← Table of contents
Reisindrukken in het Oosten

HET TURKSCH BESTUUR.

Reading edition

Illustration from Reisindrukken in het Oosten

Wij zetten thans onze reis voort door Galilea over Cana naar Nazareth. In groote, slingerende bochten stijgt de rijweg naar boven, totdat men op de waterscheiding is van het gebergte Hattin. Achter ons ligt de zee van Gennesareth, die al dieper en dieper wegzinkt; terwijl de bergen rondom zich al hooger en hooger verheffen, naarmate wij stijgen. Het landschap wordt daardoor steeds grootscher en de gezichtskring ruimer, zoodat het inderdaad moeite kost er afscheid van te nemen, wellicht voor altijd! Hoe gaarne hadden wij hier, waar ook onze Heiland stellig meermalen vertoefde, eenigen tijd gerust en in stil gepeins onze gedachten bepaald bij al hetgeen men aanschouwde; maar onze dragoman dreef ons voort. Nog een laatste blik op dat Tiberias daar beneden in de diepte en het gebergte Gaulanitis aan de overzijde van het schoone, groene meer en de bergrug, dien wij overschrijden, onttrekt voorgoed aan ons oog het onvergetelijk landschap, waarvan wij zoo noode scheidden.

Aan deze zijde van den berg breidt zich een breed dal voor ons uit. Onze dragoman verzoekt ons een oogenblik naar hem te luisteren. Hij wijst ons naar rechts op de breede kruin van den berg Hattin, die zich toespitst in twee horens. Hier zou de plaats geweest zijn, waar de Heer de bergrede hield; daar ter linkerzijde, zoo voegt hij er in eenen adem aan toe, werden de laatste Kruisridders in 1187 door Saladin overwonnen in een veldslag, die zóó hevig was, dat het bloed der gesneuvelden stroomde door de bedding der vallei.

Of deze plaats der bergrede de juiste is en of hetgeen hij vertelde omtrent dat bloedig gevecht wel geheel vrij van overdrijving was, laat ik in het midden; maar in elk geval was er iets zeer treffends in die tegenstelling, welke hij maakte, blijkbaar zonder het zelf te beseffen, tusschen dat slagveld—ik schreef haast slachtveld—, waar die edele Kruisridders vielen, en dien berg vlak daartegenover, waar de Heiland het woord sprak: „Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.” Was het niet, alsof die schrille tegenstelling uitdrukte, dat Gods zegen niet kon rusten op hen, die het Heilige Land voor het Evangelie wilden veroveren met onheilige wapenen des vleesches? Riep dat woord van den Heiland ons niet den huidigen, liefderijken kruistocht voor den geest der Inwendige Zending, wier edele riddergestalten strijden met geestelijke wapenen, en die met hun wapenen des vredes reeds menige overwinning behaalden, zooals door mij in het tijdschrift Lichtstralen werd aangetoond.

De vlakten, die wij verder doorrijden, zijn onbeschrijfelijk dor. Heinde noch ver is er een boom te zien. Dit is in geheel Palestina het geval. Daardoor vertoont het land overal een doodsch karakter. Hoe veel liefelijker zou het landschap er uit zien, wanneer de bergen rondom de zee van Gennesareth en elders bedekt waren met bosschen en wouden. Slechts in de onmiddellijke nabijheid der dorpen of steden vindt men kleine boomgaarden van olijven, citroenen en vijgen. De oorzaken van dit droevig verschijnsel liggen in allerlei omstandigheden, die het volkomen verklaren en die mij aanleiding geven om hier een en ander mede te deelen van de Turksche Regeering en van de maatschappelijke wanverhoudingen in een land, dat zucht onder den vloek van haar bestuur. Het bevestigt ten volle het bekende spreekwoord: „Waar de Turk zijn voet heeft gezet, groeit geen gras meer.”

