DE OLIJFBERG.
Reading edition

Het was stellig menigeen, die het Heilige Land bezocht en vooral die plaatsen, waaraan de eene of andere gewijde herinnering aan het leven des Heeren verbonden is, tot een groote teleurstelling, dat er omtrent de juistheid daarvan zoo weinig met zekerheid te zeggen valt. Dit geldt van Bethlehem, waar de Heiland geboren en van Nazareth, waar Hij opgevoed werd; het geldt van den hof van Gethsemane en zelfs van den Olijfberg, van de plaats, waar Hij opvoer ten Hemel.
De weg naar den Olijfberg gaat langs den hof van Gethsemane en snijdt dien in twee helften, waarvan de eene bestaat uit een vierkanten bloemhof met eenige oude olijfboomen, de andere in een grot, in welken de Heer bad. Wanneer nu de veronderstelling juist is, die ik uitte omtrent den weg naar Bethlehem, dat oude wegen hoogst zelden verlegd worden en dit ook van dezen weg geldt, dan is de waarschijnlijkheid gering, dat wij in den tegenwoordigen hof van Gethsemane op de plaats zijn, waar de Heer den laatsten avond zijns levens doorbracht. Immers, deze weg scheidde dan de plaats waar Hij bad geheel af van den ingang, dien de discipelen moesten bewaken.
Mij moet ik zeggen was de ontdekking, dat Gethsemane onmogelijk hier kan gelegen hebben geen teleurstelling, want onder al hetgeen ik te Jerusalem zag maakte niets op mij zoo weinig indruk als deze hof. Het is een vierkante tuin, ingesloten door een hoogen muur en door een kruispad in vier gelijke helften verdeeld, elk met regelmatige bloembedden, waarop asters, zinias, immortellen en andere bloemen gekweekt worden door een monnik, die ze gretig tegen een geldstukje ruilt.
Ongetwijfeld heeft hier ergens tegen de helling van den Olijfberg, die geheel met boomen beplant was een olijvengaard gelegen, waar de Heer gewoon was zich af te zonderen tot het gebed, maar waar dat geweest is, laat zich onmogelijk met zekerheid bepalen, evenmin als op den Olijfberg de plaats Zijner Hemelvaart.
Deze berg is de voortzetting van den Scopus, die de stad ten Noorden begrenst en vormt een breede bergrug, die haar ten Oosten in een halven cirkel insluit. De Olijfberg zelf heeft drie hoogten. Op een dezer wijst men de plaats aan, waar de Heer stond, toen Hij opvoer ten Hemel en een wolk Hem voor de oogen zijner discipelen wegnam. En waarop grondde men de bewering, dat dit hier geschiedde? Zoowaar, op een afdruk van zijn voetstap in de rots, die men ons laat zien in de Hemelvaartskapel, een al te doorzichtige tegenhanger van den handgreep op de heilige rots in de Omarmoskee van den engel Gabriël, die deze es-Sachra tegenhield, toen hij Mohammed wilde volgen bij zijn hemelvaart!
Gelukkig, dat er hoogere aandoeningen en verhevener indrukken zijn, die zich van ons meester maken, wanneer wij den Olijfberg bestijgen. Want, al vinden wij hier nergens een zichtbaar spoor, dat ons aan den Heer herinnert, wij gedenken hier hoe Hij met de Zijnen voor het laatst dezen weg aflegde, toen Hij den berg der Hemelvaart besteeg. Wij denken aan dat Jerusalem, dat daar achter ons ligt, dat Hem had miskend en verworpen. Wij denken aan dat smartelijk lijden, dat Hem daar was aangedaan en nu voor goed achter Hem lag. Wij denken aan dat alles wat Hij leed om een verloren menschheid te verlossen van het verderf en te verzoenen met God. Wij denken aan al wat Hij deed om ons den weg ten Hemel te banen. Dat alles was thans volbracht en de ure aangebroken, waarin Zijn hoogepriesterlijk gebed zoû worden verhoord, de ure waarin Hij de heerlijkheid zoû hernemen, die Hij bij den Vader had eer de wereld was. Kon het anders of deze gedachten moesten ons als van zelf voor den geest komen, terwijl wij dezen berg bestegen, wellicht langs dienzelfden weg als Hij weleer.
Naarmate men hooger komt verruimt zich de gezichtskring, totdat men eindelijk na een halfuur den top heeft bereikt, van welken men het volle uitzicht geniet over de stad, die daar voor ons ligt en het bergachtig landschap er om heen.
Voor onze voeten breidt zich het breede Kidrondal uit. Recht tegenover ons ligt Jerusalem, met de voormalige Tempelplaats op den voorgrond. Waar eenmaal de schoone gebouwen stonden van den tempel, rijst thans het statige koepeldak der Omarmoskee ten hemel. Daarachter ontplooit zich voor onzen blik de gansche stad met al de slanke minarets der talrijke moskeën, waartusschen de breede toren der Protestantsche kerk een goed figuur maakt. Sterk weêrkaatst het glanzend licht der felle zonnestralen tegen het helderwit der blanke muren, die de vunzige, dompige straten verbergen, die de stad doorkruisen. Van hier uit is alles wit, alles rein, alles helder, alles licht; van hier uit is Jerusalem op haar schoonst en de indruk, dien dit uitzicht van den Olijfberg op ons maakt blijft dan ook onvergetelijk.

JERUSALEM VAN DEN OLIJFBERG.
Rondom haar heen, tegen de bergen, die haar insluiten, zien wij overal gebouwen en stichtingen der liefdadigheid, die de Christenen hier in het leven riepen. Hier de huizen der Duitsche kolonisten; daar Talitha Kûmi en het Syrische Weeshuis, de bekende toevluchtsoorden voor meisjes en jongens; ginds het groote hospitaal voor kranken en het Asyl voor melaatschen; voorts tal van pelgrimshuizen van Duitschen, Franschen en Russen, die als een groot leger de stad omringen, alsof zij door de macht der liefde haar wilden veroveren voor Hem, die Liefde is en dien zij allen belijden als den Heiland en Zaligmaker der wereld. Zonder zich hunner belijdenis te schamen, stellen zij haar echter niet op den voorgrond; het is alsof zij zich hier allen getooid hebben in het kleed der dienende liefde als de band der volmaaktheid, die hen samen verbindt. Zij liggen daar als stille getuigen van de ontfermende liefde en trouw van Hem, die bij zijn laatste afscheid aan de Zijnen beval „te beginnen van Jerusalem”.
Ja, wanneer wij hier staan op dien Olijfberg en wij zien die eeuwenoude stad daar voor ons liggen en het eenig panorama, dat zich hier voor ons oog ontrolt, dan komen ons onwillekeurig die oogenblikken voor den geest, toen de Heer hier ook stond met zijne discipelen, die Hem wezen op die schoone gebouwen en Hij het aanstaande oordeel over dat Jerusalem en het toekomstig gericht over gansch de wereld, die hier voor hem lag, aankondigde; maar tegelijk komt ons ook dat machtige zendingsbevel in gedachte, dat Hij hier den Zijnen gaf, toen Hij zeide: „gaat dan henen, onderwijst al de volken, dezelve doopende in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes; leerende hen onderhouden alles, wat Ik u geboden heb”. Ja wij gevoelen het, hier, waar men zoo hoog staat en zoo verre ziet, hier moeten ze gesproken zijn, die verreikende woorden, die de einde der aarde omvatten. Van hier moesten ze uitgaan, die eenvoudige mannen, van dezen berg, van welken de toen bekende wereld aan hun voeten lag om haar te overwinnen door de kracht van hun geloof in Hem, dien zij hier hadden aanschouwd in Zijne heerlijkheid.
Helaas, dat onderlinge naijver en menigvuldige verdeeldheden in verloop van tijden de Zijnen zoozeer hebben verteerd, dat zij machteloos waren om de wereld voor Hem te winnen. Hoe dikwijls was en is Jerusalem daarvan nog getuige. Ook nu is voor haar het verschil in belijdenis nog maar al te zeer een beletsel om zich te buigen voor haren eenigen Koning. Hoe heerlijk zou het wezen, wanneer dat anders ware, wanneer de Christenen, die daar in en om Jerusalem wonen één waren in hetzelfde geloof, wanneer dat Jerusalem, zooals het hier voor ons ligt het beeld teruggaf van hetgeen het in waarheid moest wezen!
Het valt ons moeielijk om van dezen plek te scheiden, vanwaar wij Jerusalem op zijn schoonst voor ons zien. Zóó zouden wij het gaarne in onze herinnering bewaren. Doch wij moeten den berg weêr af en terugkeeren tot de werkelijkheid; maar voor dat wij dit doen, worden wij nog eens herinnerd aan de oorspronkelijke eenheid van het Christelijk geloof in twee kapellen, die wij binnentreden. De eene is de Onze Vader kapel, in 1868 gesticht en zoo genoemd, omdat aan de vier zijwanden het Gebed des Heeren in 32 talen geschreven staat; de andere is aan de gedachtenis der 12 Apostelen gewijd, die hier, voordat zij uit elkander gingen de bekende XII artikelen des Christelijken geloofs zouden opgesteld hebben. Men ziet hun beeltenis aan den wand met het artikel hunner belijdenis er onder.
Is het geen treffende gedachte, die beide formulieren van eenigheid, die de uitdrukking zijn der gemeenschappelijke geloofsbelijdenis aller Christelijke kerken op aarde, juist hier boven op dezen Olijfberg met stalen stift in steen te zien vereeuwigd. Herinneren zij niet aan den gemeenschappelijken oorsprong van ons aller geloof en aan de gemeenschap der geloovigen aller natiën, landen en tongen. Zijn ze niet tegelijk ook eene profetie eener heerlijke toekomst, waarin alle volkeren zullen instemmen met eenzelfde belijdenis en zich met ons zullen vereenigen in een gemeenschappelijk gebed tot denzelfden Vader. Zijn die 32 talen, waarin dat gebed voor 30 jaren werd opgesteld sedert niet reeds meer dan 400 geworden.
Neen, wij dalen den Olijfberg niet af zonder versterkt te zijn in het geloof, dat het machtsbevel dat de Koning der aarde hier tot de Zijnen sprak zijnen loop zal volbrengen over gansch het wereldrond en allen eenmaal zullen toestroomen tot den berg zijner heerlijkheid. Dan zal ook Jerusalem Hem huldigen als zijnen Heer. Dat Jerusalem zal schooner zijn dan het tegenwoordige, maar toch niet in vergelijking komen met het Jerusalem, dat boven is en eenmaal het aardsche zal vervangen, en waarin allen vereenigd zullen worden, die den Christus erkenden als hunnen Heer en Hem zullen aanbidden als den Koning der eere, Wien zij de heerlijkheid in eeuwigheid.

PALESTINA De roode lijn wijst de reisroute aan.