DE OUDE STAD EN HARE GRAVEN.
Reading edition

Bij mijne verdere beschouwing van Jerusalem, onthoud ik mij opzettelijk van eene nadere beschrijving der zoogenoemde bezienswaardigheden. Zij is door anderen reeds zoo voortreffelijk gegeven, dat ik slechts in herhalingen zou vervallen, wanneer ik dat nog eens deed. Ik stel mij daarom voor eene wandeling te doen om de stad, ten einde dan hier en daar eens stil te staan bij datgene, wat in het bijzonder mijne aandacht trok, vooral uit een oudheidkundig oogpunt.
Men heeft namelijk op het gebied der oudheid ook in Jerusalem ontdekkingen gedaan, die op velerlei dingen een geheel nieuw licht hebben geworpen en waardoor men tot klaarheid kwam, omtrent velerlei waarover men tot nog toe in het onzekere verkeerde. Aangespoord door de belangrijke uitkomsten, welke men verkreeg bij een ingesteld onderzoek in andere wereldsteden als Ninive en Babel, Thebe en Memphis, Athene en Rome, Herculanum en Pompeï, werden in 1867 eene Engelsche en in 1877 eene Duitsche Vereeniging in het leven geroepen, die zich ten doel stelden alles te onderzoeken, wat in Palestina op het gebied der oudheidkunde van belang geacht kon worden. Ondanks menigerlei bezwaren, die daarbij in den weg stonden, kan men gerust zeggen, dat deze pogingen tamelijk welgeslaagd mogen heeten. Intusschen blijft er toch nog zeer veel over, waaromtrent men in het onzekere verkeert. Hiertoe behoort ook de ligging der oude stad.
Het oude Jerusalem,—eigenlijk zou men hier wel het meervoud kunnen bezigen, want de stad werd in den loop der eeuwen zevenmaal verwoest en herbouwd, waardoor zij natuurlijk allerlei veranderingen onderging,—de oorspronkelijke stad, die David innam, lag op een heuvel en droeg blijkens onlangs gevonden gedenktafels reeds eeuwen te voren den naam Oeroesalim. Na haar te hebben ingenomen, trok hij er een tweeden heuvel bij aan, dien hij verbond door een brug over het Tyropoeon- of Kaasmakersdal, welke dubbele stad daardoor den naam Jeruschalajim kreeg, een benaming, waardoor in de Hebreeuwsche taal nog dat tweeledige wordt uitgedrukt. Deze beide heuvels, waarvan de Oostelijke aanzienlijk lager is dan de Westelijke, vormen het uiteinde van den langwerpigen berg Scopus, die zich van het Noorden naar het Zuiden uitstrekt. Het Kaasmakersdal, waardoor zij van elkander gescheiden waren, liep wederom uit in het dal van Hinnom, dat beide heuvels aan de Zuidzijde insluit. Dit dal vereenigt zich aan de Oostzijde met dat van Josafat, thans het Kidrondal genoemd, dat den lageren heuvel en de daaraangrenzende tempelplaats afscheidt van den Olijfberg, die zich in het Noorden met den berg Scopus vereenigt.
In de dagen van haren grootsten bloei besloeg de stad den ganschen bergrug van den Scopus met de beide heuvels. Thans is zij wederom ingekrompen tot een vierkant, dat slechts vier kilometers in omtrek heeft, aan elke zijde ongeveer een kilometer. De beide heuvels aan de Zuidzijde en een groot gedeelte van den berg Scopus aan de Noordzijde behooren thans niet meer tot het ommuurde gedeelte der stad.
Nu is men er in geslaagd de fondamenten te vinden van den stadsmuur, die weleer de beide heuvels afsloot en heeft diens loop nauwkeurig kunnen bepalen; maar omtrent de grenzen der Noordelijke stad heeft men tot nog toe geen stellige zekerheid kunnen verkrijgen. Dit laat zich te beter begrijpen, wanneer men bedenkt, dat ten deze elke aanwijzing onder den grond moet gezocht worden, en daar deze grootendeels bebouwd is, dient men de gelegenheid af te wachten, dat er een herbouw plaats vindt, waardoor de grondslagen worden blootgelegd om dan op goed geluk af opgravingen te doen. Wanneer men nu hierbij in aanmerking neemt, dat Jerusalem in den loop der eeuwen zoo dikwijls herbouwd is en men hier dus te doen heeft met brokstukken van misschien zeven over elkander gebouwde steden, zal men eenigszins kunnen beseffen, hoe moeilijk het voor oudheidkundigen is om tot vaststaande resultaten te komen. Ik herinner mij, om een voorbeeld te noemen, op eene wandeling door een der straten midden in de stad, in een muur een boog gezien te hebben van een poort ter hoogte van een halven meter boven den beganen grond; een bewijs dus, dat de tegenwoordige straat verscheidene meters hooger ligt dan die, waartoe die boog toegang verleende. In een Russisch gebouw, grenzende aan de kerk van het Heilige Graf, ziet men, na eerst eenige trappen te zijn afgedaald, dus meters diep onder den beganen grond, muren en poorten van oude gebouwen, die men uitgegraven heeft. Zooals wij reeds opmerkten moest men ook de fondamenten der Verlosserskerk, die daar vlak tegenover ligt, 16 meters diep uitdelven, alvorens vasten grondslag te krijgen voor den bouw.
