← Table of contents
Reisindrukken in het Oosten

DAMASCUS.

Reading edition

Illustration from Reisindrukken in het Oosten

Van Maallakah, waar wij uitstapten om Baälbek te bezoeken, vervolgen wij per spoortrein onzen weg, die ons over den Anti-Libanon naar Damascus brengt. Deze weg doorsnijdt eerst de Beka-vlakte, stijgt dan nog circa 400 meter en volgt daarna de slingerende kronkelingen van de Barada-rivier. Deze Barada houdt men voor dezelfde rivier, waarvan Naäman de Syriër (2 Kon. V: 12) reeds het water prees, dat in voortreffelijkheid niet onderdeed voor dat van den Jordaan en heette destijds de Amana. Dien ouden roem handhaaft zij nog steeds met eere, want zij doorstroomt als een groot ververschingskanaal de geheele stad, welke zij in tweeën snijdt, en voorziet tevens de huizen der inwoners en de fonteinen langs de straten van heerlijk drinkwater. Zij ontspringt op den Anti-Libanon, waar zij hier en daar de vallei, die wij afdalen, verfrischt; allengs verbreedt zij zich tot een bergstroom, die aan beide zijden met spichtige populieren is beplant; besproeit vervolgens groene weiden, waarop kudden grazen, en de tuinen van rijke Arabieren, die hier hun buitenverblijf hebben. Eindelijk na 3½ uur heeft de trein ons naar Damascus gebracht, dat als eene oase in de woestijn reeds van oudsher de „parel van het Oosten” en „het Paradijs der Muzelmannen” werd genoemd.

Het zijn eigenaardige gewaarwordingen, die zich van ons meester maken, wanneer men met den spoortrein, het vervoermiddel der 19de eeuw, eene stad nadert, die reeds evenzoovele eeuwen voor onze jaartelling bestond. Onwillekeurig denkt men terug aan den aartsvaderlijken tijd van Abraham, wiens trouwe knecht Eliëzer een Damascener van geboorte was; die met zijn dappere manschappen hier de Koningen achterhaalde en versloeg, die zijn neef Lot gevankelijk hadden weggevoerd. Damascus, de stad, welke een David schatplichtig maakte en waarin hij zijne bezetting legde; de stad, waar later al die Koningen van Syrië zetelden, die zoo dikwijls hun invallen deden in het gebied van Israël; de stad, waar de apostel Paulus woonde in de straat de Rechte, die nog heden ten dage dienzelfden naam draagt en waar hij na zijne bekeering het eerst het Evangelie predikte, zoodat hij de stad moest ontvluchten langs een muur, dien men nog aanwijst; de stad, waar weleer eene bloeiende Christelijke gemeente bestond, waar—om maar niet meer te noemen—de welsprekende kerkvader Johannes Damascenus woonde, die om zijn beroemd werk: „De bron der kennis” geacht wordt de geestelijke vader der Grieksche Kerk te zijn. Inderdaad, het belangrijke dezer stad is niet gelegen in hetgeen zij is, maar in hetgeen zij was, in hare geschiedenis die zoo nauw saamgevlochten is met die van den Bijbel en van de Christelijke Kerk in het Oosten.

Trouwens Damascus zelf is bij andere Oostersche steden vergeleken arm aan monumentale gebouwen. Het eenige, wat men hiertoe kon rekenen, was de prachtige Omajaden-moskee, vooral beroemd om haar mozaïek, maar die in 1893 door een brand totaal werd vernietigd. Zij stond bij de Mohammedanen hoog in aanzien, vooral omdat daarin het hoofd van Johannes den Dooper werd bewaard, waarbij de bewoner van Damascus nog tot op den huidigen dag zijne eeden pleegt te zweren. Daaraan dankte ook de Christelijke kerk, die er in het begin onzer jaartelling gestaan heeft en waarvan nog enkele bogen zijn overgebleven, den naam van Johanneskerk.

