Burcht Stahleck
W. B. Meyen-Barends translation
Het oude Bacharach heeft ook eenmaal schoone tijden gekend. Reeds lang voordat de vurige Bacharacher wereldberoemd werd—het was in het tijdperk, toen de grootvader de grootmoeder nam—werd hij door buitenlandsche wijnkenners in Romeinsche en Etrurische bokalen met liters tegelijk gedronken. Destijds hebben de dankbare drinkebroers ter eere van hun Wijngod op een rotsblok, dat zich tusschen een eiland en den rechteroever uit den vloed verheft, een altaar opgericht, en de Romeinen hebben ter eere van Bacchus, den lieftalligen knaap, de stad den naam gegeven, dien hij nu nog draagt. Al zijn ook de opschriften sedert langen tijd onleesbaar geworden, zoo weten de inwoners van Bacharach thans de oorspronkelijke beteekenis van den “Elterstein” (altaarsteen) nog zeer goed, en nog altijd verkleeden de schippers in overmoedige scherts een stroopop als Bacchus—evenals de boeren van Mecklenburg Bladzijde 90in den oogsttijd hun Wodan—plaatsen hem op den Elterstein en varen al zingende om hem heen.
Iets hooger dan Bacharach ligt de ruïne van de vesting Stableck. Ten tijde van Koenraad, den eersten keizer der Staufen, woonde daar een jong, eerzuchtig ridder, Paltsgraaf Herman. Hij was de neef des keizers en trotsch op deze hooge verwantschap, streefde de onbezonnen strijder naar uitbreiding van zijn paltsgraafschap. Hij begeerde niets minder, dan zich de bezittingen van de beide aartsbisschoppen van Mainz en Trier, die aan zijn gebied grensden, gedeeltelijk toe te eigenen. Hij beriep zich hierbij op rechten, die hij meende te bezitten. De naijver, die destijds onder de geestelijke en wereldlijke machthebbenden bestond, maakte, dat zich vele naburige ridders als bondgenooten aan hem opdrongen, en vermetel begon de paltsgraaf zijn strijd met de bestorming van de Moezelvesting Trier, die bij de Triersche parochie behoorde.
Adalbert von Monstereil, een moedig man, voerde destijds de heerschappij over de bisdommen Trier en Metz. Hij verzamelde dadelijk al zijn mannen, om den vermetelen roover van den wederrechtelijk veroverden burcht te verdrijven. De stoutheid van den paltsgraaf had Bladzijde 91hem overbluft, en de overmacht van zijn tegenstander stemde hem tot nadenken. Maar de aartsbisschop Adalbert was een verstandig man; op den morgen, dat de zijnen den burcht wilden bestormen, hield hij met het kruis in de hand een geestdriftige rede tot de ruiters. Hij deelde hun mede, dat de aartsengel Michaël hem in den afgeloopen nacht verschenen was, hem dit kruis overhandigd had en een zekere overwinning toegezegd had, indien elk strijder, in het vaste vertrouwen op de onzichtbare hulp van boven den vijand aantastte.
De redevoering van den aartshertog bracht zijn krijgslieden in geestdrift en wekte hen op tot woeste dapperheid. Geleid door hun veldheer, die met het kruis in de hand allen voorging, bestormden zij den burcht en versloegen het leger van den paltsgraaf. In hulpelooze vlucht stoven zijn troepen uit elkaar, en diep vernederd moest de eerzuchtige Stableck van de voortzetting van den strijd met den Trierer aartsbisschop afzien.
Zeer krenkte hem de smadelijke nederlaag, die hij geleden had. Met nog grooteren haat dacht hij aan zijn geestelijken buurman. Uit verbleekte Bladzijde 92documenten meende hij op te maken, dat hij werkelijk recht had op een gedeelte van het welvarende land, dat de bisschop van Mainz bezat, en hij liet niet na bij den bisschopsstoel te Mainz zijn aanklacht in te dienen. Met kouden spot werd zijn verzoek door den ernstigen Amold von Solnhofen opgenomen.
“Ik zal met dat paltsgraafje even gauw klaar zijn als met de stijfhoofdige inwoners van Mainz, waarvan velen het berouwen, dat ze zich tegen hun bisschop en kerkvoogd verzet hebben.”
Dreigend moet Arnold deze woorden uitgeroepen hebben, terwijl hij het verzoekschrift van den paltsgraaf verscheurde. Stableck werd deze uitspraak medegedeeld en weenend smeekte zijn jonge vrouw hem, niet ten tweede male de hand tegen den gezalfde des Heeren op te heffen. Hij echter keerde zich boos van haar af en zwoer zich op hem, die zoo schandelijk vermetel was zijn bezwaarschrift te verscheuren, te wreken. Het was hem bekend, dat von Solnhofen zich bij de inwoners van Mainz door zijn machtig regiment zeer gehaat gemaakt had, en hiermede wilde hij rekenschap houden, om den somberen tegenstander van land en kroon te berooven.
Wederom rustte Stableck, vereenigd met verscheidene Bladzijde 93moedige ridders zich uit tot den strijd tegen een kerkedienaar. In Mainz gistte het onder de burgers, en daarbuiten rukte de paltsgraaf met zijn mannen aan. De aartsbisschop was buiten zich zelf van woede, en in zijn duistere ziel smeedde hij een vreeselijk plan. Door twee gehuurde landsknechten werd de paltsgraaf verraderlijk vermoord. Groot was de droefheid van zijn ongelukkige gade.
De oproerige inwoners van Mainz hebben den wreeden landvoogd spoedig daarna afgezet, nadat ze zijn paleis stormenderhand genomen hadden. Met gloeiende wraak in het hart is hij teruggekeerd. Te vergeefs waarschuwden zijn vrienden hem, tevergeefs schreef Hildegard, de beroemde profeten hem uit het klooster Rupertusburg bij Bingen: “Keer terug tot den Heer, dien gij verlaten hebt: uw uur is geslagen.” Hij wilde daar niet naar hooren en zoo werd hij in de abdij bij den Jakobsberg voor de stad, waar hij toen verblijf hield, door de oproerlingen vermoord. Bladzijde 94