Bij de gesteldheid van zulk een bodem, die het eenige punt van uitgang is voor den oudheidkundige bij zijn in te stellen onderzoek, kan men zich dus begrijpen, hoezeer de meeningen der geleerden moeten uiteenloopen over de ligging van Golgotha. De overlevering wijst daarvoor, zooals wij reeds hoorden, de plaats aan in de kerk van het Heilige Graf. Daar zoude Keizerin Helena, de moeder van Constantijn den Groote, het hout van het kruis gevonden hebben. Anderen zoeken Golgotha niet binnen, maar buiten de muren der tegenwoordige stad, omdat, gelijk wij vroeger zeiden, de kerk van het Heilige Graf binnen de stad ligt en men het onmogelijk acht, dat deze plaats eertijds er buiten zou gelegen hebben. Natuurlijk hangt hiervan wederom af welke der beide wegen men houdt voor de eigenlijke „Via dolorosa”.
Evenzoo bestaat er verschil van gevoelen omtrent de ligging van Zion. Volgens sommigen zou daarmede de lagere, Oostelijke heuvel bedoeld zijn, ten Zuiden van de tempelplaats, volgens anderen is de hoogere, Westelijke heuvel de berg Zion geweest, die nog tot op den huidigen dag dien naam draagt. Wanneer men echter die beide heuvels van de hoogte Hakeldama, aan de overzijde van het dal Hinnom ziet liggen, dan beteekent dat Oostelijke heuveltje niets vergeleken bij zijn Westelijken nabuur. Leest men daarbij de beschrijving van de sterkte van den burcht Zion in II Sam. V, dan krijgt men den indruk, dat die hoogte een onneembare vesting was, die als zoodanig voor David veel waarde had. Welnu, wanneer men daar staat en ziet rechts dat onaanzienlijk bultje en links die verheven hoogte, dan schijnt alles te pleiten tegen de bewering, hoezeer ook met degelijk wetenschappelijke gronden gestaafd, dat op die onaanzienlijke hoogte de burcht Zion zoû gelegen hebben, dien David innam, omdat hij zich door zijne natuurlijke sterkte als vesting aanbeval en dien hij dan ook slechts door de stoutmoedige overrompeling van Joab overmeesterde.
Meer en meer is men thans echter de overtuiging toegedaan, dat de naam Zion, die aanvankelijk den oorspronkelijken Davidsburcht gold, later ook voor de tempelplaats en eindelijk voor de geheele stad werd gebezigd, waarvan het hoogst gelegen gedeelte hem tot op den huidigen dag heeft behouden.
Onder het vriendelijk geleide van onzen gastheer Pater Schmidt zetten wij onze wandeling langs Hakeldama voort en maken van de ons aangeboden gelegenheid gebruik om de woning te bezichtigen van een Griekschen monnik, die gelegen is tegen den Zuidelijken rotswand van het dal Hinnom. De bezichtiging van zulk een huis was voor ons om verschillende redenen zeer belangwekkend. De voor- en zijgevel zijn meestal open en vormen een soort van veranda, waar men zeer aangenaam zit, wanneer de zon er niet op schijnt. Daarachter bevinden zich de voornaamste woonvertrekken, die tevens als werkplaatsen dienen. Zij zijn gewoonlijk in de rotsen uitgehouwen en daardoor uitermate koel. Hun licht ontvangen zij door eene kleine opening van boven in de rots. Achter deze vertrekken bevinden zich nog andere kamers, eveneens in de rotsen uitgehouwen, waar men de plaats aanwijst, waar men weleer zijne dooden begroef en waarin thans de monnik en zijn knecht hunne slaapstede hebben. Hij had zelfs de voorzorg genomen om hier ook zijn eigen begraafplaats in te richten.
Alle woningen rondom, ook in het kleine dorpje Siloa, dat rechts van ons ligt tegen de Westelijke helling van den Olijfberg boven het Kidrondal zijn evenzoo ingericht. Daardoor begrijpt men, hoe het mogelijk is bij eene tropische hitte als daar heerscht te kunnen leven en werken zonder eenigen overlast te hebben van de warmte. Ook het vertrek van den beroemden kerkvader Hieronymus te Bethlehem was geheel onder den grond uitgegraven in de rots en verlicht door een soort luchtkoker, waardoor licht en lucht naar binnen stroomden.

HET KIDRONDAL EN ABSALOM'S GRAF.
Zulk eene leefwijze werpt ook een eigenaardig licht op het leven in de graven, waarvan men onwillekeurig een rilling krijgt, wanneer er in de Evangeliën van wordt gesproken. Maar wanneer men iemand daar ziet wonen en leven, ja zelfs slapen bij de en in de graven als onze monnik, terwijl men daar zit onder zijn vriendelijke veranda onder het genot van een glas wijn met het uitzicht op den berg Scopus, die recht voor ons ligt en beschenen wordt door de laatste stralen der ondergaande zon, dan is de afschuw van zulk een leven in de graven waarlijk niet groot meer.
Een geheel ander karakter draagt het zoogenoemde graf van Absalom in het Kidrondal. Het is met nog twee andere graven, die er naast zijn, uitgehouwen uit de rots en maakt geheel den indruk van een monument uit lateren tijd. Hoe het zij, de overlevering heeft er den naam aan verbonden van den wederspannigen zoon, die zijn hand ophief tegen zijnen vader en zijn zondige daad met den dood moest bekoopen. Het dient daarom thans ook tot een waarschuwing voor kinderen, die hun ouders niet onderdanig zijn en die men hier een steen laat werpen tegen dit graf ten teeken van berouw over en afkeer van hun zonde tegen het vijfde gebod.
Hoogst belangrijk waren ook nog andere begraafplaatsen, die wij zagen aan de Noordzijde van de stad. Hier liggen de bekende graven der Richteren en Koningen, die een bezoek overwaard zijn, omdat zij een helder licht werpen over verschillende Bijbelsche uitdrukkingen en het Israëlietisch geloof aan het Doodenrijk.
Langs een breeden trap van 24 treden in de rots daalt men af tot een groot vierkant plein 8 meter beneden den beganen grond. Het is omstreeks 28 meter lang en 25 meter breed en van boven geheel open. Aan eene zijde ziet men een gewelf, waarboven nog eene eenigszins geschondene inscriptie prijkt, waar wij binnen treden. Aan onze linkerhand bevindt zich eene vierkante opening ongeveer een meter hoog, welke kan worden afgesloten door een rolsteen, die er naast staat in een gleuf en ongeveer zoo groot is als een molensteen. Is men met veel moeite er in geslaagd om al bukkende door deze opening heen te kruipen, dan komt men in een donker vertrek, van waaruit verschillende zijgangen geleiden naar de eigenlijke grafkamers. Hier zijn in de zijwanden de rustbanken uitgehouwen, waarop de dooden werden bijgezet. In elk dezer kamers is plaats voor 6–12 dooden, die hier „vergaderd of verzameld worden tot hunne vaderen.” Deze eigenaardige uitdrukking verstaat men volkomen, wanneer men zulk een begraafplaats ziet. Immers in zulk eene grafkamer werden alle dooden van hetzelfde gezin, of van eenzelfde geslacht verzameld en zoo er plaatsruimte ontbrak behoefde men er slechts een nieuwe kamer aan toetevoegen.
Het is dan ook gansch natuurlijk, dat het oude Israël zich het Doodenrijk of den Hades dacht beneden in de aarde en niets zoo ontzettend vond, dan wanneer een zijner geliefde dooden niet vergaderd werd met zijne vaderen, maar onbegraven bleef liggen. Ongetwijfeld hangt het Israëlietisch geloof aan de lichamelijke opstanding der dooden, dat een Martha zoo stellig en welsprekend beleed tegenover haren Heer, ten nauwste samen met de geheele wijze van begraven, die dan ook op mij een veel aangenamer indruk maakte dan het schoonste praalgraf, dat ik ooit zag op een Westersch kerkhof. Er was iets in dat onwillekeurig verzoende met de gedachte aan den dood. Dat vertrouwelijk verkeer en die voortdurende omgang met de dooden hadden voor mij zoo iets onuitsprekelijk liefelijks.
Zeerzeker, wij Christenen kunnen ons bij deze beschouwing niet losmaken van het heerlijk geloof in de opstanding der dooden, dat wij danken aan de overwinning van Christus onzen Heer op den dood. Maar daarom treft het ons te meer, dat niet alleen de Jood maar zelfs de Mohammedaan den machtigen invloed van dat geloof heeft gevoeld. Behoort het niet tot zijne liefste wenschen begraven te worden bij de muren of in de nabijheid van dat Jerusalem, waar eenmaal die overwinning op den dood werd behaald. Is niet dat Kidrondal, de vallei die Jerusalem van den Olijfberg scheidt, de plaats waar volgens hem de Christus en Mohammed in den dag des oordeels het wereldgericht zullen houden.
Inderdaad, wanneer men daar rondom Jerusalem wandelt te midden van de graven dier duizenden, die hier den jongsten dag tegensluimeren en denkt aan het woord van Hem, die eenmaal sprak: „Ziet Ik ben dood geweest en wederom levend geworden,” dan is het alsof men zelf bij vernieuwing onder den indruk verkeert van en versterkt wordt in de gemeenschappelijke belijdenis aller Christenen, die gelooven in de wederopstanding des vleesches en in een eeuwig leven.