De oorzaak, waarom men geen vruchtboomen aanplant, is hierin gelegen, dat de Regeering van elken boom belasting heft, ook al draagt hij geen vrucht. Deze belastingheffing is bovendien overgelaten aan de willekeur van den beambte, die er mede belast is. Het is dus alleszins verklaarbaar, dat men liever geen boomen aanplant, waarvoor men in de belasting kan worden aangeslagen ook al leveren zij nog niets op, en ze liefst omhakt, zoodra zij niet meer de waarde der belasting kunnen opbrengen. Ten einde nu echter het vellen der boomen te voorkomen, heeft de Regeering daartegen, natuurlijk behoudens uitzonderingen, een verbod uitgevaardigd. Maar omdat de man, die met het toezicht hierover is belast, evenals elk ander Turksch ambtenaar, onmogelijk kan rondkomen van zijne karige bezoldiging, vermeerdert hij zijne inkomsten met de bakschisch of fooien die hij krijgt, wanneer hij toestaat, dat een boom ten doode wordt opgeschreven. Hij leeft dus van het geld, dat hij ontvangt voor de overtreding van een wet, die hij behoort te handhaven! Zietdaar een staaltje van het Turksch bestuur!

Het gevolg hiervan is, dat men binnen eenige jaren zelfs geen hout meer zal hebben om te branden. De directrice van het kinderhuis Talitha Kûmi te Jeruzalem was dan ook zeer bezorgd over de toekomst, daar het brandhout hoe langer hoe schaarscher en duurder werd. Hetgeen men haar tot dusver voor veel geld had geleverd, was afkomstig van boomstammen uit bosschen, die reeds lang waren verdwenen, doch waarvan de wortels nog in den grond zaten en werden uitgegraven. Steenkolen zijn er niet te verkrijgen; de zoogenoemde kolen, die men er brandt, bestaan grootendeels uit aarde. In de bergen rondom de Doode Zee meent men ze te kunnen vinden; maar elk verzoek tot de Regeering om boringen toe te staan, wordt met stilzwijgen beantwoord.

Zoo zou men allerlei kunnen noemen.

De warme baden aan de zee van Tiberias wenschte een vermogend man in exploitatie te brengen. Hij richtte zich te dien einde 19 jaren geleden tot de verheven Porte, maar wacht tevergeefs op een ferman of verlofbrief.

Voor eenige jaren gaf de Regeering tegen hoogen koers een nieuwe munt uit. Bij gebrek aan pasmunt werd zij gretig aangenomen. Nauwelijks was zij echter in omloop, of er volgde een Iráde of bevelschrift van den Sultan, waarbij de waarde tot op de helft verminderde. Sedert dien betaalt men dan ook alles in Fransch geld.

Turksche ambtenaren ontvangen nooit meer dan 10 van de 12 maanden salaris, waarop zij recht hebben. Het ontbrekende moeten zij dus verhalen op hunne ondergeschikten en hun ook 2 maanden minder uitbetalen of op andere wijze. Een postbeambte vindt dit tekort in de postzegels, die hij afscheurt van de briefkaarten en brieven, die hij daarna vernietigt. Vandaar overal in de grootere plaatsen een Oostenrijksche post. Zoo men verzuimt van een telegraafbeambte een ontvangbewijs te verlangen strijkt hij eenvoudig het geld op, zonder het bericht te verzenden.

Zietdaar enkele bijzonderheden, die ik hier vermeld, ten einde zich eenigszins een denkbeeld te kunnen vormen van de ontzettende wanverhoudingen, die belichaamd zijn in het Turksch bestuur, dat een vloek is voor dit land. Het was dan ook een diepe verzuchting, waarmede onze dragoman, die mij deze dingen onderweg vertelde, zijne mededeelingen besloot, toen hij zeide: „de allerslechtste Regeering van eenig ander land in Europa zou nog beter zijn dan de onze.”

In een tijd als die waarin wij leven, in welken zoo vaak wordt geklaagd over Regeeringen, mag men zulke dingen wel eens hooren. 't Is waar, wij wonen niet in een land der belofte, en toch is het hier in menig opzicht nog vrij wat draaglijker dan in het Land der belofte zelf. Laat ons echter hopen en gelooven, dat er ook nog voor dit arme land betere tijden zijn weggelegd, wanneer de beloften van Hem, Die getrouw is, in vervulling zullen gaan.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings