Het huwelijksaanzoek
W. B. Meyen-Barends translation
Op Rheinstein heeft een ridder gewoond, die buitengewoon strijdlustig was. Hij heette Diethelm. Van een rooftocht had hij eens als buit een mooi meisje, Jutta genaamd, mede naar huis gebracht. Evenals teedere klimop zich om den knoestigen eik slingert en zijn ruwen bast in glanzend fluweel verandert, zoo ook heeft deze jonkvrouw met haar vrouwelijk karakter uit den ruwen krijgsman na jaar en dag een braaf ridder gemaakt, die afstand deed van rooftochten en feestgelagen en de schoone Jutta, als belooning voor haar deugd en lieftalligheid, de hand reikte.
De eerste vrucht der jonge liefde kostte de teedere moeder het leven; maar Gerda, het evenbeeld der afgestorvene, groeide op tot een volmaakte schoonheid, zoodat vroegtijdig de minnaars van heinde en ver kwamen, en het aankomende meisje tot echtgenoote begeerden. Maar de ridder van Rheinstein was zeer lastig Bladzijde 67in zijn keus omtrent een pretendent en menigeen trok bedroefd, met een weigerend antwoord af.
Een was er echter, dien het meisje en ook de oude heer gaarne mochten lijden. Hij heette Helmbrecht en was de oudste afstammeling op Sternburg. Het was den jongeling gelukt het hart der jonkvrouw te veroveren, en eens, toen hij voor de tournooispelen op Rheinstein vertoefde, en Gerda met de met ringen versierde rechterhand de ridders op het burchtplein aanmoedigend den dank der vrouwen toezwaaide, deelde Helmbrecht haar zijn liefde mede. Eenige dagen daarna droeg hij, zooals de ridderlijke etiquette voorschreef, zijn oom Gunzelin von Reichenstein op zijn aanzoek over te brengen. Maar Gunzelin was niettegenstaande zijn rijperen leeftijd arglistig en valsch. In plaats van voor zijn neef, deed hij voor zich zelf aanzoek bij Gerda’s vader, en deze aarzelde niet den ridder uit een oud geslacht met aanzienlijke goederen zijn jawoord te geven.
Tot beider verbazing wilde de dochter van den rijken minnaar niets weten. Haar hart behoorde den neef, niet den oom. De toorn in het binnenste van graaf Diethelm groeide steeds aan, en door de hevige woede der laatste dagen, zwoer hij, dat de met goederen gezegende makker uit zijn jeugd zijn dochter zou bezitten, Bladzijde 68en dat de arme stakker von Sternburg haar nooit naar het altaar zou voeren.
In haar stille kamer weende het troostelooze meisje hartverscheurend, maar haar tranen vermochten de ijskorst om het hart van den vader niet te doen smelten. Tevergeefs smeekte de in’t geheim beminde bij den ouden heer toegelaten te worden, deze echter beriep zich op zijn ridderlijk woord, dat hij den heer von Reichenstein op handslag gegeven had.
En zoo brak de dag aan, waarop Gunzelin met het meesmuilend welbehagen van een ouden wellusteling, wien in den herfst de liefelijke lente toelacht, de schoonste jonkvrouw van den Rijn in zijn trotschen burcht zou binnenleiden. Gerda, die het zachte karakter van haar overleden moeder bezat, had zich in het onvermijdelijke geschikt.

De bruidsoptocht
Naar het schilderij van L. Herteridi (bij de sage van de Burcht Rheinstein).
Op een mooien zomermorgen begaf de bruidsstoet zich van de slotpoort van Rheinstein naar den nabij gelegen heuvel, waarop de Klemenskapel stond. Fanfares schetterden, bazuinen schalden. Op een sneeuwwitten telganger zit, het schoone hoofd treurig gebogen, de doodsbleeke bruid. Zij denkt aan den geliefde, die ver van haar is en even als zij door smart verteerd wordt. Daar vliegt opeens een zwerm gonzende paardenvliegen uit de Bladzijde 69struiken. Een daarvan steekt in den buik van het paard, dat de liefelijke vrouwenlast draagt, zoodat het dier, steigerend uit den bruidsstoet springt. De bruigom, op zijn prachtig opgetuigden hengst gezeten, springt moedig het schichtige paard na, maar daar de weg zoo smal is, doet hij een missprong en stort met zijn ros in de diepte. Stervend werd hij door de ontstelde bruiloftsgasten in den burcht gedragen.
De oude Diethelm was bij de poging, om het paard zijner dochter tot staan te brengen, even ongelukkig geweest; het woedende dier had hem het scheenbeen gebroken en dienstvaardige bedienden droegen den steunenden grijsaard voorzichtig naar het slot terug.
De heelmeester had de volgende weken, toen hij de gevolgen van een hevigen trap van het paard behandelde, geen gemakkelijke taak, bij den vloekenden burchtheer. Bij de eerst volgende kromming van den weg had zich echter een man voor het hollende paard geworpen, die het trillende dier tot staan gebracht en de bewustelooze bruid in zijn armen opgevangen had. Treurig gestemd, wilde hij, verborgen door de struiken, den bruidsstoet volgen en was zoodoende de redder geworden van haar, die alleen hem beminde. De heer van Bladzijde 70Rheinstein is, toen hij dezen afloop vernam, tot nadenken gekomen en heeft den geliefden zijn zegen gegeven. Hun stoffelijk overschot rust onder den steen voor het altaar van de Klemenskapel tegenover Aszmannshausen; burcht Rheinstein is hersteld en prijkt even schoon als weleer op de steile rotshelling. Bladzijde 71