De met dochters gezegende ridder
W. B. Meyen-Barends translation
Boven Rheinbrohl staan op den somberen Grauwackenfels de duizendjaar oude, vervallen ruïnes van de rijksvesting Hammerstein. Een der eerste bezitters was Wolf van Hammerstein, een trouw onderdaan van keizer Hendrik den Vierde, wiens kroon door eigen schuld en die van anderen met doornen omwonden was. Op den onvergetelijken boetetocht naar Canossa heeft graaf Hammerstein hem vergezeld, doch door de gebreken van den naderenden ouderdom heeft hij daarna zijn burcht niet gaarne meer verlaten. Slechts uit de verte drong het trompetgeschal der wereld tot hem door.
Zes dochters waren uit het huwelijk van den heer Wolf van Hammerstein met zijn sedert jaren ontslapen echtgenoote geboren, liefelijke jonkvrouwen, die voor den bejaarden vader groote vereering koesterden. Hun kinderliefde viel echter bij den ruwen krijgsman in verkeerde aarde. Dat hem geen zoon beschoren was, Bladzijde 180kwelde hem zeer. Gaarne had hij voor een stamhouder het halve dozijn meisjes gegeven. Dit bleef de zes jonkvrouwen niet verborgen, en door groote liefde en toewijding trachtten zij den norschen vader met zijn lot te verzoenen.
Op een avond, terwijl buiten de wind als een krassende raaf om den burcht gierde, zat ridder Wolf, door jicht geplaagd, binnen aan den warmen haard en was niettegenstaande de rouwelijke opmerkzaamheden in een slecht humeur. Evenals schuwe duiven keken de sierlijke meisjes naar den vertoornden ouden heer.
Daar dient de slotbewaker in het late uur nog twee gasten aan. Zij zijn in ridderlijke wapenmantels gehuld. Niettegenstaande zijn podagra verheft de gastvrije burchtheer zich van zijn zetel. In het verwarmde vertrek treden bibberend van koude twee vermoeide reizigers, die om een onderkomen voor den nacht smeeken.
Bij den klank der stem van den eenen vreemdeling heeft de ridder zich luisterend opgericht, en toen deze het vizier ophief en den mantel terugsloeg, is Wolf van Hammerstein eerbiedig op de knieën aan zijn voeten neergevallen, heeft zijn beide handen gegrepen, zijn gebaarde lippen daarop gedrukt en uitgeroepen: “Hendrik, mijn Heer en Koning!”
De keizer heeft vervolgens zijn voormaligen Bladzijde 181strijdmakker met trillende stem medegedeeld, dat hij vluchtende was voor hem, die hem den koningsmantel van de schouders en de kroon van het hoofd gerukt had. En toen de ridder bevende van opwinding vroeg, wie deze eeren goddelooze booswicht was, fluisterde de keizer met gebogen hoofd op klankloozen toon: “Mijn zoon!” Hij bedekte het gelaat met de handen. Onbeweeglijk als een marmeren beeld stond de ridder daar, terwijl hij, als door een bliksemstraal, die in zijn ziel viel, tot inzicht werd gebracht.
Teeder voelde hij zich door de armen zijner, dochters omvat, en toen hij de handen naar hen uitstrekte, als wilde hij door de teederheid van een oogenblik al het onrecht van vele jaren vergoeden, voelde hij tranen daarop neerdruppelen. De keizer sprak diep geroerd tot den ridder:
“Benijdenswaardige wapenbroeder, de trouwe harten van je dochters kloppen voor je tot over je graf en geen verdorven zoon, die je dood niet kan afwachten, jaagt je eens met grijze haren van je geboortegrond! Wee mij, die morgen met de weinige getrouwen, die mij gebleven zijn tegen mijn eigen bloed ten strijde moet trekken.”
Terwijl de ongelukkige koning tegen middernacht Bladzijde 182in de gezellig ingerichte kamer in een onrustigen slaap viel, overlaadde de diepbewogen burchtheer zijn dochters met ongekende liefkoozingen. Hij heeft God vergeving gevraagd voor den wrok, die in vroeger dagen bij hem opgekomen was, omdat hij geen zoon had. Bladzijde 183