Van de oude moskee ziet men enkel nog de zijmuren en de plaats, waar zij gestaan heeft; men was druk bezig haar zooveel mogelijk in den oorspronkelijken vorm te herstellen. Het trof ons, dat elk geloovige daarvoor naar zijn vermogen het zijne moest bijdragen, de rijke in geld, de arme door arbeid gedurende een of twee dagen in de week. Het fijne werk, waarvan zoodoende misschien niet veel terecht zou komen, werd door Christenwerklieden uitgevoerd, ook omdat, naar men ons verzekerde, de Mohammedanen daartoe onbekwaam waren.

De overige moskeeën, die wij bezochten—er zijn er 248—gaven weinig belangrijks te zien. Bij een dezer bevonden zich een aantal vertrekken rondom het voorplein, die dienden om armen te huisvesten en ze te voorzien van een dagelijksch middagmaal. Maar, helaas! deze schoone trek der Mohammedaansche barmhartigheid, de eenige trouwens, dien ik op onze reis in het Oosten heb opgemerkt, was door de hebzucht der mannen, die met de uitvoering belast waren, tot een minimum van één portie soep in de week teruggebracht! Voor het overige gelijken alle moskeën op elkaar. Zij worden slecht onderhouden en weinig bezocht, behalve door den vreemdeling, die daarvoor veel moet betalen en zich wel moet ontzien, dat hij de sloffen niet verliest, die hem onder de voeten worden gebonden ten einde de rietmatten niet te ontwijden, die den vloer bedekken. Want zonder die sloffen wordt hem de toegang ontzegd, tenzij hij zich getrooste zijne schoenen uit te trekken.

Terwijl dus Damascus bij andere steden achterstaat in bezienswaardigheden, is er toch genoeg, dat den vreemden bezoeker belang inboezemt. Hiertoe behoort in de eerste plaats het leven der bewoners. Men is hier in eene echt Oostersche stad, die zich kenmerkt doordat men er leeft op straat. Het verst hebben het hierin de bezoekers van de talrijke koffiehuizen gebracht, die op straat rustig op hun divans hun nargile zitten te rooken, of hun tijd dooden met een of ander spel. Zij zitten daar van den morgen tot den avond met de beenen niet op den grond, maar op hun stoel en slaan op hun doode gemak de bedrijvigheid gade, die op straat heerscht.

Deze bedrijvigheid ziet men het best in de bazaars. Deze bazaars zijn hier met een koepeldak overdekt en doen ons denken aan de passages in onze groote steden alleen met dit verschil, dat de bekapping van hout en de vloer van aarde is. Daardoor zijn ze somber, stoffig en benauwd. Hierbij komt nog, dat er zich niet enkel de bevolking beweegt, die er iets komt koopen, maar alles er door elkaar krioelt: karren en wagens, kameelen en ezels, menschen en dieren, kinderen en honden, de laatsten om dienst te doen als gezondheidspolitie en straatreiniging. Alle afval toch wordt eenvoudig op straat geworpen en door hen verslonden. Gelukkig zijn ze niet gevaarlijk; ze slapen den ganschen dag en storen zich niet aan den voorbijganger; voor karren of rijtuigen staan ze alleen dan op, wanneer de koetsier zijn schelle stem laat hooren.

Een en ander maakt een verblijf in de bazaars niet aangenaam, zoodat vreemdelingen als wij er niet licht toe komen er wat te koopen. Trouwens is dit ook niet gemakkelijk, daar de Arabier gewoonlijk begint 4 maal meer te vragen dan de waarde van een voorwerp, zoodat het lang kan duren eer de koop gesloten is. Het eenige, waaraan ik mij gewaagd heb, waren eenige fleschjes rozenolie, waarvoor Damascus beroemd is, als eene herinnering aan de rozenvelden, die het omringen, en als een gewenscht tegengift tegen de onfrissche lucht, die men in de bazaars inademt.

Het doet dan ook weldadig aan, wanneer men daarna een toer doet om de stad. Daar ziet men o.a. het huis, waarin Naäman de Syriër zou gewoond hebben, en de poort aan den ingang van de straat de Rechte, waardoor Paulus de stad zou zijn binnengekomen. Het treft alleen ongelukkig, dat deze aan de Oost- en niet aan de Westzijde is gelegen, zooals men verwachten zou; maar daar zij de eenige poort is, die nog bestaat, schiet er niets anders over dan zich zonder verdere kritiek eenvoudig neer te leggen bij overleveringen als deze, iets, waaraan men zich spoedig leert gewennen in het Oosten.

In de buitenwijken zijn de straten niet overdekt en veel smaller, zoodat ze hoogstens aan een rijtuig toegang verleenen. Ware het niet, dat de bovenverdiepingen der huizen aan beide zijden over de straat waren gebouwd, zoodat ze een soort van arcades vormden, dan zou de hitte hier ondraaglijk wezen. In deze minder drukke gedeelten zijn de aanzienlijken gehuisvest. Uitwendig vertoonen hun huizen niets weelderigs; daarentegen zijn ze van binnen te rijker getooid en dragen ze de sporen van een tijd, toen er groote welvaart heerschte. Het is dan ook inderdaad verrassend ze van binnen te zien, hetgeen gaarne wordt toegestaan.

Een wijde poort verleent toegang tot het binnenplein, waar de woonvertrekken op uitzien, gewoonlijk van een veranda voorzien om het schelle licht te temperen. De helft van het vertrek, waarin men wordt ontvangen, is een meter verhoogd; hier staan eenige divans, waarop men plaats neemt. De atmosfeer, door marmeren vloeren en zijwanden reeds verkoeld, wordt nog bovendien aangenaam verfrischt door een fontein van helder water uit de Barada. Een klein kopje drabbige mokka, dat men Turksche koffie noemt, en een cigaret, die men wellevendheidshalve niet mag weigeren, bekronen de gastvrijheid van den bewoner, een Turk, een Israëliet en een Christen, die ons achtereenvolgens toelieten een blik te slaan in hunne woningen.

Na getracht te hebben eenigszins een denkbeeld te geven van het leven in deze echt Oostersche stad bestijgen wij nog een der omliggende bergen om haar in haar geheel te kunnen overzien. Een vooruitspringend gedeelte van het Kasjun-gebergte biedt daarvoor eene schoone gelegenheid. Van hier toch overziet men gansch Damascus, met de voorstad Meidan, met haar ruim 200.000 inwoners. Het juiste cijfer schijnt men niet te kunnen opgeven. Wanneer men hier staat, kan men begrijpen, waarom Damascus als „de parel van het Oosten” wordt geroemd, want het doet inderdaad denken aan een parel, wel niet in goud, maar in het groen gevat. Een breede gordel toch van groen geboomte omzoomt de stad, die daar voor ons ligt en waarachter zich het Hauran-gebergte ter eener en de eindelooze vlakten der woestijn ter anderer zijde uitstrekken.

Onderwijl wij daar stonden, sloeg ik mijn reisboek eens op om na te zien, of er niets bijzonders werd vermeld; ik las toen, dat deze plaats den Muzelman heilig is, omdat hier weleer Abraham zou gestaan hebben en gekomen zou zijn tot de kennis van den Eénen waarachtigen God. Onwillekeurig kwamen mij nogmaals de oude gestalten, waarvan ik in den aanvang sprak, voor den geest. Ik dacht aan de geschiedenis der goddelijke heilsopenbaring, welke waarlijk ook aan een Damascus niet is voorbijgegaan, maar zonder vrucht is gebleven. Want daar lag zij voor ons, de stad van voor duizenden jaren, schier onveranderd, beschaduwd door bergen, waarachter de zon was neergedaald. Zij deed mij denken aan het sprookje van Doornroosje, de schoone slaapster in het bosch, de Koningsdochter, die door de jaloersche toovergodin betooverd werd, zoodat zij honderd jaren lang moest slapen, terwijl alles, wat haar omgaf of met haar in aanraking kwam, met haar indommelde. Honderd jaren gaan voorbij, niets verandert, alles slaapt en slaapt maar door, totdat eindelijk een koningszoon Doornroosje vindt, haar wekt uit den slaap en zich met haar verbindt.

O stad en land van zooveel sprookjes, van „Duizend en een nacht”, zoo dacht ik onwillekeurig, wanneer zal ook voor u de dag aanbreken, wanneer zult gij ontwaken uit uw droom, wanneer zal de stem van den grooten Koningszoon ook tot u doordringen, die stem, die daar roept: „Ontwaakt gij, die slaapt en sta op uit de dooden en Christus zal over u lichten!”?

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings