← Table of contents
Sagen van den Rijn

De geest der moeder

W. B. Meyen-Barends translation

Hoewel de burchtheer Lambert von Fürstenberg een levenslustig en genotzuchtig ridder was, zoo toch was hij zijn zachtzinnige gemalin Wiltrud, die van het geslacht der Florsheimers afstamde, zeer genegen, vooral nadat deze hem een zoontje geschonken had. Op een dag echter heeft het ongeluk zijn intrede in het kasteel gedaan in de gedaante van een jonkvrouw, Luckharde genaamd. Zij was de eenige, plotseling wees geworden, dochter uit een geslacht, waarmee de Fürstenbergers sedert oudsher bevriend geweest waren, een ontluikende vrouwelijke schoonheid, die niettegenstaande haar achttien lentes reeds een statig meisje en een verleidelijke schoonheid voor de mannen was.

De zachtzinnige burchtvrouw meende argeloos, dat Luckharde, die zij vol liefde in haar kring opgenomen had, haar, die sedert de geboorte van haar knaapje ziekelijk was, bij de huiselijke bezigheden gaarne behulpzaam zou Bladzijde 85zijn en zusterlijke liefde met wederliefde vergelden zou. Maar Luckharde’s geest hield zich meer bezig met beuzelarijen en vermaak, dan met huiselijkheid en vrouwelijke bezigheden. Hoe meer de maanden verstreken en haar verderfelijke schoonheid zich gelijk een donkere roos ontwikkelde, des te meer gelukte het haar, het hartstochtelijke hart van den burchtheer voor zich te winnen.

Onmerkbaar, doch geleidelijk kwam de ridder steeds meer onder de betoovering van de schoone vrouw, totdat de dag aanbrak, waarop vrouw Venus hen geheel in haar macht had.

Wiltruds oogen waren niet blind voor de goddelooze handelingen van den trouweloozen echtgenoot; maar door haar langdurige ziekte vond zij niet de kracht, de zonde met vlammend zwaard te bestrijden. Intusschen kwam door de heerschzucht en het verterende vuur der liefde het duivelsche plan in Luckharde’s hoofd tot rijpheid, om de gemalin van den heer Lambert uit den weg te ruimen. Op een nacht sloop de zondige vrouw in de kamer der burchtvrouw, naderde gelijk een kat de legerstede der sluimerende en verstikte de benijde Wiltrud, die te laat en zonder resultaat zwijgend weerstand bood, koelbloedig met haar kussen.

De droefheid over de meesteres, die volgens Bladzijde 86iedereen aan een gebroken hart gestorven was, was vooral onder het dienstpersoneel van den graaf zeer groot, doch bij hem zelf uiterst gering. In de armen van de zwartgelokte minnares vergat de heer Lambert spoedig zijn gemalin, en reeds na eenige weken nam Luckharde de plaats van de overleden burchtgravin in. Het knaapje, dat Wiltrud den ontrouwen echtgenoot nagelaten had, was de tweede vrouw tot ergernis. Zij wees den door genot willoos geworden Fürstenberg op de kinderen, die zij hem hoopte te schenken en zette het door, dat de eerstgeboren, natuurlijke zoon van den ridder in een afgelegen kamertje van den burcht aan de zorg van een brommige oude vrouw toevertrouwd werd.

Op een nacht, toen de oude plotseling ontwaakte, zag ze, dat zich een vrouwengedaante in een wit golvend kleed over het bedje van het knaapje, dat naast haar sliep, vol zorg boog en hem zegende. De oude heeft toen een kruis gemaakt en tot de veertien beschermheiligen gebeden. In alle vroegte, met de kenteekenen van den doorgestanen angst op haar gelaat, is zij naar de burchtvrouw gesneld, en heeft haar met bevende lippen de gebeurtenis verhaald, lachend heeft de lichtzinnige Luckharde het ongeloofelijke sprookje aangehoord, maar is Bladzijde 87toen op eens nadenkend en ernstig geworden. Zij heeft de oude vrouw bevolen zich den eerstkomenden nacht een legerstede bij het andere dienstpersoneel te bereiden, het kind echter in de torenkamer te laten. In haar met schuld bevlekte ziel was de veronderstelling opgekomen, die daarop als lood drukte, dat deze nachtelijke geest wellicht Wiltrud in eigen persoon kon zijn, die men bij vergissing voor dood gehouden had.

Zonder angst of gewetenswroeging bereidde ze zich tegen het aanbreken der duisternis een legerstede in de torenkamer. Een moorddadigen dolk hield haar rechterhand omklemd, en vastberaden zag de zondares den nacht tegemoet. En wederom vertoonde zich tegen middernacht de vrouwengestalte in het witte golvende gewaad, die de legerstede van den sluimerenden jongen naderde, hem verzorgde, kuste en zegende.

Terwijl Luckharde met starende oogen, bewegingloos bleef liggen, werd de nachtelijke verschijning steeds grooter, tot in het oneindige. Al dichter boog ze zich tot de liggende over, en het doodsbleeke gelaat van Wiltrud staarde met levenlooze verwijtende oogen de zondige vrouw aan. Het scheen deze, alsof een overhangende rots op haar hijgende borst nederstortte om Bladzijde 88haar te verstikken. Met een laatste krachtsinspanning gaf zij de verschijning een steek met haar dolk; maar het was, alsof het wapen een nevelachtig omhulsel doorboorde, en Luckharde bespeurde met steeds toenemend afgrijzen, dat de wezenlooze gedaante de geest van de vermoorde burchtvrouw was.

Geheel verpletterd door het besef van haar begane schuld, hoorde zij een stem, die uit een andere wereld scheen te komen, haar toeroepen: “Doe boete, doe boete!”

Den volgenden morgen wachtte de heer Lambert tevergeefs op zijn gemalin. In plaats van haar, vond hij een reep perkamentpapier, waarop Luckharde hem in berouwvolle woorden beleed, hoe zij zich in toomeloozen hartstocht aan zijn eerste vrouw vergrepen had, en hoe haar de geest van de overledene dezen nacht verschenen was, om haar aan den omvang van haar zonde te herinneren. De rest harer dagen wilde zij haar schuld in een klooster boeten. Zij verzocht haar vroegeren minnaar hetzelfde te doen.

De heer Lambert von Fürstenberg werd door deze mededeeling diep getroffen. Ook hij kwam tot inkeer, vertrouwde het slot en kind aan de zorg van den jongeren broeder toe en trok zich, tot aan het einde van zijn dagen, als kluizenaar in de eenzaanheid terug. Bladzijde 89

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings