← Table of contents
Reisindrukken in het Oosten

PORT-SAÏD EN BEYROET.

Reading edition

Illustration from Reisindrukken in het Oosten

Van Alexandrië vertrok de boot, ditmaal een zeer onzeewaardige, maar dit zouden wij eerst later ervaren, bij dag naar Port-Saïd. Wij hadden dus de gelegenheid om thans de haven in haar geheel te zien. Recht tegenover haren ingang aan het water ligt het breede paleis van den Chedive, die het echter slechts zelden bewoont, daar hij in Caïro resideert. Eene menigte schepen, die de haven vullen, bewijzen, dat Alexandrië een stad is van veel handel en scheepvaart en de voorname stapelplaats voor het vervoer van goederen uit Egypte naar Europa.

De verdere reis langs de Afrikaansche kust biedt weinig bezienswaardigheden, omdat het geheel Delta-land van Egypte vlak is. Het was dus voor ons geen schade, dat wij dit gedeelte bij nacht aflegden. Toen wij den volgenden morgen ontwaakten, lagen wij voor anker te Port-Saïd aan den ingang van het Suez-kanaal.

Men doet in het Oosten alles op zijn gemak en een reis met een boot, die onderscheidene havenplaatsen aanloopt, verwijlt hier gewoonlijk een ganschen dag om te lossen en te laden, ten einde dan gedurende den nacht weer verder te kunnen stoomen. Door deze omstandigheid waren wij gedwongen gedurende een geheelen dag te Port-Saïd te verblijven, van welke gelegenheid werd gebruikt gemaakt om aan wal te stappen en het weinige, dat er te zien is, in oogenschouw te nemen. Hiertoe behoorde de waterleiding uit een der zijkanalen van den Nijl, die de stad van drinkwater voorziet en een gedeelte van het kanaal van Suez, langs een weg die echter, tengevolge van het mulle zand der woestijn, nauwelijks te berijden was. Maar juist op dien weg hadden wij gelegenheid om de wreedheid gade te slaan van den Arabier tegenover het onnoozele dier, eene wreedaardigheid, zooals men ze gelukkig in Christenlanden niet ziet. Ofschoon de meesten onzer den wagen verlieten om het laatste gedeelte te voet af te leggen en den koetsiers beduidden, dat zij konden wachten, dreven zij hun dieren toch voort, wellicht uit vrees, dat ze anders niet betaald zouden krijgen en sloegen er met de grootste onbarmhartigheid op los, zoodat meer dan eene zweep door midden brak. Hoe had ik gewenscht de taal te kennen van dit volk om mijn ergernis te luchten over zulk eene mishandeling! Hoe trof ons in deze schijnbaar nietige zaak het verschil tusschen een land, waar de geest der humaniteit, die mede ook een der zegeningen is van het Evangelie, niet en waar die wel heerscht. Terwijl bij ons zulke gruwelen strafbaar zijn, worden ze dáár toegelaten en het verwondert ons niet, dat menschen, die zoo omgaan met dieren, even onmenschelijk handelen met hunne medemenschen. Maar wij waren immers in Afrika, het land van den Arabier, het donkere werelddeel, waarvan de Zending ons gruwelen weet te vertellen, die de haren te bergen doen rijzen, gruwelen, die zoo ontzettend zijn, dat een Livingstone, die ze zag, ze niet eens vertelde, omdat men ze toch niet zou gelooven.

Ik zal daarom ook maar niet verhalen, wat verder in die havenplaats onze ergernis wekte, waar men op straat telkens de bewijzen te zien kreeg van de liederlijkheid, die er heerscht. Zij bevestigden het feit, waar de Zending zoo dikwerf op wijst, dat overal waar de zoogenoemde Westersche beschaving in aanraking komt met Oostersche toestanden, zonder het Evangelie, dat daar de gruwelen der zonde, die alle gedachten te boven gaan, de volkeren niet alleen zedelijk, maar ook lichamelijk te gronde richten. Verblijdend was het daarom, eenigen tijd later in onze dagbladen te lezen, dat de Turksche Regeering—en dat zegt wat, wanneer zulk eene Regeering meent er zich mede te moeten inlaten—maatregelen heeft genomen om een einde te maken aan de meest ergerlijke tooneelen, die daar in het openbaar en verborgen plaats vinden. Het is althans iets. Maar den eigenlijken strijd tegen de zonde kan alleen het Christendom voeren. Daarom is het zeer te hopen, dat de oogen der zendingsvrienden meer en meer geopend zullen worden voor de wenschelijkheid, ja de noodzakelijkheid om hier te arbeiden, waar, voor zooverre mij bekend is, niets geschiedt op het gebied der Zending, zelf geen Christelijk bedehuis te vinden is, dat men gelukkig in andere steden van Egypte niet te vergeefs zoekt.

Wij waren zeer dankbaar, dat wij aan het einde van een langen en snikheeten dag, dien wij grootendeels doorbrachten in de veranda van een Hôtel, ons weder konden inschepen. Het was de eerste dag, waarop de verzengende Sirokko woei, waarbij de thermometer een uur na zonsondergang nog 96° Fahrenheit aanwees, een woestijnwind, die gedurende de volgende weken onafgebroken bleef waaien en ons nog menige zweetdroppel kosten zou.

Den volgenden morgen zagen wij in de verte voor het eerst iets van de kust en van het daarachter liggend gebergte van het Heilige Land. Weldra naderden wij Jaffa, waar de boot het anker liet vallen en, omdat er geen haven is, tot den namiddag op stroom bleef liggen. De passagiers, die er willen landen, moeten dus per roeiboot afgehaald worden van het schip. Gelukkig zijn de bootslieden uitermate vaardig om bij een onstuimige zee, zooals wij die nu kregen, op het juiste oogenblik gebruik te maken van een hoogen golf om de passagiers op te vangen in hun stevige armen. Wij waren dankbaar, dat wij aan boord konden blijven, maar die dankbaarheid was van korten duur, omdat de wind weldra begon op te steken en wij toen gewaar werden hoe onze boot, de „Odessa,” rolde en tolde als een visscherspink zonder kiel.

Gelukkig lagen wij toch den volgenden morgen behouden voor anker in de haven van Beyroet, de voornaamste havenstad van Syrië. De ligging is zeldzaam schoon. Helderwitte huizen verheffen zich van de zee al hooger en hooger tegen de helling van het Libanongebergte, dat daarachter ligt. De gebouwen en inwoners der stad maken een zeer gemengden indruk, tengevolge van het groot getal Europeanen, die hier wonen om de handelsbelangen van hun land te behartigen. Men hoort er allerlei talen spreken, het meest van alles Fransch, dat evenwel in den laatsten tijd meer en meer verdrongen wordt door het Duitsch en het Engelsch. Men krijgt dan ook den indruk, dat deze drie Mogendheden er op uit zijn haren invloed in Beyroet en vooral in het geheele gebied van den Libanon te versterken, vooral ook door allerlei arbeid op Christelijk-philanthropisch gebied, die zijn centrum heeft in de stad en zijn arbeidsveld buiten in de dorpen op het Libanon-gebergte.

Zoo werkt hier de Duitsche zending met diakonessen van Kaiserswerth, onder wier leiding het hospitaal van de orde van St. Jan, een weeshuis en een jongedamesschool staan, die wij met groote belangstelling zagen onder geleide der directrice. De school was nog niet geopend, daar zij gemeenlijk eerst begint, wanneer de rijke kooplieden, die des zomers in de bergen wonen, op hun villa's in de stad teruggekeerd zijn. In het weeshuis waren 130 kinderen, waaronder 40 Armenische weezen, die sedert den laatsten Christenmoord hier een toevlucht vonden. Wij zagen ze in de verschillende klassen van onderwijs verdeeld, waar zij onder meer Duitsch en Arabisch leerden. Toen de directrices Sophie Gräf en Louise Kaiser ons rondleidden en hoorden, dat wij Nederlanders waren, spraken zij met veel waardeering van hetgeen weleer Mej. A. Bergendahl uit Amsterdam voor deze arme weezen deed. Zij vertelden ons van de vreugde der kinderen, wanneer de kisten werden uitgepakt, die uit Nederland aankwamen, en ik beloofde dit aan onze landgenooten te zullen mededeelen, zoodra ik daartoe gelegenheid had. Mocht iemand dit lezen en lust hebben om iets te doen voor deze Syrische weezen, dan zal die hulp dankbaar gewaardeerd worden en wèl besteed zijn.

De invloed toch van den zendingsarbeid in Syrië en Palestina is aan alles merkbaar, doch ik zal daarover thans niet meer uitwijden, daar ik het werk der Inwendige Zending in Jeruzalem en Palestina uitvoerig heb beschreven in het Tijdschrift: Lichtstralen op den akker der wereld, jaargang 1900 afl. 1 en 2.

Zoodra men de stad Beyroet uitgaat en komt in het Christelijk gebied van den Libanon, is het als of alles meer welvaart vertoont. De akkers zijn bebouwd, de woningen zien er netjes en goed onderhouden uit en de Christelijke bevolking maakt een gunstigen indruk, zoodat uit alles blijkt, dat het Christendom niet alleen de beloften des toekomenden maar ook des tegenwoordigen levens heeft.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings