen, hebben eindelijk het water van dezen tak teruggedrongen naar de hoofdbedding. Dit is ook ten slotte het geval geweest met de andere zijtakken; maar de vereeniging met de hoofdrivier schonk het aanzijn aan eene groote menigte eilanden en een warnet van grootere en kleinere kanalen en killen. Ten tijde van de romeinsche heerschappij waren Schlettstadt en Colmar misschien nog rechtstreeks met den hoofdstroom van den Rijn verbonden, hoewel dit niet uit geschreven dokumenten blijkt. Zeker is het echter, dat men te Ettlingen en te Durlach onmiskenbare sporen heeft gevonden van oude aanlegplaatsen uit den romeinschen tijd. De groote afstanden tusschen de hooge gronden ter wederzijde van de rivier, de scherpe bochten midden door het land, de talrijke greppels en killen, ten deele nog met water gevuld, de moerassen en veenen leeren ons nog heden, welke groote veranderingen, zelfs nog in betrekkelijk jongeren tijd, de loop van den Rijn heeft ondergaan. De vlekken en dorpen, in het overstroomingsgebied gelegen, zijn dan ook bij herhaling het slachtoffer geweest van deze wisselingen. Op den linkeroever werden Rheinau en Wörth in de middeleeuwen geheel verwoest en sedert herbouwd; het klooster Arnulfsau, in den omtrek van Drusenheim, is spoorloos verdwenen. Gelijk lot trof op den duitschen oever de dorpen Tringheim en Hundfeld nabij Kehl, en de kloosters Höhnua, Thumhauser en Mufflenheim boven Seltz.
Maar de Rijn is eene te belangrijke, te beroemde rivier ook, om hem niet meer van nabij te beschouwen en eene opzettelijke studie te wijden.